direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Grote Molenstraat 185, Elst
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op de locatie Grote Molenstraat 185 te Elst in het buitengebied van Overbetuwe is een agrarisch bedrijf gevestigd, waar melkkoeien en jongvee worden gehouden. De initiatiefnemer wil deze agrarische bedrijfsactiviteiten staken, omdat voor de huidige exploitatie geen natuurlijke bedrijfsopvolger beschikbaat is. De initiatiefnemer en diens familie willen het bedrijf in een andere exploitatievorm op termijn echter voortzetten en de locatie opnieuw inrichten. De bedoeling is dat het bedrijf langzaam aan de kinderen wordt overgedragen.

De bedrijfsgebouwen die niet langer nodig zijn voor het huisvesten van vee worden hiertoe gesloopt. Ook overige overbodige bebouwing en erfverharding wordt verwijderd. Een klein gedeelte van de bebouwing (maximaal 600 m²) wordt behouden ten behoeve van het stallen van machines en werktuigen voor het beheer van de agrarische gronden. De exploitatie van de gronden wordt voortgezet in de vorm van akkerbouw. Handhaving van de huidige agrarische bedrijfsbestemming voor het gehele perceel is niet langer reëel. De initiatiefnemer wil twee extra woningen op het perceel realiseren. De bestaande bedrijfswoning blijft daarnaast behouden.

De voorgenomen ontwikkeling van twee extra woningen is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk. De gemeente heeft schriftelijk aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de beoogde ontwikkeling. Daarbij dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het planologisch-juridisch kader om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Grote Molenstraat 185 in het buitengebied van Overbetuwe, ruim 600 meter ten zuidoosten van de kern Driel, circa 300 meter ten westen van Arnhem en circa 2.800 meter ten noorden van de kern Elst. In de directe omgeving van het plangebied zijn overwegend agrarische gronden gelegen met enkele verspreide woonpercelen. Ten oosten van het plangebied is een groenstrook met oppervlaktewater aanwezig. Ruim 300 meter zuidelijk van het plangebied is de N837 gelegen.

Het plangebied betreft een gedeelte van de agrarische bedrijfslocatie aan de Grote Molenstraat 185. Op het perceel zijn twee stallen, een werktuigenberging en een bedrijfswoning aanwezig. De totale oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen is 2.500 m². Verder zijn er erfverharding en ruwvoeropslagen aanwezig. Het perceel heeft twee ontsluitingen op de Grote Molenstraat. Bij het bedrijf behoort circa 30 hectare landbouwgrond, waarvan 22 hectare aangrenzend aan het bouwvlak is gelegen. Het grootste gedeelte van de gronden is in eigendom van de initiatiefnemer. De gronden buiten het bouwvlak behoren niet tot het plangebied.

Op de navolgende afbeelding is de globale ligging van het plangebied in groter verband weergegeven. Daarnaast is een gedetailleerde luchtfoto afgebeeld waarop de ligging van het plangebied in zijn nabije omgeving te zien is. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0001.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0002.png"  
Figuur 1.1: ligging en begrenzing plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied Overbetuwe’, vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe op 5 maart 2013. Het plangebied is geheel bestemd als ‘Agrarisch’ met een bouwvlak. Verder gelden in het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 3’ en de gebiedsaanduidingen ‘EHS verbinding’ (gehele plangebied) en 'waardevol landschap' (zuidwestelijke hoek van het plangebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0003.png"  
Afbeelding 1.2: uitsnede verbeelding bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'  

De voorgenomen ontwikkeling van twee woningen is niet mogelijk binnen de regels van de geldende bestemming. Een herziening van het bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk.

1.4 Leeswijzer

Allereerst wordt ingegaan op het beleid dat van toepassing is op onderhavige ontwikkeling (hoofdstuk 2). Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving. De huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling komen hier aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk voor de te volgen procedure.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.


Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Voor de regio Oost-Nederland (bestaande uit de provincies Overijssel en Gelderland) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:

  • verbeteren van de internationale achterlandverbindingen;
  • versterking van de primaire waterkeringen;
  • deelprogramma's Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma;
  • Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS), inclusief de Natura 2000-gebieden;
  • hoofdenergienetwerk (380 kV) over de grens.

Conclusie
Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft gezien de aard en de geringe omvang geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Conclusie
Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft gezien de aard en de geringe omvang geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. De ontwikkeling valt ook niet binnen één van de in het Barro omschreven onderwerpen of projecten. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de "ladder duurzame verstedelijking"). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.

Conclusie
Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt (toevoeging van twee woningen), voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (vgl. ABRvS 18 december 2013, nr 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op de voorgestane ontwikkeling.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Op 25 februari 2015 hebben Provinciale Staten een herziening van de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze is op 18 juni 2015 gepubliceerd. Op 8 juli 2015 is een tweede actualisatie (natuur en water) gedeeltelijk vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • een duurzame economische structuur;
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.


Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.

Het plangebied is geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de volgende aanduidingen:

  • windenergie uitgesloten vanwege wettelijke beperkingen;
  • verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij;
  • glastuinbouw in overige gebieden;
  • groene ontwikkelingszone;
  • intrekgebieden;
  • boringsvrije zone;
  • KWO-vrije zone;
  • grondwaterbeschermingsgebied.


Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. Een actualisatie van deze verordening is vastgesteld op 8 juli 2015 en gepubliceerd op 21 augustus 2015. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de verordening zijn gebaseerd op de hierboven beschreven Omgevingsvisie Gelderland.

