direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Valburg, Tielsestraat 30
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0236VALBtielsest30-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemers zijn voornemens om op het perceel Tielsestraat 30 te Valburg een nieuwe vrijstaande woning te realiseren, ten westen van de bestaande woning (de huidige woning van de initiatiefnemers). Beoogd wordt dat initiatiefnemers tot op latere leeftijd in de nieuwe woning woonachtig kunnen blijven. De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op grond van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. De bestemming is 'Wonen' met de aanduiding 'waardevol landschap'. Op basis van deze bestemming is het realiseren van een nieuwe woning niet toegestaan.

Om de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente Overbetuwe acht het toevoegen van een woning op deze inbreidingslocatie onder voorwaarden aanvaardbaar. Eén van deze voorwaarden betreft een voldoende landschappelijke inpassing van de nieuwe woning, waarmee de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied wordt verbeterd. Voorts wordt het bestemmingsvlak 'Wonen' op maat opgenomen en verkleind. Voorliggend bestemmingsplan 'Valburg, Tielsestraat 30' voorziet in het juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling en de daaraan te verbinden voorwaarden.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Tielsestraat 30 te Valburg, dat is gelegen in het overgangsgebied van de kern Valburg naar het buitengebied op de hoek Tielsestraat-Kasteelstraat. Deze hoek is de entree van de kern Valburg vanuit het oosten (Elst). Het plangebied sluit aan de west-, noord- en oostkant aan op de kadastrale begrenzing van het betreffende perceel. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrensd door de verkeersbestemming van de Tielsestraat. Zie ook figuur 1. De exacte begrenzing van het plangebied is uitgetekend op de verbeelding.

In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig. Ten westen van het plangebied bevindt zich de Kasteelstraat met een bomenrij en een sloot ten oosten van de weg. Aan de overzijde van deze weg is een woonwijk van de kern Valburg aanwezig. Ten noorden en noordoosten van het plangebied zijn onbebouwde agrarische percelen gelegen, met verderop een voetbal- en tennisverening en de spoorlijn Elst - Zetten-Andelst. Aan de oostkant grenst het plangebied aan het woonperceel Tielsestraat 28. Aan de zuidkant bevindt zich de Tielsestraat, met aan de overzijde tegenover het plangebied de bedrijfslocatie Tielsestraat 9-11.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0236VALBtielsest30-VSG1_0001.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0236VALBtielsest30-VSG1_0002.png"  
Figuur 1: ligging en globale begrenzing van het plangebied (bron: Bing Maps)  

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het ter plaatse vigerende bestemmingsplan is 'Buitengebied Overbetuwe', vastgesteld op 5 maart 2013. In het plangebied geldt de bestemming 'Wonen'. Ter plaatse van het bestemmingsvlak 'Wonen', is één woning toegestaan, namelijk uitsluitend de bestaande woning Tielsestraat 30. Er is geen bouwvlak opgenomen. In een groot deel van het plangebied gelden voorts de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en 'Waarde - Archeologische verwachting 4'. Tenslotte is in het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'waardevol landschap' opgenomen. Een uitsnede uit de verbeelding van het bestemmingsplan is opgenomen in figuur 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0236VALBtielsest30-VSG1_0003.png"  
Figuur 2: uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'  

Het vigerende bestemmingsplan laat uitsluitend de bestaande woning Tielsestraat 30 toe. Realisatie van een nieuwe woning is op basis van dit bestemmingsplan niet mogelijk. Derhalve wordt een bestemmingsplanherziening doorlopen om het project mogelijk te maken. Het onderhavige bestemmingsplan 'Valburg, Tielsestraat 30' bevat het juridisch-planologische kader voor de voorgenomen ontwikkeling.

1.4 Leeswijzer

Allereerst wordt ingegaan op het beleid dat van toepassing is op de onderhavige ontwikkeling. Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving. De huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling komen hier aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk voor de te volgen procedure.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Conclusie
De voorgestane ontwikkeling speelt zich gezien de aard en omvang daarvan af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat de ontwikkeling niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Conclusie
De voorgestane ontwikkeling speelt zich gezien de aard en omvang daarvan af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat de ontwikkeling niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de "ladder duurzame verstedelijking"). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.

Conclusie
Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt (toevoeging van één woning), voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (vgl. ABRvS 18 december 2013, nr 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gezien het voorgaande vormt de ladder voor duurzame ontwikkeling geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Op 25 februari 2015 hebben Provinciale Staten een herziening van de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze is op 18 juni 2015 gepubliceerd. Op 8 juli 2015 is een tweede actualisatie (natuur en water) gedeeltelijk vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • een duurzame economische structuur;
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.


Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.

Het plangebied is geheel of gedeeltelijk gelegen binnen de volgende aanduidingen:

  • Stadsregio Arnhem Nijmegen;
  • Windenergie uitgesloten vanwege wettelijke beperkingen;
  • Verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij;
  • Glastuinbouw in overige gebieden;
  • Intrekgebied.


Conclusie
In de Stadsregio Arnhem Nijmegen streven de provincie en haar partners naar innovatie en economische structuurversterking, bereikbaarheid, sociaal-economische vitaliteit en verstedelijking en het benutten van de gebiedskwaliteiten van het buitengebied (natuur en cultuurhistorie). De belangrijkste regionale opgaven zijn:

  • versterking van de basiseconomie en de topsectoren;
  • versterking van het stedelijk kerngebied;
  • realisatie van een aantrekkelijk regionaal vestigingsklimaat voor wonen en werken;
  • behouden en verbeteren leefbaarheid in steden en omringende kernen;
  • verbeteren interne en externe bereikbaarheid;
  • behouden en benutten gebiedskwaliteiten.

