| Plan: | Buitengebied, Homoetsestraat ongenummerd, Homoet (tussen 33 en 35) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0237BUIThomoetst35-VSG1 |
Voorliggend wijzigingsplan ´Buitengebied, Homoetsestraat ongenummerd, Homoet (tussen 33 en 35)´ ziet toe op het perceel tussen de woningen Homoetsestraat 33 en 35 in het buitengebied van de gemeente Overbetuwe. In het verleden is de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel Homoetsestraat 35 gesloopt. De voormalige agrarische bedrijfswoning is behouden en omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast is één nieuwe vrijstaande woning toegestaan in ruil voor de sloop van bebouwing. Deze ontwikkeling is vertaald in het thans vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.
De bouwkavel voor de nieuwe woning is inmiddels verkocht. De nieuwe eigenaar wenst op het perceel een twee-aaneengebouwde woning te realiseren. Deze verandering past niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'.
De ontwikkeling wordt juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van toepassing van de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' (artikel 27.5.2). Voorliggend wijzigingsplan heeft tot doel om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.
Het plangebied is gelegen aan de Homoetsestraat 35 in het buitengebied van Overbetuwe, op ca. 1,2 kilometer ten zuidoosten van het bedrijventerrein bij Heteren. Het plangebied is gelegen in het buurtschap Homoet. Het plangebied betreft het huidige woonperceel met de (voormalige agrarische bedrijfs)woning Homoetsestraat 35, plus het perceel waarop de beoogde twee-aaneengebouwde woning wordt gerealiseerd. Kadastraal is het plangebied bekend als gemeente Valburg, sectie M, nummers 77 (nutsvoorziening),150 (woning Homoetsestraat 35) en155 (omliggende perceel waarop de nieuwe woningen worden gerealiseerd.
Op de navolgende afbeelding is de globale ligging van het plangebied in groter verband weergegeven. Daarnaast is een gedetailleerde luchtfoto afgebeeld waarop de ligging van het plangebied in zijn nabije omgeving te zien is. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit wijzigingsplan.
|
|
| Figuur 1.1: ligging en begrenzing plangebied |
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', vastgesteld op 5 maart 2013. De bestemming is 'Wonen', met de maatvoering 'maximum aantal wooneenheden: 2'. Verder heeft het plangebied deels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2'. Tenslotte zijn de gebiedsaanduiding 'waardevol landschap' en 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen. In afbeelding 4.2 is een uitsnede uit de verbeelding bij dit wijzigingsplan opgenomen.
|
| Afbeelding 1.2: uitsnede verbeelding bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' |
Na de voorgenomen ontwikkeling zijn binnen het plangebied 3 woningen aanwezig: de bestaande woning Homoetsestraat 35 en de te realiseren twee-aaneengebouwde woning op het oostelijke perceelsgedeelte. Nu het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' maximaal 2 woningen toelaat, past de ontwikkeling niet binnen het geldende bestemmingsplan. De voorgenomen ontwikkeling kan wel worden gerealiseerd met toepassing van de in artikel 27.5.2 opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Derhalve is het voorliggende wijzigingsplan opgesteld.
Allereerst wordt ingegaan op het beleid dat van toepassing is op onderhavige ontwikkeling (hoofdstuk 2). Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving. De huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling komen hier aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk voor de te volgen procedure.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Voor de regio Oost-Nederland (bestaande uit de provincies Overijssel en Gelderland) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:
Conclusie
Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.
In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Conclusie
Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit wijzigingsplan.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de "ladder duurzame verstedelijking"). Deze verplichting geldt ook voor wijzigingsplannen. De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.
Conclusie
Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt (toevoeging van één woning), voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (vgl. ABRvS 18 december 2013, nr 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Voor wat betreft de behoefte wordt verwezen naar het provinciale beleid (paragraaf 2.2 Provinciaal beleid). Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Op 25 februari 2015 hebben Provinciale Staten een herziening van de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze is op 18 juni 2015 gepubliceerd. Op 8 juli 2015 is een tweede actualisatie (natuur en water) gedeeltelijk vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
Het plangebied is geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de volgende aanduidingen:
Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. Een actualisatie van deze verordening is vastgesteld op 8 juli 2015 en gepubliceerd op 21 augustus 2015. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de verordening zijn gebaseerd op de hierboven beschreven Omgevingsvisie Gelderland.