Het plangebied is geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de volgende aanduidingen:

  • verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij;
  • glastuinbouw in overige gebieden; tijdelijk verbod nieuwvestiging, uitbreiding en hervestiging glastuinbouw;
  • groene ontwikkelingszone;
  • intrekgebieden;
  • boringsvrije zone;
  • KWO-vrije zone;
  • grondwaterbeschermingsgebied.

Conclusie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij
In het verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij zijn verschillende functies aanwezig. Er is groei mogelijk voor agrarische bedrijfsontwikkeling, voor zover andere functies in de omgeving daarvoor ruimte bieden. Nieuwvestiging van veehouderijen is niet mogelijk. Er kunnen meerdere functies (ook niet-agrarische bestemmingen) naast elkaar bestaan in dit gebied. Dit is een gemeentelijke afweging. Dit bestemmingsplan voorziet in de omschakeling van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf en het toevoegen van twee woningen op het erf. Deze ontwikkeling is passend in de door de provincie aangewezen verwevingsgebieden.

Groene ontwikkelingszone
De groene ontwikkelingszones (GO) vormen verbindingszones tussen de gebieden die tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) behoren. De GO waartoe het plangebied behoort, vormt de verbindingszone tussen de uiterwaarden van de Waal ten zuiden van het plangebied en de uiterwaarden van de Rijn en daar aansluitend de Veluwe ten noorden van het plangebied. Op dit aspect wordt nader ingegaan in paragraaf 3.10 (flora en fauna). Geconstateerd kan worden dat de voorgenomen planontwikkeling geen negatieve effecten op de GO of het GNN hebben.

Intrekgebied
In de intrekgebieden mogen geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maken worden opgenomen. Daarvan is in dit plan geen sprake.

Grondwaterbeschermingsgebied
De gronden binnen een grondwaterbeschermingsgebied dienen een bestemming te krijgen die hetzelfde of een lager risico voor het grondwater met zich meebrengt dan de vigerende bestemming. Door het wijzigen van een veehouderij in een akkerbouwbedrijf en het toevoegen van twee woningen, nemen de risico's voor het grondwater niet toe.

KWO- en boringsvrije zone
In de KWO-vrije zones mogen geen schadelijke vloeibare stoffen zwaarder dan water worden gehouden, gebruikt, vervoerd of in de bodem worden gebracht. Een dergelijk gebruik is bij een woonbestemming of een akkerbouwbedrijf niet aan de orde. Ook de verboden werkzaamheden voor boringsvrije zones (artikel 3.3.3) zijn in dit plan niet aan de orde.

Overige
De overige binnen het plangebied geldende aanduidingen van de Omgevingsvisie en -verordening zijn voor dit bestemmingsplan niet van belang.

Resumé
Het project is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is de opvolger van het 'Regionaal Structuurplan KAN 1995-2005' en is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken.

Enkele subdoelstellingen, die in het kader van voorliggend bestemmingsplan van belang zijn, zijn het vergroten van de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van het landelijk gebied en het verbeteren van de kwaliteit van het wonen in stad, dorp en platteland.

Het Regionaal Plan signaleert een grote vraag naar landelijke woonmilieus. Ruimtelijke ontwikkelingen (verstedelijking) vormen een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen en voor de kwaliteiten van het landelijk gebied. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient in beginsel terughoudend te worden omgegaan met stedelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. In een aantal gebieden kan echter het toevoegen van een beperkt aantal woningen mogelijkheden bieden voor versterking van het landschap, mits hieraan strikte voorwaarden wat betreft locatie, volume en architectonische en landschappelijke inpassing van de woningen worden verbonden.

Conclusie
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van twee extra woningen in het buitengebied en een functiewijziging van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf. De agrarische bedrijfsbebouwing voor het houden van dieren wordt gesloopt. Daarmee wordt een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bewerkstelligd. Een van de kernpunten van het regionaal beleid is het behouden van de karakteristiek van het gebied. In de beoogde situatie ontstaan er twee kleinschalige woonpercelen. Daarmee is sprake van een meer landelijke, kleinschalige uitstraling die past bij de gewenste gebiedskarakteristiek. Daarnaast wordt voorzien in landschappelijke inpassing door middel van het opgestelde inrichtingsplan, dat recht doet aan de ruimtelijke en landschappelijke structuur van de omgeving. Realisatie van het inrichtingsplan wordt middels een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd. De voorgestane ontwikkelingen zorgen tevens voor een meer optimaal gebruik van deze locatie. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen uit het Regionaal Plan.

2.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie+ 'Overbetuwe verbindt'
De Toekomstvisie+ is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020 en is een overkoepelend beleidsdocument dat richting geeft aan het beleid en handelen van de gemeente. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De in de visie geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven. In de Toekomstvisie+ wordt de gemeente onderverdeeld in twee delen: het oostelijk en het westelijk deel. Het oostelijk gedeelte is een intermediair gebied in de stadsregio tussen Arnhem en Nijmegen, terwijl het westelijk gedeelte een meer agrarisch karakter heeft. Het plangebied is gelegen in het oostelijke gedeelte. In deze zone zijn meer functies gevestigd die voor de hele stadsregio een rol spelen, zoals wonen, werken, verkeer en recreatie.

