| Plan: | Elst, De Zuiling 8 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1734.0181ELSTzuiling8-VSG1 |
De initiatiefnemer voert een huisartsenpraktijk in Elst. Omdat initiatiefnemer naast de huisartsenpraktijk ook andere vormen van medische zorg wil aanbieden is het huidige praktijkgebouw niet geschikt. De locatie De Zuiling 8 biedt de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een multidisciplinair medisch centrum waar verschillende vormen van zorg kunnen worden aangeboden (huisarts, prikpost, fysiotherapie e.d.).
Op dit perceel staat momenteel een woning, deze zal worden gesloopt in verband met de staat van de woning. Hierna wordt het perceel herbouwd.
De gewenste ontwikkeling past niet binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch - planologische mogelijk te maken is voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
Het plangebied is gelegen aan De Zuiling 8 in het westen van de kern Elst. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door De Zuiling. Aan de oostzijde wordt het perceel begrensd door het perceel De Zuiling 6, aan de westzijde vormt het perceel De Zuiling 4 de grens. Beide percelen betreffen woonpercelen. De noordgrens wordt gevormd door het perceel Ruiterskamp 62, dit betreft een woning.
Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Elst, sectie K , nummer 3380 en heeft een oppervlakte van circa 1.850 m².
In de volgende figuur is de globale ligging van het plangebied in groter verband weergegeven. Daarnaast is een gedetailleerde luchtfoto afgebeeld waarop de ligging van het plangebied in zijn nabije omgeving te zien is. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.
|
|
| Figuur 1. Ligging plangebied (bron: maps.google.nl) |
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan Elst van de gemeente Overbetuwe. Dit bestemmingsplan is op 22 februari 2011 door de gemeenteraad vastgesteld en op 20 oktober 2011 geheel onherroepelijk in werking getreden. door Gedeputeerde Staten goedgekeurd. Met onderhavig bestemmingsplan wordt het plangebied voorzien van een bestemmingsregeling, passend bij het toekomstig gebruik van de gronden.
In het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel de bestemmingen Wonen en Tuin. Er zijn drie bouwvlakken op het perceel opgenomen. Dit betekent dus dat er 3 (vrijstaande) woningen op het perceel kunnen worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is 9 meter.
Verder geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. De gronden zijn daarmee tevens bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle archeologische informatie in de bodem.
Allereerst wordt ingegaan op het beleid wat van toepassing is op onderhavig bestemmingsplan. Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving. De huidige situatie komt hier aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk voor de te volgen procedure.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte1 staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Voor de regio Oost-Nederland (bestaande uit de provincies Overijssel en Gelderland) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:
Conclusie
Het bestemmingsplan is ontwikkelingsgericht, maar heeft door de maat en schaal geen duidelijk herkenbare relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het bestemmingsplan niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke
ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is de ministeriële regeling. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.
Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk waarbij nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro en Rarro hebben dan ook geen invloed op het bestemmingsplan.
Conclusie
Het initiatief speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen duidelijk herkenbare relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Wel dient er een toets plaats te vinden aan de Ladder duurzame verstedelijking.
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.
|
| Figuur 2. Ladder voor duurzame verstedelijking |
Trede 1: in voorliggende ontwikkeling gaat het om bestaande huisartsenpraktijk die op een nieuwe locatie wordt gevestigd. De bestaande vraag wordt hiermee dus opgevangen. Daarnaast wordt de praktijk uitgebreid met een aantal andere medische functies, hiermee ontstaat een multidisciplinair medisch centrum die een uitgebreide zorgvraag kan beantwoorden. Dit is in het belang van de hele gemeenschap waarmee er sprake is van een regionale behoefte. Trede 2: de gehele behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied. Een toetst aan trede 3 is dus niet nodig.
Conclusie
Er wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Streekplan Gelderland 2005
Met het Streekplan 'Gelderland 2005; kansen voor regio's' kiest de provincie voor de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in Gelderland. Op provinciaal niveau richt men zich op kenmerken en waarden die van provinciaal belang worden geacht. Deze kenmerken en waarden zijn: natuur en water in het 'groenblauw raamwerk', en ruimtelijke ontwikkelingen in het 'rode raamwerk' van stedelijke functies en infrastructuur. De rest van de provincie, het 'multifunctioneel gebied', wordt meer dan in het verleden het domein van de gemeenten. Zij werken daarvoor samen in regionaal verband. De bemoeienis van de provincie met dit multifunctioneel gebied is beperkt.