In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is met name het behouden en benutten van gebiedskwaliteiten van belang. Het plangebied bevindt zich in het overgangsgebied van de kern Valburg naar het buitengebied. In het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' is het gebied aangeduid als waardevol landschap. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van Overbetuwe vormt de gemeentelijke uitwerking van de genoemde regionale opgave. In het opgestelde landschapsinrichtingsplan is rekening gehouden met het behoud en waar mogelijk versterking van de gebiedskwaliteiten. Uitvoering van dit inrichtingsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het LOP komt nader aan de orde in paragraaf 2.3 (gemeentelijk beleid).

De overige binnen het plangebied geldende aanduidingen zijn voor dit project niet van belang. Het project is dan ook niet in strijd met de Omgevingsvisie.

Omgevingsverordening Gelderland en Regionale Woonagenda
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. Een actualisatie van deze verordening is vastgesteld op 8 juli 2015 en gepubliceerd op 21 augustus 2015.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de verordening zijn gebaseerd op de hierboven beschreven provinciale Omgevingsvisie en vormen hier een concrete uitwerking van.

Conclusie
Het plangebied is gelegen binnen de volgende aanduidingen:

  • Tijdelijk verbod nieuw- en hervestiging glastuinbouw en uitbreiding bestaande glastuinbouw;
  • Glastuinbouw in overige gebieden;
  • Verwevingsgebied niet-grondgebonden veehouderij;
  • Intrekgebied.

Dit bestemmingsplan heeft geen betrekking op glastuinbouw, grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderij of de winning van fossiele energie. De van toepassing zijnde aanduidingen zijn voor dit project derhalve niet van belang.

Par. 2.2 van de Omgevingsverordening bevat regels met betrekking tot wonen. Nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen zijn slechts toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma successievelijk de door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. In 2013 is de Regionale Woonagenda 2013-2020 voor de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, waartoe Overbetuwe behoort, tot stand gekomen. Deze vormt een uitwerking van de provinciaal vastgestelde opgave. De toe te voegen woning past binnen de woningbouwopgave van Overbetuwe. Deze is vastgelegd in de Woonvisie Overbetuwe 2010-2015. Voor Valburg-Homoet is er ruimte voor ongeveer 170 nieuwe woningen in de periode tot en met 2020. Deze opgave is momenteel nog niet volledig uitgevoerd en/of omgezet in harde plancapaciteit. In de woningbouwprogrammering is derhalve ruimte aanwezig voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling.

Het project is gezien het voorgaande in overeenstemming met de provinciale Omgevingsverordening.

Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is de opvolger van het 'Regionaal Structuurplan KAN 1995-2005' en is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken. Concreet levert dit een visie op met tien bestuurlijke prioriteiten (strategische ontwikkelingsprojecten).

Conclusie
Voor het onderhavige project is met name ontwikkeling 7 van belang: ontwikkeling van de eigenheid en identiteit van dorpen. In het Regionaal Plan wordt een grote vraag naar landelijke woonmilieus gesignaleerd. Deze behoefte kan grotendeels worden opgevangen door inbreiding en uitbreiding van de dorpen. Ruimtelijke ontwikkelingen vormen wel een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen. Bij uitbreidingsplannen worden karakteristieke, streekeigen dorpsstructuren maar zelden als drager of inspiratiebron gebruikt. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient met uiterste zorgvuldigheid om te worden gegaan met nieuwbouw in en uitbreiding van kernen.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één woning op een bestaand woonperceel op een inbreidingslocatie aan de rand van de kern Valburg. De planlocatie biedt enerzijds een landelijk woonmilieu in het overgangsgebied tussen de kern Valburg en het buitengebied en is anderzijds gelegen op korte afstand van de in de kern aanwezige voorzieningen. Verder is van belang dat de inbreiding aansluit op de bestaande wegen- en bebouwingsstructuur aan de Tielsestraat. De nieuwe woning wordt in lijn met de bestaande woning Tielsestraat 30 gerealiseerd en wordt georiënteerd en ontsloten op de Tielsestraat. Hierdoor blijft de landschappelijk waardevolle bomenrij langs de Kasteelstraat intact. Er wordt op deze wijze recht gedaan aan de bestaande dorpsstructuur, waardoor het project in overeenstemming met dit uitgangspunt van het Regionaal Plan is.

2.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie+ 'Overbetuwe verbindt'
De Toekomstvisie+ is het algemene kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020 en is een overkoepelend beleidsdocument dat richting geeft aan het beleid en handelen van de gemeente. De visie, vastgesteld op 8 september 2009, geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De in de visie geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven. De gewenste ontwikkelingsrichtingen worden via 21 opgaven concreter vormgegeven. De visie is uitsluitend bindend voor de gemeente en wordt uitgewerkt in verschillende beleidsvelden, waaronder de hierna geschetste Woonvisie 2010-2015.

Conclusie
Het plangebied is ingevolge de visiekaart van de Toekomstvisie+ gelegen aan de rand van het bestaande woongebied c.q. de bestaande bebouwingscontour van Valburg. In de kern Valburg is ruimte voor inbreiding van woningen, niet voor uitbreiding. Het perceel van de nieuwe woning kan, gezien de ligging aan de rand van de bestaande bebouwingscontour en tussen de woonwijk Kasteelstraat-Tielsestraat-Stationsstraat, de woningen Tielsestraat 28 en 30 en de bedrijfslocatie aan de overzijde van de Tielsestraat, ruimtelijk-stedenbouwkundig als een inbreidingslocatie worden beschouwd. De realisatie van een nieuwe woning op een inbreidingslocatie is passend in het beleid vanuit de Toekomstvisie+ voor de kern Valburg.