Conclusie
Een belangrijke opgave is het behoud en de versterking van de eigenheid en kenmerken van het landschap (opgave 1). Het plangebied is gelegen in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap. Dit landschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. Het plangebied en het aan de overkant van de Grote Molenstraat gelegen woonperceel (nr. 150) vormen een voorbeeld van een dergelijk cluster. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft.

De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de beoogde kleinschaligheid door de sloop van 1.900 m² aan stallen, die momenteel prominent aanwezig zijn vanaf de Grote Molenstraat. In de toekomstige situatie zijn twee kleinschalige woonpercelen aanwezig met een aanmerkelijk geringere hoeveelheid aan agrarische bedrijfsgebouwen. Dit gebouw is bovendien aan de achterkant van het perceel gelegen en daarmee veel minder prominent zichtbaar. In het opgestelde inrichtingsplan is eveneens rekening gehouden met het gewenste beeld. Dit voorziet in duidelijk herkenbare kleinschalige kavels en afscherming van de bebouwing.

Het project is gezien het voorgaande in overeenstemming met de door de gemeente gewenste ontwikkelingsrichting.

Woonvisie 2010-2015 'Wonen is meer dan alleen Stenen'
In de Woonvisie van Overbetuwe is het gemeentelijk woonbeleid vastgelegd. De Woonvisie is een uitwerking van het beleidsveld wonen uit de hiervoor beschreven Toekomstvisie+. Doel is het behouden en waar nodig versterken van de kwaliteit van wonen en leven in de diverse kernen binnen de gemeente. De Woonvisie dient om de visie en opvattingen van de gemeente helder te maken, in te spelen op veranderende woonbehoeften en richting te geven aan de omvang en de samenstelling van het woningbouwprogromma. Bij laatstgenoemd doel vindt een doorkijk richting 2020 plaats. Het aantal huishoudens neemt in de periode 2010-2020 naar verwachting toe met ca. 2.400 naar 19.600 huishoudens in 2020. In de periode 2008-2020 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 2.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en het opvangen van de autonome huishoudengroei. Daarnaast draagt de gemeente bij aan de regionale woonopgave in het oostelijk deel van de gemeente. In totaal zijn voor de periode tot 2020 ca. 3.000 woningen gepland. Variatie in het woonaanbod is bij realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen.

Conclusie
Het gemeentelijk beleid is gericht op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en op mogelijkheden voor inbreiding en intensivering. Variatie in het woonaanbod is een ander speerpunt. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als kwaliteitsverbetering en een intensivering van de mogelijkheden in het plangebied. Verder wordt een onderscheidend woningtype in het buitengebied geboden. Het initiatief is dan ook in overeenstemming is met de Woonvisie 2010-2015.

Beleidsregel 'Functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied'
In 2008 is de beleidsregel 'functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied' opgesteld. Deze bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied. Als algemene doelstelling heeft het beleid om vrijkomende bebouwing te kunnen hergebruiken en, mede hierdoor, de ruimtelijke kwaliteit te vebeteren.

Conclusie
In dit geval is er sprake van een functiewijziging, omdat wordt voorzien in twee woningen op een agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsfunctie als zodanig blijft behouden, maar wordt in een andere vorm (akkerbouw in plaats van rundveehouderij) voortgezet. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de beleidsregel. Het plangebied ligt in het gebiedstype agrarisch gebied.

De beleidregel biedt mogelijkheden voor het toevoegen van woningen binnen dit gebiedstype (artikel 7). Uitgangspunt is een reductie van bebouwing met tenminste 50%. Bestaande gebouwen kunnen worden hergebruikt voor één of meerdere wooneenheden. Als hergebruik van bestaande bebouwing niet mogelijk is, dan kan na sloop van alle bedrijfsgebouwen vervangende nieuwbouw plaatsvinden.

In dit geval wordt 1.900 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. De beleidsregel biedt ruimte voor maximaal twee nieuwe vrijstaande woningen bij sloop van deze hoeveelheid aan bebouwing. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Gebruik van de bestaande agrarische bedrijfsgebouwen voor woningen is in dit geval niet reëel en niet wenselijk. De bebouwing is hiervoor niet geschikt en bovendien is het gewenst om een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing te behouden voor het toekomstige beheer van de agrarische gronden van het akkerbouwbedrijf.

Met het voorgaande wordt niet geheel voldaan aan de uitgangspunten van de beleidsregel, omdat niet alle agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt en de agrarische bedrijfsfunctie niet geheel verdwijnt. Het primaire doel van de beleidsregel is echter het bereiken van ruimtelijke kwaliteitswinst. Daarbij kan maatwerk worden geleverd. In dit geval is er door de agrarische functiewijziging van veehouderij naar akkerbouwbedrijf, de sloop van 1.900 m² aan stallen en de realisatie van het inrichtingsplan en de bufferzone, per saldo sprake van voldoende verevening/kwaliteitsverbetering. De ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen die met de beleidsregel zijn beoogd. Om die reden wordt de realisatie van twee nieuwe vrijstaande woningen met behoud van een deel van de agrarische functie in dit geval aanvaardbaar geacht.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van Overbetuwe heeft tot doel de oorspronkelijke ruimtelijke structuur en de verscheidenheid van het landschap weer zichtbaar te maken. Dit wordt beoogd door het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. In hoofdstuk 2 van het LOP zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. Om het hoofddoel te realiseren is een vijftal doelstellingen geformuleerd en beschreven:

  • 1. instandhouden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaarde (gradiënten).
  • 2. behouden en versterken van de openheid, grootschaligheid en de kernmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van de oeverwallen.
  • 3. waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap.
  • 4. benutten van de landschapecologische potenties die het watersysteem biedt.
  • 5. verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland. Waar gewenst de mogelijkheden voor recreatief medegebruik onderzoeken.