Het plangebied valt op basis van het Streekplan binnen bestaand bebouwd gebied. Het accent van de provinciale beleidsambities ligt op de vernieuwing en het beheer en onderhoud van bestaand bebouwd gebied. Hiervoor is het onder meer belangrijk dat het stedelijk grondgebruik wordt geïntensiveerd en geoptimaliseerd, waarbij het behoud van karakteristieke elementen en het zorgvuldig omgaan met open ruimten centraal staat. Met betrekking tot de inrichting van steden en dorpen stelt het streekplan dat de inrichting van een locatie in een stad, dorp, wijk/buurt zo goed mogelijk moet aansluiten bij de kwaliteiten van de locatie zelf en/of die van de directe omgeving.
Conclusie
Het plangebied is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied. Ontwikkelingen als een multidisciplinair medisch centrum passen binnen het bestaand bebouwd gebied. Zodoende vormt het streekplan geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
Ruimtelijke Verordening
Provinciale Staten hebben de Ruimtelijke Verordening Gelderland vastgesteld op 15 december 2010. De verordening is op 22 januari 2011 in werking getreden.
De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De voorschriften in de ruimtelijke verordening zijn gebaseerd op de provinciale structuurvisie.
Ten aanzien van het aspect verstedelijking is het volgende voorschrift (artikel 2.2) opgenomen:
In een bestemmingsplan is nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken slechts toegestaan:
Conclusie
Het plangebied ligt binnen bestaand bebouwd gebied. Hierbinnen zijn ontwikkelingen als een multidisciplinair medisch centrum toegestaan.
Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is de opvolger van het 'Regionaal Structuurplan KAN 1995-2005' en is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken.
Een voor Elst relevante doelstelling uit het Regionaal Plan is de ontwikkeling van de eigenheid en de identiteit van de kern. Door binnen de kern mogelijkheden te creëren voor herinrichting van bestaande gebouwen, nieuwe functies toe te staan én kwalitatieve nieuwbouw te genereren, kan de identiteit van Elst worden versterkt, dit vanuit een duurzaam toekomstperspectief. Herstructurering en transformatie is noodzakelijk om in een aantrekkelijk dorpsklimaat te blijven voorzien en te zorgen voor sociaal-economische vitaliteit. Dat kan door te zorgen voor variatie in aanbod van woningen, voorzieningen en woonmilieus, toegesneden op de woonwensen van de huidige en toekomstige inwoners.
Het Regionaal Plan signaleert een grote vraag naar landelijke woonmilieus. Deze behoefte kan grotendeels worden opgevangen door inbreiding en uitbreiding van de dorpen. Ruimtelijke ontwikkelingen vormen wel een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen. Bij uitbreidingsplannen worden karakteristieke, streekeigen dorpsstructuren maar zelden als drager of inspiratiebron gebruikt. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient met uiterste zorgvuldigheid om te worden gegaan met nieuwbouw in en uitbreiding van kernen.
Conclusie
Een van de kernpunten van beleid is het behouden van de karakteristiek van de kern en duurzame (her)ontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen herontwikkeling van woonperceel tot een maatschappelijke voorziening kan gezien worden als het meer optimaal gebruiken van een locatie in bestaand stedelijk gebied. Geconstateerd kan worden dat het initiatief niet conflicteert met het provinciaal en regionaal ruimtelijk ordeningsbeleid en zelfs bijdraagt aan de hoofduitgangspunten van beleid.
Kadernota 'Visie op ruimte'
In 2004 is door de gemeente Overbetuwe de kadernota 'Visie op ruimte' opgesteld. Deze kadernota biedt een landschappelijk en stedenbouwkundig kader, de criteria die de geschiktheid en beperkingen van gebieden voor verschillende vormen van grondgebruik aangeven en een handleiding voor de toepassing van die criteria. De kadernota kent twee uitgangspunten. Allereerst zal binnen de gemeente Overbetuwe, voordat uitbreiding voor woningbouw aan de orde komt, eerst gezocht worden naar mogelijkheden voor inbreiding binnen bestaande kernen.