Het plangebied is geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de volgende aanduidingen:
Conclusie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening|
Stadsregio
In de Stadsregio Arnhem Nijmegen streven de provincie en haar partners naar innovatie en economische structuurversterking, bereikbaarheid, sociaal-economische vitaliteit en verstedelijking en het benutten van de gebiedskwaliteiten van het buitengebied (natuur en cultuurhistorie). De belangrijkste regionale opgaven zijn:
Verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij
In het verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij zijn verschillende functies aanwezig. Er is groei mogelijk voor agrarische bedrijfsontwikkeling voor zover andere functies in de omgeving daarvoor ruimte bieden. Nieuwvestiging van veehouderijen is niet mogelijk. Er kunnen meerdere functies (ook niet-agrarische bestemmingen) naast elkaar bestaan in dit gebied. Dit is een gemeentelijke afweging. Het toevoegen van een woning op een bestaand woonperceel is passend binnen de regels in de verwevingsgebieden.
Intrekgebied
In de intrekgebieden mogen geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maken worden opgenomen. Daarvan is geen sprake.
Grondwaterbeschermingsgebied
De gronden binnen een grondwaterbeschermingsgebied dienen een bestemming te krijgen die hetzelfde of een lager risico voor het grondwater met zich meebrengt dan de vigerende bestemming. Er is geen sprake van een bestemmingswijziging. Het risico voor het grondwater neemt niet toe.
KWO- en boringsvrije zone
In de KWO-vrije zones mogen geen schadelijke vloeibare stoffen zwaarder dan water worden gehouden, gebruikt, vervoerd of in de bodem worden gebracht. Een dergelijk gebruik is bij een woonbestemming niet aan de orde. Ook de verboden werkzaamheden voor boringsvrije zones (artikel 3.3.3) zijn niet aan de orde.
Overige
De overige binnen het plangebied geldende aanduidingen van de Omgevingsvisie en -verordening zijn voor dit wijzigingsplan niet van belang.
Resumé
Het project is in overeenstemming met het provinciaal beleid.
Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is de opvolger van het 'Regionaal Structuurplan KAN 1995-2005' en is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken.
Enkele subdoelstellingen, die in het kader van voorliggend wijzigingsplan van belang zijn, zijn het vergroten van de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van het landelijk gebied en het verbeteren van de kwaliteit van het wonen in stad, dorp en platteland.
Verstedelijking vormt een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen en voor de kwaliteiten van het landelijk gebied. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient in beginsel terughoudend te worden omgegaan met stedelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. In een aantal gebieden kan echter het toevoegen van een beperkt aantal woningen mogelijkheden bieden voor versterking van het landschap, mits hieraan strikte voorwaarden wat betreft locatie, volume en architectonische en landschappelijke inpassing van de woningen worden verbonden.
Conclusie
Onderhavig wijzigingsplan voorziet in de realisatie van één extra woning in het buitengebied op een bestaand woonperceel. De voorheen aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing is inmiddels gesloopt. Daarmee is reeds een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit bewerkstelligd. In het wijzigingsplan wordt de gewenste situering van de nieuwe twee-aaneengebouwde woning concreet vastgelegd, zodat deze uitsluitend kan worden gerealiseerd op de locatie waar deze vanuit landschappelijk-stedenbouwkundig oogpunt gewenst en passend is. Daarnaast wordt voorzien in landschappelijke inpassing door middel van het opgestelde landschapsplan, dat recht doet aan de ruimtelijke en landschappelijke structuur van de omgeving. Realisatie van het landschapsplan, dan wel een ander door de gemeente goed te keuren landschaps-/inrichtingsplan wordt middels een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd. De voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen uit het Regionaal Plan.
Toekomstvisie+ 'Overbetuwe verbindt'
De Toekomstvisie+ is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020 en is een overkoepelend beleidsdocument dat richting geeft aan het beleid en handelen van de gemeente. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De in de visie geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven. In de Toekomstvisie+ wordt de gemeente onderverdeeld in twee delen: het oostelijk en het westelijk deel. Het oostelijk gedeelte is een intermediair gebied in de stadsregio tussen Arnhem en Nijmegen, terwijl het westelijk gedeelte een meer agrarisch karakter heeft. Het plangebied is gelegen in het oostelijke gedeelte. In deze zone zijn meer functies gevestigd die voor de hele stadsregio een rol spelen, zoals wonen, werken, verkeer en recreatie.