Conclusie
Het plangebied bevindt zich op één van de drie stroomruggen in de gemeente. Op de visiekaart is het plangebied als stroomruggenlandschap aangegeven. Ook behoort het plangebied tot de overgangszone/bufferzone ten opzichte van het stedelijk gebied (Arnhem-Elst). Het achterliggende agrarische gebied, waartoe een deel van de gronden behorende bij het bedrijf behoort, is aangewezen als aandachtsgebied voor de ruimtelijke kwaliteit van deze overgangszone. Meer specifiek behoort het plangebied tot een lagereoeverwal. In dit gebied wordt ingezet op behoud van ruimtelijke afwisseling en versterking van de kleinschaligheid. Een combinatie van weide- en akkerbouw is hier het meest gewenst. De onderhavige planontwikkeling past hierin.

Aan de 5 genoemde algemene doelstellingen zijn telkens meerdere opgaven gebonden (zie pag. 62 van het LOP). Eén van de opgaven is het behouden en versterken van het onderscheid tussen de kleinschaligheid van de oeverwallen en de openheid en grootschaligheid in de gebieden daarbuiten. Door de voorziene ontwikkeling wordt de kleinschaligheid in het plangebied versterkt. Het plan draagt ook bij aan de ruimtelijke afwisseling. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling in de algemene doelstellingen van het LOP.

Naast de genoemde algemene doelstellingen en opgaven, zijn ook gebiedsspecifieke kenmerken en doelstellingen van belang. Het plangebied ligt in deelgebied 13a ('t Vlot). Binnen dit deelgebied is het scenario 'beleven' voor de stadsrandzone uitgewerkt. De karakteristieke kenmerken, kwaliteiten en knelpunten zijn in het LOP beschreven. Ingezet wordt onder meer op versterking van het onderscheid openheid versus kleinschaligheid, onder meer door laan- en erfbeplanting op de lagere oeverwallen te stimuleren. Het inrichtingsplan voorziet hierin en leidt tot versterking van de kleinschaligheid in het plangebied. Verder is van belang dat de bufferzone waartoe het plangebied behoort een beoogde inrichting als ecologische vervindingszone heeft. De voornomen functiewijziging en verkleining van het bouwvlak hebben een positief effect op deze doelstelling. Onder meer door het realiseren van een poel aan de noordkant van het perceel, wordt bijgedragen aan de totstandkoming van deze doelstelling. Tenslotte is het gebied ook recreatief van belang (wandel-, fiets- en ruiterpaden/golfterrein) als uitloopgebied voor Schuytgraaf (Arnhem).

Het plan is gezien het voorgaande in overeenstemming met de doelstellingen van het LOP voor het betreffende deelgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0004.png"  
Afbeelding 2.1: uitwerking deelgebied 't Vlot in het LOP.  

Hoofdstuk 3 Milieu- en omgevingsaspecten

3.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.

Beoordeling
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.

  • In het plangebied worden twee woningen toegevoegd en wordt een veehouderij omgezet in een akkerbouwbedrijf. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r..
  • In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit paragraaf 3.10 (flora en fauna) van deze toelichting volgt dat het plangebied niet ligt in een gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarden. Daarnaast is er geen sprake van externe werking op de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. Daarnaast is ter plaatse van de woonpercelen en het nieuwe bouwvlak geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied.
  • In dit hoofdstuk 'milieu- en omgevingsaspecten' zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Uit de beoordeling van de verschillende relevante aspecten en de uitgevoerde noodzakelijke onderzoeken, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve milieu-effecten.


Conclusie
Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren in het kader van dit bestemmingsplan.

3.2 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:

  • wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting vanwege het wegverkeer bedraagt 48 dB.

Naast de Wgh zijn ook de Nota geluidsbeleid en de Nota hogere grenswaarden van de gemeente Overbetuwe van belang.

Beoordeling
Bij het wijzigen van een bestemming geldt een onderzoeksplicht voor het aspect geluid, indien er geluidsgevoelige functies worden toegestaan binnen de geluidzone van één of meerdere wegen. De nieuwe woningen zijn geluidsgevoelige objecten en liggen binnen de geluidzone van de Grote Molenstraat en de N837. Een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer is dan ook noodzakelijk. De rapportage van het onderzoek is als Bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. De resultaten worden hierna beknopt weergegeven.

Uit de berekeningen volgt dat de geluidbelasting voor de zuidelijke nieuwe woning (toekomstige bedrijfswoning) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Dit geldt ten aanzien van zowel de Grote Molenstraat als de N837. De woning ligt in de geluidsklasse 'redelijk rustig' volgens het gemeentelijk beleid. Het vaststellen van een hogere geluidwaarde of nadere eisen is niet aan de orde voor deze woning.

Voor de noordelijke nieuwe woning bedraagt de maximale geluidbelasting vanwege de Grote Molenstraat 53 dB en wordt de voorkeursgrenswaarde derhalve overschreden. Wel wordt op alle gevels voldaan aan de maximale grenswaarde van 53 dB. De westgevel is geluidsluw (voldoet aan de voorkeursgrenswaarde). Bronmaatregelen zijn onvoldoende doeltreffend en overdrachtsmaatregelen stuiten op landschappelijke en/of praktische bezwaren. Derhalve dient een hogere geluidwaarde te worden vastgesteld. Dit is inmiddels bij besluit van 21 maart 2017 gebeurd. De geluidbelasting vanwege de N837 voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. De noordelijke woning valt onder de geluidsklasse 'onrustig'. De buitenruimte dient in ieder geval te voldoen aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk beleid. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen voor de noordelijke woning dient een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel te worden uitgevoerd.