Hierbij wordt niet alleen gedacht aan een (her-)opvulling van onbebouwde plekken, maar moet vooral worden gedacht aan creatieve toepassingsmogelijkheden voor intensief, meervoudig en/of flexibel ruimtegebruik, geënt op de aard en de schaal van de kern.
Het tweede uitgangspunt betreft de toenemende druk op de gemeente Overbetuwe om de stedelijke ontwikkeling van de Stadsregio Arnhem Nijmegen verder vorm te geven in het oostelijk deel van de gemeente. Vanuit de regionale ontwikkelingsbehoefte wordt vooral ruimte gezocht voor woningbouw, bedrijventerreinen, windenergie en dergelijke. Het oostelijk deel van de gemeente valt binnen het te verstedelijken gebied. Hierdoor ontstaat voor de gemeente de mogelijkheid voor het ontwikkelen van zowel een dynamisch, stedelijk gebied met hoog voorzieningenniveau, als een groen en landelijk gebied. Door te kiezen voor het versterken van de identiteit van beide soorten gebieden, ontstaat een grote meerwaarde voor de gemeente als geheel. Om te voorkomen dat de stedelijke ontwikkelingen het landelijke gebied overspoelen, is een grens tussen beide gebieden nodig.
|
| Figuur 3. Kaart Kadernota 'Visie op ruimte': uitwerking landschappelijk kader Elst |
Conclusie
Het plangebied ligt binnen de 'rand dorpsuitbreiding'. Binnen deze 'rand' zijn reeds planologisch geregelde en in voorbereiding zijnde dorpsuitbreidingen als bestaand opgenomen. Binnen deze rand zijn stedelijke ontwikkelingen mogelijk. Verder zijn er geen bijzondere kenmerken aan het plangebied toegekend. Hiermee is het onderhavige initiatief in overeenstemming met de Kadernota 'Visie op ruimte'.
Toekomstvisie+
Op 8 september 2009 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe de toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt... vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven. De visie kan mensen inspireren en motiveren die werken aan stedenbouw, sport, ondernemerschap, onderwijs, openbare ruimte, welzijnswerk, etcetera. De visie is tenslotte ook een duidelijke positionering naar andere gemeenten en partners; het geeft Overbetuwe een eigen gezicht in de regio. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de toekomstvisie zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten. De opgave die is vastgelegd in de toekomstvisie is gebaseerd op een lagenbenadering. Aan deze hand van deze methodiek is aandacht voor de volgende doelstellingen:
|
| Figuur 4. Uitsnede kaart bij Toekomstivisie + |
Conclusie
In de Toekomstvisie+ is een visiekaart opgenomen. Op deze visiekaart ligt het plangebied binnen de bebouwingscontour. Binnen deze bebouwingscontour zijn stedelijke ontwikkelingen mogelijk. De ontwikkeling draagt bij aan de (diversiteit) van de werkgelegenheid binnen de gemeente. En er is sprake van meerdere voorzieningen binnen een cluster. Doordat de maat en schaal van de ontwikkeling vergelijkbaar is met de omgeving blijft de karakteristiek van de bestaande bebouwing daarmee behouden. Hiermee is het onderhavige initiatief in overeenstemming met de Toekomstvisie+.
Welstandsnota 2010
De welstandsnota gaat over het duurzaam bevorderen van de kwaliteit van bebouwing en omgeving in de gemeente Overbetuwe. De welstandstoets is daarbij een belangrijk hulpmiddel. Door middel van welstandscriteria wordt zo concreet mogelijk aangegeven aan welke uitgangspunten de ontwerper van een bouwplan zich moet houden. Deze uitgangspunten zijn deels gelijk voor de hele gemeente en deels verschillend per deelgebied omdat ieder gebied zijn eigen kenmerken heeft. Bovendien zijn per gebied de welstandscriteria beschreven.
In principe moet worden voldaan aan de criteria in het hele gebied. Uitzonderingen blijven echter mogelijk. Voorwaarde is wel dat er een gegronde reden moet zijn om van de criteria af te wijken. Of een reden gegrond is of niet, is uiteindelijk ter beoordeling aan burgemeester en wethouders.
