| Plan: | Buitengebied, Nijburgsestraat 2 en 2a, Randwijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0302BUITnijburgse2-VSG1 |
De woning 'De Nijburg' aan de Nijburgsestraat 2 en 2a te Randwijk is al meer dan 40 jaar feitelijk gesplitst. Sinds 2007 is het perceel ook privaatrechtelijk gesplitst. In het huidige bestemmingsplan is echter slechts één woning toegestaan. De eigenaar van het perceel Nijburgsestraat 2a wil de bestaande feitelijke situatie planologisch vastleggen door middel van een woningsplitsing, waarbij de kadastrale situatie iets wordt gewijzigd. Het splitsen van de woning is niet mogelijk binnen de regels van het huidige bestemmingsplan, maar kan op basis van een in het huidige bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid worden toegstaan. Het opstellen van een wijzigingsplan is daarom noodzakelijk.
De gemeente wil medewerking verlenen aan het verzoek. Dit wijzigingsplan geeft de kaders aan, die op beide percelen gelden na de planologische splitsing van de woning.
Het plangebied betreft de percelen Nijburgsestraat 2 en 2a te Randwijk. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, tussen de kernen Randwijk en Heteren. Deze kernen liggen aan weerszijden van het plangebied op ongeveer één kilometer afstand. De omgeving van het plangebied bestaat uit agrarische gronden met enkele agrarische bedrijven. Verder zijn enkele niet-agrarische bedrijven en burgerwoningen in de omgeving aanwezig. De woning in het plangebied wordt aan de achterkant en zijkanten omringd door water en groenvoorzieningen.
De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven en de indicatieve begrenzing in figuur 1.2. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding bij het wijzigingsplan en komt overeen met het huidige bestemmingsvlak 'Wonen'.
|
| Figuur 1.1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps) |
|
Figuur 1.2: begrenzing van het plangebied (bron: Bing Maps)
In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat is vastgesteld op 5 maart 2013. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Wonen'. Daarnaast gelden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en gebiedsaanduiding 'waardevol landschap' in het plangebied. Een uitsnede van de verbeelding van het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is weergegeven op figuur 1.3.
|
| Figuur 1.3: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' ter plaatse van het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) |
Binnen deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, die het onder voorwaarden mogelijk maakt om een bestaande woning te splitsen in twee woningen (artikel 27.5.1). Van deze bevoegdheid wordt door middel van dit wijzigingsplan gebruik gemaakt. In deze toelichting wordt aangetoond dat aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan. Ook wordt aangetoond dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit plan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven, waarbij ook een concrete toetsing aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid plaatsvindt. In hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Ten slotte is in hoofdstuk 8 de bij de totstandkoming van dit wijzigingsplan gevolgde procedure beschreven.
Het plangebied bestaat uit de percelen Nijburgsestraat 2 en 2a te Randwijk, kadastraal bekend als gemeente Heteren, sectie E, perceelnummers 856, 974, 975, 976, 977 en 978. Sinds 2007 is het perceel kadastraal geplist. Recent is de perceelsindeling van beide percelen gewijzigd. In figuur 2.1 is de huidige kadastrale situatie aangegeven. Hierop is zichtbaar, dat de percelen kadastraal gesplitst zijn (rode lijnen). De gedeelde erftoegangsweg heeft een afzonderlijk kadastraal nummer (perceelnummer 978).
|
| Figuur 2.1: huidige kadastrale situatie en bebouwing (bron: Kadaster) |
In het plangebied is de voormalige boerderij 'De Nijburg' aanwezig. Dit is een U-vormig gebouw, waarvan een gedeelte van de (varkens)schuren aan de achterzijde ruim 40 jaar geleden is verbouwd tot woning. Het voorste deel van het gebouw is van oudsher altijd al als woning gebruikt. Aan de westkant is een aangebouwde schuur aanwezig, die eveneens nog intact is (voormalige paarden- en koeienstal). Er zijn dus al ruim 40 jaar twee woningen in de bouwmassa aanwezig.