Het plangebied is daarnaast gelegen in het stroomruggen- en oeverwallenlandschap. Dit landschap is verdicht en kleinschalig, met een afwisselend landgebruik in onregelmatige blokverkaveling. Kenmerkend is verder de veelheid aan landelijke wegen met clusters aan vrijstaande woningen en (voormalige) boerderijen. De kernen van Overbetuwe liggen verspreid over de oeverwallen, waarbij de oude verbindingswegen tussen de kernen over de oeverwallen en dijken lopen. De Tielsestraat is een oorspronkelijke verbindingsweg tussen de kernen Elst en Valburg. Belangrijk is dat de kleinschaligheid van het landschap behouden blijft. Bij de opzet van dit project, zoals vastgelegd in het landschapsinrichtingsplan, is met deze opgave rekening gehouden. De perceelsindeling is zodanig dat een kleinschalig woonperceel ontstaat met een meer open achterliggend perceelsdeel, dat de bestemming 'Agrarisch' (onbebouwd) krijgt. De nieuwe woning wordt aan drie zijden omringd met een groene erfinrichting. Zodoende vormt het plangebied een logische overgang tussen de woonwijk ten westen van het plangebied en het oeverwallenlandschap ten noorden en oosten van het plangebied. Specifiek is rekening gehouden met het zicht vanaf de Kasteelstraat op de achterliggende agrarische gronden en op verbetering van het aanzicht van de dorpsentree aan de Tielsestraat (versterking van de landschappelijke kwaliteit). Het project is derhalve in overeenstemming met de door de gemeente gewenste ontwikkelingsrichting en passend in het oeverwallenlandschap.

Woonvisie Overbetuwe 2010-2015
In de Woonvisie van Overbetuwe is het gemeentelijk woonbeleid vastgelegd. De Woonvisie is een uitwerking van het beleidsveld wonen uit de hiervoor beschreven Toekomstvisie+. Doel is het behouden en waar nodig versterken van de kwaliteit van wonen en leven in de diverse kernen binnen de gemeente. De Woonvisie dient om de visie en opvattingen van de gemeente helder te maken, in te spelen op veranderende woonbehoeften en richting te geven aan de omvang en de samenstelling van het woningbouwprogromma. Bij laatstgenoemd doel vindt een doorkijk richting 2020 plaats. Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2010-2020 naar verwachting toe met ca. 2.400 naar 19.600 huishoudens in 2020. In de periode 2008-2020 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 2.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en het opvangen van de autonome huishoudengroei. Daarnaast draagt de gemeente bij aan de regionale woonopgave door in het oostelijk cluster van de gemeente extra woningen te realiseren. In totaal zijn voor de periode tot 2020 ca. 3.000 woningen gepland. Variatie in het woonaanbod is bij realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Een ander uitgangspunt is dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopgeschikt worden gebouwd.

Conclusie
Uit de Woonvisie blijkt dat in Valburg en Homoet ruimte is voor circa 170 nieuwe woningen in de periode tot 2020. Deze opgave is nog niet volledig benut met nieuwe woningen en harde plancapaciteit. Derhalve biedt het gemeentelijk woningbouwprogramma ruimte voor het toevoegen van een woning.

Valburg is een kern met relatief jonge inwoners en een woningvoorraad met relatief veel koopwoningen (circa 75%). In de kern bestaat met name behoefte aan (betaalbare) koopwoningen voor starters, aan huurwoningen en aan geschikte woningen voor ouderen. Bij inbreiding dient met deze wensen rekening te worden gehouden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een levensloopbestendige woning, die ook voor ouderen geschikt is. Immers wensen de initiatiefnemers hier tot op latere leeftijd woonachtig te blijven.

Daarnaast dient nieuwbouw bij te dragen aan het dorpse karakter van Valburg. Daarvan is in onderhavig geval eveneens sprake. Kleinschalige inbreiding zorgt, in tegenstelling tot grootschalige inbreiding of uitbreiding van de bebouwingscontour van de kern, voor een behoud van het dorps karakter en voorziet tegelijkertijd in een belangrijk deel van de woningbouwbehoefte. De beoogde woonkavel biedt daarnaast bij uitstek een geschikte locatie voor een dorps woonmilieu aan de rand van de dorpskern van Valburg. Dergelijke locaties zijn zeer spaarzaam. De perceelsopzet is kleinschalig van aard en passend bij een overgangsgebied van de kern naar het buitengebied en bij de entree van de kern Valburg.

Het project is dan ook passend binnen de Structuurvisie+ en de daarop gebaseerde Woonvisie.

Landschapsontwikkelingsplan Overbetuwe (LOP)
Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) van Overbetuwe heeft tot doel de oorspronkelijke ruimtelijke structuur en de verscheidenheid van het landschap weer zichtbaar te maken. Dit wordt beoogd door het ontwikkelen van een sterke samenhangende landschappelijke structuur met een eigen Betuwse identiteit, die tegenwicht biedt aan de verstedelijking en waarbij belangrijke landschappelijke waarden duurzaam in stand worden gehouden. In hoofdstuk 2 van het LOP zijn de (algemene) doelstellingen en gebiedsspecifieke opgaven voor Overbetuwe geformuleerd. Om het hoofddoel te realiseren is een vijftal doelstellingen geformuleerd en beschreven:

  • 1. instandhouden en versterken van de waardevolle samenhang tussen kom-oeverwal en uiterwaarde (gradiënten).
  • 2. behouden en versterken van de openheid, grootschaligheid en de kernmerkende weidebouw in de kommen, tegenover de kleinschalige structuur van de oeverwallen.
  • 3. waardevolle landschappelijke en historische elementen en structuren beter herkenbaar maken in het landschap.
  • 4. benutten van de landschapecologische potenties die het watersysteem biedt.
  • 5. verbeteren van de overgangen tussen de stads- en dorpskernen en het platteland. Waar gewenst de mogelijkheden voor recreatief medegebruik onderzoeken.