Voor veel gebieden geldt dat nieuwe en eigentijdse ontwikkelingen mogelijk zijn. Een belangrijke voorwaarde is meestal dat ze niet mogen conflicteren met de directe omgeving. Met andere woorden er zal altijd rekening moeten worden gehouden met en respect moeten worden getoond voor de omgeving en de daarin te verwachten ontwikkelingen.
|
| Figuur 5. Kaart Welstandsnota |
Conclusie
Voorliggende ontwikkeling ligt in de zone 'woonwijken jaren zeventig en tachtig'. Het is hier van belang dat de belangrijkste karakteristieken van de directe omgeving worden gerespecteerd. Vernieuwing is onder voorwaarden mogelijk. Dit dient dan wel de ruimtelijke kwaliteit van de wijk te versterken. De toetsing van de gebouwen aan het welstandbeleid vindt plaats buiten het bestemmingsplan om.
In dit hoofdstuk komen alle relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreft hier de randvoorwaarden en beperkingen die voortkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: bodem, geluid, bedrijvigheid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water, flora en fauna, archeologie, cultuurhistorie en monumenten en verkeer en parkeren.
Bij de vervaardiging van het voorliggende plan is er in principe van uit gegaan dat de situatie, zoals die zich tot op heden heeft ontwikkeld en als zodanig manifesteert, in zijn algemeenheid als een gegeven wordt geaccepteerd. Dit betekent dat een uitgebreid onderzoek achterwege kan blijven. Niettemin wordt het wenselijk geacht om aan een aantal aspecten nader aandacht te schenken. Voor de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden geldt dat bij gebruikmaking van de bevoegdheid indien noodzakelijk onderzoek plaatsvindt naar de diverse aspecten.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.
Zoals uit bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:
Wegverkeerslawaai
Een multidisclipinair medisch centrum is geen geluidsgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek ten aanzien van wegverkeerslawaai hoeft niet te worden uitgevoerd.
Geluid inrichtingen
Uit paragraaf 3.5 blijkt dat niet wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter voor het parkeerterrein (met betrekking tot het aspect geluid, bedrijven en milieuzonering). Er heeft een akoestisch onderzoek (bijlage 2 van de toelichting) plaatsgevonden waarin de geluidsbelasting op de gevels van de relevante woningen in de omgeving is onderzocht.
Om geluiden van het dichtslaan van autoportieren te dempen is gerekend met (gedeeltelijk) geluidschermen tussen de meest belaste woningen en de parkeerplaatsen. Bij de berekeningen is uitgegaan van akoestisch gesloten schermen van 3 meter hoog en met een massa van tenminste 10 kg/m2.
Het is zaak het gebruik van de parkeerplaats te reguleren. Hiermee wordt bedoeld dat auto's zover mogelijk van de woningen worden af geparkeerd. Daarnaast is er in het onderzoek gerekend met een overkapping over de eerste vijf parkeerplaatsen, gelegen aan de achterzijde van de huisartsenpraktijk.
Uit het onderzoek blijkt dat met gereguleerd gebruik van de parkeerplaatsen en het realiseren van een parkeeroverkapping en schermen kan worden voldaan aan de eisen die gesteld worden in het Activiteitenbesluit. Indirecte hinder, veroorzaakt door komende en gaande bezoekers blijft ruimschoots beneden de richtwaarde van 50 db(A) etmaalwaarde.
Op grond van het onderzoek geluid inrichtingen kan worden geconcludeerd dat, indien de genoemde maatregelen worden opgevolgd, het gebruik van het parkeerterrein valt binnen de gestelde normen. In de regels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot de geluidsschermen en de overkapping, de laatste met een aanduiding op de verbeelding. De regels bepalen dat deze geluidwerende voorzieningen gerealiseerd moeten zijn alvorens de parkeerplaatsen in gebruik mogen worden genomen. Dit betekent ook dat er gemotiveerd wordt afgeweken van de richtafstand van 30 meter met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.