Op het terrein zijn daarnaast een vrijstaande kapschuur en een klein bijgebouw aanwezig. De woningen beschikken over een mandelige verharde erfontsluiting. De omliggende gronden zijn ingericht als tuin en met groenvoorzieningen en waterpartijen. De luchtfoto in figuur 2.2 geeft een overzicht van de huidige situatie.
|
| Figuur 2.2: luchtfoto huidige situatie plangebied (bron: http://www.kasteleninnederland.nl/) |
De eigenaren willen de bestaande feitelijke en kadastrale situatie planologisch verankeren door middel van splitsing van de woning. Juridisch-planologisch worden daarbij twee woningen binnen de hoofdmassa toegestaan. Alle bestaande bebouwing blijft gehandhaafd en er wordt geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Recent is de kadastrale begrenzing gewijzigd. Op figuur 3 is de huidige erfindeling zichtbaar.
|
| Figuur 3: Kadastrale verdeling percelen Nijburgsestraat 2 (groene kader) en 2a (rode kader) en situering inritten (blauwe pijlen), bron: initiatiefnemer |
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Beoordeling en conclusie
Dit wijzigingsplan voorziet in het splitsen van een bestaande woning. Gezien de aard van de wijziging, zijn daarmee geen nationale belangen gemoeid. De wijziging conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.
Beoordeling en conclusie
Er is sprake van een lokale, kleinschalige wijziging, waarbij geen nationale belangen in het geding zijn. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een verplicht motiveringsinstrument, dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).
In een ruimtelijk plan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Ook moet een motivering worden opgenomen dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt: “De toelichting bij een
bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van
de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt
buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied
in die behoefte kan worden voorzien."
Beoordeling
Artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro is ook van toepassing op wijzigingsplannen. Dit wijzigingsplan voorziet in het planologisch splitsen van een bestaande woning. Er wordt daarmee in planologiosch opzicht één extra woning mogelijk gemaakt. Deze wijziging kan volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. Er vindt bovendien geen uitbreiding van het ruimtebeslag plaats, omdat de woonpercelen niet worden vergroot en er geen extra bebouwing wordt toegestaan. Om deze redenen is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op dit wijzigingsplan.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Daarna zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld. Het actuele beleid is opgenomen in de geconsolideerde versie van januari 2018. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en de kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat, een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Dit betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland.
Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan het plan wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor dit plan van belang zijn. Het wijzigingsplan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de verordening of de Omgevingsverordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt regelmatig geactualiseerd. In januari 2018 is een geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening gepubliceerd.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.
Beoordeling
Het plangebied ligt geheel of gedeeltelijk binnen de volgende aanduidingen:
Verder is het thema 'wonen' uit de Omgevingsverordening van belang, omdat er planologisch één extra woning wordt toegestaan. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan, wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma en de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020.
Omdat het gaat om het splitsen van een bestaande woning op een perceel dat voor woondoeleinden is bestemd, is er geen sprake van een nieuwe woonlocatie. Daarnaast ziet de splitsing enkel op het planologisch verankeren van een al ruim 40 jaar bestaande situatie. De splitsing legt geen beslag op de resterende woningbouwopgave van de gemeente, omdat de twee feitelijk bestaande woningen al zijn opgenomen in de huidige woningvoorraad. Beide woningen beschikken immers al over een eigen adres en zijn kadastraal al gesplitst.
Conclusie
Het wijzigingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van de Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' (hierna: de Toekomstvisie+) vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.
In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen is een speerpunt in het beleid.
Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer woningen nodig en is dus meer ruimte nodig. Ook het toenemende belang van de kwaliteit van de woonomgeving leidt tot een grotere ruimtebehoefte voor wonen. Extra aandacht moet worden besteed aan kwaliteitsaspecten, zoals een attractief, gezond en veilig woonmilieu. Verder moet rekening worden gehouden met de sterker wordende wens om op een herkenbare en 'eigen' plek te wonen. Ten slotte leiden de ontwikkelingen op de woningmarkt tot extra aandacht voor levensloopbestendige woningen.