Conclusie
Een belangrijke opgave is het behoud en de versterking van de eigenheid en kenmerken van het landschap (opgave 1). Het plangebied is gelegen in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap nabij een cultuurhistorisch waardevol gebied met woerden. Het stroomruggen- en oeverwallenlandschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. De Homoetsestraat vormt daarvan een voorbeeld. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft. Bij de opzet van dit project, zoals vastgelegd in het landschapsplan, is met deze opgave rekening gehouden door twee woonpercelen met een enkele bouwmassa per perceel toe te laten (het bestaande en het nieuwe woonperceel). Het project is derhalve in overeenstemming met de door de gemeente gewenste ontwikkelingsrichting.
Woonvisie 2010-2015 'Wonen is meer dan alleen Stenen'
In de Woonvisie van Overbetuwe is het gemeentelijk woonbeleid vastgelegd. De Woonvisie is een uitwerking van het beleidsveld wonen uit de hiervoor beschreven Toekomstvisie+. Doel is het behouden en waar nodig versterken van de kwaliteit van wonen en leven in de diverse kernen binnen de gemeente. De Woonvisie dient om de visie en opvattingen van de gemeente helder te maken, in te spelen op veranderende woonbehoeften en richting te geven aan de omvang en de samenstelling van het woningbouwprogromma. Bij laatstgenoemd doel vindt een doorkijk richting 2020 plaats. Het aantal huishoudens neemt in de periode 2010-2020 naar verwachting toe met ca. 2.400 naar 19.600 huishoudens in 2020. In de periode 2008-2020 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 2.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en het opvangen van de autonome huishoudengroei. Daarnaast draagt de gemeente bij aan de regionale woonopgave in het oostelijk deel van de gemeente. In totaal zijn voor de periode tot 2020 ca. 3.000 woningen gepland. Variatie in het woonaanbod is bij realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen.
Conclusie
Het gemeentelijk beleid is gericht op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en op mogelijkheden voor inbreiding en intensivering. Variatie in het woonaanbod is een ander speerpunt. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als kwaliteitsverbetering en een intensivering van de mogelijkheden in het plangebied. Verder wordt een onderscheidend woningtype in het buitengebied geboden. Geconstateerd kan worden dat het initiatief in overeenstemming is met de Woonvisie 2010-2015.
Beleidsregel 'Functieverandering'
In 2008 is de beleidsregel 'functieverandering en nieuwvestiging in het buitengebied' opgesteld. Deze bestaat uit regels, een toelichting en een gebiedstypenkaart. De beleidsregel bevat het toetsingskader voor concrete verzoeken om functiewijzigingen in het buitengebied.
Conclusie
In dit geval is er geen sprake van een functiewijziging, omdat wordt voorzien in een extra woning op een bestaand woonperceel. In het verleden is er wel sprake geweest van een functiewijziging. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de uitgangspunten van de beleidsregel. Het plangebied ligt in het gebiedstype agrarisch gebied. In het agrarisch gebied is de bouw van nieuwe woningen alleen toegestaan,mits er landschappelijke verevening plaatsvindt: bouwrechten voor woningen in ruil voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsverbetering kan bestaan uit sloop van bebouwing, verkleining van agrarische bouwvlakken en/of landschappelijke inpassing.
In het onderhavige geval is de ruimtelijke kwaliteitsverbetering tweeledig: recent is de voormalige agrarische ebdrijfsbebouwing volledig gesloopt, terwijl met de onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in landschappelijke inpassing. Daarbij wordt recht gedaan aan de karakteristiek en de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving van het plangebied. Ook wordt aangesloten bij het hieronder beschreven Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe.
Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van Overbetuwe heeft tot doel de oorspronkelijke ruimtelijke structuur en de verscheidenheid van het landschap weer zichtbaar te maken. Dit wordt beoogd door het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. In hoofdstuk 2 van het LOP zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. Om het hoofddoel te realiseren is een vijftal doelstellingen geformuleerd en beschreven:
Conclusie
Het plangebied bevindt zich op één van de drie stroomruggen in de gemeente. Op de visiekaart is het plangebied als stroomruggenlandschap aangegeven en wordt de omgeving tevens als waardevol landschap beschouwd. Meer specifiek behoort het plangebied tot een hogere oeverwal. In dit gebied wordt ingezet op behoud van ruimtelijke afwisseling en versterking kleinschaligheid van de hogere oeverwallen.
Aan de 5 genoemde algemene doelstellingen zijn telkens meerdere opgaven gebonden (zie pag. 62 van het LOP). Eén van de opgaven is het behouden en versterken van het onderscheid tussen de kleinschaligheid van de oeverwallen en de openheid en grootschaligheid in de gebieden daarbuiten. Door de voorziene ontwikkeling wordt de kleinschaligheid in het plangebied en de naastgelegen agrarische gronden versterkt. Het plan draagt ook bij aan de ruimtelijke afwisseling en tevens wordt de structuur langs de Homoetsestraat beter zichtbaar gemaakt en versterkt. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling in de algemene doelstellingen van het LOP.
Naast de genoemde algemene doelstellingen en opgaven, zijn ook gebiedsspecifieke kenmerken en doelstellingen van belang. Het plangebied ligt in deelgebied 9 (Oeverwal Valburg-Homoet). Door kleinschaligheid op de oeverwal in dit deelgebied te versterken, wordt het contrast met het open agrarische gebied ten westen en zuidwesten van het plangebied (kommengebied) vergroot. Dit gebied dient open te blijven. De openheid wordt door de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast. De situering van de woning en het bijgebouw waarborgt een doorzicht richting het betreffende open agrarisch gebied. Het plan is dan ook in overeenstemming met de doelstelling van het LOP voor het betreffende deelgebied.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.
Beoordeling
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Conclusie
Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:
De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting vanwege het wegverkeer bedraagt 48 dB.
Naast de Wgh zijn ook de Nota geluidsbeleid en de Nota hogere grenswaarden van d egemeente Overbetuwe van belang.
Beoordeling
De nieuwe woningen liggen binnen de geluidzone van de Homoetsestraat. Doordat een nieuw geluidsgevoelig object (woning) wordt toegevoegd, is een onderzoek naar de geludibelasting vanwege het wegverkeer noodzakelijk. De rapportage van het onderzoek is bij deze toelichting gevoegd (Bijlage
2). De resultaten worden hierna beknopt weergegeven.
Uit de berekeningen volgt dat de maximale geluidbelasting 48 dB bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wgh.
In de Nota geluidsbeleid van Overbetuwe wordt het plangebied als buitengebied getypeerd. De geluidbelasting van 48 dB vanwege het wegverkeer valt onder de geluidsklasse 'redelijk rustig' en valt daarmee tussen de ambitieklasse en de bovengrensklasse in. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt. Vanuit het gemeentelijk geluidsbeleid worden geen extra eisen gesteld.
Conclusie
Voldaan wordt aan de Wgh en aan de gemeentelijke Nota geluidsbeleid. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen aanwezig.
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Conclusie
De in dit wijzigingsplan opgenomen ontwikkeling van één nieuwe woning valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen. De luchtkwaliteit wordt daarom niet in betekenende mate aangetast met de voorgestane ontwikkeling en een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten''. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden.
Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Conclusie
Binnen het plangebied wordt een extra woning toegestaan binnen de bestemming 'Wonen'. Daardoor is er geen sprake van eventuele hinder vanuit het plangebied op de omliggende woningen.
In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich overwegend burgerwoningen en agrarische gronden. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een detailhandelsbestemming (Homoetsestraat 37). Op dit perceel is een houthandel aanwezig. Detailhandelsbestemmingen behoren tot milieucategorie 1. Daarbij behoort een richtafstand van 10 meter. De afstand van de nieuwe woning tot de houthandel is ruim 80 meter. Daarmee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan, is er geen sprake van belemmeringen en is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning gegarandeerd.
Vanuit het aspect bedrijven en milieuzoneringen zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.