Conclusie
Van de beschreven algemene doelstellingen zijn voor de onderhavige ontwikkeling met namen de doelstellingen 2, 3 en 5 van belang. Aan de algemene doelstellingen zijn telkens meerdere opgaven gebonden (zie pag. 62 van het LOP).

Het plangebied bevindt zich op één van de hogere oeverwallen in de gemeente. In deze gebieden wordt ingezet op behoud van ruimtelijke afwisseling en versterking kleinschaligheid van de hogere oeverwallen. Deze doelstelling geldt ook specifiek voor de Tielsestraat in de Kern Valburg, waarvan het plangebied de entree vanuit Elst is. Dit volgt uit de visiekaart 'herkenbare historische structuren en elementen' (p. 124). Het plangebied ligt ingevolge het LOP tegen de maximale bebouwingscontour van de kern Valburg aan en ligt op een overgang tussen de kern Valburg en het buitengebied.

Eén van de opgaven is het behouden en versterken van het onderscheid tussen de kleinschaligheid van de oeverwallen en de openheid en grootschaligheid in de gebieden daarbuiten. Dit hangt in onderhavig geval gezien de ligging van het plangebied samen met de opgave tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de overgangszones tussen kernen en platteland, waarvoor het behoud van kleinschaligheid en afwisseling van openheid en beslotenheid van belang zijn. Door de voorziene ontwikkeling worden de kleinschaligheid en variatie in het plangebied versterkt. Er wordt een kleinschalig woonperceel op maat opgenomen, waarbij het noordelijk gedeelte van het plangebied een agrarische bestemming krijgt. In het verplicht te realiseren landschapsinrichtingsplan is specifiek beoogd om de overgang tussen de dorpskern Valburg en de agrarische percelen in het buitengebied te verbeteren. Het zicht op dit agrarisch gebied vanaf de Kasteelstraat wordt gehandhaafd. Eén gebouwtje (paardenstal/container) aan de achterzijde van het huidige woonperceel zal worden gesloopt. Voorts wordt de dorpsentree vanuit de richting Elst verbeterd. Beide dragen bij aan de doelstelling zoals geformuleerd in het LOP. Door het opvullen van een gat in de bebouwing langs de Tielsestraat op de onderhavige inbreidingslocatie, wordt tevens de landschappelijk-stedenbouwkundige structuur langs deze straat versterkt. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling in de algemene doelstellingen van het LOP.

Naast de beschreven algemene doelstellingen en opgaven, zijn ook gebiedsspecifieke kenmerken en doelstellingen van belang. Het plangebied ligt in deelgebied 9 (Oeverwal Valburg-Homoet). Dit is een cultuurhistorisch waardevol gebied en een belangrijk landschapstype in Overbetuwe. Het verschil tussen de open kommen en de oeverwal dient behouden te blijven en waar mogelijk versterkt, onder meer door behoud van zichtlijnen tussen beide gebiedstypen. Zoals hiervoor is beschreven, draagt de onderhavige planontwikkeling daaraan bij. Maatregelen die worden gestimuleerd zijn onder meer het aanleggen van erfbeplanting en de aanplant van fruitbomen. Het landschapsinrichtingsplan voorziet in realisatie van een boomgaardje met fruitbomen aan de voorzijde van het perceel, ter verfraaiing van de dorpsentree en in bredere, dichtere beplanting aan de westkant van het woonperceel (singel met inheemse soorten).

Geconcludeerd wordt dat het voorliggende bestemmingsplan bijdraagt aan een landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitsverbetering van de dorpsentree aan de oostkant van Valburg en door de kleinschalige opzet van het woonperceel tevens bijdraagt aan versterking van de overgang tussen deze kern en het achterliggende agrarische gebied. Aan de noordkant van het plangebied wordt de zichtlijn vanaf de Kasteelweg bovendien behouden. Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met het LOP van Overbetuwe.

Hoofdstuk 3 Milieu- en omgevingsaspecten

3.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.

Conclusie
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.

  • 1. In het plangebied wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Er is daarmee geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r..
  • 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit paragraaf 3.10 (Flora en fauna) van de toelichting volgt dat het plangebied niet ligt in of nabij een gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarden. Daarnaast is er geen sprake van externe werking op het Gelders Natuurnetwerk, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Belvédèregebied. Wel is het plan gelegen in een als zodanig aangeduid landschappelijk waardevol gebied. Ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving, is een landschapsinrichtingsplan voor het plangebied opgesteld (zie paragraaf 4.2 en Bijlage 2 van deze toelichting). Daarmee worden negatieve landschappelijke effecten voorkomen.
  • 3. In dit Hoofdstuk 3 Milieu- en omgevingsaspecten zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.


Een m.e.r.-beoordeling is gezien het voorgaande niet noodzakelijk.

3.2 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgelegd dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De zones langs wegen zijn vastgelegd in artikel 74 Wgh. Alle straten en wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van:

  • wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

Daarnaast kan het vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening (aanvaardbaar woon- en leefklimaat) noodzakelijk zijn om akoestisch onderzoek te verrichten, ook indien een woning uitsluitend bij een 30 km/uur-weg ligt.

De gemeente Overbetuwe heeft in de Nota Geluidsbeleid en de Nota Hogere Grenswaarden een gemeentelijk geluidsbeleid vastgesteld.

Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk in de vorm van één vrijstaande woning. De woning is geprojecteerd binnen de geluidzone van de Tielsestraat. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege het wegverkeer in het kader van de Wgh en vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen. De belangrijkste conclusies uit het onderzoek worden hierna beschreven.