Beoordeling
Met dit wijzigingsplan wordt een al lang bestaande situatie juridisch-planologisch vastgelegd door middel van een woningsplitsing. De twee woningen in het gebouw zijn al meer dan 40 jaar aanwezig. De bestaande bebouwing blijft gehandhaafd en er vinden geen wezenlijke ingrepen plaats in de erfinrichting. Het initiatief heeft geen invloed op de karakteristieke kwaliteiten van de omgeving. Wel draagt het splitsen van de woning bij aan het behoud van het de karakteristieke voormalige boerderij met bijbehorende bouwwerken en van het herkenbare (boeren)erf. De omliggende landschappelijke elementen (groen en water) blijven behouden. De percelen vormen gezamenlijk een fraai ensemble, dat past in het landschap en ruimtelijke kwaliteit biedt. Ook is het een geschikte locatie om te wonen.
Een belangrijke opgave volgens de Toekomstvisie+ is het behoud en de versterking van de eigenheid en kenmerken van het landschap (opgave 1). Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap, nabij een cultuurhistorisch waardevol gebied met woerden. Dit landschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is ook de veelheid aan landelijke wegen met clusters van vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. Dit kenmerk is ook zichtbaar in en rondom het plangebied, waar sprake is van een cluster van enkele woningen en boerderijen. Met het plan wordt dit cluster en het herkenbare erf waartoe het plangebied behoort, behouden en wordt de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing behouden. Het plan is daarom in lijn met deze opgave.
Conclusie
Het wijzigingsplan is passend binnen de Toekomstvisie+.
Woonagenda Overbetuwe 2020
In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen, die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning), vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.
Accentpunten zijn:
Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en voor het opvangen van de autonome groei van het aantal huishoudens.
Beoordeling en conclusie
Dit wijzigingsplan ziet op het splitsen van een bestaande woning op een perceel dat voor woondoeleinden is bestemd. Er is feitelijk geen sprake van een nieuwe woning, maar enkel van het planologisch verankeren van een al ruim 40 jaar bestaande situatie. De splitsing legt geen beslag op de resterende woningbouwopgave van de gemeente, omdat de twee feitelijk bestaande woningen al zijn opgenomen in de huidige woningvoorraad. Beide woningen beschikken immers al over een eigen adres en zijn kadastraal al gesplitst. Het plan past daarnaast in het streven naar zoveel mogelijk gebruik maken van bestaande bouwpercelen door middel van intensivering en functiewijziging. Omdat de woningen na splitsing een ruime inhoud behouden (meer dan 400 m³ per woning, zoals bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit kwaliteitsoogpunt is voorgeschreven), voldoen de woningen ook aan het streven naar hoogwaardige kwaliteit van de woningvoorraad. Het plan voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de Woonagenda Overbetuwe 2020.
Met dit wijzigingsplan wordt een een bestaande woning juridisch-planologisch gesplitst. Of voor deze ontwikkeling een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van de vraag of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit m.e.r. moet worden getoetst of er sprake is van nadelige milieugevolgen. Is dat het geval, dan moet een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen.
Beoordeling en conclusie
De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage C en D van het Besluit m.e.r., mede omdat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Immers wordt er planologisch slechts één extra woning mogelijk gemaakt binnen de bestaande en te handhaven bebouwing. Er wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt en het woonperceel wordt niet uitgebreid. Er worden daarom geen m.e.r.(beoordelings-)plichtige activiteiten mogelijk gemaakt. Een m.e.r.(beoordelings-)procedure in het kader van dit wijzigingsplan is om die reden niet noodzakelijk en er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een ruimtelijk plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Het akoestisch onderzoek richt zich op de geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidszone. De geluidszone ligt aan weerszijden van de weg.
De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorkeursgrenswaarde) afkomstig van wegverkeer bedraagt voor nieuwe woningen 48 dB (Lden). Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld.
