| Plan: | Buitengebied, Dijkstraat 16 en Oosterhoutsestraat 93 en 93a, Oosterhout |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0203BUITdijkstr16-VSG1 |
De initiatiefnemer heeft de gemeente verzocht om het bestemmingsplan voor Dijkstraat 16 te Oosterhout te herzien om de uitbreiding van het bedrijf ter plaatse planologisch mogelijk te maken. Omdat de planologische wijziging ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf (planologisch) gevolgen heeft voor de percelen Oosterhoutsestraat 93 en 93a te Oosterhout worden deze gronden ook meegenomen in het verzoek. Het verzoek betreft concreet:
De gewenste uitbreiding van 5.000 m² (Dijkstraat 16) heeft tot gevolg dat de eerder verleende vergunning voor de uitbreiding met 3,5 hectare van het naastgelegen kassencomplex (Oosterhoutsestraat 93) niet meer kan worden gerealiseerd. Per saldo neemt het bouwblok (bouwmogelijkheden) met circa twee hectare af. De eigenaren van de percelen aan Oosterhoutsestraat 93 en 93a hebben ingestemd met het voorliggende verzoek.
Deze veranderingen passen niet binnen het vigerend bestemmingsplan. Deze ontwikkelingen worden juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van onderhavige partiële bestemmingsplanherziening.
Het plangebied is gelegen aan de Dijkstraat 16 en aan de Oosterhoutsestraat 93 en 93a te Oosterhout, ten westen van de kern Oosterhout. Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Krakenburgsestraat en aan de noordzijde door de Oosterhoutsestraat. Aan de zuidzijde vormt de Dijkstraat gedeeltelijk de begrenzing. Aan de zuid- en westzijde wordt het plangebied begrensd door aangrenzende percelen.
De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Valburg, sectie L, nummers 1893, 1894, 1897 en 1901 t/m 1907. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 14 hectare.
Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied in zijn nabije omgeving weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
|
| Afbeelding 1: Luchtfoto bestaande situatie plangebied (plangebied in rood kader) |
Voor het plangebied vigeert de beheersverordening 'Buitengebied, beheersverordening De Danenberg'. De beheersverordening is vastgesteld door de gemeenteraad op 11 juni 2013. In de beheersverordening is het bestemmingsplan "Buitengebied Valburg" (na herziening 2002, vastgesteld door de gemeenteraad van Overbetuwe op 25 juni 2002 en goedgekeurd door GS op 21 januari 2003) van kracht verklaard.
Het plangebied heeft gedeeltelijk de bestemming 'Agrarisch gebied' met de aanduiding 'glastuinbouwbedrijf' en gedeeltelijk de bestemming 'Glastuinbouw'. Daarnaast lopen er dwars door het plangebied twee aanduidingen 'aardgastransportleiding' en heeft het plangebied grotendeels de dubbelbestemming 'beschermingszone aardgastransportleiding' (deze dubbelbestemming ligt 150 meter ter weerszijden van de leidingen).
Binnen bouwpercelen met de aanduiding 'glastuinbouwbedrijf' mag de gezamenlijke oppervlakte van kassen ten hoogste zoveel bedragen als de oppervlakte van het betreffende bouwperceel. Daarnaast geldt ten aanzien van glastuinbouwbedrijven dat de bestaande oppervlakte van glastuinbouwbedrijven met ten hoogste 20% mag uitbreiden en nieuwe glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan. Zodoende is de voorgestane ontwikkeling niet toegestaan op basis van de vigerende beheersverordening.
Allereerst wordt ingegaan op het beleid wat van toepassing is op onderhavige ontwikkeling. Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving. De huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling komen hier aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk voor de te volgen procedure.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte1 staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Voor de regio Oost-Nederland (bestaande uit de provincies Overijssel en Gelderland) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:
Conclusie
Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.
In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Conclusie
Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.
Ladder voor duurzame ontwikkeling
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de "ladder duurzame verstedelijking"). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.
Conclusie
Het plan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Daardoor is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. De ladder voor duurzame ontwikkeling vormt dan ook geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:
Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland.