Uit het onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarden (48 dB) op enkele gevels wordt overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt 53 dB. Daarmee wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde voor woningen in stedelijk gebied (58 dB). De achtergevel en buitenruimte kunnen als geluidsluw worden aangemerkt. Het vaststellen van een hogere grenswaarde is noodzakelijk.

In het gemeentelijk geluidsbeleid wordt het plangebied beschouwd als buitengebied. De geluidbelasting ter plaatse van de nieuwe woning voldoet niet aan de ambitiewaarde, maar wel aan de bovengrens voor het verlenen van een ontheffing voor hogere grenswaarden. Geluidreducerende maatregelen aan de bron of in de overdrachtssfeer worden niet doelmatig geacht. Bij de bouwaanvraag zal een bouwakoestisch onderzoek worden toegevoegd, waarin wordt beschreven op welke wijze de binnenwaarden voldoen aan het Bouwbesluit. Hiervoor zijn op voorhand geen belemmeringen te verwachten. Aan de criteria voor het toekennen van een hogere geluidwaarde in de klasse 'onrustig' wordt voldaan. Derhalve wordt het toekennen van een hogere geluidwaarde acceptabel geacht. Er zal, na het treffen van eventuele maatregelen ten aanzien van het binneniveau, sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ten aanzien van het aspect industrielawaai is de bedrijfslocatie Tielsestraat 9-11 van belang. Dit bedrijf valt onder de regels van het Activiteitenbesluit. De voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor dit bedrijf. Er bevinden zich reeds woningen op kortere afstand van de bedrijfslocatie, die maatgevend zijn voor de geluidruimte van het bedrijf. Het industrielawaai wordt in het akoestisch gevelisolatie-onderzoek meegenomen.

3.3 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Conclusie
In het onderhavige plan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Uit artikel 4 jo. bijlage 3a van de Regeling NIBM volgt dat een woningbouwlocatie van ten hoogte 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt. Het onderhavige plan valt derhalve onder deze categorie en draagt niet in betekenende mate bij. Nadere toetsing is niet noodzakelijk.

3.4 Bedrijven en milieuzonering

Bij een planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende enerzijds de kwaliteit van het leefmilieu voor woningen en andere gevoelige functies te handhaven en te bevorderen en anderzijds te voorkomen dat bedrijven en andere milieubelastende functies onevenredig worden beperkt of belemmerd. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten (publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009). Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden.

Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.

Conclusie
In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele bedrijfslocaties aan de Tielsestraat. Ten noorden van het plangebied is het complex van de voetbalvereniging van Valburg gelegen. Het omgevingstype ter plaatse van het plangebied wordt, hoewel er sprake is van enige mate van functiemenging in de omgeving, zekerheidshalve beschouwd als 'rustige woonwijk'. Hierdoor gelden de reguliere richtafstanden van de VNG-brochure.

In de tabel hieronder wordt de afstand van deze locaties tot de nieuwe woning weergeven en vergeleken met de richtafstand voor het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Adres   Functie   Milieucategorie   Richtafstand   Werkelijke afstand  
Tielsestraat 9/9d   Straalbedrijf (reiniging, metalliseren, etc.)   4.1   200 meter   25 meter  
Tielsestraat 9a/9f   Bandenhandel   2   30 meter   30 meter  
Tielsestraat 9b   Handelsbedrijf   2   30 meter   50 meter  
Tielsestraat 13   Nutsvoorziening   2   30 meter   35 meter  
Tielsestraat 21   Bloemisterij (met kassen)   2   30 meter   75 meter  
Stationsstraat 30   Voetbalvereniging   3.1   50 meter   170 meter  

Uit de tabel blijkt dat wordt voldaan aan de richtafstanden tot omliggende bedrijven en andere niet-woonfuncties, met uizondering van het metaalbewerkingsbedrijf (straalbedrijf) aan de Tielsestraat 9/9d. Dit bedrijf bevindt zich aan de overzijde van de Tielsestraat ten zuiden van het plangebied op ca. 25 meter van het bouwvlak voor de nieuwe woning. Een straalbedrijf behoort tot milieucategorie 4.1, met een bijbehorende richtafstand van 200 meter. De bestaande woningen Tielsestraat 28 en 30 bevinden zich op dezelfde afstand tot deze bedrijfslocatie. Het bedrijf dient bij de bedrijfsvoering dan ook reeds rekening te houden met de aanwezigheid van woningen op korte afstand aan de noordkant. Van extra beperkingen vanwege het toevoegen van een woning in het plangebied is dan ook geen sprake. De bedrijfsactiviteiten vinden hoofdzakelijk op het achterste perceelsgedeelte (zuidelijk gedeelte) plaats, waardoor de overlast voor de woningen aan de Tielsestraat beperkt is. De aanwezige bedrijfsbebouwing zorgt eveneens voor een beperking van de overlast. Derhalve is voldoende aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning.

Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling aanwezig.

3.5 Geurhinder

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.

Conclusie
Dit bestemmingsplan maakt één nieuwe woning en daarmee een nieuw geurgevoelig object mogelijk. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen. Agrarische bedrijfslocaties zijn gelegen op minimaal 400 meter afstand (Stationsstraat 43, noordelijk van het plangebied). Gezien de afwezigheid van veehouderijen in de omgeving, is een nader onderzoek naar de geurbelasting ter plaatse van het plangebied niet noodzakelijk. Uitgesloten is dat veehouderijen worden belemmerd in de bedrijfsvoering, terwijl redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanuit het oogpunt van geurhinder. Er is geen sprake van belemmeringen.