Conclusie
Voorliggend wijzigingsplan voorziet in een nieuw geurgevoelig object in de vorm van een extra woning. Het gehele perceel is thans reeds bestemd voor woondoeleinden. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich bovendien geen (intensieve) veehouderijen. Deze bevinden zich op meer dan 300 meter afstand van het plangebied. Tussen de veehouderijen het plangebied bevinden zich burgerwoningen, die op aanmerkelijk kortere afstand van de betreffende veehouderijen gelegen zijn. De veehouderijen worden dan ook niet beperkt. Gezien de afstand van het plangebied tot de veehouderijen, is tevens voldoende aannemelijk dat er geen onevenredige geurhinder in het plangebied ontreedt en dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect geurhinder bestaan dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. Ook in het kader van een functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Op basis van art. 8 Woningwet en art. 2.4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Overbetuwe (2012) geldt een verbod voor het bouwen van bouwwerken, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven, op vervuilde grond.
Conclusie
Dit wijzigingsplan voorziet in de bouw van een nieuwe woning. Hiermee wordt dus een bouwwerk mogelijk gemaakt waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. Een verkennend bodemonderzoek is derhalve noodzakelijk. Het rapport van het uitgevoerde onderzoek is als bijlage bij de toelichting bijgevoegd. Hieronder worden de onderzoeksresultaten beknopt beschreven.
Uit het onderzoek blijkt dat er geen astbestverontreiniging te verwachten is. De bovengrond van het noordelijk deel van het plangebied is licht verontreinigd met nikkel. In het grondwater is een lichte verontreiniging met bairum aangetroffen. In de bovengrond van het zuidelijk deel van het plangebied is en in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, is nader onderzoek niet nodig. Met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem bestaan er geen belemmeringen voor het beoogde gebruik.
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden twee normstellingen gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers: bebouwing in de vorm van kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6-contour. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In bovenstaande besluiten is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de eisen van het besluit bij nieuwe activiteiten/situaties. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld.
Conclusie
Het voorliggende wijzigingsplan voorziet in de realisatie van een nieuwe woning. Derhalve wordt er een nieuw kwetsbaar object mogelijk gemaakt. Bezien dient te worden of zich in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, leidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen bevinden. Navolgend is een uitsnede uit de risicokaart weergegeven, waarop de in de omgeving aanwezig risicobronnen te zien zijn. Het plangebied is met zwart kader aangeduid.
|
| Afbeelding 3.1: uitsnede risicokaart. |
In de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig:
Het plangebied ligt ruimschoots buiten het invloedsgebied en de risicocontouren van deze inrichtingen en leidingen. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaat dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. In het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen gelegen, die planologische bescherming behoeven cq. genieten.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de betreffende periode voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
In het kort hier de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende zes jaar gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.
Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de "Keur Waterschap Rivierenland 2014" van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.
Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m2 in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe het Waterplan vastgesteld. In het waterplan wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern op genomen.
Watertoets
Voorliggend wijzigingsplan voorziet in de realisatie van een twee-aaneengebouwde woning met 90 m² aan bijgebouwen. Planologisch gezien is er sprake van één nieuwe wooneenheid. De oppervlakte aan bebouwing neemt in zeer geringe mate toe en blijft ruimschoots beneden de drempel voor vrijstelling van de compensatieplicht op basis van de Keur (1.500 m²). Derhalve kan de eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht worden toegepast.
Waterhuishoudkundig gezien is de ontwikkeling neutraal. Hemelwater van daken en verhardingen wordt afgekoppeld, zodat scheiding van vuilwater en hemelwater wordt bewerkstelligd. Voor het waarborgen van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, geldt dat voor het nieuwe dakoppervlak geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt.
Aan de noordoostrand van het plangebied aan de voorzijde van het perceel voor de nieuwe woningen (evenwijdig aan de Homoetsestraat), is een B-watergang gelegen. Aan de noordwestkant (evenwijdig aan de Adelhofstraat) zijn een A- en een C-watergang gelegen. Deze watergangen blijven behouden. Ten behoeve van de toegang tot de te realiseren woningen zal een duiker ter plaatse van de B-watergang gerealiseerd moeten worden.
Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling aanwezig.
Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), dat op provinciaal niveau is uitgewerkt (Gelders Natuurnetwerk).