Conclusie
Ten aanzien van de zuidelijke woning wordt voldaan aan de Wgh en aan de gemeentelijke Nota geluidsbeleid. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen aanwezig. Bij de noordelijke woning wordt de voorkeursgrenswaarde ten aanzien van de Grote Molenstraat overschreden. Voor deze woning dient een hogere geluidwaarde te worden vastgesteld en is een akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting noodzakelijk in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen. Op 21 maart 2017 is het besluit tot vaststelling van een hogere geluidwaarde genomen. In het kader van dit bestemmingsplan zijn er verder geen belemmeringen aanwezig.

3.3 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Conclusie
De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling van twee nieuwe woningen valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen. De luchtkwaliteit wordt daarom niet in betekenende mate aangetast met de voorgestane ontwikkeling en een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4 Bedrijven en milieuzonering

Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten''. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden.

Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.

Conclusie
In de huidige situatie geldt voor de veehouderij een minimum afstand van 50 meter die in acht moet worden genomen ten opzichte van gevoelige objecten. In de toekomstige situatie wordt een akkerbouwbedrijf mogelijk gemaakt. Ten aanzien van bedrijfsgebouwen bij akkerbouwbedrijven geldt een richtafstand van 30 meter (SBI-2008 codering 01).

Binnen het plangebied vinden twee bestemmingswijzigingen naar 'Wonen' plaats: één ter plaatse van de bestaande bedrijfswoning en één ten behoeve van de nieuwe, noordelijke woning. Ten aanzien van deze woningen dient te worden voldaan aan de bovengenoemde richtafstand van 30 meter tot de toekomstige bedrijfsbebouwing. Aan deze afstand wordt voldaan. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen andere milieubelastende functies.

Er bevinden zich geen andere woningen of gevoelige objecten binnen een afstand van 30 meter tot de toekomstige agrarische bebouwing.

Gezien het voorgaande is er geen sprake van belemmeringen of beperkingen over en weer en bestaan er zowel wat betreft de externe als interne werking geen bezwaren vanuit het aspect bedrijven en milieuzoneringen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.5 Geurhinder

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.

Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw geurgevoelige objecten in de vorm van extra woningen. HIn de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen (intensieve) veehouderijen. Er is dan ook geen sprake van beperkingen voor veehouderij. Gezien de afstand van het plangebied tot de veehouderijen, is tevens voldoende aannemelijk dat er geen onevenredige geurhinder in het plangebied optreedt en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect geurhinder bestaan dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. Ook in het kader van een functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is vastgelegd in de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Op basis van art. 8 Woningwet en art. 2.4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Overbetuwe (2012) geldt een verbod voor het bouwen van bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven, op vervuilde grond. De kwaliteit van de bodem in het plangebied dient zodanig te zijn dat er geen risico's voor de volksgezondheid zijn bij het beoogde gebruik.

Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee nieuwe woningen. Hiermee worden dus bouwwerken mogelijk gemaakt waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. Een verkennend bodemonderzoek is derhalve noodzakelijk. De nieuwe woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de huidige veestallen. Vanwege de aanwezige stallen en mestputten, kan een bodemmonster pas na sloop van de bebouwing worden genomen en is een bodemonderzoek in het kader van dit bestemmingsplan niet aan de orde. Nader bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen kan worden verleend. Met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan er op voorhand geen belemmeringen voor het beoogde gebruik.

3.7 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden twee normstellingen gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers: bebouwing in de vorm van kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6-contour. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:

  • het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
  • het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen);
  • het gebruik van luchthavens.


Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In bovenstaande besluiten is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de eisen van het besluit bij nieuwe activiteiten/situaties. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld.

Conclusie
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van twee nieuwe woningen. Daarmee worden nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Bezien dient te worden of zich in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, leidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen bevinden. Navolgend is een uitsnede uit de risicokaart weergegeven, waarop de in de omgeving aanwezige risicobronnen te zien zijn. Het plangebied is met zwart kader aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0005.png"  
Afbeelding 3.1: uitsnede risicokaart.  

In het plangebied zelf is een risicobron aanwezig, namelijk een bovengrondse propaantank (3.000 m³). Hierbij behoort een PR 10-6-contour van 20 meter. Deze propaantank behoort bij het huidige veehouderijbedrijf en deze zal worden verwijderd bij de voorgenomen planologische wijzigingen. Daarmee zal deze risicobron niet langer relevant zijn.

In de omgeving van het plangebied is verder uitsluitend de gasleiding N-568-34 aanwezig, ca. 500 meter ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6-contour en het invloedsgebied van de buisleiding.

Vanuit het aspect externe veiligheid bestaat dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.8 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. In het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen gelegen, die planologische bescherming behoeven cq. genieten.