3.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. Ook in het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. Op basis van art. 8 Woningwet en art. 2.4.1 van de Bouwverordening van de gemeente Overbetuwe (2012) geldt een verbod voor het bouwen van bouwwerken, waarin voortduren of nagenoeg voortdurend mensen verblijven, op vervuilde grond.

Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning op een bestaand woonperceel. Er is geen sprake van een functiewijziging. Gelet op het huidige gebruik van de gronden, is voldoende aannemelijk dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is voor het toekomstige gebruik ten behoeve van een extra woning. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Er is geen sprake van belemmeringen.

3.7 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden twee normstellingen gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers: bebouwing in de vorm van kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6-contour. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:

  • het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
  • het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen);
  • het gebruik van luchthavens.


Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In bovenstaande besluiten is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de eisen van het besluit bij nieuwe activiteiten / situaties. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen, transportroutes en/of buisleidingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld.

Conclusie
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning en daarmee in een nieuw kwetsbaar object. Derhalve dient te worden bezien of zich in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, leidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen bevinden. Uit de Risicokaart (http://nederland.risicokaart.nl) blijkt dat zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen, leidingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen bevinden. Het containteruitwisselpunt (CUP) en de spoorlijn van de Betuweroute bevinden zich ca. 1.100 meter zuidelijk van het plangebied. De PR 10-6-risicocontour van het CUP, waarbinnen het vestigen van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is uitgesloten heeft een zone van 305 meter rondom het CUP. De plaatsgebonden risicocontour van de Betuweroute zelf bedraagt, blijkens het MER van de Betuwelijn, 30 meter. Het invloedsgebied bedraagt circa 775 meter.

Het plangebied is gelet op het voorgaande dan ook gelegen buiten de invloedszone van inrichtingen, transportroutes en leidingen. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaat dan ook geen belemmering voor de realisatie van een nieuwe woning in het plangebied.

3.8 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warm waterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

In het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen gelegen, die planologische bescherming behoeven.

3.9 Waterparagraaf

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de betreffende periode voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

In het kort hier de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:

  • voor de 35 gebieden van de TOP-lijst is het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regiem (GOOR) bestuurlijk vastgesteld en zijn de maatregelen voor herstel uitgevoerd;
  • de maatregelen voor herstel van de wateren van het hoogste ecologisch niveau (HEN-wateren) zijn uitgevoerd;
  • de natte ecologische verbindingszones zijn gerealiseerd, tenzij onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn;
  • wateroverlast vanuit het regionale watersysteem wordt voorkomen door inrichting van waterbergingsgebieden en verruiming van watergangen;
  • in het stedelijk gebied is urgente wateroverlast opgelost;
  • de zwemwateren voldoen als minimum aan de categorie aanvaardbaar;
  • toekomstvast hoogwaterbeleid.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende zes jaar gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de "Keur Waterschap Rivierenland 2014" van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m2 in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe het Waterplan vastgesteld. In het waterplan wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.

Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
    grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern op genomen.

Watertoets
Voorliggend wijzigingsplan voorziet in de realisatie van één nieuwe woning (maximaal 96 m²) met maximaal 150 m² aan bijgebouwen, carports en overkappingen. Voor de ontsluiting van de woning op de Tielsestraat, wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit en wordt derhalve geen verharding toegevoegd. De oppervlakte aan bebouwing neemt derhalve in geringe mate toe (maximaal ca. 250 m²) en blijft ruimschoots beneden de drempel voor vrijstelling van de compensatieplicht op basis van de Keur. Derhalve kan de eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht worden toegepast.

Waterhuishoudkundig gezien is de ontwikkeling neutraal. Hemelwater van daken en verhardingen van de nieuwe woning wordt afgekoppeld, zodat scheiding van vuilwater en hemelwater wordt bewerkstelligd. Voor het waarborgen van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, geldt dat voor het nieuwe dakoppervlak geen uitlogende bouwmaterialen mogen worden gebruikt.

Aan de noord, west- en zuidwestkant van het plangebied zijn sloten aanwezig. Dit betreffen C-watergangen op basis van de Legger van het waterschap Rivierenland. De watergangen worden ten gevolge van de ontwikkeling in het plangebied niet aangetast. Voor het overige is in het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig.

Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt zijn er gezien het voorgaande geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling aanwezig.

3.10 Flora en fauna

Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige EHS), die op provinciaal niveau is uitgewerkt in de Omgevingsverordening Gelderland (Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelzones).

De Natuurbeschermingswet 1998 heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.

De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' van de Flora- en faunawet, en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Momenteel zijn echter nog geen algemeen toepasbare gedragscodes voorhanden.

Conclusie gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in of nabij een beschermd natuurgebied. Ca. 5 kilometer noordelijk van het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden Rijntakken (Uiterwaarden Neder-Rijn) en Veluwe. Gezien de kleinschalige omvang van de ruimtelijke ingrepen van het project en de afstand tot de betreffende Natura 2000-gebieden, zijn negatieve effecten op de natuurwaarden uitgesloten. Het Gelders Natuurwerk bevindt zich op minimaal 1,5 kilometer van het plangebied en de Groene Ontwikkelzones op minimaal 400 meter. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot deze gebieden, zijn negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten. Vanuit gebiedsbescherming zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling aanwezig.

Conclusie soortenbescherming
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van één extra woning op een bestaand woonperceel. Er is geen sprake van een functiewijziging die een negatief effect op beschermde soorten zou kunnen hebben. De toekomstige situatie wordt op basis van het landschapsinrichtingsplan en de verkleining van het bestemmingsvlak 'Wonen' juist natuurvriendelijker. Het gedeelte van het plangebied waar de nieuwe woning wordt voorzien, is momenteel in gebruik als weiland. Er zijn geen natuurwaarden aanwezig. De bomenrij aan de Kasteellaan (westrand van het plangebied) en de sloten blijven behouden. Hieraan vinden geen ingrepen plaats. Vanuit soortenbescherming zijn er dan ook geen belemmeringen of voorwaarden aan de ontwikkeling verbonden.