Een multidisclipinair medisch centrum als zodanig valt niet onder de hierboven genoemde lijst met categorieën van gevallen. Echter, vanuit het oogpunt van de verkeersaantrekkende werking die de ontwikkeling genereert kan worden vastgesteld dat deze kleiner is dan de gevallen die in de lijst genoemd worden. Ter illustratie: een woonwijk bestaande uit 1.500 woningen en een ontsluitingsweg is één van deze gevallen. Een dergelijke ontwikkeling kent een verkeersaantrekkende werking die een veelvoud is in vergelijking met de verkeersaantrekkende werking van het medisch centrum. Om die reden kan worden vastgesteld dat voorliggende ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit/
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten''2. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden.
Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Een multidisciplinair medisch centrum wordt niet als zodanig genoemd in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Vergelijkbare functies als een artsenpraktijk of een kliniek worden wel genoemd en vallen onder milieucategorie 1, aan deze milieucategorie is een richtafstand van 10 meter gekoppeld. Er worden parkeerplaatsen aangelegd ten behoeve van het multidisciplinair medisch centrum. Een autoparkeerterrein valt in milieucategorie 2. Aan die milieucategorie is een richtafstand van 30 meter gekoppeld.
Deze richtafstanden gelden van de perceelsgrens van het bedrijf tot aan het bouwvlak van een naastgelegen gevoelige functie. Aan weerszijden en de noordzijde van De Zuiling 8 liggen woningen op korte afstand van de perceelsgrens. De afstand tot de woning De Zuiling 6 is circa 14 meter. Met betrekking tot het multidisciplinair medisch centrum is de richtafstand ten opzichte van die woning voldoende. Het parkeerterrein maakt onderdeel uit van de inrichting van de artsenpraktijk. Echter, de dichtsbijzijnde woning staat op circa 2 meter, waardoor niet zonder meer gesteld kan worden dat sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Er heeft akoestisch onderzoek plaatsgevonden omdat de richtafstand toeziet op geluid. Dit onderzoek is behandeld in paragraaf 3.3.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.
Conclusie
In en nabij het plangebied bevindt zich geen belemmerende agrarische bedrijvigheid.
De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging.
Uit de gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart blijkt dat de grond in het plangebied onverdacht is. De huidige en toekomstige gebruiksvormen zijn gelijk voor wat betreft de gevoeligheid voor bodemverontreiniging. Bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan is zodoende niet noodzakelijk. Bescherming tegen bouwen op vervuilde grond wordt gevonden in de Woningwet.
Conclusie
Ten aanzien van het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor het onderhavige bestemmingsplan.
Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Er worden twee normstellingen gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers: bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour. Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege:
Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. Het beleid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen3 (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen4 (Revi), en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen5 en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico6. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen7 (RNVGS). Deze is recent verder geoperationaliseerd en verduidelijkt middels de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen8.
Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Op grond van de risicobenadering worden grenzen gesteld aan de risico's, gelet op kwetsbaarheid van de omgeving en vice versa. De toepassing van de risicobenadering heeft dus primair betrekking op de onderdelen pro-actie, de preventie en de preparatie van de veiligheidsketen. Het beleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit kan door maatregelen te treffen bij of aan de bron (inrichtingen, auto's etc.) en door de restrisico's te beperken, bijvoorbeeld door zonering. Het doel wordt vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats verblijft, komt te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij meestal geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico.
Groepsrisico
Ten aanzien van het groepsrisico (GR) is een oriënterende waarde vastgelegd. Deze wordt uitgedrukt in de kans dat per jaar een groep van 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting of transportroute en een ongewoon voorval binnen die inrichting of op die transportroute waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. De kans dat (een groep) slachtoffers vallen, wordt weergegeven met een curve (de fN-curve).
Een belangrijke factor bij het bepalen van het groepsrisico is het aantal personen dat zich in de omgeving van de risicovolle activiteit bevindt. Dit aspect kan vanuit de ruimtelijke ordening, door het toestaan of juist uitsluiten van functies waarbij een hoge personendichtheid in een bepaald gebied, worden beïnvloed.