De Natuurbeschermingswet 1998 heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' van de Flora- en faunawet, en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Momenteel zijn echter nog geen algemeen toepasbare gedragscodes voorhanden.
Conclusie
In het plangebied worden drie woningen mogelijk gemaakt in twee bouwmassa's: de bestaande voormalige agrarische bedrijfswoning en de nieuw te bouwen twee-aaneengebouwde woning op het naastgelegen perceel. Juridisch-planologisch zijn er thans twee (vrijstaande) woningen toegestaan. Doordat de te realiseren woning uitsluitend als twee-aaneengebouwde woning gerealiseerd kan worden is er geen sprake van een uitbreiding van het ruimtebeslag. Bovendien is er geen sprake van een functiewijziging, omdat het plangebied reeds geheel is bestemd voor woondoeleinden. De voorgenomen ingrepen en het voorgenomen gebruik hebben dan ook geen negatieve effecten op de flora en fauna in het plangebied en de omgeving. Het plangebeid is gelegen op ca. 2,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Rijntakken en op ca. 550 meter van het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de betreffende gebieden, kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten.
Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor het wijzigingsplan aanwezig.
Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Conclusie
In een gedeelte van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' (zeer hoge verwachting) en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' (hoge verwachting). Archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor ingrepen groter dan respectievelijk 50 m² en 100 m² met een diepte van meer dan 30 cm-mv. De nieuwe woningen zijn echter gelegen buiten deze dubbelbestemmingen. In het verleden (januari-maart 2010) is reeds een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Dit is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
Uit het onderzoek blijkt dat de bodemopbouw binnen het grootste deel van het plangebied intact is, waardoor er nog archeologisch resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn. Archeologisch vervolgonderzoek (proefsleuvenonderzoek) is daarom noodzakelijk. Dit wordt in het kade rvan de omgevingsvergunning van het bouwen uitgevoerd. De archeologische dubbelbestemmingen uit het bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' worden in dit wijzigingsplan overgenomen.
Het plangebied betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie, waarvan de voorheen aanwezige bedrijfsbebouwing reeds is gesloopt. Zie afbeelding 4.1, onder C, D en E.
|
| Afbeelding 4.1: weergave van de voorheen aanwezige bebouwing; de bebouwing onder C, D en E is inmiddels gesloopt |
Op het perceel is thans de woning Homoetsestraat 35 aanwezig (afbeelding 4.1, onder B), met een bijgebouw en een tuin. Het oostelijke gedeelte van het plangebied (het beoogde perceel voor de nieuwe woningen, adbeelding 4.1 onder A) is ingericht als agrarisch onbebouwd gebied. Aan de voorzijde van dit perceel bevindt zich een sloot (B-watergang) en uiterst oostelijk een nutsgebouwtje. Het aangrenzende perceel betreft de woning Homoetsestraat 33.
Ook het achter de woning gelegen gebied is ingericht als agrarisch onbebouwd gebied. Dit maakt echter geen deel uit van het plangebied.
Beoogd wordt om een twee-aaneengebouwde woning te realiseren op het perceelsgedeelte tussen de woningen Homoetsestraat 33 en 35. De woning wordt verder naar achteren geplaatst dan de naastgelegen woningen. De woning wordt met de nokrichting haaks op de weg geplaatst. Dit geldt ook voor het bijgebouw (ca. 90 m²), dat schuin achter de woning wordt gerealiseerd. Aan de westkant van het perceel wordt een oprit aangelegd. De beoogde situatie is weergegeven in afbeelding 4.2, met de woning Homoetsestraat 33 (nr. 1), de nieuwe twee-aaneengebouwde woning (nr. 2) en het bijgebouw (nr. 3) aangeduid.
|
| Afbeelding 4.2: schets van de beoogde situatie (bron: Agroplan, Landschapsplan Homoetsestraat ong.) |
De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast. Hiertoe is een landschapsplan opgesteld, dat als bijlage is toegevoegd. Het landschapsplan voorziet onder meer in realisatie van een boomgaard in de voortuin, beukenhagen rondom de tuin en knotelzen. Het achtergelegen (agrarische) perceel wordt grotendeels ingericht met kruidenrijk grasland, een poel en solitaire bomen. Zie ook paragraaf 2.3.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het wijzigingsplan (de verbeelding en regels).
