| Plan: | Buitengebied, MFA Randwijk |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0293BUITmfarandw-VSG1 |
De initiatiefnemers willen op het perceel Bredeweg 12 te Randwijk een multifunctionele accommodatie (verder: MFA) ontwikkelen. In de MFA komen verschillende functies, die voor de Randwijkse samenleving van belang zijn, zoals een dorpshuis en sportvoorzieningen voor de sportverenigingen (voetbalvereniging EMM en schietvereniging De Treffers). De nieuwe MFA vervangt de bestaande bebouwing van de voetbalvereniging EMM, die op het perceel gevestigd is. De huidige bebouwing is, zowel leeftijdstechnisch, maar ook energetisch verouderd. Ook dient de MFA ter vervanging van het bestaande, gedateerde dorpshuis 'Randwijks Hof', dat nu nog op het in de buurt gelegen perceel Bredeweg 8a gevestigd is. Ook andere kleinschalige maatschappelijke functies, zoals een opvang voor peuters, kunnen zich in de MFA vestigen.
De gemeente Overbetuwe wil medewerking aan het initiatief verlenen. Het initiatief is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan, 'Buitengebied, MFA Randwijk', stelt de kaders vast waarbinnen de ontwikkeling van een MFA op het perceel wordt toegestaan.
Het plangebied aan de Bredeweg 12 te Randwijk ligt in het het buitengebied van de gemeente Overbetuwe, circa 200 meter ten zuidoosten van de kern Randwijk. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Heteren, sectie E, perceelnummers 273, 274 (ged.) en 275 (ged.) en heeft een oppervlakte van circa 3.600 m². In de omgeving van het plangebied zijn sportvelden, agrarische gronden en een aantal woningen aanwezig. Circa 100 meter westelijk van het plangebied is het huidige dorpshuis van Randwijk aanwezig.
|
| Afbeelding 1: ligging van het plangebied (boven) en weergave van de begrenzing en directe omgeving van het plangebied (onder). Linksboven op de onderste afbeelding is het dorpshuis 'Randwijks Hof' zichtbaar. Bron: Bing Maps |
|
In het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', dat op 5 maart 2013 is vastgesteld. Het plangebied is bestemd als 'Sport'. Aan een gedeelte van het plangebied is een bouwvlak van ruim 1.300 m² toegekend. Verder geldt op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en is in de westelijke zone van het plangebied een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' opgenomen.
|
| Afbeelding 2: uitsnede huidig bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' met planbegrenzing onderhavig plan in rood |
De gewenste nieuwbouw van een MFA past niet binnen de bouw- en gebruiksregels van het huidige bestemmingsplan. Binnen de bestemming 'Sport' zijn geen maatschappelijke voorzieningen, zoals een dorpshuis, toegestaan. Daarnaast overschrijden de goot- en bouwhoogte van de nieuwe MFA de bestaande goot- en bouwhoogte van de bebouwing in het plangebied gedeeltelijk. Om deze redenen is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Ten slotte is in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.
Het plangebied beslaat een gedeelte van het perceel aan de Bredeweg 12 te Randwijk. Op het perceel is de voetbalvereniging EMM gehuisvest. De voetbalvereniging beschikt over één veld ten oosten van het plangebied en één veld ten westen van het plangebied. Het clubhuis (kantine met kleedruimten) van de vereniging is in het plangebied gesitueerd. Dit gebouw heeft een oppervlakte van circa 480 m² en bestaat uit één bouwlaag, gedeeltelijk met een kleine kap. Het omliggende terrein bestaat voornamelijk uit verharding, waaronder een parkeerterrein. Verder zijn er enkele hagen in het plangebied aanwezig. Aan de westelijke perceelsgrens en zuidzijde is een watergang aanwezig. Het perceel wordt aan de noordkant ontsloten op de Bredeweg. Een impressie met foto's van de huidige situatie is op afbeelding 3 opgenomen.
Circa 100 meter westelijk van het plangebied aan de Bredeweg 8a, tussen het plangebied en de rand van de kern Randwijk, is momenteel het dorpshuis van Randwijk aanwezig, 'Randwijks Hof'. In het dorpshuis zijn onder meer schietvereniging De Treffers, een big band en een peutercentrum gevestigd en worden activiteiten, zoals snuffelmarkt, "eten wat de pot schaft" en kinderknutselen georganiseerd.
Zowel de bebouwing van de voetbalvereniging als het dorpshuis voldoen niet meer aan de huidige eisen en wensen van de gebruikers. Met name de bebouwing van de voetbalvereniging, zowel de kantine als de kleedkamers, verkeert in zeer slechte staat. Het dorpshuis heeft enkele jaren geleden een tijd op een laag pitje gedraaid, vervolgens een opknapbeurt gehad en functioneert inmiddels weer naar behoren. Toch heeft het gebouw een verouderde, maar niet in heel slechte staat, waardoor de levensvatbaarheid op langere termijn kwetsbaar is.
|
| Afbeelding 3: impressie huidige situatie in het plangebied (bron: Jansen & Jansen Groenadviesbureau) |
In opdracht van de gemeente Overbetuwe is in 2015 een nulmetingsonderzoek gedaan naar de staat van de kleedkamers van voetbalvereniging EMM. Uit dit onderzoek bleek, dat renovatie niet aan te bevelen is en er gekeken moet worden naar nieuwbouw. Omdat ook de kantine, die in tegenstelling tot de kleedkamer niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt, in zeer slechte staat verkeert, ligt het voor de hand om ook te kantine mee te nemen in geval van nieuwbouw. Voor beide delen van het gebouw is duidelijk, dat de noodzaak tot vernieuwing of vervanging van de bebouwing vaststaat.