In het Bevi is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de eisen van het besluit bij nieuwe activiteiten / situaties. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan dient de externe veiligheid te worden beoordeeld. Voor het plangebied is beoordeeld of sprake is van activiteiten met gevaarlijke stoffen in en in de omgeving van het plangebied, die mogelijk risico's zouden kunnen opleveren. Meer specifiek is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven die aangewezen zijn in het Bevi, waaronder LPG-tankstations, transportroutes over weg/spoor/water en buisleidingen.
Risicovolle inrichtingen
Uit de risicokaart (www.risicokaart) dat in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen.
Transport gevaarlijke stoffen
Over de Rijksweg A15 en de Betuweroute worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied bevindt op een afstand van ongeveer 2 km van deze transportroutes. En daarmee ook buiten de aan te houden veiligheidszones voor het plaatsgebonden risico. Er hoeven dan ook geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Groepsrisico
Er is geen sprake van een relevant groepsrisico in de huidige situatie. De geplande ontwikkeling hier geen verandering in brengen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Conclusie
Voor wat betreft externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor het onderhavige bestemmingsplan.
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden. In het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen gelegen.
Binnen het plangebied liggen geen kabels en leidingen die een belemmering voor de ontwikkeling vormen. Ten westen van het plangebied loopt een hoogspanningskabel, het plangebied ligt buiten de dubbelbestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding. Deze vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding.
Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame waterveiligheid en zoetwatervoorziening.
Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.
In het kort hier de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:
Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2010-1015
Het plan, vastgesteld op 30 oktober 2009, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende zes jaar gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden.
Keur Waterschap Rivierenland 2009
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de "Keur Waterschap Rivierenland" van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.
Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe het Waterplan vastgesteld. In het waterplan wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
In het waterplan is een RO-attentiekaart per kern op genomen.
Watertoets
Het Waterschap Rivierenland heeft het plan beoordeeld en de volgende reactie gegeven: de toename aan verharding als gevolg van de ontwikkeling bedraagt 693 m2. Volgens beleid van het Waterschap Rivierenland kan er éénmalige een vrijstelling van de eerst 500 m2 verharding worden toegepast. Dit betekent dat er dan nog 139 m2 toename verhard oppervlak gecompenseerd moeten worden.
Op grond daarvan heeft het waterschap aangegeven dat er circa 6 m3 compenserende waterberging (bij berging in oppervlaktewater) moet worden gerealiseerd. Wanneer berging in een wadi-achtige constructie plaatsvindt dan is er sprake van 9 m3 compensatie. De benodigde waterberging zal op eigen terrein worden gerealiseerd.
Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in het streekplan is uitgewerkt.
De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.
De Flora- en faunawet heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hoeft echter alleen rekening gehouden te worden met de juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'tabel 2' en 'tabel 3' van de Flora- en faunawet, en met vogels. Voor deze soorten moet een ontheffing worden aangevraagd wanneer een ruimtelijke ontwikkeling leidt tot schade aan de soort of verstoring van leefgebied. Voor soorten van 'tabel 3' en vogels geldt hierbij een strenger afwegingskader dan voor soorten van 'tabel 2'. Voor soorten van 'tabel 2' en vogels geldt bovendien dat een ontheffing niet nodig is wanneer gewerkt wordt conform een door LNV goedgekeurde gedragscode. Momenteel zijn echter nog geen algemeen toepasbare gedragscodes voorhanden.
Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied valt buiten de invloedssfeer van Natura 2000 gebieden en Ecologische Hoofdstructuur. De ontwikkeling heeft een beperkte uitstraling, waarbij de beschermde natuurwaarden geen nadelige effecten ondervinden.
Resultaten soortenbescherming
Uit het flora-en faunaonderzoek (zie bijlage 1) blijkt dat er nesten van huismussen en mogelijk nesten van de gierzwaluw in het pand kunnen voorkomen en dat pand een mogelijk een functie heeft voor vleermuizen. Voordat het pand kan worden gesloopt moet worden onderzocht of er compenserende maatregelen kunnen worden genomen om deze diersoorten te huisvesten.
In het bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt gegarandeerd dat er nader onderzoek wordt uitgevoerd en/of ontheffing bij Dienst Regelingen wordt aangevraagd voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt. Wanneer uit nader onderzoek blijkt dat compenserende maatregelen moeten worden genomen dan wordt initiatiefnemer verplicht om deze maatregelen uit te voeren.