3.9 Waterparagraaf

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de betreffende periode voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

In het kort hier de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:

  • voor de 35 gebieden van de TOP-lijst is het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regiem (GOOR) bestuurlijk vastgesteld en zijn de maatregelen voor herstel uitgevoerd;
  • de maatregelen voor herstel van de wateren van het hoogste ecologisch niveau (HEN-wateren) zijn uitgevoerd;
  • de natte ecologische verbindingszones zijn gerealiseerd, tenzij onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn;
  • wateroverlast vanuit het regionale watersysteem wordt voorkomen door inrichting van waterbergingsgebieden en verruiming van watergangen;
  • in het stedelijk gebied is urgente wateroverlast opgelost;
  • de zwemwateren voldoen als minimum aan de categorie aanvaardbaar;
  • toekomstvast hoogwaterbeleid.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende zes jaar gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de "Keur Waterschap Rivierenland 2014" van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m2 in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe het Waterplan vastgesteld. In het waterplan wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
    grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern op genomen.

Watertoets
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van twee nieuwe woningen met maximaal 90 m² aan bijgebouwen per woning. 600 m² aan bedrijfsgebouwen blijft behouden, terwijl er 1.900 m² wordt gesloopt. Ook wordt een groot deel van de erfverharding verwijderd. Het verhard oppervlak binnen het plangebied neemt dan ook in aanzienlijke mate af.

De initiatiefnemer heeft het waterschap Rivierenland in een vroegtijdig stadium op de hoogte gesteld van het planvoornemen door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en omvang van het plan hebben geen belangrijke raakvlakken met andere functies en er is, gezien de significante afname van verharding in het plangebied geen sprake van negatieve effecten op de waterhuishouding.

Aan de noordelijke en oostelijke randen van het plangebied zijn watergangen aanwezig. Deze worden door de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast. In het plangebied wordt oppervlaktewater toegevoegd, omdat er een paddenpoel wordt gerealiseerd. Deze kan als tijdelijke waterberging fungeren. Het hemelwater op de locatie wordt opgevangen en naast infiltratie op het perceel zelf, deels op de watergangen aan de Grote Molenstraat afgevoerd.

Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling aanwezig.

3.10 Flora en fauna

Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), dat op provinciaal niveau is uitgewerkt (Gelders Natuurnetwerk).

De Wet natuurbescherming heeft enerzijds betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.

Anderzijds heeft de wet betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode.

Conclusie
In het plangebied worden twee nieuwe woningen gerealiseerd, vindt omschakeling van een veehouderij naar een akkerbouwbedrijf plaats en wordt 1.900 m² aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. In het kader van dit bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, waarin de effecten op het gebied van gebieds- en soortenbescherming zijn onderzocht (Bijlage 2). Hierna worden de bevindingen en conclusies beknopt weergegeven.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen of direct nabij Natura 2000-gebieden of het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Meest nabijgelegen zijn het Natura 2000-gebied Rijntakken (Uiterwaarden Rijn, ca. 2,3 kilometer noordwestelijk) en GNN-gebied op 770 meter zuidwestelijk van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft gezien de aard en omvang enkel lokale effecten, onder meer omdat een veehouderij verdwijnt. Het staken van deze activiteiten en intrekking van de milieuvergunning zal rsulteren in een lagere ammoniakemissie. Van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden is dan ook geen sprake.

Het plangebied ligt binnen een Groene Ontwikkelingszone (GO). Deze zones hebben een dubbele doelstelling: er is ruimte voor ontwikkelingen in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De GO waartoe het plangebied behoort, vormt de verbindingszone tussen de uiterwaarden van de Waal ten zuiden van het plangebied en de uiterwaarden van de Rijn en daar aansluitend de Veluwe ten noorden van het plangebied. De functiewijziging van een veehouderij naar wonen en akkerbouw past binnen het provinciaal beleid ten aanzien van de GO's.

Soortenbescherming
Uit de quickscan blijkt dat in het plangebied ieder voortplantingsseizoen broedvogels in het plangebied nestelen. Het betreft zowel soorten waarvan uitsluitend te bezette nesten beshcermd zijn als jaarrond beschermde vogelsoorten. Werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoren/vernielen van nesten (zoals rooien van beplanting en sloop van bebouwing) dienen buiten de voortplantingsperiode om te worden uitgevoerd.

De in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten zijn licht beschermd (tabel 1). Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling voor de werkzaamheden die in het kader van dit bestemmingsplan worden uitgevoerd.

Mogelijk benutten sommige vleermuizen het plangebied als foerageergebied en bezetten ze een verblijfplaats in de bedrijfswoning. Deze bedrijfswoning blijft behouden en de functie van het bijbehorende erf als foerageergebied kan gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling worden versterkt.

Met inachtneming van de algemene zorgplicht en de beperking ten aanzien van de periode voor het uitvoeren van verstorende werkzaamheden, zijn er vanuit het aspect soortenbescherming geen belemmeringen aanwezig.

Resumé
Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan aanwezig. Wel dienen verstorende werkzaamheden zoals slopen van bebouwing of het rooien van beplanting buiten de voortplantingsperiode te worden uitgevoerd. Tevens dien te allen tijden de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.

3.11 Archeologie

Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Conclusie
In een gedeelte van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' (hoge verwachting) en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' (middelhoge verwachting). Voor het perceelsgedeelte waar de woningen worden gerealiseerd en de bebouwing wordt gesloopt/verwijderd, geldt eerstgenoemde dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor ingrepen groter dan 100 m² met een diepte van meer dan 30 cm-mv.