Met dorpshuis 'Randwijks Hof' is door de gemeente gesproken over de levensvatbaarheid op (middel)lange termijn.
De voorgaande bevindingen brachten de voetbalvereniging en het dorpshuis ertoe om in overleg met de gemeente te praten over een gezamelijke MFA in Randwijk. Beide partners zien grote voordelen in een gedeelde MFA, waarin alle huidige en toekomstige gebruikers van het dorpshuis samen met de voetbalvereniging onderdak vinden. Een moderne MFA kan het (sport)verenigingsleven in Randwijk en daarmee de sociale samenhang in Randwijk een impuls geven en de levensvatbaarheid op (middel)lange termijn veilig stellen. Ook biedt een MFA kansen om nieuwe initiatieven en sociaal-maatschappelijke functies te faciliteren.
Nadat ook schietvereniging De Treffers bij de planvorming betrokken is, is een werkgroep opgericht met de vier partners en is een haalbaarheidsonderzoek naar de realisatie van een MFA voor Randwijk uitgevoerd (Werkgroep MFA Randwijk, 16 november 2016). Gekeken is naar de financiële haalbaarheid van het plan, de eisen en wensen voor de nieuwbouw en het draagvlak onder de gebruikers. Er is ook gekeken naar een alternatief, waarin de voetbalvereniging de huidige problemen zelfstandig het hoofd zou kunnen bieden. Dit alternatief is financieel niet reëel gebleken. Het haalbaarheidsonderzoek heeft duidelijk gemaakt, dat de realisatie van een MFA realistisch is en op voldoende draagvlak kan rekenen. Een investering van de gemeente is daarvoor noodzakelijk. De gemeente heeft hiertoe akkoord gegeven.
De planvorming is vervolgens verder uitgewerkt in een programma van eisen en een ontwerp voor de nieuwbouw van het MFA. De MFA moet een breed onderdak bieden aan activiteiten, die voor de sociale samenhang van Randwijk van belang zijn. De nieuwbouw wordt vrijwel geheel ter plaatse van de bestaande bebouwing van de voetbalvereniging gerealiseerd en de parkeervoorzieningen aan de voorzijde van het gebouw blijven gehandhaafd (zie afbeelding 4). Op afbeelding 5 is een impressie van de beoogde nieuwbouw van de MFA zichtbaar. De gebouw zal een oppervlakte van circa 557m2 en het gebouw met overdekt terras ca. 615 m2 krijgen en daarmee marginaal groter dan de bestaande bebouwing van de voetbalvereniging zijn. Rondom het gebouw wordt een verhoogd terras gerealiseerd. De bebouwing wordt uitgevoerd in één bouwlaag met een lage kap en een souterrain. Op de begane grondlaag is ruimte voor onder meer een ondersteunende horeca (in de vorm van keuken, kantine en horecaruimten), vergaderruimten (bestuurskamer en commissiekamer), peuteropvang en bergingen/opslagruimten. In de ondergrondse bouwlaag zijn kleedkamers, bergingen, technische ruimten en ruimten voor de voetbalvereniging en voor de schietvereniging (schietbaan, wapenkamer, voorruimte) voorzien.
|
| Afbeelding 4: plattegrond toekomstige situatie (bron: EVA) |
|
|
| Afbeelding 5: impressie toekomstige situatie (bron: EVA) |
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een MFA met sport- en maatschappelijke voorzieningen mogelijk op het terrein van een voetbalvereniging. De nieuwe bebouwing heeft een oppervlakte van circa 557 m² en wordt gerealiseerd op een bestaand bouwperceel. De ontwikkeling is, gezien de aard en omvang daarvan, een lokale ontwikkeling, die geen relatie heeft met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert dan ook niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.
Beoordeling en conclusie
Het initiatief betreft, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Dit initiatief conflicteert daarom niet met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een verplicht motiveringsinstrument, dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of
zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).
Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering, indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een
nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die
ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand
stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan
worden voorzien” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een MFA met sport- en maatschappelijke functies mogelijk op een bestaand perceel van de voetbalvereniging buiten de bebouwde kom. De bestaande bebouwing van de voetbalvereniging (circa 480 m²) wordt gesloopt en vervangen door de nieuwe MFA met een oppervlakte van circa 557 m². Daarnaast vindt er een functieverbreding plaats, omdat de bebouwing niet langer uitsluiterd voor sportdoeleinden wordt gebruikt, maar ook voor maatschappelijk-sociale functies, zoals peuteropvang en diverse functies en activiteiten van een dorpshuis. Er vindt slechts een zeer beperkte uitbreiding van het zichtbare ruimtebeslag plaats, mede omdat de bebouwing uit één bovengrondse bouwlaag met een bescheiden kap blijft bestaan. Omdat er een ondergrondse bouwlaag wordt gerealiseerd, neemt de bruto vloeroppervlakte (bvo) wel toe van circa 480 m² in de huidige situatie naar circa 1.357 m² (557 m² van de 1e bouwlaag + 800 m² van de kelder incl. toegangen, exclusief verhoogd terras) in de toekomstige situatie, een toename van circa 877 m².
In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een ontwikkeling vastgesteld, om van een nieuwe stedelijke ontwikkeling te kunnen spreken. In de jurisprudentie is meer duidelijkheid over de uitleg van dit begrip ontwikkeld. Voor stedelijke voorzieningen, anders dan wonen, volgt uit de jurisprudentie dat van een nieuwe stedelijke ontwikkeling sprake is bij uitbreiding van circa 400 m2 tot 500 m2 bvo. Dit is echter te allen tijde afhankelijk van de locatie en van de aard van het plan en moet dus per geval worden beoordeeld. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat er geen sprake is van 'harde' ondergrenzen.
