| Plan: | Elst, Dorpsstraat ongenummerd (tussen 89 en 97) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0280ELSTdorpsstron-VSG1 |
De initiatiefnemer wil op het perceel tussen Dorpsstraat 89 en 97 in het centrum van Elst een winkel met een bovenwoning realiseren. Het perceel ligt in het kernwinkelgebied van Elst, bij een vestiging van de Rabobank en is momenteel in gebruik als parkeerterrein. Het geldende bestemmingsplan laat de bouw van een winkel met bovenwoning niet toe. Daarom is herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Dit bestemmingsplan, 'Elst, Dorpsstraat ongenummerd (tussen 89 en 97)', stelt de kaders vast waarbinnen de winkel met bovenwoning op het perceel wordt toegestaan.
De Dorpsstraat vormt één van de hoofdwinkelstraten van de kern Elst. In de omgeving zijn vooral detailhandelslocaties aanwezig, maar ook andere centrumfuncties zoals horeca, kantoren en parkeervoorzieningen. Op de verdiepingen van de panden aan de Dorpsstraat zijn voornamelijk woningen aanwezig.
Het plangebied wordt begrensd door het openbaar gebied van de Dorpsstraat aan de noordkant, het perceel van de Rabobank (Dorpsstraat 85-89) aan de oostkant, de percelen Willemsstraat 2 t/m 8a aan de zuidkant en de percelen Dorpsstraat 97/97a en Smidsstraat 5/5a aan de westkant.
|
|
| Afbeelding 1: ligging van het plangebied (boven) en weergave van de begrenzing en directe omgeving van het plangebied (onder), bron: Bing Maps |
In het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Elst, Centrum', dat is vastgesteld op 20 oktober 2015. Het gehele perceel heeft de bestemming 'Centrum - 1'. Er is geen bouwvlak opgenomen. Wel is de aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen, waardoor er uitsluitend bijgebouwen zijn toegestaan (maximaal 60 m²). Verder geldt in het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Op afbeelding 2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan opgenomen. De begrenzing van het plangebied is in rood kader aangegeven.
|
| Afbeelding 2: uitsnede bestemmingsplan 'Elst, Centrum' |
Op de als 'Centrum - 1' bestemde gronden zijn onder meer detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, horeca en verkeers-, parkeer- en verblijfsvoorzieningen toegestaan. Een winkel is dan ook toegestaan binnen de bestemming. Omdat in het plangebied uitsluitend de aanduiding 'bijgebouwen' is opgenomen, is geen hoofdgebouw toegestaan. In dit opzicht past het initiatief niet binnen het bestemmingsplan. Om het initiatief mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit bestemmingsplan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven en in hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen.
Het plangebied ligt aan de zuidkant van de Dorpsstraat in het centrum van Elst, tussen de percelen Dorpsstraat 97/97a (centrumfunctie met bovenwoning, één bouwlaag met kap) en 85 (Rabobank, drielaags). Het perceel vormt een gat in de bebouwing aan dit gedeelte van de Dorpsstraat. Het plangebied is in gebruik als parkeerterrein en is nagenoeg geheel verhard. Aan de zuidoostkant van het perceel is kleinschalige bebouwing aanwezig (garageboxen); voor het overige is het perceel onbebouwd. Aan de voorkant van het perceel staan enkele bomen en een kleine groenvoorziening. Alle direct omliggende percelen, met uitzondering van het openbaar gebied, zijn bebouwd.
|
| Afbeelding 3: zicht op de bebouwing in het plangebied vanaf de Dorpsstraat, met links de bebouwing Dorpsstraat 89 en rechts de bebouwing Dorpsstraat 97/97a (bron: Google Streetview) |
De initiatiefnemer wil een nieuw gebouw aan de voorzijde van het perceel realiseren. In het gebouw komt een winkel op de begane grond en een woning op de verdiepingen. Het appartement is toegankelijk via het bestaande trappenhuis aan de noordoostkant van het perceel, dat al wordt gebruikt als toegang voor de appartementen boven de Rabobank.