Beoordeling en conclusie
Dit wijzigingsplan maakt een woningsplitsing mogelijk. Planologisch wordt met de woningsplitsing een nieuw geluidsgevoelig object mogelijk gemaakt. De uiterste situering van de gevels van woningen wijzigen echter niet, omdat de splitsing geheel plaatsvindt binnen de bestaande woonbebouwing en het daarmee een bestaand geluidsgevoelig object betreft. Er zijn geen bezwaren vanuit akoestisch oogpunt en een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Het aspect akoestiek zorgt niet voor belemmeringen.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
Beoordeling en conclusie
Dit wijzigingsplan maakt uitsluitend het splitsen van een bestaande woning mogelijk. In planologisch opzicht wordt daarmee één extra woning toegestaan. Deze ontwikkeling is zodanig kleinschalig, dat de verkeersaantrekkende werking ruimschoots minder is dan bij de gevallen genoemd in de Regeling NIBM. Het project valt zonder meer onder de regeling NIBM. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Het aspect luchtkwaliteit zorgt daarom niet voor belemmeringen.
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden, zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Richtafstanden
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype
De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
Beoordeling
Met dit wijzigingsplan wordt een bestaand woonperceel gesplitst. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is er sprake van een milieugevoelige functie. In de directe omgeving van het plangebied is één milieubelastende functie aanwezig, namelijk de intensieve veehouderijlocatie Nijburgsestraat 1. Het bouwvlak van dit agrarische bedrijfsperceel ligt ruim 60 meter ten zuiden van de woning in het plangebied. De vergunning voor het agrarische bedrijf, dat voorheen op deze locatie gevestigd was, is in 2013 ingetrokken. Planologisch bestaat echter de mogelijkheid om een nieuwe intensieve veehouderij op deze locatie op te starten. Als daarvan sprake is, moet een nieuw bedrijf voldoen aan de wet- en regelgeving, die op dat moment geldt, onder meer ten aanzien van het woon- en leefklimaat voor de omgeving. Daarbij moet rekening worden gehouden met de (planologische) aanwezigheid van de bestaande woningen aan de Nijburgsestraat 2, 2a en 3. De situering van de woonbebouwing wijzigt niet. Het planologisch toevoegen van één extra woning binnen deze bebouwing, levert daarom geen beperkingen op voor de agrarische bedrijfslocatie Nijburgsestraat 1. Bovendien is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen in het plangebied voldoende gewaarborgd.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering zal niet voor belemmeringen zorgen voor het plan. Er zijn geen beperkingen over en weer ten opzichte van andere functies.
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.
Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren, waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom).
Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object in het buitengebied.
Beoordeling
In de directe omgeving van het plangebied is één veehouderij aanwezig, namelijk de intensieve veehouderijlocatie Nijburgsestraat 1. Het bouwvlak van de intensieve veehouderij ligt ruim 60 meter ten zuiden van de woning in het plangebied. De vergunning voor het agrarische bedrijf, dat voorheen op deze locatie gevestigd was, is in 2013 ingetrokken. Planologisch bestaat echter de mogelijkheid om een nieuwe intensieve veehouderij op deze locatie op te starten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de (planologische) aanwezigheid van de bestaande woningen Nijburgsestraat 2, 2a en 3. De situering van de woonbebouwing aan de Nijburgsestraat 2 en 2a wijzigt niet. Het planologisch toevoegen van één extra woning binnen deze bebouwing, levert daarom geen beperkingen op voor de agrarische bedrijfslocatie Nijburgsestraat 1. Bovendien is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de woningen in het plangebied voldoende gewaarborgd.
Conclusie
De Wgv vormt daarom geen belemmering in het kader van dit wijzigingsplan.
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. Voor de gevallen waarin de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, bepaalt de Wet bodembescherming dat de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. Daarom is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk.
Beoordeling
Dit wijzigingsplan maakt een woningsplitsing binnen de bestaande bebouwing mogelijk. Er is geen sprake van een functiewijziging en er vinden geen bodemingrepen plaats, omdat alle bestaande bebouwing gehandhaafd blijft en er geen nieuwe bebouwing wordt opgericht. Een bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect 'bodem' levert geen belemmeringen op voor dit plan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Beoordeling
Dit wijzigingsplan maakt een splitsing mogelijk van een bestaand woonobject in twee zelfstandige woningen. In de huidige situatie wordt de bestaande woning al als zodanig gebruikt. Het plan staat dan ook geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toe. Daarom kan toetsing aan externe veiligheid achterwege blijven.