3.11 Archeologische waarden

Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart vervaardigd. Het Erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van archeologie en cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Het erfgoedbeleid is middels archeologische dubbelbestemmingen doorvertaald in de recente bestemmingsplannen binnen de gemeente Overbetuwe.

Conclusie
In het plangebied zijn in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe' de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 3' (zuidoostelijke zone) en 'Waarde - Archeologische verwachting 4' (groot deel van de overige gronden in het plangebied). Ter plaatse van een strook aan de westkant van het plangebied geldt geen archeologische verwachtingswaarde.

Op basis van de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen van minimaal 500 m² met een diepte van 0,3 meter. Ter plaatse van de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 4' betreft de onderzoeksdrempel 2.500 m² met een diepte van 0,3 meter. De voorgenomen ontwikkeling van één nieuwe woning overschrijdt de betreffende onderzoeksdrempels niet. Er wordt een woning met bijgebouwen mogelijk gemaakt met een totale maximale oppervlakte van ca. 250 m². Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De archeologische dubbelbestemmingen worden in dit bestemmingsplan overgenomen.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Huidige situatie

Het plangebied betreft het perceel aan de Tielsestraat 30 aan de oostelijke rand van de kern Valburg op de hoek Tielsestraat/Kasteelstraat. Het plangebied is gelegen ter plaatse van de entree van de kern Valburg vanuit het oosten (Elst) en betreft een inbreidingslocatie in het overgangsgebied van de kern Valburg naar het open en lager gelegen buitengebied ten noorden en noordoosten van het plangebied.

In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies aanwezig. Ten westen van het plangebied bevindt zich de Kasteelstraat met een bomenrij en een sloot ten oosten van de weg, grenzend aan het plangebied. Aan de overzijde van deze weg is een woonwijk van de kern Valburg aanwezig. Ten noorden en noordoosten van het plangebied zijn onbebouwde agrarische percelen gelegen, met verderop een voetbal- en tennisverening en de spoorlijn Elst - Zetten-Andelst. Aan de oostkant grenst het plangebied aan het woonperceel Tielsestraat 28, terwijl aan de zuidkant de Tielsestraat gelegen is, met aan de overzijde tegenover het plangebied de bedrijfslocatie Tielsestraat 9-11.

Het plangebied is momenteel in gebruik voor woondoeleinden (woonperceel bij de woning Tielsestraat 30) en als weide (westelijk en noordelijk gedeelte van het plangebied). Het gehele perceel is eigendom van de initiatiefnemers. Aan de zuidelijke, westelijke en noordelijke rand van het plangebied zijn sloten aanwezig. De sloot aan de westkant wordt geflankeerd door een bomenrij langs de Kasteelstraat, die zelf niet tot het plangebied behoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0236VALBtielsest30-VSG1_0004.png"  
Figuur 3: beeld van de huidige situatie in het plangebied vanaf de Tielsestraat  

4.2 Voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken ten westen van de bestaande woning Tielsestraat 30. Het betreft een inbreidingslocatie, waarbij de nieuwe bebouwing in lijn met de bestaande bebouwing wordt gesitueerd. Het bouwvlak ten behoeve van de nieuwe woning heeft een oppervlakte van 8x12 meter. De maximale goot- en bouwhoogte sluiten aan op de bestaande woning en bedragen respectievelijk 6 en 10 meter.

De nieuwe woning wordt ontsloten via de bestaande oprit, die zal worden versmald. Het bestemmingsvlak 'Wonen' wordt aan de noordkant (achterzijde) van het perceel verkleind. De bestaande paardenstal wordt gesloopt.

Ten behoeve van de landschappelijke en stedenbouwkundige aanvaardbaarheid en ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving, is een landschapsinrichtingsplan voor het plangebied opgesteld (zie Bijlage 2 bij deze toelichting). Dit plan voorziet in de volgende elementen (zie ook figuur 4):

  • een open agrarisch perceel aan de noordzijde;
  • een boomgaardje aan de zuidzijde (A.);
  • een aan drie zijden door landschapselementen omgeven kleinschalig woonperceel;
  • een open inrichting aan de zuidwestrand van het plangebied om de bomenrij langs de Kasteelstraat 'vrij' te houden (B.);
  • inrichting van de tuin rondom de nieuwe woning met hagen (C. en E.) en een strook dichtere begroeiing (D.);
  • versmalling van de bestaande oprit;
  • sloop van de bestaande paardenstal/container.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0236VALBtielsest30-VSG1_0005.png"  
Figuur 4: schets van de toekomstige situatie (landschapsinrichtingsplan)  

Hoofdstuk 5 Beschrijving van de bestemmingen

5.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en de regels).

Het bestemmingsplan 'Valburg, Tielsestraat 30' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid als op basis van milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met de onderhavige toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
In de bestemmingsregels zijn de bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen opgenomen. Daarnaast zijn voor zover nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.

De verbeelding
Op de verbeelding zijn de enkelbestemmingen 'Agrarisch', 'Tuin' en 'Wonen', opgenomen. Ten behoeve van de te realiseren en de bestaande woning zijn bouwvlakken opgenomen. Voorts zijn op de verbeelding de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en 'Waarde - Archeologische verwachting 4' en enkele aanduidingen opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is voor de beide woonpercelen zoveel mogelijk aangesloten bij het bestemmingsplan 'Oosterhout'. Dit is het meest recente komplan binnen de gemeente Overbetuwe. Er is een regeling op maat samengesteld ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, met slechts een beperkte mate van flexibiliteit. De agrarische bestemming is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe', met dien verstande dat alleen de van toepassing zijnde regels zijn opgenomen.