Op het achtererf komen 10 parkeerplaatsen en 6 garageboxen (waarvan er 5 geschikt zijn om te parkeren). Het parkeerterrein is voor voetgangers- en autoverkeer gescheiden toegankelijk. Voor autoverkeer is een ontsluiting aan de westkant van de bebouwing voorzien, terwijl voetgangers via een onderdoorgang aan de oostkant naar de Dorpsstraat kunnen lopen.
|
| Afbeelding 4: situering toekomstige bebouwing en functies (bron: TM2 Architecten) |
De bouwmassa bestaat grotendeels uit twee bouwlagen met een kap en gedeeltelijk uit twee bouwlagen met een platte kap. Deze bouwmassa sluit aan op de voorgevellijn van het naastgelegen pand van de Rabobank (Dorpsstraat 85-89). Aan de voorkant is een eenlaags, uitstekend deel van de bouwmassa beoogd. Dit vormt de entree tot de winkelruimte. De voorgevel van dit deel van de bebouwing sluit aan op het voorste bebouwingsdeel van het pand Dorpsstraat 97/97a. Op deze wijze past de bebouwing in de ruimtelijk-stedenbouwkundige structuur van de omgeving en vormt deze een logische overgang tussen de bouwmassa van de Rabobank en de kleinere, lagere panden aan de andere kant. Een en ander wordt in afbeelding 5 aangegeven.
|
| Afbeelding 5: ruimtelijk-stedenbouwkundige uitgangspunten nieuwe bouwmassa (bron: TM2 Architecten) |
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te bereiken, laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een nieuw hoofdgebouw mogelijk op een open plek in de bebouwing aan de Dorpsstraat. In het gebouw wordt een winkel met een bovenwoning gerealiseerd. Het gaat hier over een lokale ontwikkeling, die geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau heeft. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het initiatief conflicteert niet met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid, zoals vastgelegd in de SVIR.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd.
Beoordeling en conclusie
Het initiatief betreft een lokale ontwikkeling. Er zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein,
of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503).
In een bestemmingsplan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering als de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe
stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling,
en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied,
een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden
voorzien”.
Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt op een bestaande parkeerplaats een nieuw gebouw mogelijk, waarin een centrumfunctie (winkel) met een bovenwoning zijn toegestaan. De omvang van de toegestane bebouwing neemt daarmee toe en er wordt één extra woning mogelijk gemaakt ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Uit de jurisprudentie (zie onder meer ECLI:NL:RVS:2014:156) blijkt dat het toevoegen van één woning gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, geen stedelijke ontwikkeling is, zoals bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro. Verder is van belang, dat het plangebied in de huidige situatie een centrumbestemming heeft. De ontwikkeling is vanwege de beperkte toename van bebouwing, de aard van de omgeving en de aard van de functiewijziging niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Nadien zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld, waarvan de meest recente op 28 juni 2017 is vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en de kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat met een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Dit betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland.
Beoordeling en conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze verordening bevat concrete regels, waaraan het initiatief wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Het plan is dan ook in overeenstemming met de Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Omgevingsverordening of verordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt geregeld geactualiseerd. De meest recente actualisatie van de Omgevingsverordening dateert van 28 juni 2017.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een centrumfunctie (winkel) met één bovenwoning mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied.
De verordening bevat concrete regels met betrekking tot het thema wonen. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan wanneer dit past in het huidige door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma. Hetzelfde geldt voor de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020. In dit bestemmingsplan wordt één extra woning mogelijk gemaakt. Deze ontwikkeling past binnen het woningbouwprogramma, zoals vastgelegd is in de Woonagenda. De beoogde woningbouw past binnen de kwalitatieve en kwantitatieve woningbouwopgave van de regio. In dit opzicht is het plan in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
Met betrekking tot de centrumfuncties op de begane grond (detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, etc.) is van belang dat deze functies in het geldende bestemmingsplan al waren toegestaan. Er worden, behoudens de woning, geen nieuwe functies mogelijk gemaakt.
In het plangebied gelden volgens de Omgevingsverordening enkele specifieke aanduidingen ('intrekgebied' en 'tijdelijk verbod uitbreiding, nieuwvestiging, hervestiging glastuinbouw'). Deze aanduidingen bevatten regels met betrekking tot het winnen van fossiele energie en glastuinbouw. Beide gebruiksvormen zijn met het toekomstige gebruik niet aan de orde.
Conclusie
Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' (hierna: de Toekomstvisie+) vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de Toekomstvisie+ zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten.
In de gemeente Overbetuwe zijn 11 kernen van verschillende grootte en met verschillende identiteiten aanwezig. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen is een speerpunt in het beleid.