In dit geval is van belang, dat de netto feitelijke toename aan bvo net boven de ondergrens, die in beginsel kan worden gehanteerd, komt. Echter is er slechts beperkt sprake van een toename van het zichtbare ruimtebeslag, omdat de bebouwing binnen het bestaande bouwvlak van de bestemming 'Sport' wordt opgericht (bouwvlak is circa 1.300 m² groot) en dit bouwvlak volledig mag worden bebouwd en ondergronds bouwen is toegestaan daar waar bovengronds een gebouw aanwezig is. In planologisch opzicht is er daarmee geen sprake van een netto toename aan bebouwd oppervlak. Weliswaar wordt de maximaal toegestane hoogte zeer beperkt overschreden, maar dit zal niet leiden tot een zodanige intensivering dat er sprake is van een onaanvaardbaar ruimtelijk effect. Er vindt een functieverbreding plaats, waardoor de bebouwing intensiever gebruikt wordt dan in de huidige situatie het geval is. Dit leidt echter ook niet tot een zodanige intensivering van het gebruik of zodanige ruimtelijke effecten, dat deze intensivering op zichzelf als een stedelijke ontwikkeling moet worden gezien. Daarnaast past de functieverbreding in het streven naar optimaal, zorgvuldig ruimtegebruik.
Gelet op de huidige bestemming en bebouwingsmogelijkheden in relatie tot de toekomstige omvang en het gebruik van de bebouwing, is er in lijn met de jurisprudentie geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op deze ontwikkeling. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, is aan de planvorming een zorgvuldige afweging van nut, noodzaak en haalbaarheid van de ontwikkeling afgegaan door middel van onder meer een haalbaarheidsstudie. Uit dit onderzoek is gebleken, dat nieuwbouw noodzakelijk is, dat de beoogde functies levensvatbaar zijn en dat het initiatief maatschappelijk en financieel haalbaar is. Bovendien draagt de samenvoeging van sport- en maatschappelijke functies in een MFA bij aan enerzijds een zorgvuldig ruimtegebruik en anderzijds aan een versterking van de samenhang tussen verschillende maatschappelijk-sociale functies in Randwijk.
Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. Het samenvoegen van de maatschappelijk-sociale functies van het dorpshuis en de sportverenigingen in één MFA levert een kwalitatieve impuls en synergievoordelen op en draagt bij aan een zorgvuldig ruimtegebruik. Het bestemmingsplan is daarom ook in overeenstemming met de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Nadien zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld, waarvan de meest recente is vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland.
Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt regelmatig geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Verordening dateert van januari 2018.
De regels in de Verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de Verordening opgenomen regels. De regels in de Verordening zijn gebaseerd op de provinciale Omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een MFA met sport- en maatschappelijke functies, ter vervanging van de huidige bebouwing van de voetbalvereniging mogelijk. De Verordening bevat geen concrete regels met betrekking tot deze functies.
In het plangebied gelden volgens de Verordening enkele specifieke aanduidingen ('plussenbeleid', 'Romeinse Limes', 'intrekgebied' en 'tijdelijk verbod uitbreiding, nieuwvestiging, hervestiging glastuinbouw'). Deze aanduidingen bevatten regels met betrekking tot veehouderij, het winnen van fossiele energie en glastuinbouw. Deze gebruiksvormen zijn met het toekomstige gebruik niet aan de orde.
Romeinse Limes
Binnen de Romeinse Limes mag een bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk maken, die de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes aantasten. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn in artikel 2.7.6.2 van de Verordening als volgt omschreven: de Limes is de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Limes ligt naast de toenmalige loop van de Rijn met archeologische overblijfselen uit de periode 0 tot 400 na Chr. bestaande uit:
Met de ontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, wordt de bestaande bebouwing in het plangebied gesloopt en vervangen door een nieuw gebouw binnen de bestaande planologische bebouwingscontouren. In het plangebied zijn geen zichtbare overblijfselen van de Limes aanwezig. In het kader van dit bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, waarin onderzocht is of er in de bodem archeologische waarden aanwezig zijn. In paragraaf 5.12 is nader op dit aspect ingegaan. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden moet vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Geconcludeerd wordt, dat het plan de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes op voorhand niet aantast en dat de bescherming van deze waarden voldoende is gewaarborgd in het plan.
Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 van de Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.
In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van de kernen is een speerpunt in het beleid.
Beoordeling
Het plangebied ligt in het buitengebied, nabij de kern Randwijk. Er wordt voor de beoogde nieuwbouw van de MFA gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel van de voetbalvereniging. De nieuwbouw wordt grotendeels gerealiseerd binnen de bestaande bebouwingscontouren uit het geldende bestemmingsplan - en er vindt een functieverbreding met naast sportvoorzieningen ook maatschappelijke functies plaats. Deze functies hebben een maatschappelijke en sociale functie voor de kern Randwijk. Een belangrijk onderdeel voor het behouden van de eigen identiteit van de verschillende kernen, wat een speerpunt van de Toekomstvisie+ is, is de sociale en maatschappelijke samenhang binnen een kern. Dit draagt ook bij aan toekomstbestendige en levendige kernen. Eén van de redenen om tot een MFA te komen, is dan ook geweest, dat deze bij moet dragen aan de sociaal-maatschappelijke samenhang. De MFA moet daarom een breed onderdak bieden aan activiteiten, die voor deze sociale samenhang van belang zijn. Met de beoogde invulling van de MFA met sportvoorzieningen, functies en gebruikers van het dorpshuis en de mogelijkheid om andere kleinschalige maatschappelijke functies te huisvesten, draagt de realisatie van de MFA bij aan het behoud van de eigen identiteit en de levensvatbaarheid van Randwijk. Door gebruik te maken van één gezamenlijke gebouw, is er bovendien sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling is daarom in lijn met de doelstellingen van de Toekomstvisie+.