Conclusie
In het kader van het bestemmingsplan is de haalbaarheid vanuit ecologisch oogpunt voldoende aangetoond. De bescherming van natuurwaarden is geregeld via de eerder genoemde voorwaardelijke verplichting. Tot slot zal er, afhankelijk van het tijdstip waarop werkzaamheden worden uitgevoerd, rekening moeten worden gehouden met broedende vogels. Vogels die broegen mogen nimmer worden gestuurd.
Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan9 en een archeologische beleidsadvieskaart10 vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.
|
| Figuur 6. Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Overbetuwe |
Op basis van de archeologische beleidsadvieskaart is het volgende te constateren:
Het plangebied ligt voor het overgrote deel in een zone met een middelmatige archeologische verwachting. Dit betreft de archeologische verwachting categorie 5. Bij verstoringen dieper dan 30 centimeter en groter dan 500 m2 is archeologisch onderzoek verplicht. Een klein deel van het plangebied ligt in de zone met een hoge archeologische verwachting. Dit betreft de archeologische verwachting categorie 4. Bij verstoringen dieper dan 30 centimeter en groter dan 100 m2 is archeologisch onderzoek verplicht.
Bovenstaand is met het opnemen van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' in het bestemmingsplan verankerd. Door deze dubbelbestemmingen worden (eventuele) archeologische waarden beschermd. Een initiatiefnemer tot bodemverstorende activiteit dient immers door de dubbelbestemming in bepaalde gevallen aan te tonen dat geen archeologische belangen worden geschaad. Dit betekent dat voorafgaand aan bepaalde werkzaamheden een verkennend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd om aan te tonen dat archeologische waarden al dan niet aanwezig zijn. Stuit men op archeologische waarden dan dienen, afhankelijk van het belang van dit deel van het bodemarchief, vervolgmaatregelen te worden genomen. Deze kunnen bestaan uit beheersmaatregelen waarmee dit deel van het bodemarchief voor de toekomst voldoende wordt veiliggesteld, of vervolgonderzoek.
Binnen de dubbelbestemmingen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij deze dubbelbestemming kan worden verwijderd. Dit kan blijken uit archeologisch onderzoek ter plaatse op basis waarvan inzichten gewijzigd kunnen zijn en een aanpassing van deze dubbelbestemmingen noodzakelijk kan zijn.
Conclusie
Voor het bestemmingsplan is de haalbaarheid vanuit het oogpunt van archeologie voldoende aangetoond. Wanneer de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouwwerken en andere werken wordt aangevraagd zal worden beoordeeld of er een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.
Mochten er tijdens het uitvoeren van civiele werkzaamheden archeologische resten aangetroffen worden, geldt een meldingsplicht volgens de WAMZ 2007, art, 53, lid 1 en 2.
Omgeving plangebied
De gemeente Overbetuwe is een gemeente die zich uitstrekt langs de zuidelijke oever van de Neder-Rijn en de noordelijke oever van de Waal. Grote steden in de nabijheid zijn Arnhem en Nijmegen. De gemeente Overbetuwe maakt deel uit van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen. Elst is door de enorme groei van de afgelopen decennia noch een dorp en noch een stad, het is een typische groeikern met bijbehorende problematiek en telt ongeveer 20.000 inwoners. De gehele gemeente Overbetuwe telt ongeveer 46.000 inwoners.
Elst ligt in het rivierenlandschap, een gebied dat een lange tijd een relatief geïsoleerde ligging kende door de aanwezigheid van natuurlijke barrières zoals de Neder-Rijn en de Waal. Maar Elst staat nu onder grote stedelijke druk vanuit Arnhem en Nijmegen.
Kenmerkend voor de kern Elst is de ruime opzet. Er is een groot gevoel van ruimte in het plangebied. De woongebieden van recente perioden delen in dit gevoel van ruimte. Ook in deze gebieden hebben de woningen vaak een grote kavel, staan maatschappelijke functies op een tapijt van groen en zijn er verschillende groene binnenterreinen.
Plangebied
Het plangebied betreft het perceel De Zuiling 8. Op het perceel staat een woning met bijgebouw, de rest van het perceel is in gebruik als tuin. Behoudens een enkele boom en een heg langs het perceel De Zuiling 4 is er verder geen opgaand groen binnen het plangebied.