Een andere belangrijke ontwikkeling is het kleiner worden van huishoudens. Hierdoor zijn, ook bij een gelijk blijvend aantal inwoners, meer woningen nodig en is dus meer ruimte nodig. Ook het toenemende belang van de kwaliteit van de woonomgeving leidt tot een grotere ruimtebehoefte voor wonen. Extra aandacht moet worden besteed aan kwaliteitsaspecten, zoals een attractief, gezond en veilig woonmilieu. Verder moet rekening worden gehouden met de sterker wordende wens om op een herkenbare en 'eigen' plek te wonen. Tenslotte leiden de ontwikkelingen op de woningmarkt tot extra aandacht voor levensloopbestendige woningen.
Beoordeling
Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Elst. Er wordt gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel (parkeerterrein) in het centrum. Met het realiseren van een winkel met één appartement, wordt een passende functie aan de locatie gegeven, die aansluit op de in de omgeving aanwezige functies. Door gebruik te maken van een open plek tussen de bestaande bebouwing is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij er geen uitbreiding van het ruimtebeslag nodig is. Het plangebied is ook een aantrekkelijke woonlocatie vanwege de ligging in het centrum, in de directe nabijheid van de voorzieningen in Elst en vanwege de afwezigheid van verstorende functies in de omgeving. De beoogde woning is geschikt voor meerdere doelgroepen, waaronder senioren, en speelt in op de trend van kleiner wordende huishoudens.
Conclusie
Dit bestemmingsplan past in de met de Toekomstvisie+ gewenste beleidslijn, door een passende functie in het centrumgebied van Elst mogelijk te maken. Ook is er sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik door het opvullen van een open plek in de bebouwing.
Woonagenda Overbetuwe 2020
In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning) vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.
Accentpunten zijn:
Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en voor het opvangen van de autonome huishoudengroei.
Variatie in het woonaanbod is bij de realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Een ander uitgangspunt is dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig worden gebouwd. De gemeente legt het accent op het bestaande bebouwde gebied: kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en mogelijkheden voor inbreiding en intensivering, bijvoorbeeld door functieverandering. Daarnaast blijft nieuwbouw nodig om in te spelen op de ambities. Doel van de nieuwbouw is om, naast het in de pas lopen met de groei van het aantal huishoudens, meer variatie in het woonaanbod te realiseren en beter aan te sluiten op de kwalitatieve behoefte.
Beoordeling
Het gemeentelijk beleid, zoals vastgelegd in de Woonagenda 2020, is gericht op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en op mogelijkheden voor inbreiding en intensivering. Dit initiatief past binnen deze uitgangspunten, aangezien sprake is van inbreiding binnen de bebouwde kom. Er wordt gebruik gemaakt van een perceel dat al een centrumfunctie heeft en grotendeels verhard is. Door de wijziging wordt de bestaande stedelijke ruimte optimaal gebruikt op een passende wijze en wordt recht gedaan aan het uitgangspunt dat inbreiding en intensivering voorgaan op uitbreiding. Daarmee past het plan in de beleidslijn van de Woonagenda.
In de Woonagenda 2020 heeft de gemeente haar woningbouwprogramma kwalitatief én kwantitatief vastgelegd voor de periode tot en met 2020. Dit programma vormt een uitwerking van het door Gedeputeerde Staten van Gelderland vastgesteld Kwalitatief Woonprogramma en de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave voor wonen in de regio. Op regionaal niveau zijn afspraken gemaakt met betrekking tot het toevoegen van woningen per gemeente. Overbetuwe heeft een rol in het opvangen van de regionale woningbehoefte door de toenemende druk vanuit het stedelijk gebied van Arnhem en Nijmegen. Uit de woningbouwopgave, die in hoofdstuk 8 van de Woonagenda 2020 is vastgelegd, blijkt dat er tot 2020 nog ruimte is om ca. 1.000 woningen te realiseren. De beoogde woningbouwontwikkeling, waarbij één woning aan de woningvoorraad wordt toegevoegd, past in kwantitatief opzicht binnen de nog te realiseren woningbouwopgave.
In kwalitatief opzicht is van belang, dat de grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Het appartement dat op deze locatie wordt voorzien, is geschikt voor onder meer starters. Het plangebied is een logische en geschikte locatie voor een appartement. Het plan voorziet in kwalitatief opzicht in een behoefte.
Conclusie
De ontwikkeling is in kwalitatieve en kwantitatieve zin in overeenstemming met de gemeentelijke Woonagenda 2020.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten, zoals het onderhavige, beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is.