Conclusie
Dit bestemmingsplan past in de met de Toekomstvisie+ beoogde beleidslijn. Met het initiatief wordt bijgedragen aan het behoud van de levensvatbaarheid en de identiteit van de kern Randwijk. Ook is er sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik door de maatschappelijke en sportfuncties te concentreren op één locatie.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.
Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' is van belang bij herzieningen van het bestemmingsplan. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn wijzigt de procedure en inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van de ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een MFA met sport- en maatschappelijke functies mogelijk op een bestaand perceel van de voetbalvereniging buiten de bebouwde kom. De bestaande bebouwing van de voetbalvereniging (circa 480 m²) wordt gesloopt en vervangen door de nieuwe MFA met een oppervlakte van circa 557 m². Daarnaast vindt er een functieverbreding plaats, omdat de bebouwing niet langer uitsluitend voor sportdoeleinden wordt gebruikt, maar ook voor maatschappelijk-sociale functies, zoals peuteropvang en diverse functies en activiteiten van een dorpshuis. Er vindt slechts een zeer beperkte uitbreiding van het ruimtebeslag plaats. Omdat er een ondergrondse bouwlaag wordt gerealiseerd, neemt de bruto vloeroppervlakte (bvo) toe van circa 480 m² in de huidige situatie naar circa 1.357 m² (557 m² van de 1e bouwlaag + 800 m² van de kelder incl. toegangen, exclusief verhoogd terras) in de toekomstige situatie, een toename van circa 877 m² bvo.
De ontwikkeling, waarin dit bestemmingsplan voorziet, wordt niet genoemd in lijst D van het Besluit m.e.r. De ontwikkeling in zijn totaliteit is, gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, zoals hierboven beschreven, en gelet op de huidige sportbestemming, niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r..
Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit in dit bestemmingsplan.
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient met een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt geen nieuw geluidgevoelig object mogelijk. Zowel sportvoorzieningen als de maatschappelijke voorzieningen van het dorpshuis zijn namelijk geen geluidgevoelige objecten, zoals bedoeld in de Wgh. Nadere toetsing aan de Wgh is daarom niet aan de orde. Het aspect akoestiek in relatie tot omliggende functies, komt in de paragraaf 'Bedrijven en milieuzonering' (5.4) nader aan de orde.
Conclusie
De Wgh vormt geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.
Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer (Wm) gewijzigd. In hoofdstuk 5 is een paragraaf luchtkwaliteitseisen toegevoegd (paragraaf 5.2). Deze vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen negatieve effecten van luchtverontreiniging.
Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van deze bevoegdheden, namelijk:
Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)
Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Het NSL is de onderbouwing van het uitstel dat de Europese Commissie aan Nederland heeft verleend voor het voldoen aan de grenswaarden. Daardoor is er meer tijd om maatregelen uit te voeren en te ontwikkelen en daardoor kunnen ruimtelijke projecten doorgaan. Het Rijk coördineert het programma.
AMvB en Ministeriële Regeling niet in betekenende mate
De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder de AmvB en mr niet in betekenende mate (NIBM). Deze AMvB en mr leggen vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.
In dit Besluit is niet in betekenende mate bepaald in welke gevallen een project, vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit, niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
NIBM projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit worden uitgevoerd. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan.
Beoordeling
Uit het in dit bestemmingsplan uitgevoerde verkeersonderzoek in paragraaf 5.13 kan worden afgeleid dat de functieverbreding met nieuwbouw zal leiden tot een toename van het aantal motorvoertuigen, namelijk maximaal 319 dagelijkse verkeersbewegingen. Hoewel niet alle dagen van een dergelijk aantal extra verkeersbewegingen sprake zal zijn, wordt vanuit een worst case benadering uitgegaan van dit aantal. Om te onderzoeken of de beoogde ontwikkeling een effect van meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2/µgm³) heeft, is gebruikgemaakt van de NIBM-tool. In de navolgende tabel zijn de invoergegevens en de uitkomst weergegeven.
|
| Tabel: toepassing NIBM-tool op de ontwikkeling in het plangebied (bron: www.infomil.nl) |
Geconcludeerd wordt, dat de beoogde ontwikkeling 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. De planontwikkeling is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmeringen op in het kader van dit bestemmingsplan.
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden, dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan er sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk. De bestaande sportbestemming wordt verbreed met maatschappelijke functies (buurt- en clubhuis, SBI-2008: 94991, milieucategorie 2). Dit is in het kader van milieuzonering relevant. Het plangebied ligt in het buitengebied, nabij de bebouwde kom van Randwijk. De omgeving kan worden aangemerkt als 'rustig buitengebied'. De reguliere richtafstanden zijn van toepassing. Voor een buurt- en clubhuis geldt een richtafstand van 30 meter tot gevoelige objecten. Geluid is het maatgevende aspect. In de omgeving van het plangebied zijn de woningen Bredeweg 10A, 10B en 14 aanwezig. De woningen Bredeweg 10A en 10B liggen binnen de richtafstand. Er is daarom een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, waarin de ruimtelijke inpasbaarheid van de nieuwe functies is onderzocht (Bijlage 1). Daarbij is het stappenplan geluid van de VNG-publicatie toegepast.
Stappenplan geluid (bijlage 5) VNG-publicatie
Het stappenplan bestaat uit vier stappen waarbij de geluidbelasting per stap hoger wordt en daarmee ook de onderzoeks- en motiveringsplicht.
In stap 1 wordt onderzocht of geluidgevoelige bestemmingen binnen de richtafstand van bedrijven komen te liggen. Indien de richtafstand niet overschreden wordt, kan verdere toetsing achterwege blijven en is inpassing mogelijk. Zoals aangegeven, liggen niet alle woningen buiten de richtafstand.