De opgaven die de provincie en haar partners voor land- en tuinbouw zien, zijn als volgt:
In Gelderland zijn drie bepalende sectoren:
In onderhavig bestemmingsplan worden ontwikkelingen in de sector tuinbouw mogelijk gemaakt.
Tuinbouw
De provincie houdt ontwikkelruimte voor tuinbouwbedrijven en faciliteert de versterking van het vestigings- en ondernemersklimaat van tuinbouwclusters rond de glastuinbouw, fruitteelt, laanboomteelt en paddenstoelenteelt via de Stichting Greenport Gelderland. Een belangrijke opgave is de verduurzaming van de productie en de valorisatie van kennis, producten en reststromen. Dat vraagt om voortdurende innovatie en om ketenvorming.
Voor de glastuinbouw richt de provincie zich op de concentratie en ketenversterking in een beperkt aantal gebieden in combinatie met een actieve rol in de herstructurering van de economisch verouderde glastuinbouwgebieden van Huissen Angeren en de Bommelerwaard. Voor een toekomstbestendige (glas)tuinbouw moet de afhankelijkheid van de inzet van fossiele energie worden verminderd. De provincie doet hiervoor bijdragen in een onderzoek naar mogelijk gebruik van alternatieven zoals geothermie, restwarmtelevering, wind- en zonne-energie.
Voor glastuinbouw in overige gebieden, waartoe het plangebied behoort, gelden de volgende bepalingen:
Conclusie
Het plangebied bevindt zich in de zone is aangeduid als 'Glastuinbouw in overige gebieden'. Daardoor gelden de hiervoor genoemde bepalingen. Er is met de voorgestane ontwikkeling sprake van de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf met meer dan 20%. Aangezien dit niet mogelijk is, wordt niet voldaan aan de randvoorwaarden uit de Omgevingsvisie Gelderland. Er is echter een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in de regels van de Ruimtelijke Verordening, waardoor de gewenste uitbreiding onder bepaalde voorwaarden wel mogelijk is.
Ruimtelijke Verordening
Provinciale Staten hebben de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de ruimtelijke verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie.
2.4.7 Overig glastuinbouw
In een bestemmingsplan kan aan glastuinbouwbedrijven buiten de Glastuinbouwontwikkelingsgebieden, de Extensiveringsgebieden glastuinbouw en de Regionale clusters glastuinbouw de mogelijkheid worden geboden de glasopstand éénmalig uit te breiden met maximaal 20% van de 29 juni 2005 bestaande omvang van de glasopstanden.
In afwijking van het bovenstaande kan in een bestemmingsplan uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf met meer dan 20% worden toegestaan, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat:
Conclusie
De voorgestane ontwikkeling betreft een uitbreiding van 5.000 m² van het glastuinbouwbedrijf (komkommerkwekerij "Kwekerij Noord-Oost") aan Dijkstraat 16. Op 29 juni 2005 was de bestaande omvang 17.800 m² (zie hierna). Ten opzichte daarvan is de voorgestane uitbreiding van 5.000 m² een uitbreiding van 28%. In de tussentijd is nog gebouwd (2008). Ten opzichte van het bestaande bedrijf anno 2015 met een oppervlakte van 25.500 m² is sprake van een uitbreiding van 19,6%, maar dat is niet het uitgangspunt vanuit de Ruimtelijke Verordening. Er wordt dus niet voldaan aan de eis uit de Ruimtelijke Verordening. Hieronder wordt dan ook aangetoond dat het plan voldoet aan de afwijkingsregels opgenomen in de Verordening, zodat de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf met meer dan 20% kan worden toegestaan.