Ook de Implementatiewet 'herziening m.e.r. richtlijn' heeft mogelijk gevolgen voor dit bestemmingsplan. Sinds 16 mei 2017 is deze wet in werking. De richtlijn wijzigt de procedure en de inhoud van het MER en de m.e.r.-beoordeling, maar ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit heeft gevolgen voor de inhoud en procedure van ruimtelijke plannen. Voor activiteiten, die zijn opgenomen in onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. en waarvan de omvang beneden de in kolom 2 genoemde drempel ligt, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Beoordeling en conclusie
Dit bestemmingsplan maakt de bouw van een centrumfunctie van beperkte omvang met één bovenwoning mogelijk. Deze ontwikkelingen worden niet genoemd in lijst D van het Besluit m.e.r. De ontwikkeling in zijn totaliteit is, gezien de aard en kleinschalige omvang van de ontwikkeling en de huidige bestemming, geen stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.
Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plichtige activiteit.
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:
De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde voor nieuwe woningen in stedelijk gebied is 63 dB.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een nieuw geluidgevoelig object mogelijk, namelijk de bovenwoning. Op alle omliggende wegen geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Het plangebied ligt buiten de geluidzone van wegen. Een akoestisch onderzoek is op basis van de Wgh niet nodig. Ook zijn de verkeersintensiteiten op de nabij gelegen wegen niet zo hoog, dat een akoestisch onderzoek, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, noodzakelijk wordt geacht.
Conclusie
Op voorhand is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in voldoende mate gegarandeerd. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Om te bepalen of een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt een nieuw gebouw binnen bestaand stedelijk gebied mogelijk op een parkeerterrein. De ontwikkeling van één woning valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen, namelijk de ontwikkeling van minder dan 1.500 woningen.
Conclusie
De ontwikkeling valt zonder meer onder de regeling NIBM. De luchtkwaliteit wordt met het initiatief niet in betekenende mate aangetast en een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Ten slotte kan sprake zijn van gebieden met een sterke functiemenging (functiemengingsgebieden), zoals stads- en dorpscentra en horecaconcentratiegebieden. In deze gebieden is een andere categorie-indeling van toepassing.
Beoordeling
Het plangebied ligt in het centrum van Elst in een gebied waarin diverse functies naast elkaar aanwezig zijn. Er is dan ook sprake van een functiemengingsgebied. In dergelijke gebieden zijn naast woningen ook milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen aanwezig en mogelijk. Voor gebieden met functiemenging is een specifieke categorie-indeling opgesteld in de VNG-publicatie. Functies in categorie A kunnen aanpandig aan woningen worden uitgevoerd. Functies in categorie B kunnen eveneens aanpandig aan woningen worden uitgevoerd, mits deze bouwkundig afgescheiden zijn. Activiteiten in categorie C zijn niet direct inpasbaar.
Dit bestemmingsplan maakt zowel een nieuwe gevoelige woonfunctie als een milieubelastende centrumfunctie mogelijk. Onderzocht moet worden of deze centrumfunctie past in het functiemengingsgebied en of het toevoegen van de woning past bij de reeds aanwezige functies in de omgeving.
Op de begane grond van de bebouwing in het plangebied worden de volgende milieubelastende functies toegestaan:
Uit de opsomming blijkt dat in en rondom het plangebied uitsluitend functies van categorieën A en B toegestaan en aanwezig zijn. Deze functies zijn in een functiemengingsgebied in beginsel naast elkaar mogelijk, zonder dat dit leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat, mits de functies bouwkundig zijn gescheiden ten opzichte van woningen. Dat is het geval, waardoor er geen sprake is van belemmeringen over en weer.
Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt zowel milieubelastende functies als een gevoelige functie mogelijk in een functiemengingsgebied. De toegestane functies zijn passend in een functiemengingsgebied en de reeds aanwezige en toegestane functies in de omgeving leiden niet tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor de woning in het plangebied. Er treden daarom geen belemmeringen over en weer op.
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking.
Beoordeling
In de ruime omtrek van het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Daarom is uitgesloten dat er vanuit het aspect geurhinder belemmeringen voor deze ontwikkeling optreden.
Conclusie
Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voldoende gegarandeerd en er worden geen agrarische bedrijven belemmerd. Vanuit het aspect geurhinder zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling in het plangebied.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van woningen op verontreinigde grond.