Vanaf stap 2 is akoestisch onderzoek noodzakelijk. In stap 2 staan streefwaarden geformuleerd. Voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' gelden de volgende streefwaarden:
Indien niet aan stap 2 voldaan kan worden, dienen de richtwaarden voor gemengd gebied uit stap 3 beschouwd te worden:
Wanneer voldaan wordt aan deze richtwaarden moet het bevoegd gezag bovendien motiveren waarom deze geluidbelastingen in de concrete situatie acceptabel worden geacht.
Indien niet aan de richtwaarden uit stap 3 wordt voldaan, maar een ontwikkeling toch gewenst is, kan worden overgegaan tot stap 4. Voor stap 4 zijn geen richtwaarden opgenomen maar wordt geadviseerd de situatie grondig te onderzoeken, onderbouwen en motiveren waarom een hogere geluidbelasting in de betreffende situatie aanvaard kan worden.
Resultaten onderzoek
In de onderstaande tabel zijn de rekenresultaten weergegeven van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten aanzien van de omliggende woningen (stap 2). Het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau overschrijdt de richtwaarde van stap 2 (50 dB(A)) en stap 3 (55 dB(A).
|
| Resultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, At) |
De overschrijding wordt uitsluitend veroorzaakt door muziekgeluid van de big band. Het treffen van bron- en overdrachtmaatregelen is overwogen, maar niet reëel gebleken. Omdat maatregelen niet mogelijk zijn, kan het bevoegd gezag overgaan tot stap 4, waarbij de hogere geluidbelasting gemotiveerd wordt geaccepteerd. In dit geval wordt de overschrijding aanvaardbaar geacht om de volgende redenen:
Naast het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, is ook het maximaal geluidniveau onderzocht. Uit de onderstaande tabel blijkt, dat het maximale geluidniveau op alle woningen onder de richtwaarde uit stap 2 (70 dB(A)) blijft. De maximale geluidniveaus zijn dan ook acceptabel.
|
| Resultaten maximale geluidniveaus (LAmax) |
Ten slotte is de indirecte hinder vanwege de verkeersaantrekkende werking van de MFA berekend. De richtwaarde uit stap 2 (50 dB(A)) wordt voor alle woningen gerespecteerd. Er treedt geen onevenredige hinder vanwege de verkeersaantrekkende werking op.
|
| Resultaten indirecte hinder |
Conclusie
Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor het plan. De MFA wordt binnen de richtafstand ten opzichte van enkele woningen gerealiseerd. De maximale geluidniveaus en de geluidhinder vanwege de verkeersaantrekkende werking van de MFA, zijn aanvaardbaar en voldoen aan de richtwaarden. Het langtijdgemiddelde beoodelingsniveau overschrijdt de richtwaarde uit stap 2 en 3. Deze overschrijding wordt aanvaardbaar geacht, omdat het om een incidentele overschrijding gaat, er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefmilieu optreedt en er een maatschappelijk belang is om medewerking te verlenen aan de realisatie van de MFA.
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.
Beoordeling
In dit bestemmingsplan wordt een MFA met sport- en maatschappelijke functies gerealiseerd, ter vervanging van de bestaande bebouwing van een sportvereniging. Het gebouw zal hiermee frequenter en gedurende grotere delen van de dag- en avondperiode worden gebruikt dan met de huidige functies het geval is. Daarom wordt er een nieuw geurgevoelig object mogelijk gemaakt. In een straal van circa 250 meter rondom het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Daarom is het uitgesloten, dat er vanuit het aspect geurhinder belemmeringen voor de ontwikkeling optreden. Een aanvaardbaar verblijfsklimaat is voldoende gegarandeerd en er worden geen agrarische bedrijven belemmerd.
Conclusie
Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van een MFA met maatschappelijke en sportvoorzieningen. De bestaande bebouwing van de voetbalvereniging wordt gesloopt. Omdat er sprake is van sloop en nieuwbouw, waarbij een functiewijziging plaatsvindt en er in het nieuwe gebouw frequent mensen zullen verblijven, is een bodemonderzoek noodzakelijk. In Bijlage 2 is de rapportage van het uitgevoerde bodemonderzoek opgenomen. Hierna worden de onderzoeksresultaten besproken.
In de bovengrond wordt de achtergrondwaarde voor geen van de onderzochte stoffen overschreden. Dat geldt ook voor de bestrijdingsmiddelen DDD en DDE, die wel meetbaar verhoogd zijn, maar geen belemmering vormen. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met nikkel aangetoond. Dit metaal is van nature verhoogd in de kleiige ondergrond en vermoedelijk daartoe te herleiden, gezien de nabijheid van de Nederrijn. Voor het overige worden de achtergrondwaarden niet overschreden. Het grondwater is schoon, met uitzondering van een lichte verhoging met badium. Dit metaal wordt in grote delen van Nederland en ook in de omgeving van het plangebied als natuurlijk verhoogd gehalte, boven de streefwaarde aangetroffen. De aangetoonde lichte verontreinigingen vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Vrijkomende grond kan zonder aanvullende maatregelen worden hergebruikt.
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.
Inleiding
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.
Planbeoordeling
Het plan betreft het mogelijk maken van een multifunctionele accommodatie. De accommodatie bestaat uit kleedkamers en een kantine. Daarnaast is er plaats voor activiteiten uit het dorpshuis. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.
Figuur: Uitsnede provinciale risicokaart Bredeweg 12 Randwijk, geraadpleegd op 29 mei 2018 (zwarte irkel = ligging plangebied).