Conclusie
Het wijzigingsplan staat geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toe. Externe veiligheid is dan ook geen (relevant) toetsingskader voor deze procedure.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig kunnen plaatsvinden.
Beoordeling en conclusie
In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Bovendien vinden er geen werkzaamheden plaats in het kader van de ontwikkeling, die tot gevaar of beperkingen ten aanzien van kabels en leidingen kunnen leiden. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
Beoordeling
Met dit wijzigingsplan wordt een bestaand woongebouw planologisch gesplitst in twee zelfstandige woningen. Alle bestaande bebouwing en verharding blijft gehandhaafd. Nieuwe bebouwing wordt niet toegestaan. Het verhard oppervlak blijft per saldo dus gelijk. Een compensatieverplichting volgens de Keur is niet aan de orde.
Er is sprake van een al lang bestaande situatie. De woningen zijn aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Afvalwater wordt via het gemeentelijk rioolstelsel getransporteerd. Hieraan wijzigt met het voornemen niets. Hemelwater wordt gescheiden afgevoerd. Ook voor deze voorzieningen wijzigt er niets. Hemelwater en afvalwater blijven gescheiden. Het plan is daarmee hydrologisch neutraal.
Rondom de woonpercelen is oppervlaktewater aanwezig. Het plan heeft hierop echter geen invloed.
Conclusie
Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding, oppervlaktewater of waterkeringen. Dit aspect levert geen belemmeringen of nadere voorwaarden voor de ontwikkeling op.
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Beoordeling
Gebiedsbescherming
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het gebied 'Rijntakken', ruim 450 meter noordelijk van het plangebied. Er liggen ook geen gebieden, die behoren tot het Natuur Netwerk Nederland, op kortere afstand.
Gezien de aard van de ontwikkeling in het plangebied, namelijk het splitsen van een bestaande woning en vanwege de afstand tot beschermde natuurgebieden, kunnen negatieve effecten op deze gebieden op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Soortenbescherming
Negatieve effecten op de beschermde dier- en plantensoorten zijn redelijkerwijs uitgesloten vanwege de aard van de ontwikkeling. Het betreft uitsluitend een splitsing binnen de bestaande bebouwing, waarmee een feitelijk bestaande situatie planologisch wordt verankerd. Er worden daarmee geen nieuwe verstorende activiteiten mogelijk gemaakt, er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd, geen bebouwing gesloopt en er worden geen bomen of groenvoorzieningen gekapt of gerooid. Overtreding van de Wet natuurbescherming kan redelijkerwijs worden uitgesloten.
Conclusie
Het aspect flora en fauna zorgt niet voor belemmeringen bij de uitvoering van het plan. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Archeologie
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving, gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen.
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden.
De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Dit beleid is doorvertaald in de bestemmingsplannen binnen het gemeentelijk grondgebied.
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beoordeling
Archeologie
Het plangebied ligt in een gebied met (hoge) archeologische waarde volgens de archeologische beleidskaart. Daarnaast is in het huidige bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' in het plangebied opgenomen op basis van de beleidskaart.
In dit wijzigingsplan worden de archeologische (verwachtings)waarden, zoals aangegeven op de beleidskaart, vertaald door middel van het behouden van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op de verbeelding en in de regels. Op deze wijze is de bescherming van eventuele archeologische waarden voor de toekomst gewaarborgd. Met het plan zijn geen bouwwerkzaamheden of andere werkzaamheden aan de orde, die tot verstoring van archeologische waarden kunnen leiden. Archeologisch onderzoek is in het kader van dit wijzigingsplan dan ook niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap, nabij een cultuurhistorisch waardevol gebied met woerden. Dit landschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is ook de veelheid aan landelijke wegen met clusters van vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. Dit kenmerk is ook zichtbaar in en rondom het plangebied, waar sprake is van een cluster van enkele woningen en boerderijen. Met het plan wordt dit cluster en het herkenbare erf waartoe het plangebied behoort, behouden en wordt de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing van het voormalige boerderijerf behouden. Het plan heeft geen effecten op het nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle gebied.