Beoordeling
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe bebouwing mogelijk, waarbij sprake is van een voortdurend verblijf van personen en gevoeligere functies dan in de huidige situatie. Daarom is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage als Bijlage 1 is opgenomen. Hierna volgt een samenvatting van de onderzoeksbevindingen.
Met het verkennend bodemonderzoek is de actuele bodemkwaliteit in het plangebied in kaart gebracht. De bodem is ter plaatse licht verontreinigd met enkele zware metalen (lood, zink, kwik), PCB en PAK. Deze verontreinigingen zijn te relateren aan het historisch gebruik van de locatie en het puinhoudende karakter van de bodem. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Dit is waarschijnlijk een verhoogde achtergrondconcentratie. Asbestverdacht materiaal is niet aangetroffen.
Omdat de aangetroffen verontreinigingen de tussenwaarden niet overschrijden, is een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk en is de bodemkwaliteit geschikt voor het beoogde gebruik. Er is geen sprake van belemmeringen. Bij werkzaamheden in de bodem moet rekening worden gehouden met de veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 132 'werken met verontreinigde grond en grondwater'.
Conclusie
De bodemkwaliteit in het plangebied is voldoende voor de beoogde functies in het plangebied. Er zijn lichte verontreinigingen aangetroffen in bodem en grondwater, maar deze vormen geen belemmering. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.
Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Beoordeling
De ontwikkeling betreft het realiseren van een winkelpand met een bovenwoning. In de huidige situatie wordt het terrein gebruikt voor parkeren. Op basis van de risicokaart van deprovincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 6 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.
|
| Afbeelding 6: uitsnede provinciale risicokaart met het plangebied in zwarte cirkel (raadpleging op 21-12-2017) |
De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op.
Rondom het plangebied zijn geen buisleidingen en inrichtingen aanwezig met een externe veiligheidsrisico. Wel ligt de spoorlijn Arnhem-Nijmegen op 860 meter van het plan en de Betuweroute op ongeveer 2.400 meter. Over beide spoorlijnen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld, dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze beide risicobronnen niet over het plangebied ligt.
Ten aanzien van het groepsrisico is de locatie voor het woongebouw gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de Betuweroute. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Echter is de afstand tussen de ontwikkeling en beide risicobronnen dermate groot (groter dan 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid.
Verantwoording groepsrisico
Het plangebied ligt in het invloedsgebied groepsrisico van een tweetal risicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9, vanwege het vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de Betuweroute. Doordat het plan op meer dan 200 meter van deze transportroutes ligt, hoeft enkel ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden (VGGM) op 22-12-2017 (kenmerk: 171222-0007) het volgende geadviseerd:
De VGGM ziet geen aanleiding om aanvullend te adviseren over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.
Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De brandweer richt zich dan ook niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
Zelfredzaamheid
Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende.
Conclusie
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met externe veiligheidsrisico's. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen en de Betuweroute. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het initiatief.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.
Beoordeling en conclusie
In het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar.
In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
Beoordeling (watertoets)
Dit bestemmingsplan maakt nieuwe bebouwing mogelijk ter plaatse van een bestaand parkeerterrein. Het plangebied is in de bestaande situatie nagenoeg geheel verhard. In de toekomstige situatie is dit eveneens het geval. De compensatieplicht zoals vastgelegd in de Keur Waterschap Rivierenland 2014 is niet van toepassing, omdat de toename aan verharding, als daarvan al sprake is, ruimschoots minder dan 500 m² bedraagt. Hydrologisch is de ontwikkeling neutraal. Van belang is dat schoon hemelwater en vuilwater in de toekomstige situatie gescheiden worden afgevoerd. Daarvoor bestaan geen belemmeringen.
Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Ingrepen in het kader van dit bestemmingsplan, zullen geen bodemlagen aantasten die het grondwatersysteem kunnen veranderen. Ook is in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig en ligt het plangebied niet in de nabijheid van een waterkering. Het plan heeft dan ook geen invloed op oppervlaktewater of waterkeringen.
Conclusie
De ontwikkeling waarin dit bestemmingsplan voorziet, is hydrologisch neutraal. Er is geen sprake van een relevante toename van verhard oppervlak. Negatieve effecten op oppervlaktewater of op de veiligheid van een waterkering zijn uitgesloten. Bij de uitwerking van het initiatief, moeten schoon hemelwater en vuilwater gescheiden worden afgevoerd.