De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op:
Rondom de planlocatie zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel liggen op ongeveer 3.600 meter ten zuiden van het plan de Betuweroute en de snelweg A15. Ten oosten van het plan ligt de snelweg A50. Op basis van de Regeling basisnet is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt.
Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan binnen het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A15 en de snelweg A50. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plan en de drie risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.
Verantwoording groepsrisico
Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van drie risicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuweroute, de A15 en de A50. Omdat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroutes ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) op 28 mei 2018 (kenmerk: 180528-0002) het volgende geadviseerd: Zowel in het kader van bereikbaarheid als bluswatervoorziening voldoet het plan aan de te stellen eisen. De VGGM heeft dan ook geen bezwaar tegen dit plan. Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.
Conclusie
De planlocatie ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A15 en de snelweg A50. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook ziet de VGGM geen aanleiding om aanvullend te adviseren over bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Gezien het feit dat de regio, waarin het plangebied ligt, tijdens de Tweede Wereldoorlog mede het strijdtoneel vormde rond operatie 'Market Garden', bestaat de kans dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie. Vanwege de voor de ontwikkeling benodigde bodemroerende werkzaamheden in het plangebied, waarbij dieper in de bodem zal worden geroerd vanwege de realisatie van een ondergrondse bouwlaag, is een onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk. Dit onderzoek kan echter pas worden uitgevoerd, wanneer de huidige bebouwing op het terrein gesloopt is. Daarom zal een onderzoek moeten plaatsvinden, voordat wordt gestart met de graaf- en bouwwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw van de MFA. Voor zover noodzakelijk, zullen maatregelen moeten worden getroffen, voordat de werkzaamheden plaatsvinden.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels, warmwaterleidingen en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig kunnen plaatsvinden.
Beoordeling en conclusie
In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en/of leidingen aanwezig.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, op beschikbaarheid van voldoende en schoon water en op diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan (opgenomen in de Omgevingsvisie Gelderland, 13 december 2017)
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de aangegeven planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat het Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en helder water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vastgesteld. Het waterbeheerplan van het waterschap is nadien geactualiseerd (zie hierboven), eveneens in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
Beoordeling (watertoets)
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe bebouwing mogelijk ter vervanging van de bestaande bebouwing van de voetbalvereniging. Er is sprake van een zeer beperkte toename van het bebouwd oppervlak, namelijk van circa 480 m² naar circa 557 m². Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is het plangebied nagenoeg geheel verhard. De vrijstelling voor compensatie op basis van de Keur is dan ook van toepassing op de ontwikkeling. Hemelwater en vuilwater zullen bij de nieuwe bebouwing gescheiden worden afgevoerd. In het plangebied zijn geen watergangen of ander oppervlaktewater aanwezig. Aan de westelijke perceelsgrens is een A-watergang aanwezig. De werkzaamheden hebben geen invloed op deze watergang. De planontwikkeling heeft daarom geen negatieve effecten op oppervlaktewater. Ook ligt het plangebied niet in (de beschermingszone van) een waterkering.
Conclusie
De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, is hydrologisch neutraal. Er is sprake van een zeer beperkte toename van verhard oppervlak. De compensatieverplichting vanuit de Keur van het waterschap is niet van toepassing. Negatieve effecten op oppervlaktewater of de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten. Bij de uitwerking van het initiatief, zullen schoon hemelwater en vuilwater gescheiden afgevoerd worden.
Gezien het bovenstaande, heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van gebieden en dier- en plantensoorten de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan, dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Beoordeling
Het bestemmingsplan voorziet in sloop van de bestaande bebouwing van de voetbalvereniging en nieuwbouw van een MFA. Het parkeerterrein aan de voorzijde van het perceel blijft gehandhaafd. Er is in het kader van het bestemmingsplan een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 3), waarin onderzocht is, of de planvorming effecten heeft op beschermde natuurgebieden en beschermde planten- en diersoorten. De onderzoeksresultaten worden hieronder besproken.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in de directe omgeving van beschermde natuurgebieden. Het meest nabijgelegen gebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken, dat ruim 600 meter van het plangebied ligt. Dit gebied behoort tevens tot het Gelders Natuurnetwerk. In de omgeving van het plangebied zijn ook geen andere gebieden, behorende tot het GNN, aanwezig. GNN-gebieden liggen dus eveneens op minimaal 600 meter afstand.
Gezien de aard van de wijziging, de beperkte omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde natuurgebieden, kunnen negatieve effecten op deze gebieden op voorhand worden uitgesloten. De ingrepen en de planologische wijziging hebben een beperkte ruimtelijke uitstraling. Vanuit een oogpunt van gebiedsbescherming bestaan er dan ook geen belemmeringen.
Soortenbescherming
De aanwezigheid van beschermde flora kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Beschermde diersoorten kunnen beperkt voorkomen in het plangebied. Mogelijk is het plangebied geschikt als fourageergebied voor gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen en laatvliegers. Essentieel foerageergebied gaat niet verloren. Daarnaast zijn bosschages rond het plangebied geschikt als broedplaats voor algemene, niet-jaarrond beschermde, vogelsoorten. De te slopen bebouwing is onderzocht op geschiktheid als nestplaats voor jaarrond beschermde vogelsoorten of als rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. De bebouwing is hiervoor wegens het ontbreken van openingen/holten niet geschikt.
Vanuit het oogpunt van soortenbescherming, zijn negatieve effecten op basis van de onderzoeksbevindingen niet te verwachten. Aanbevolen wordt om de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Zo niet, dan moet daags voor aanvang van de werkzaamheden worden gecontroleerd op de aanwezigheid van actieve nesten. Vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde soorten gaan met de ingrepen en werkzaamheden niet verloren. Nader onderzoek is niet vereist.
Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor dit bestemmingsplan op. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en voor de meeste beschermde soorten zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Wel dient voor sloop en renovatie van de huidige bebouwing nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen te worden verricht. Ook wordt geadviseerd om de bouw- en sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.
De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Beoordeling
Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart in een gebied met archeologische verwachtingswaarden en heeft in het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Voor bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en met een oppervlakte van minimaal 100 m² is volgens deze dubbelbestemming een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Met de beoogde werkzaamheden zullen deze drempelwaarden beide worden overschreden. In het kader van dit bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). Het bureauonderzoek bevestigt de archeologische verwachtingswaarde. Ook blijkt hieruit, dat de bodem tot circa 0,95 meter onder maaiveld is verstoord vanwege de huidige bebouwing. Met de voorgenomen nieuwbouw wordt echter dieper gegraven, waardoor er mogelijk nog archeologische resten aanwezig zijn. Daarom wordt geadviseerd om de archeologische dubbelbestemming te behouden. Deze aanbeveling is in dit bestemmingsplan overgenomen.
Een archeologisch vervolgonderzoek is noodzakelijk, voordat de bouwwerkzaamheden kunnen plaatsvinden. Uitvoering van dit onderzoek is redelijkerwijs nog niet mogelijk in het kader van dit bestemmingsplan, vanwege de aanwezigheid van de te slopen bebouwing. Met het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' zijn deze onderzoeksverplichting en de bescherming van eventuele archeologische waarden voor de toekomst gewaarborgd. Op voorhand is geen sprake van belemmeringen.
Het plangebied behoort tot de Romeinse Limes. Ondergronds zijn mogelijk sporen van de kernkwaliteiten van deze Limes aanwezig (zie ook paragraaf 4.2). In het noodzakelijke archeologische vervolgonderzoek zal dit aan de orde komen, wanneer daarvan sprake is. Het plangebied ligt daarnaast aan een historische invalsweg, namelijk de Bredeweg. Op basis van de Welstandsnota Overbetuwe gelden specifieke welstandscriteria ter bescherming van deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. De historische invalswegen vormen de oudste gedeelten van de dorpen, waarlangs zich de oorspronkelijke bebouwing bevindt. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Overbetuwe heeft positief geadviseerd over het bouwplan (Bijlage 5).
De cultuurhistorische waarden zijn in dit bestemmingsplan in voldoende mate beschermd. Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
Conclusie
Het plangebied ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Met het opnemen van een archeologische dubbelbestemming in dit bestemmingsplan, wordt de bescherming van de archeologische waarden voor de toekomst gewaarborgd. Voordat de bouwwerkzaamheden en/of andere grondingrepen worden verricht, moet een archeologisch vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Met het plan worden cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving gerespecteerd en voor zover nodig beschermd.
Parkeren
Bij de planontwikkeling moeten voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen 2016. In de MFA worden verschillende functies gehuisvest. Onderzocht is hoeveel parkeerplaatsen er voor de toekomstige functies benodigd zijn. In Bijlage 6 is deze parkeerbalans opgenomen. Uitgegaan is van een gemiddelde parkeernormering. Hierna volgt een beknopte samenvatting van deze bevindingen.
| Functie | Norm | Parkeer- behoefte | Toelichting | |||
| Voetbalvereniging | 27 p.p./hectare | 41 | Parkeeropgave geldt voor de totale vereniging. Deze ligt grotendeels buiten het plangebied, maar moet in het plangebied worden opgevangen. | |||
| Kinderdagverblijf | 1,5 p.p./100 m² | 2 | Eén parkeerplaats volgens de norm en één parkeerplaats voor het halen en brengen. | |||
| Dorpshuis | 4 p.p./100 m² | 16 | Uitgegaan is van 400 m², bestaande uit de ruimtes, die niet specifiek voor de overige drie functies zijn bestemd. | |||
| Schietvereniging | 3,1 p.p./100 m² | 10 | ||||
| Totaal | 59 | |||||
De toekomstige functies genereren gezamenlijk een parkeerbehoefte van 59 parkeerplaatsen. De verschillende functies kennen een diversiteit aan tijden, waarop er van de MFA gebruik gemaakt gaat worden. Daarom is dubbelgebruik van parkeerplaatsen toe te passen. Daarmee wordt onnodig ruimtebeslag door te veel parkeerplaatsen voorkomen.
In het onderzoek is op basis van de Nota Parkeernormen en het daadwerkelijk gebruik een reële inschatting van het gebruik per dagdeel gegeven. Het meest intensief wordt van de MFA gebruik gemaakt in de avonduren op werkdagen (maandag tot en met donderdag) en in de ochtend en middag op zaterdag. De parkeerbehoefte bedraagt 37 parkeerplaatsen in de doordeweekse avonduren en 41 parkeerplaatsen op zaterdagochtend en -middag.
Op basis van deze bevindingen, zijn 41 parkeerplaatsen in het plangebied benodigd voor de toekomstige functies. Het bestaande parkeerterrein aan de voorzijde van het plangebied biedt daarvoor voldoende ruimte. In de planregels is opgenomen, dat bij de nieuwbouw minimaal 41 parkeerplaatsen binnen de bestemming moeten worden gerealiseerd en in stand gehouden.
Het aspect 'parkeren' zorgt daarmee niet voor belemmeringen.
Verkeer
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie, kan gebruik worden gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 317 ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). Voor het plangebied wordt uitgegaan van de normen voor 'weinig stedelijk, buitengebied' (of, waar normen voor het buitengebied ontbreken, van 'rest bebouwde kom') en van de gemiddelde kencijfers.
Momenteel is in het plangebied een voetbalvereniging gehuisvest. De bebouwing van deze vereniging wordt gesloopt en ondergebracht in de nieuwe MFA. De voetbalvereniging behoudt het huidige aantal velden en overige voorzieningen. Voor deze functie treedt geen wijziging op ten aanzien van het te verwachten aantal verkeersbewegingen.