Het plan draagt gezien het voorgaande bij aan het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle landschapsstructuur en het ensemble in het plangebied.
In het plangebied is in de 14e eeuw het kasteel 'De Nyenborch' (De Nijburg) gesticht. Over dit kasteel is zeer weinig bekend. De aarden wallen, vermoedelijk uit deze tijd, resteren nog. Ook is de perceelsinrichting met waterpartijen aan drie kanten nog herkenbaar. Deze elementen blijven behouden.
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie zorgen niet voor belemmeringen in het kader van dit wijzigingsplan. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' wordt gehandhaafd.
Verkeer
In de huidige situatie is in het plangebied één woning toegestaan. Na de splitsing zijn er twee wooneenheden binnen de bebouwing toegestaan. Er is daarmee in planologisch opzicht sprake van een zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen. Deze toename is zodanig gering, dat deze niet merkbaar is en niet tot problemen in de verkeersafwikkeling zal leiden. Daarbij is mede van belang, dat het plangebied direct aan een doorgaande weg ligt, die over voldoende capaciteit beschikt. Er zijn twee in-/uitritten in het plangebied aanwezig. Aanpassingen aan de verkeersstructuur zijn daarom niet aan de orde. In verkeerskundig opzicht zijn er geen belemmeringen voor het plan.
Parkeren
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). In de huidige situatie is in het plangebied één woning toegestaan. Na de splitsing zijn er twee wooneenheden binnen de bebouwing toegestaan. De parkeerbehoefte neemt daarmee toe. De woningen beschikken al over voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, omdat er feitelijk al zeer lang sprake is van deze situatie. De bestaande parkeerplaatsen bij de woningen worden gehandhaafd. Daarmee is er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig. In de planregels is opgenomen, dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig moeten zijn. Bij een eventuele toekomstige gebruikswijziging of een bouwplan, zal aan de op dat moment geldende parkeernormen moeten worden getoetst.
Het aspect parkeren zorgt niet voor belemmeringen.
De gewenste planologische splitsing van de bestaande woning is mogelijk met toepassing van artikel 27.5.1 van het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Een wijzigingsplan kan uitsluitend worden opgesteld als wordt aangetoond dat aan de voorwaarden van de toe te passen wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan. Hierna wordt een opsomming van deze voorwaarden weergegeven en wordt het plan getoetst aan deze voorwaarden.
Beide woningen hebben een inhoud van circa 900 m³ en voldoen daarmee ruimschoots aan deze eis.
Aan deze voorwaarde wordt voldaan. De splitsing heeft feitelijk al plaatsgevonden binnen de bestaande bebouwing. Er wordt met het plan geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt.
In Hoofdstuk 5 zijn de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld. In dat hoofdstuk is aangetoond dat de wijziging geen beperkingen voor nabijgelegen functies oplevert. Zie daarover in het bijzonder paragraaf 5.4 'bedrijven en milieuzonering'.
De huidige splitsing is meer dan 40 jaar geleden uitgevoerd. In Hoofdstuk 5 zijn de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten behandeld en is aangetoond dat het plan geen onevenredig negatieve effecten op de omgeving heeft, waarmee belangen van derden kunnen worden geschaad. Daarnaast is de woonbebouwing op voldoende afstand van andere woonpercelen gesitueerd om onevenredige aantasting van bijvoorbeeld privacy te voorkomen. Omdat er geen bebouwing wordt toegevoegd, leidt het plan ook niet tot een uitzichtvermindering of tot schaduwwerking. Er worden dus geen belangen van derden geschaad.
Conclusie
Het plan voldoet aan de voorwaarden om de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 27.5.1 van het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' te kunnen toepassen. Verder is in deze toelichting aangetoond dat het plan in overeenstemming met het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is. Daarom is het mogelijk om de woningsplitsing door middel van een wijzigingsplan toe te staan.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het wijzigingsplan (de verbeelding en regels).