Gezien het bovenstaande heeft het plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding en vormt het aspect water dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dier- en plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Beoordeling
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. Het meest nabij gelegen gebied is het Natura 2000-gebied Rijntakken, dat meer dan 5 kilometer noordelijk en zuidelijk van het plangebied ligt. Dit gebied behoort ook tot het Gelders Natuurnetwerk. In de omgeving van het plangebied zijn geen andere GNN-gebieden aanwezig.
Dit bestemmingsplan maakt een nieuw gebouw met een kleinschalige centrumfunctie en één woning mogelijk. Gezien de aard van de wijziging, de beperkte omvang van de ontwikkeling, de aard van de omgeving (bestaand centrumgebied) en de grote afstand tot beschermde natuurgebieden, kunnen negatieve effecten op deze gebieden op voorhand worden uitgesloten. Vanuit een oogpunt van gebiedsbescherming bestaan er dan ook geen belemmeringen.
Soortenbescherming
Het plangebied is momenteel in gebruik als parkeerterrein. Vanwege deze functie en het ontbreken van groenstructuren en ander geschikt leefgebied voor beschermde soorten, kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat leefgebied, nest- of verblijfplaatsen van strikt beschermde diersoorten aanwezig zijn. Negatieve effecten op beschermde soorten zijn op voorhand dan ook uitgesloten. Wanneer de bomen aan de voorzijde van het perceel worden gerooid of wanneer de bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd, moet worden vastgesteld of er broedvogels aanwezig zijn. Verder geldt te allen tijde de algemene zorgplicht ten aanzien van beschermde soorten.
Conclusie
Het aspect flora en fauna levert geen belemmering voor de realisatie van het plan op. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of soorten zijn op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten.
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden.
De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Beoordeling
Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart in een archeologisch waardevol gebied (historische dorpskern) en heeft in het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor bodemingrepen dieper dan 0,30 meter en met een oppervlakte van minimaal 100 m² is volgens deze dubbelbestemming een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op basis van de beleidskaart bedraagt de drempelwaarde 50 m². Met de beoogde werkzaamheden zullen deze drempelwaarden beide worden overschreden. Een archeologisch onderzoek is dan ook noodzakelijk, voordat de bouwwerkzaamheden plaatsvinden. In dit bestemmingsplan worden de archeologische (verwachtings)waarden, zoals aangegeven op de beleidskaart, doorvertaald met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'. Op deze wijze is de bescherming van eventuele archeologische waarden voor de toekomst gewaarborgd. Op basis van deze bestemming dient voorafgaand aan de bouw- of andere grondwerkzaamheden een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Op voorhand is er geen sprake van belemmeringen.
Conclusie
Het plangebied ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Met het opnemen van een archeologische dubbelbestemming in dit bestemmingsplan, wordt de bescherming van de archeologische waarden voor de toekomst gewaarborgd. Voordat de bouwwerkzaamheden en/of andere grondingrepen worden verricht, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Parkeren
Het plangebied is in de huidige situatie een afgesloten parkeerterrein, dat wordt gebruikt ten behoeve het naastgelegen pand van de Rabobank (Dorpsstraat 85) en de 2 daarboven gelegen appartementen (Dorpsstraat 87 en 89).
Dit bestemmingsplan maakt een winkel met één bovenwoning mogelijk in het plangebied. Deze ontwikkeling is van invloed op de parkeerbehoefte en op de resterende parkeerruimte aan de achterzijde van het perceel.
De gemeente Overbetuwe heeft parkeernormen vastgesteld in de Nota Parkeernormen gemeente Overbetuwe 2016 (hierna: de Nota). Op basis van de Nota bedraagt de parkeerbehoefte voor de bestaande en toekomstige functies als volgt:
| Parkeernorm | Behoefte | ||
| Kantoor Rabobank (348 m²) | 2,3 / 100 m² bvo | 8 | |
| Appartement nr. 87 | 2,0 / woning | 2 | |
| Appartement nr. 89 | 2,0 / woning | 2 | |
| Nieuw appartement | 2,0 / woning | 2 | |
| Nieuwe winkelruimte (158 m²) | 3,8 / 100m² bvo | 6 | |
| Totaal | 20 | ||
Voor de winkel met bovenwoning zullen in totaal dus 8 (extra) parkeerplaatsen benodigd zijn. De totale parkeerbehoefte van de functies, die van het parkeerterrein gebruik maken, bedraagt 20 parkeerplaatsen.