Door de aanwezigheid van mestkelders is de grond ter plaatse tot circa 2 meter beneden maaiveld geroerd. De noodzaak om een archeologisch onderzoek uit te voeren kan worden vastgesteld in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. De huidige archeologische dubbelbestemmingen worden in dit bestemmingsplan overgenomen. Daarmee is de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende verzekerd.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Huidige situatie

Het plangebied betreft een agrarische bedrijfslocatie aan de Grote Molenstraat 185, waarvan de bedrijfsbebouwing nog aanwezig is (zie afbeelding 4.1). De bedrijfsbebouwing op het perceel bestaat uit een ligboxenstal (nr. 1 op de afbeelding), een melkstal (nr. 2) en een werktuigenberging (nr. 3). De totale oppervlakte bedraagt 2.500 m². Verder is er één bedrijfswoning aanwezig (nr. 4) met bijbehorende tuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0006.png"  
Tabel 4.1: bedrijfsgebouwen in het plangebied  

De op afbeelding 4.1 tevens zichbare erfverharding en ruwvoeropslagen zijn gerealiseerd rond 1980. De dierverblijven en de bedrijfswoning zijn direct ontsloten op de Grote Molenstraat. De later gerealiseerde werktuigenberging is met een tweede ontsluiting ten zuiden van het woonperceel afzonderlijk ontsloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0007.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0008.png"  
Afbeelding 4.1: weergave van de huidige situatie in het plangebied, boven: luchtfoto, onder: vooraanzicht van het erf met de melkstal (links) en de ligboxenstal (rechts)  


Op het bedrijf worden melkkoeien en jongvee gehouden. Voor de activiteiten van het bedrijf is op 20 december 2012 een melding gedaan binnen de werkingssfeer van het Besluit landbouw milieubeheer. Op 10 april 2013 is op basis van deze melding een vergunning verleend in het kader van de Natuurbeschermingsweg 1998. Op basis van deze vergunningen mogen op het bedrijf 194 melkkoeien en 42 stuks jongvee worden gehouden.

Het bij het bedrijf behorende areaal aan landbouwgrond bedraagt ca. 30 hectare, waarvan 22 hectare aangrenzend aan het erf (bouwvlak) is gelegen. Het grootste gedeelte van deze gronden is in eigendom van de initiatiefnemer.

4.2 Voorgenomen ontwikkeling

Voor de huidige exploitatie van het agrarisch bedrijf is geen natuurlijke bedrijfsopvolger beschikbaar. De kinderen van de initiatiefnemer willen het bedrijf echter op termijn voortzetten in de vorm van een akkerbouwbedrijf. De bedoeling is dat het bedrijf geleidelijk wordt overgedragen aan de kinderen, die reeds in de gevormde Maatschap zitten.

De gewenste toekomstige situatie houdt een herinrichting van het erf in. Het rundveebedrijf wordt gestaakt en de milieuvergunning zal worden ingetrokken, maar de agrarische exploitatie van de gronden in de vorm van akkerbouw wordt voortgezet. De omliggende gronden blijven in eigendom van (het gezin van) de initiatiefnemer. De twee veestallen (1.900 m²) worden gesloopt en een groot gedeelte van de verharding en overige voorzieningen wordt geamoveerd. De werktuigenberging (600 m²) aan de achterzijde van het bedrijfsperceel blijft behouden voor het beheer van de overblijvende gronden (stalling van trekkers en machines/werktuigen). De bedrijfswoning blijft behouden en daarnaast worden twee nieuwe vrijstaande woningen gerealiseerd. De nieuwe woningen zijn bestemd voor gebruik door het gezin van de initiatiefnemer, waarbij de zuidelijke nieuwe woning als bedrijfswoning zal functioneren. In afbeelding 4.2 is deze beoogde situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0009.png"  
Afbeelding 4.2: schets van de beoogde situatie. De zuidelijke nieuwe woning betreft de toekomstige bedrijfswoning  


De nieuwe woningen en de resterende bebouwing worden landschappelijk ingepast. Hiertoe is een inrichtingsplan opgesteld, dat als Bijlage 3 is toegevoegd en in afbeelding 4.3 wordt weergegeven. Het inrichtingsplan voorziet onder meer in realisatie van een boomgaard in behoud van bestaande en aanleg van nieuwe houtsingels, te planten solitaire bomen en boomgroepen en realisatie van een poel. Bij het opstellen van het inrichtingsplan is aangesloten bij het LOP van Overbetuwe. Zie daarover nader paragraaf 2.3. Het inrichtingsplan bevat tevens een beplantingslijst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0251BUITgrotemo185-VSG1_0010.png"  
Afbeelding 4.3: weergave van de beoogde landschappelijke inpassing/inrichting  

4.3 Verkeer en parkeren

Ten behoeve van de drie woningen (twee nieuwe en één bestaande) dienen op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Hierbij dient te worden voldaan aan de Nota Parkeernormen Overbetuwe 2016. Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor de benodigde parkeerplaatsen aan de voorkant van het erf aanwezig. De drie woningen kunnen gebruik maken van de reeds bestaande ontsluiting op de Grote Molenstraat centraal op het erf. Een gedeelte van de hier aanwezige verharding wordt niet verwijderd en kan worden gebruikt ten behoeve van het parkeren.