Doelmatige voortzetting bedrijf
De kwekerij bestaat uit twee afdelingen:
Om de komkommerteelt zo efficiënt mogelijk te maken, is een uitbreiding van 20% niet rendabel. De meest rendabele uitbreiding is om afdeling 2 met een uitbreiding van 5.000 m² circa 13.000 m² groot te maken. Een komkommerteelt bestaat uit drie teelten per seizoen. Eind december wordt de eerste teelt geplant, in mei de tweede teelt en begin augustus de derde teelt. Om zo efficiënt mogelijk te planten, wordt dit niet in één keer gedaan, maar wordt de kwekerij in tweeën gedeeld. Dit om een zo veel mogelijk gelijke arbeidsfilm te krijgen waardoor er erg efficiënt gewerkt kan worden en (nog veel belangrijker) de productie continue is vanaf februari tot begin november (eind december planten betekent begin februari komkommers oogsten). Het is dan namelijk de bedoeling dat telkens twee weken tussen de verschillende plantingen wordt aangehouden. En als beide afdelingen zo veel mogelijk even groot zijn, dan is dat zeer gunstig. Tijdens de teeltwisselingen wordt een hele afdeling gerooid en die wordt direct weer volgeplant met nieuwe komkommerplanten. In de huidige situatie is het verschil tussen de oppervlakten van de twee afdelingen heel groot, waardoor de teeltwisselingen inefficiënt zijn. Daarnaast zorgt dit verschil voor hoge arbeidspieken en minder continuiteit in de productie.
Tussen de afdelingen is een tussengevel van glas, daardoor is de kans veel kleiner op het overlopen van ziekten en plagen naar de verschillende afdelingen en dat is natuurlijk positief voor productie en kwaliteit.
Met de aankoop van de kwekerij en met de investeringen die toen gedaan zijn, is hier rekening mee gehouden. Dat betekent dat er aan de voorkant van de kwekerij weinig veranderd hoeft te worden omdat qua warmte- en watertechnisch en qua verwerking van de productie alles op de uitbreiding (van 5.000 m² kas) berekend is.
Verplaatsing van het bedrijf
De kwekerij is in 2011 door de initiatiefnemer gekocht. De kwekerij is na aankoop grondig gerenoveerd en gemoderniseerd. Er is veel geïnvesteerd in de watertechnische onderdelen: een nieuw waterbassin, een nieuw watergeefsysteem en een nieuw circulatiesysteem (waardoor er geen drainwater uit de komkommerteelt geloosd wordt in het oppervlaktewater en riolering). Daarnaast is er veel geïnvesteerd in energie-besparing: extra energie-schermen en zonnepanelen (vermogen van 48.000 Kw/jaar). Tevens is er veel geïnvesteerd in interne logistiek om het oogsten en verwerken (automatisering) van de komkommers zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Dit resulteert in het behalen van een goede productie met maximale kwaliteit. Voornoemde investeringen zijn uiteraard ook gericht op de toekomst.
Verplaatsing naar een andere locatie (bijvoorbeeld Bergerden in gemeente Lingewaard) is dan ook financieel niet mogelijk. Het bedrijf zou dan op een andere locatie wederom een grote investering moeten doen om een goede huisvesting te realiseren. Daarnaast zorgt de huidige slechte situatie in de glastuinbouw (faillisementen en daardoor executieverkopen) voor zeer lage koopsommen voor de verkochte bedrijven. Er zou dan ook niet zomaar een koper gevonden kunnen worden voor de bebouwing aan Dijkstraat 16.
Gebiedskwaliteiten van natuur, landschap en water
Voor wat betreft de verantwoording dat het plan zich verdraagt met ter plaatse van belang zijnde gebiedskwaliteiten van natuur, landschap en water wordt verwezen naar hoofdstuk 3 en 4 van deze toelichting. Daarin wordt ten aanzien van deze aspecten onderbouwd dat de voorgestane ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor het plangebied en de directe omgeving daarvan.
Gezien het bovenstaande wordt voldaan aan de afwijkingsregels uit de Ruimtelijke Verordening Gelderland. Daarnaast heeft de gewenste uitbreiding van 5.000 m² (Dijkstraat 16) tot gevolg dat de eerder verleende vergunning voor de uitbreiding met 3,5 hectare van het naastgelegen kassencomplex (Oosterhoutsestraat 93) niet meer kan worden gerealiseerd (verleend voordat de verordening in werking is getreden). Per saldo nemen daardoor de planologische mogelijkheden voor glas met ruim twee hectare af.
Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is de opvolger van het 'Regionaal Structuurplan KAN 1995-2005' en is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken.
Het Regionaal Plan signaleert een grote vraag naar landelijke woonmilieus. Deze behoefte kan grotendeels worden opgevangen door inbreiding en uitbreiding van de dorpen. Ruimtelijke ontwikkelingen vormen wel een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen. Bij uitbreidingsplannen worden karakteristieke, streekeigen dorpsstructuren maar zelden als drager of inspiratiebron gebruikt. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient met uiterste zorgvuldigheid om te worden gegaan met nieuwbouw in en uitbreiding van kernen.