Op het achterterrein zijn 4 garagboxen aanwezig. Volgens de Nota geldt hiervoor een rekenwaarde van 0,5 per garagebox. Het aantal parkeerplaatsen komt dan uit op 2. Op basis van de terreinindeling is er op het achterterrein nog ruimte om 10 parkeerplaatsen te realiseren. Het totaal aantal parkeerplaatsen komt daarmee uit op 12. Dit betekent een tekort van 8 parkeerplaatsen.
Nuancering parkeerbehoefte
Door de verkoop van een deel van het pand van de Rabobank, waardoor alleen nog de begane grond voor bankactiviteiten wordt gebruikt, zijn veel medewerkers en activiteiten van de Rabobank verhuisd naar het nieuwe kantoorpand op het bedrijventerrein De Aam. De parkeerbehoefte is hiermee sterk afgenomen. Bij de verkoop van het pand is daarom contractueel vastgelegd dat de Rabobank kan beschikken over 4 parkeerplaatsen op eigen terrein (het parkeerterrein in het plangebied). Dit dekt de feitelijke behoefte geheel. Hiermee neemt de werkelijke parkeerbehoefte in de beoogde situatie af naar 16 parkeerplaatsen. Het tekort wordt dan 4 parkeerplaatsen.
In hoofdstuk 3.1 van de Nota staat dat het parkeren onder bepaalde voorwaarden mag worden opgevangen door benutting van de bestaande parkeerruimte. Dit moet dan worden aangetoond door middel van een parkeerbalans. De gemeente Overbetuwe heeft in april 2017 een parkeeronderzoek uitgevoerd in het centrum van Elst, waar het plangebied binnen valt. Uit dit onderzoek is gebleken, dat de capaciteit in de directe omgeving (rekening houdend met een door de CROW geaccepteerde loopafstand van 200 meter voor winkelen) nog beschikbare ruimte aanwezig is om het tekort van 4 parkeerplaatsen opgevangen.
Door de aanwezigheid van 12 parkeerplaatsen op eigen terrein en 4 parkeerplaatsen, die opgevangen kunnen worden in de openbare ruimte, wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Nota. In de planregels is vastgelegd, dat minimaal 12 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden op eigen terrein ten behoeve van de toekomstige functies in het plangebied en er maximaal 4 parkeerplaatsen in openbaar gebied mogen worden opgevangen.
In het bestemmingsplan is aan de achterkant van de nieuwe bebouwing een ruimer bouwvlak opgenomen dan vooralsnog benut zal worden. Dit om toekomstige kleine uitbreidingsopties voor de winkelruimte, of een verbinding met het Rabobankgebouw, open te houden. Wanneer een uitbreiding aan de orde is, zal in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen opnieuw aan de Nota moeten worden getoetst en zal moeten worden aangetoond dat een acceptabele parkeeroplossing wordt geboden. Een uitbreiding kan dus geen doorgang vinden, als niet aan de parkeerbehoefte wordt voldaan. Deze toets is met een voorwaardelijke verplichting in de planregels gewaarborgd.
Verkeer
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie, kan gebruik worden gemaakt van de kencijfers van CROW-publicatie 317 ('Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). In de huidige situatie wordt het plangebied gebruikt als parkeerplaats ten behoeve van het naastgelegen perceel en is geen sprake van functies die op zichzelf een verkeersaantrekkende werking hebben. Het toevoegen van een woning levert, uitgaande van de maximale norm voor 'centrum, matig stedelijk' maximaal 7,2 verkeersbewegingen per woning op een weekdag op, afgerond 8. De winkel genereert 1,58 x 35,2 = 56 verkeersbewegingen per weekdag. Voor deze functie is het realistischer om een werkdag aan te houden. Dit betekent 1,11 x 56 = 63 verkeersbewegingen (afgerond). In totaal leidt tot ontwikkeling dan ook tot een theoretische maximale toename van 71 verkeersbewegingen op een werkdag.
Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen belemmeringen te verwachten om deze verkeersbewegingen op te vangen. De omliggende infrastructuur is geschikt om de toekomstige aantallen verkeersbewegingen zonder problemen te verwerken. De wegen in de omgeving zijn eenrichtingswegen, waarop het parkeerterrein evenals het bestaande parkeerterrein logisch ontsluit. Voor voetgangers wordt een afzonderlijke doorgang gecreëerd door middel van een onderdoorgang tussen het parkeerterrein en het openbaar gebied. Zodoende kan een verkeersveilige situatie worden gewaarborgd.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte en de gewenste ontwikkeling (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).