Het wijzigingsplan 'Buitengebied, Homoetsestraat ongenummerd, Homoet (tussen 33 en 35)' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De regels
De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende (enkel- en dubbel)bestemmingen. Daarnaast zijn afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding is de enkelbestemming 'Wonen' opgenomen. Daarnaast zijn om bepaalde waarden te beschermen (archeologische) dubbelbestemmingen en enkele gebiedsaanduidingen opgenomen.
De opzet van het plan
Een wijzigingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. De regels zijn nagenoeg integraal overgenomen uit dit bestemmingsplan. Voor de te realiseren twee-aaneengebouwde woning is een aantal maatwerkregels opgenomen, zoals de maximale inhoud (800 m³) en de bouwwijze.
Bestemmingen
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het beoogde gebruik. De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.
Wonen
Voor de gronden in het plangebied geldt de bestemming 'Wonen', die ook in het moederplan 'Buitengebied Overbetuwe' is opgenomen. Deze regels zijn, voor zover van toepassing, overgenomen in dit wijzigingsplan. Voor de te realiseren twee-aaneengebouwde woning is een aantal maatwerkregels opgenomen.
De bestaande en nieuwe hoofdgebouwen zijn beide binnen een bouwvlak opgenomen. Voor de bestaande woning is dit strak begrensd en voor de nieuwe twee-aaneengebouwde woning is een kleine flexibiliteitsmarge opgenomen. Doordat voor deze woning maatwerk is geleverd (maximale inhoud 800 m², uitsluitend een twee-aanaangebouwde woning), wordt voorkomen dat een te groot extra ruimtebeslag ontstaat. Het bouwvlak is zo gesitueerd, dat de woning verder van de weg af gelegen is dan de twee naastgelegen woningen. Dit is overeenkomstig het landschapsplan en de stedenbouwkundige uitgangspunten.
Op het achtererf en binnen het bouwvlak is ruimte voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en carports. Er is maximaal 90 m² aan bijgebouwen toegestaan bij de bestaande (vrijstaande) woning; ook bij de nieuwe twee-aaneengebouwde woning is in totaal maximaal 90 m² aan bijgebouwen toegestaan.
Bij recht is een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan, indien aan de gestelde voorwaarden in de regels wordt voldaan. Het gebruik van een deel van de woning en/of de bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis kan uitsluitend op basis van een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt.
Waarde - Archeologische verwachting 1 en 2
In het plan zijn dubbelbestemmingen opgenomen, ten behoeve van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Deze zijn overgenomen uit het moederplan 'Buitengebied Overbetuwe'. De nieuwe woning wordt buiten deze dubbelbestemmingen gerealoseerd. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de hoofdbestemming 'Wonen'. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing. Bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.
Gebiedsaanduidingen
De gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'overige zone - waardevol landschao' zijn uit het moederplan overgenomen en blijven van toepassing. De naamgeving is aangepast aan de SVBP2012.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Met onderhavig wijzigingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt, zodat artikel 6.12 lid 1 Wro van toepassing is.
Financiële haalbaarheid
Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten met betrekking tot onder meer het kostenverhaal. Gebleken is dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. Tevens wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afgesloten. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een wijzigingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het wijzigingsplan van start gaan.
De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Inspraak zal gezien de geringe omvang van de ontwikkeling niet plaatsvinden.
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een wijzigingsplan wordt in het betreffende artikel gelijk gesteld met een bestemmingsplan. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit wijzigingsplan zullen worden geïnformeerd.
Op grond van artikel 3.8 van de Wro is het ontwerp wijzigingsplan met ingang van 29 juni 2016 zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd en digitaal beschikbaar gesteld op de websites www.overbetuwe.nl en www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze periode kon eenieder zienswijzen tegen het ontwerp wijzigingsplan indienen. Er zijn geen zienswijzen tegen het ontwerp wijzigingsplan ingediend. Wel is één ambtshalve aanpassing aan het ontwerp wijzigingsplan aangebracht. De maximale goothoogte is aangepast van 4 naar 4,5 meter.
Het plan is op 24 augustus 2016 gewijzigd vastgesteld en wordt vervolgens opnieuw zes weken ter inzage gelegd. Belanghebbenden kunnen binnen die periode beroep tegen het plan instellen.