5.2 Toelichting op de verbeelding en de bestemmingen

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de beoogde functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Agrarisch
Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het achterste perceelsgedeelte (noordelijke gedeelte) overeenkomstig het bestaande en beoogde gebruik.

Gebruik
Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische activiteiten ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch grondgebruik, extensieve dagrecreatie, water en voorzieningen voor de waterhuishouding.

Bouwen
Op deze gronden zijn uitsluitend nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 1 meter hoogte toegestaan.

Tuin
Deze bestemming is opgenomen in het voorerf en een gedeelte van het westelijke zijerf, waar bebouwing niet wenselijk is gelet op de uitgangspunten van het landschapsinrichtingsplan.

Gebruik
Deze gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen, parkeervoorzieningen ten dienste van deze woningen en nutsvoorzieningen.

Bouwen
Op deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van aan het hoofdgebouw gebouwde bijbehorende bouwwerken op de begane grond. Verder zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 1 meter hoogte voor de voorgevel en maximaal 2 meter achter de voorgevel toegelaten. Voor nutsvoorzieningen is een afzonderlijke regeling opgenomen.

Wonen
In het voorliggende bestemmingsplan is een bestemmingsvlak op maat opgenomen voor de woonpercelen. Daarbij is het huidige bestemmingsvlak 'Wonen' verkleind. Gelet op de benodigde landschappelijke verbetering, is een open inrichting van het achterliggende gebied wenselijk.

Gebruik
De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, de uitoefening van een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteit (onder voorwaarden), tuinen en erven, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeervoorzieningen ten behoeve van het wonen en nutsvoorzieningen.

Uiterlijk binnen één jaar na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan, dient de landschappelijke inpassing te zijn aangelegd overeenkomstig het landschapsinrichtingsplan (of een ander door de gemeente goedgekeurd inrichtingsplan). Deze dient vervolgens in stand te worden gehouden. Dit is met een voorwaardelijke verplichting in de gebruiksregels vastgelegd. Op deze wijze wordt de stedenbouwkundige en landschappelijke aanvaardbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling verzekerd. Voor het gebruik van de bestaande woning, tuin en erf geldt deze verplichting niet. Hiertoe is een uitzondering opgenomen.

Bouwen
Uitsluitend vrijstaande woningen zijn toegestaan, maximaal één woning per bouwvlak. De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 6 en 10 meter. Per bouwperceel mag maximaal 120 m² aan bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd, waaronder één caport. De maximale goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedragen respecitevelijk 3 en 4,5 meter. Verder zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegelaten, waarbij de bouwhoogte afhankelijk is van de situering voor of achter de voorgevel van het hoofdgebouw. Tevens mag een zwembad met een maximumoppervlakte van 60 m² worden gerealiseerd.

Waarde - Archeologische verwachting 3 en 4
In een groot deel van het plangebied zijn de archeologische dubbelbestemmingen overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Overbetuwe'. Dit ten behoeve het behoud en de bescherming van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog de hoofdbestemming 'Agrarisch', 'Tuin' of 'Wonen'. De bepalingen van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing, maar bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming. De dubbelbestemmingen bevatten een omgevingsvergunningplicht voor bodemingrepen groter dan 500 m² respectievelijk 2.500 m² en met een diepte van meer dan 30 cm-Mv.

Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
In dit artikel is een regeling met betrekking tot ondergronds bouwen opgenomen. Dit is uitsluitend toegestaan daar waar bovengrondse gebouwen toegestaan zijn, in één bouwlaag.

Algemene gebruiksregels
In deze regel is opgenomen welke gebruiksvormen in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan voor alle opgenomen bestemmingen.

Algemene aanduidingsregels

Op de verbeelding is de gebiedsaanduiding 'overige zone - waardevol landschap' opgenomen. In de algemene aanduidingsregels zijn de daarbij behorende regels vastgelegd. De gronden binnen deze aanduiding zijn mede bestemd voor het beschermen en ontwikkelen van de bijzondere kwaliteiten van het waardevol landschap.

Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Er zijn bevoegdheden opgenomen met betrekking tot de maatvoering, bouwgrenzen, evenementen en nutsvoorzieningen.

Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een wijzigingsplan afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Dit betreft kleine wijzigingen van de bestemmingsgrenzen.

Algemene procedureregels
In deze bepaling staat aangegeven welke procedure dient te worden gevolgd bij de voorbereiding van een wijzigingsbevoegdheid, afwijkingsbevoegdheid of een omgevingsvergunning voor werken of werkzaamheden.

Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht is opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen. Met onderhavig bestemmingsplan wordt echter geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt.

Financiële haalbaarheid
De gemeente Overbetuwe heeft met de initiatiefnemer van de voorgenomen ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten betreffende het kostenverhaal en eventuele planschade. De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden in het plangebied. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Voor de gemeente zijn aan het plan verder geen kosten verbonden. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak

7.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

7.2 Inspraak

De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor het onderhavige bestemmingsplan heeft gezien de geringe omvang en de aard en impact van de voorgenomen ontwikkeling geen inspraak plaatsgevonden.

7.3 Overleg

Artikel 3.1.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gezien de geringe omvang en de aard en impact van de voorgenomen ontwikkeling heeft vooroverleg niet plaatsgevonden.

7.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader met ingang van 15 september 2016 ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Het plan is dan ook ongewijzigd ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad van Overbetuwe.

7.5 Beroep

Bij besluit van 10 januari 2017 is het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.