Het bestemmingsplan 'Elst, Dorpsstraat ongenummerd (tussen 89 en 97)' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling beschreven en verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De regels
Deze bevatten de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen en algemene regels die in het gehele plangebied gelden. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Centrum - 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 1' opgenomen. Ook zijn enkele aanduidingen en een bouwvlak opgenomen.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor inwoners en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het huidige bestemmingsplan 'Elst, Centrum'. Gekozen is voor een concreet, gedetailleerd plan, omdat sprake is van een concreet initiatief. Het bouwvlak biedt een geringe mate van flexibiliteit voor de uiteindelijke uitwerking van het bouwplan.
Bouwplan
Als een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming, dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.
Centrum - 1
In het plangebied is de bestemming 'Centrum - 1' opgenomen, overeenkomstig het huidige bestemmingsplan. Gezien de ligging in het centrumgebied, is een brede bestemming wenselijk en ook aanvaardbaar. Inhoudelijk is voor de regels aansluiting gezocht bij de huidige bestemming. Binnen de bestemming zijn de volgende hoofdfuncties toegestaan: één woning op de verdieping, detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke doeleinden, horeca van categorieën 1 en 2, cultuur en ontspanning, verkeer en verblijf en parkeervoorzieningen. Het gebruik ten behoeve van deze functies is toegestaan onder de voorwaarde, dat minimaal 12 parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Bij een toekomstige uitbreiding (zie hieronder) moet worden aangetoond, dat aan de Nota Parkeernormen wordt voldaan. Daarvoor is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen.
Binnen de bestemming is een bouwvlak opgenomen. Dit is aan de achterzijde iets ruimer dan het huidige bouwplan om een toekomstige kleinschalige uitbreiding op de begane grond mogelijk te maken. De hoofdbebouwing moet binnen dit bouwvlak worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. Deze maakt twee bouwlagen met een kap mogelijk, met uitzondering van het voorste gedeelte en het gedeelte waar een toekomstige uitbreiding wordt toegestaan, waar één bouwlaag is toegestaan. De garageboxen op het achtererf en de daar aanwezig berging zijn specifiek aangeduid. Hiervoor zijn afzonderlijke bouwregels opgenomen. Verder is in de bouwregels opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' een onderdoorgang met een minimale doorgangshoogte van 2,8 meter moet worden gerealiseerd, zodat een voetgangersverbinding tussen het parkeerterrein en het openbaar gebied gegarandeerd is.
Waarde - Archeologische verwachting 1
In het plan is de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' opgenomen, ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Deze dubbelbestemming komt overeen met de archeologische beleidskaart van de gemeente. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de betreffende hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemming bevat een omgevingsvergunningplicht en een plicht tot het doen van archeologisch onderzoek voor bodemingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld, met een oppervlakte van meer dan 50 m². Voordat een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' wordt verleend, moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is in beginsel uitsluitend toegestaan, daar waar bovengronds ook gebouwen zijn toegestaan.
Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hier om kleinschalige afwijkingen van de voorschreven maatvoering en overschrijdingen van de bouwgrenzen.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.
Algemene procedureregels
In dit artikel is de procedure in geval van toepassing van de in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, ook brengt het niet met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, als sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Dit bestemmingsplan voorziet in een bouwplan.
De kosten worden verhaald middels een kostenverhaalsovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden in het plangebied is tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten. De initiatiefnemer vergoedt aan een aanvrager mogelijke planschade als gevolg van planologische wijzigingen, die een nadelig gevolg voor hem hebben.
Financiële haalbaarheid
De kosten, die gemaakt worden voor de realisatie van het plan, komen voor rekening van de initiatiefnemer. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkelingen te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wro zelf bevat geen bepalingen over inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor dit bestemmingsplan heeft, gezien de geringe ingrepen en kleinschalige ontwikkeling die met deze planherziening mogelijk gemaakt zijn, geen inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen. Ook moet overleg worden gepleegd met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of die belast zijn met de behartiging van belangen, welke in het plan in het geding zijn. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling, heeft in dit geval geen vooroverleg plaatsgevonden.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken vanaf 7 juni 2018. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Ambtshalve is een geringe wijziging doorgevoerd in paragraaf 5.12 van de toelichting ('verkeer en parkeren'), zodat deze geheel overeenkomt met de Nota Parkeernormen 2016 van de gemeente.
Het plan is vervolgens vastgesteld door de gemeenteraad op 13 november 2018.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.