Conclusie
Uit het Regionaal Plan komt naar voren dat grondgebonden landbouw een substantiële economische sector blijft waarbinnen veel ingrijpende veranderingen plaatsvinden. De economische perspectieven voor de landbouw zijn onzeker als gevolg van internationale marktontwikkelingen, landbouwbeleid van de Europese Unie en het milieu- en mestbeleid. De Stadsregio Arnhem Nijmegen wil daarom een blijvend duurzaam perspectief voor agrarische bedrijven bieden door in bepaalde delen van de regio ervoor te zorgen dat landbouw de primaire functie blijft. Eén van deze twee gebieden is de Overbetuwe en hier worden mogelijkheden geboden voor de landbouw om ook in de toekomst onbelemmerd agrarische bedrijvigheid uit te kunnen oefenen. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het regionaal ruimtelijk ordeningsbeleid en zelfs bijdraagt aan de hoofduitgangspunten van het beleid.
Kadernota 'Visie op ruimte'
In 2004 is door de gemeente Overbetuwe de kadernota 'Visie op ruimte' opgesteld. Deze kadernota biedt een landschappelijk en stedenbouwkundig kader, de criteria die de geschiktheid en beperkingen van gebieden voor verschillende vormen van grondgebruik aangeven en een handleiding voor de toepassing van die criteria. De kadernota kent twee uitgangspunten.
Allereerst zal binnen de gemeente Overbetuwe, voordat uitbreiding voor woningbouw aan de orde komt, eerst gezocht worden naar mogelijkheden voor inbreiding binnen bestaande kernen. Hierbij wordt niet alleen gedacht aan een (her-)opvulling van onbebouwde plekken, maar moet vooral worden gedacht aan creatieve toepassingsmogelijkheden voor intensief, meervoudig en/of flexibel ruimtegebruik, geënt op de aard en de schaal van de kern.
Het tweede uitgangspunt betreft de toenemende druk op de gemeente Overbetuwe om de stedelijke ontwikkeling van de Stadsregio Arnhem Nijmegen verder vorm te geven in het oostelijk deel van de gemeente. Vanuit de regionale ontwikkelingsbehoefte wordt vooral ruimte gezocht voor woningbouw, bedrijventerreinen, windenergie en dergelijke. Het oostelijk deel van de gemeente valt binnen het te verstedelijken gebied. Hierdoor ontstaat voor de gemeente de mogelijkheid voor het ontwikkelen van zowel een dynamisch, stedelijk gebied met hoog voorzieningenniveau, als een groen en landelijk gebied. Door te kiezen voor het versterken van de identiteit van beide soorten gebieden, ontstaat een grote meerwaarde voor de gemeente als geheel. Om te voorkomen dat de stedelijke ontwikkelingen het landelijke gebied overspoelen, is een grens tussen beide gebieden nodig.
Conclusie
De gewenste uitbreiding van 5.000 m² (Dijkstraat 16) heeft tot gevolg dat de eerder verleende vergunning voor de uitbreiding met 3,5 hectare van het naastgelegen kassencomplex (Oosterhoutsestraat 93) niet meer kan worden gerealiseerd (verleend voordat de verordening in werking is getreden). Per saldo nemen daardoor de planologische mogelijkheden voor glas met ruim twee hectare af. Hiermee is onderhavig initiatief in overeenstemming met de Kadernota 'Visie op ruimte'.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.
Conclusie
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van bedrijfsbebouwing. Dit is geen geluidsgevoelig object waardoor akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Conclusie
De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt niet onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen. Er dient daarom op een andere wijze aangetoond te worden dat de luchtkwaliteit niet in betekenende mate aangetast wordt met de voorgestane ontwikkeling.
Met de voorgestane ontwikkeling nemen de planologische bouwmogelijkheden voor glastuinbouw per saldo met ruim twee hectare af. Daarbij blijft de agrarische functie bestaan. De luchtkwaliteit wordt daarom niet in betekenende mate aangetast met de voorgestane ontwikkeling en een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk.
Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten''2. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden.
Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Conclusie
Binnen het plangebied worden de bestemming 'Agrarisch gebied' met de aanduiding 'glastuinbouwbedrijf' en de bestemming 'Glastuinbouw' omgezet naar de bestemming 'Agrarisch', waarbij het plangebied gedeeltelijk de aanduiding 'glastuinbouw' krijgt. Per saldo nemen de planologische bouwmogelijkheden voor glastuinbouw met ruim twee hectare af. Aangezien de agrarische bestemming behouden blijft, treden er voor wat betreft bedrijven en milieuzonering geen wijzigingen op qua eventuele hinder vanuit het plangebied op de omliggende woningen.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.
Conclusie
In en nabij het plangebied bevindt zich geen belemmerende agrarische bedrijvigheid.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging.
Conclusie
In dit geval zijn de huidige en toekomstige gebruiksvormen gelijk voor wat betreft de gevoeligheid voor bodemverontreiniging. Bodemonderzoek is zodoende niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden twee normstellingen gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers: bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen3 (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen4 (Revi), en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen5 en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico6. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen7 (RNVGS). Deze is recent verder geoperationaliseerd en verduidelijkt middels de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen8. In het Bevi is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de eisen van het besluit bij nieuwe activiteiten / situaties. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Voor het plangebied is beoordeeld of sprake is van activiteiten met gevaarlijke stoffen in en in de omgeving van het plangebied, die mogelijk risico's zouden kunnen opleveren. Meer specifiek is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven die aangewezen zijn in het Bevi, waaronder LPG-tankstations, transportroutes over weg/spoor/water en buisleidingen.
Conclusie
In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen.
Binnen het plangebied ligt een tweetal hogedruk aardgasbuisleidingen van de Gasunie. Het plangebied ligt dus binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6 en binnen het invloedsgebied van de buisleidingen. Binnen de PR 10-6 bevinden zich geen kwetsbare objecten. Het aantal personen dat zich binnen het plangebied bevindt zal afnemen doordat de vergunde situatie van 3,5 hectare glastuinbouw niet meer kan worden gerealiseerd en per saldo het bouwblok (bouwmogelijkheden) met circa twee hectare afneemt. Daardoor neemt het groepsrisico af. Voor wat betreft externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. In het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen gelegen.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding.
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame waterveiligheid en zoetwatervoorziening.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
In het kort hier de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2010-1015
Het plan, vastgesteld op 30 oktober 2009, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende zes jaar gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden.
Keur Waterschap Rivierenland 2009
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de "Keur Waterschap Rivierenland" van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe het Waterplan vastgesteld. In het waterplan wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern op genomen.
Watertoets
Voor de realisatie van 5.000 m² glas is extra waterberging noodzakelijk. Het verleggen van de aanwezige watergang zorgt voor het grootste gedeelte van deze extra waterberging. In overleg met het waterschap wordt nog extra berging gerealiseerd als dat nodig blijkt te zijn.
Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in het streekplan is uitgewerkt.
De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' van de Flora- en faunawet, en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Momenteel zijn echter nog geen algemeen toepasbare gedragscodes voorhanden.
Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied valt buiten de invloedssfeer van de voor de Natuurbeschermingswet en Ecologische Hoofdstructuur aangewezen gebieden. De Boswet is niet van toepassing en in het bestemmingsplan worden vanuit natuur ook geen beperkingen opgelegd aan het ruimtelijk plan.
Resultaten soortenbescherming
Het plangebied bestaat uit weiland. Er is water in het plangebied aanwezig in de vorm van een watergang. De wijzigingen zullen gezien hun aard geen invloed hebben op de flora en fauna. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Conclusie
Wat betreft natuurwetgeving en beleid zijn er geen bezwaren of voorwaarden verbonden aan het ruimtelijk plan.
Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan9 en een archeologische beleidsadvieskaart10 vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
Op de archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied grotendeels binnen de zone die is aangeduid als AWV categorie 6: gebieden met een lage archeologische verwachting. Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm-Mv, bij een oppervlakte van 2.500 m² van de ingreep, archeologisch onderzoek verplicht is. Daarnaast zijn kleine gedeelten aangeduid als categorie 3 en 5. De locatie van de uitbreiding van de kassen, ligt binnen categorie 6.