In de MFA worden de volgende functies toegevoegd:
De in dit bestemmingsplan toegevoegde functies leveren daarmee gezamenlijk een theoretische extra verkeersgeneratie van (afgerond) 319 mvt/etmaal op. Daarbij moet in zoverre een nuancering worden aangebracht, dat de functies niet alle dagen per week worden gebruikt. De MFA is op zondag gesloten en wordt op zaterdag niet gebruikt door de peuteropvang en het dorpshuis. De schietvereniging zal op werkdagen niet tot nauwelijks gebruikmaken van de MFA.
Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen te verwachten om de toekomstige extra verkeersbewegingen op te vangen. De omliggende infrastructuur is geschikt om de toekomstige aantallen verkeersbewegingen zonder problemen te verwerken.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels).
Het bestemmingsplan 'Buitengebied, MFA Randwijk' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu- en omgevingsaspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de bestemmingen en de algemene regels, die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn, waar nodig, afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding zijn één hoofdbestemming ('Gemengd') en één dubbelbestemming ('Waarde - Archeologische verwachting 2') opgenomen. Tevens zijn enkele maatvoeringsaanduidingen en een bouwvlak opgenomen.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Omdat er sprake is van een specifieke en multifunctionele bestemming, is maatwerk geleverd voor de toegestane functies. Gekozen is voor een concreet en gedetailleerd plan wat betreft de bouwmogelijkheden, omdat sprake is van een concreet initiatief. Het bouwvlak biedt een geringe mate van flexibiliteit voor de (technische) uitwerking van het bouwplan. Wel is een flexibele functieindeling met sport- en maatschappelijke voorzieningen mogelijk.
Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend. Mogelijk is naast een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ook een vergunning of melding Activiteitenbesluit voor de activiteit milieu noodzakelijk.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. In dit bestemmingsplan zijn slechts één hoofdbestemming en één dubbelbestemming opgenomen.
Gemengd
Met dit bestemmingsplan wordt de nieuwbouw van een MFA toegestaan. Voor de MFA is een multifunctionele indeling en invulling met sociaal-maatschappelijke en sportfuncties gewenst. Daarom is gekozen voor een bestemming 'Gemengd'. Binnen de bestemming zijn sportvoorzieningen (met uitzondering van lawaaisporten niet bedoeld de schietvereniging) en maatschappelijke voorzieningen toegestaan, met bijbehorende functies zoals ondersteunende horeca, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, et cetera. Deze bestemming maakt het enerzijds mogelijk om ook andere, aan de concreet beoogde functies verwante, gebruiksvormen in de MFA te vestigen, maar waarborgt anderzijds, dat er uitsluitend functies met een belang voor de sociaal-maatschappelijke structuur van Randwijk worden gevestigd.
Voor de beoogde bebouwing is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen het gebouw moet worden opgericht.
De maximale goot- en bouwhoogte (respectievelijk 5 en 7 meter) zijn op de verbeelding aangegeven. Het bouwvlak biedt een beperkte mate van flexibiliteit. De planregels laten ondergrondse bebouwing binnen het bouwvlak toe tot maximaal één bouwlaag, waarbij een gedeelte van het ondergrondse gebouw ook boven het maaiveld mag uitkomen (maximaal 1,5 meter boven kruin van de weg waaraan het gebouw gelegen is. Buiten het bouwvlak zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Waarde - Archeologische verwachting 2
In het plan is de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Deze dubbelbestemming komt overeen met de archeologische beleidskaart van de gemeente en is opgenomen op basis van de bevindingen in het archeologisch bureauonderzoek.
Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht en een plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld en met een oppervlakte van meer dan 100 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan.
Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen. Ook is een regeling met betrekking tot evenementen opgenomen.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.
Algemene procedureregels
In dit artikel is de procedure in geval van toepassing van de in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken, welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend), mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus gebruikmaken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen.
In dit geval is er sprake van een bouwplan, maar is de gemeente mede initiatiefnemer van een deel van het plan, namelijk de verplaatsing van het dorpshuis. Bovendien is de gemeente verantwoordelijk voor het onderhoud van de kleedkamers van de voetbalvereniging. In de uitgevoerde haalbaarheidsstudie is onderzoek gedaan naar de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling. Er is een gemeentelijke investering nodig om het project te kunnen realiseren. Gezien haar maatschappelijke taak en verantwoordelijkheid, neemt de gemeente een budgetreservering voor deze investering op. De overige kosten worden gedragen door de initiatiefnemers. Ten slotte wordt opgemerkt, dat de gemeentelijke kosten voor het huidige dorpshuis met de realisatie van de MFA vervallen en de gemeente al verantwoordelijk is voor vervanging van de kleedkamers van de voetbalvereniging.
Financiële haalbaarheid
Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen dan de gemeente. De financieel-economische haalbaarheid is in de haalbaarheidsstudie onderzocht. Uit het onderzoek is ook gebleken, dat nieuwbouw uit financieel oogpunt de voorkeur verdient boven renovatie van de bestaande bebouwing. De toekomstige exploitatie van de MFA wordt gedekt door enerzijds een vergoeding van de gemeente en anderzijds baten, bestaande uit huuropbrengsten van de gebruikers en een aandeel van de barexploitatie van de voetbalvereniging.
Met het voorgaande is de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling van de MFA in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wro bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg, dat het de gemeente vrijstaat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de geringe ingrepen en kleinschalige ontwikkeling die met deze planherziening mogelijk gemaakt zijn, geen inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 Wro. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken vanaf 12 juli 2018. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Het plan is vervolgens ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad op 13 november 2018.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.