De woningen worden via deze in-/uitrit ontsloten op de Grote Molenstraat. Ten behoeve van de nieuwe woningen is geen extra in-/uitrit nodig. Het agrarisch bedrijf (voertuigenloods en achterliggende landbouwgronden) blijven bereikbaar via de afzonderlijke ontsluiting aan de zuidkant van het perceel. Deze blijft derhalve eveneens behouden. Verkeerskundig gezien bestaan er geen belemmeringen voor het behouden van de beide ontsluitingen, gezien het overzichtelijke karakter van de weg en de tussen de in/-uitritten resterende ruimte. Een afzonderlijke ontsluiting van het agrarische bedrijf is gezien de toekomstige erfinrichting wenselijk. Het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie is zo gering, dat deze weg het verkeer zonder problemen kan verwerken. Van een wezenlijke toename van verkeersbewegingen is gezien de aard van de ontwikkelingen geen sprake.

Voor wat betreft parkeren en verkeersafwikkeling zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling aanwezig.


Hoofdstuk 5 Beschrijving van de bestemmingen

5.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Grote Molenstraat 185, Elst' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De regels
De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende (enkel- en dubbel)bestemmingen. Daarnaast zijn afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen 'Agrarisch' en 'Wonen' opgenomen. Daarnaast zijn om bepaalde waarden te beschermen (archeologische) dubbelbestemmingen en enkele gebiedsaanduidingen opgenomen.

De opzet van het plan
Een bestemmingsplansplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. De regels zijn nagenoeg integraal overgenomen uit dit bestemmingsplan. Voor de te realiseren woningen en het toekomstige akkerbouwbedrijf is een aantal maatwerkregels opgenomen, zoals de maximale inhoud van de (bedrijfs)woningen, de maximale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen (600 m²) en de toegelaten agrarische activiteiten (houden van dieren uitgesloten).

5.2 Verbeelding en regels

Bestemmingen
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het beoogde gebruik. De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
In het grootste deel van het plangebied blijft de bestemming 'Agrarisch' gelden. De toegestane agrarische bedrijfsactiviteiten worden beperkt tot een akkerbouwbedrijf. Het bedrijfsmatig houden van dieren is uitdrukkelijk uitgesloten. Verder zijn hobbymatig agrarisch grondgebruik, maximaal één bedrijfswoning, teeltondersteunende voorzieningen, extensieve dagrecreatie met bijbehorende wegen en paden en bijbehorende voorzieningen binnen deze bestemming toegestaan.

Het bouwvlak binnen deze bestemming wordt aanzienlijk verkleind. Het nieuwe bouwvlak omvat de te behouden bedrijfsbebouwing en de beoogde plaats van de toekomstige bedrijfswoning (zuidelijke nieuwe woning). Er is een klein flexibiliteits-/foutmarge opgenomen. Binnen het bouwvlak dienen de bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing te worden gesitueerd. De situering van de bedrijfswoning binnen het bouwvlak is specifiek vastgelegd met de aanduiding 'bedrijfswoning'. Binnen deze aanduiding is geen bedrijfsbebouwing toegestaan. Zodoende wordt verzekerd dat voldoende afstand ten opzichte van de woningen in acht wordt genomen. De maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is beperkt tot 600 m². De bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen waaronder een inpandige berging, heeft een maximale inhoud van 850 m³. De maximale goot- en bouwhoogte van de bebouwing zijn in de regels vastgelegd. (Vrijstaande) bijgebouwen bij de bedrijfswoning zijn niet toegestaan.

Wonen
Voor de gronden van het nieuwe noordelijke woonperceel en het erf van de bestaande bedrijfswoning, wordt de bestemming 'Wonen' opgenomen. De regels uit het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' zijn, voor zover van toepassing, overgenomen in dit plan.

De bestaande en nieuwe hoofdgebouwen zijn beide binnen een bouwvlak op maat opgenomen. De bouwvlakken zijn zo gesitueerd, dat de woningen op voldoende afstand van de te behouden bedrijfsgebouwen blijven. De maximum inhoud van woningen is 600 m³. De maximale goot- en bouwhoogten zijn overeenkomstig het moederplan opgenomen in de bouwregels.

Op het achtererf en binnen het bouwvlak is ruimte voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en carports. Er is maximaal 90 m² aan bijgebouwen toegestaan per bouwperceel.

Bij recht is een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan, indien aan de gestelde voorwaarden in de regels wordt voldaan. Het gebruik van een deel van de woning en/of de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis kan uitsluitend op basis van een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt.

Waarde - Archeologische verwachting 2 en 3
In het plan zijn dubbelbestemmingen opgenomen, ten behoeve van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Deze zijn overgenomen uit het moederplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de hoofdbestemming 'Wonen'. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing. Bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.

Gebiedsaanduidingen
De gebiedsaanduidingen 'overige zone - waardevol landschap' en 'overige zone - ehs verbinding' zijn uit het moederplan overgenomen en blijven van toepassing. De naamgeving is aangepast aan de SVBP2012.

Hoofdstuk 6 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt, zodat artikel 6.12 lid 1 Wro van toepassing is.

Financiële haalbaarheid
Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten met betrekking tot onder meer het kostenverhaal. Gebleken is dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. Tevens wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak

7.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

7.2 Inspraak

De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Inspraak zal gezien de geringe omvang van de ontwikkeling niet plaatsvinden.

7.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zullen worden geïnformeerd.

7.4 Vaststellingsprocedure

Het ontwerpbestemmingsplan is met ingang van 26 januari 2017 gedurende een periode van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd en digitaal beschikbaar gesteld op de websites www.overbetuwe.nl en www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode kon eenieder zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Het plan is bij besluit van 16 mei 2017 ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe en wordt vervolgens opnieuw zes weken ter inzage gelegd. Belanghebbenden kunnen binnen die periode beroep tegen het plan instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.