Omdat de voorgestane ontwikkeling die met onderhavig bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met 5.000 m² betreft, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. In onderhavig bestemmingsplan zijn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 3' en 'Waarde - Archeologische verwachting 4' opgenomen. De archeologische waarden die eventueel in het plangebied aanwezig zijn, worden middels deze dubbelbestemming beschermd. Archeologisch onderzoek zal door deze dubbelbestemmingen uitgevoerd moeten worden alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen verleend kan worden.
Mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden aangetroffen worden dan geldt conform artikel 53 van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg een meldingsplicht bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of het door hem vertegenwoordigd bevoegd gezag, de gemeente Overbetuwe.
Het plangebied ligt aan de Dijkstraat 16 en aan Oosterhoutsestraat 93 en 93a, in het zuidoostelijke deel van de gemeente Overbetuwe, en maakt onderdeel uit van het buitengebied. Het plangebied is omgeven door woningen, agrarische gronden en enkele (agrarische) bedrijven.
In de huidige situatie is het plangebied gedeeltelijk bebouwd met kassen op het zuidelijke en westelijke gedeelte van het plangebied (Dijkstraat 16 en Oosterhoutsestraat 93). Op het noordelijke gedeelte van het perceel (Oosterhoutsestraat 93a) bevindt zich agrarische bedrijfsbebouwing met een bedrijfswoning.
De voorgestane ontwikkeling betreft:
De gewenste uitbreiding van 5.000 m² (Dijkstraat 16) heeft tot gevolg dat de eerder verleende vergunning voor de uitbreiding met 3,5 hectare van het naastgelegen kassencomplex (Oosterhoutsestraat 93) niet meer kan worden gerealiseerd. Per saldo neemt het bouwblok (bouwmogelijkheden) met circa twee hectare af.
|
| Afbeelding 2: Toekomstige situatie |
Ten behoeve van de uitbreiding van de kas aan Dijkstraat 16 dienen op eigen terrein parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op het terrein is ruimte voor deze parkeerplaatsen. Voor wat betreft parkeren zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
Het aantal verkeersbewegingen zal als gevolg van de uitbreiding van de kas aan Dijkstraat 16 toenemen. Dit is echter beperkt, waardoor er voor wat betreft de verkeersafwikkeling geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).
Het bestemmingsplan 'Buitengebied, Dijkstraat 16 en Oosterhoutsestraat 93 en 93a, Oosterhout' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.
De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Wonen', 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde – Archeologische verwachting 1 t/m 4' opgenomen.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied'.
Bouwplan
Indien een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.
Bestemmingen
Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.
Agrarisch
Voor de gronden geldt de bestemming Agrarisch, die aansluit bij het bestemmingsplan 'Buitengebied'. Binnen deze bestemming zijn drie bouwvlakken opgenomen, voor drie verschillende agrarische bedrijven Voor twee bouwvlakken is een aanduiding 'glastuinbouw' opgenomen.
Waarde-Archeologische verwachting 1 t/m 4 en Waarde - Archeologie
In het plan is een dubbelbestemming opgenomen, ten behoeve van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog een hoofdbestemming, zoals 'Wonen'. De bepalingen van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing. Bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Overbetuwe besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan.
Met onderhavig bestemmingsplan wordt voor wat betreft de gronden aan Oosterhoutsestraat 93 en 93a geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Voor wat betreft de gronden aan Dijkstraat 16 wordt wel een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Echter is met de ontwikkelende eigenaar van deze gronden een anterieure overeenkomst gesloten zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro, voordat het bestemmingsplan is vastgesteld, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt. In deze anterieure overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten op afdoende wijze vastgelegd.
Financiële haalbaarheid
De ontwikkelaar beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Voor het onderhavige bestemmingsplan heeft geen inspraak plaatsgevonden.
Artikel 3.1.1. van het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijngeïnformeerd. Er zijn reacties ontvangen van provincie Gelderland, waterschap Rivierenland en de Gasunie. De reacties van deze instanties zijn voor zover noodzakelijk in dit plan verwerkt.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Het plan wordt daarna, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.