Het wijzigingsplan 'Buitengebied, Nijburgsestraat 2 en 2a, Randwijk' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Wonen' en 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Verder is er een bouwvlak opgenomen met maatvoeringsaanduidingen (maximum aantal wooneenheden, woningtype twee-aaneengebouwd), evenals een aanduiding 'bijgebouwen'. Tot slot is een gebiedsaanduiding ('overige zone - waardevol landschap') opgenomen.
De opzet van het plan
Een wijzigingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de inwoners en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (moederbestemmingsplan).
Bouwplan
Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Hierna worden de in het plan opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
Wonen
Het plangebied is bestemd als 'Wonen'. Ter plaatse van het bestaande, te handhaven hoofdgebouw is een bouwvlak opgenomen. Binnen het bouwvlak zijn twee woningen toegestaan (twee-aaneengebouwd). Daarmee is de splitsing planologisch vertaald. In het achtererfgebied is de aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen. Binnen dit aanduidingsvlak en het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen) toegestaan. Er zijn regels opgenomen voor nieuwbouw van bijbehorende bouwwerken. De bestaande, legaal opgerichte bijbehorende bouwwerken mogen worden gehandhaafd en zijn binnen het aanduidingsvlak gesitueerd.
De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, al dan niet met een aan huis gebonden beroep onder voorwaarden, hobbymatig agrarisch grondgebruik, tuinen, erven en bijbehorende voorzieningen. Het gebruik van de bebouwing en gronden voor woondoeleinden is toegestaan onder de voorwaarde dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is.
Waarde - Archeologie
In het plangebied is tevens de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen, ten behoeve van het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Deze dubbelbestemming komt overeen met de archeologische beleidskaart van de gemeente en het huidige bestemmingsplan. Naast deze dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming, in dit geval 'Wonen'. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is, dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht en plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld. Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend waarbij deze drempelwaarde wordt overschreden, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan. Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van bestaande afwijkende maatvoeringen, zoals hoogten en oppervlakten.
Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.
Algemene aanduidingsregels
In dit artikel zijn de regels opgenomen, die gelden ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - waardevol landschap'. Deze gronden zijn mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap Hollanderbroek. In verband met de status van een deel van het buitengebied van Overbetuwe, waartoe ook het plangebied behoort, is deze aanduiding opgenomen met de bedoeling om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit of het toepassen van wijzigingsbevoegdheden voorwaarden te kunnen stellen. Daarmee wordt gewaarborgd, dat er geen sprake is aantasting van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap en worden de landschapswaarden optimaal in de besluitvorming betrokken en afgewogen. Het gebied bestaat uit kommen en oeverwallen.
Het plangebied ligt aan de rand van een oeverwal. De kernkwaliteiten van het oeverwallenlandschap zijn:
In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van Overbetuwe zijn de kernkwaliteiten nader uitgewerkt en zijn verschillende algemene en gebiedsspecifieke doelstellingen geformuleerd met het doel om deze kernkwaliteiten te behouden en versterken. Het LOP vormt een concreet toetsingskader bij een eventuele aanvraag.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier onder meer om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering, overschrijdingen van de bouwgrenzen en tijdelijk kamperen. Ook is een regeling voor evenementen opgenomen.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen en het bouwen van kleine gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle ruimtelijke plannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken, welke op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gebruikmaken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de ontwikkeling is, dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. In dit geval is er geen sprake van een bouwplan. Daarom is kostenverhaal niet verplicht. De kosten voor het opstellen van het wijzigingsplan, worden verhaald door middel van de gemeentelijke legesverordening. Daarnaast is met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer.
Financiële haalbaarheid
Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten, omdat er sprake is van het formaliseren van een bestaande situatie. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een wijzigingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het wijzigingsplan van start gaan.
De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrijstaat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit wijzigingsplan heeft, gezien de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkeling, geen inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en de kleinschalige omvang van de ontwikkeling, heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden.
De vaststellingsprocedure heeft plaatsgevonden volgens artikelen 3.7 tot en met 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening. Het wijzigingsplan is in dit kader vanaf 7 februari 2019 ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen binnen deze periode ontvangen.
Het plan is vervolgens op 2 april 2019 ongewijzigd door het college vastgesteld.
Na vaststelling wordt het wijzigingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.