In de huidige situatie hebben de gronden de bestemming Wonen en Tuin, overeenkomstig het gebruik
Zoals in paragraaf 1.1 al is aangegeven bestaat de ontwikkeling uit de bouw van een multidisciplinair medisch centrum waar verschillende vormen van zorg kunnen worden aangeboden (huisarts, prikpost, fysiotherapie e.d.). Om de bouw mogelijk te maken wordt de huidige bebouwing, de woning en een bijgebouw, gesloopt en later herbouwd.
De herbouw bestaat uit twee gebouwen. Deze twee gebouwen zijn verschillend in omvang. Het grootste gebouw fungeert duidelijk als hoofdgebouw. Om dat te bekrachtigen staat dit gebouw op ongeveer dezelfde locatie als het te slopen woonhuis. De kleinere gebouw staat meer naar achteren. Hiermee wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de twee gebouwen. Hiermee doet de opzet denken aan een de wijze waarop omringende percelen zijn ingericht: een hoofdgebouw met daarachter, zichtbaar, een kleiner bijgebouw.
Het hoofdgebouw bestaat uit 2 lagen en een kap, het bijgebouw uit een laag en een kap. Qua hoogte en bouwwijze voegen de nieuwe gebouwen zich naar de maat en schaal van omringende gebouwen.
Het perceel wordt voorzien van een groene omlijsting. Hiermee worden de randen richting de buurpercelen verzacht. In figuur 7 is een afbeelding opgenomen van de voorgenomen ontwikkeling.
|
| Figuur 7. Impressie van het inrichtingsplan van het multidisciplinair medisch centrum |
Parkeren
Ten behoeve van het multidisciplinair medisch centrum geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per behandelkamer (norm voor gezondheidscentrum, bron: Parkeernormen 2014, gemeente Overbetuwe). Er zijn in totaal 8 behandelkamers, er zijn in totaal 19,2 parkeerplaatsen nodig. De gemeente Overbetuwe heeft aangegeven dat er 18 parkeerplaatsen op eigen erf moeten worden gerealiseerd. Deze zijn in de inrichting van het plangebied mee ontworpen. De resterende 1,2 parkeerplaatsen zijn in het openbaar gebied gelegen, dit betreffen bestaande parkeerplaatsen.
Omdat er een woning wordt gesloopt verdwijnt daarmee een parkeerbehoefte die (deels) ook in het openbaar gebied werd opgelost. Deze weggevallen parkeerbehoefte compenseert de resterende 1,2 parkeerplaatsen waaraan het plan, volgens de normen, in moet voorzien.
Verkeer
De ontwikkeling van het multidisciplinaire medisch centrum brengt een bepaalde verkeersgeneratie met zich mee. In onderstaande tabel is deze berekend. De normen zijn afkomstig uit de CROW, gebaseerd op de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk' en als stedelijke zone is 'rest bebouwde kom' gehanteerd.
| Toekomstige situatie | Behandelkamers | Norm per behandelkamer | Verkeersgeneratie min. - max. |
| Gezondheidscentrum | 8 | 16,1 - 20,2 | 128,8 - 161,6 |
| Planologische situatie | Woningen | Norm per woning | Verkeersgeneratie min. - max. |
| 3 vrijstaand | 7,8 - 8,6 | 57,6 - 64,0 | |
| Verschil (toename) | 71,2 - 97,6 |
Uit de tabel blijkt dat de minimale verkeersgeneratie van het medisch centrum 128,8 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) bedraagt en de maximale verkeersgeneratie 161,6 motorvoertuigen per etmaal. Als hier de planologische situatie, op basis van het vigerende bestemmingsplan, in mindering wordt gebracht blijft er sprake van een toename van tussen de 71,2 en 97,6 mvt/etmaal.
Het perceel wordt ontsloten via De Zuiling waarna naar verwachting het overgrote deel van de bezoekers afslaat richting Kerkeakkers. De toename van het verkeer naar aanleiding van de ontwikkeling ruimtelijke gezien acceptabel. In de eerste plaats omdat het gros van de verkeersbewegingen buiten de piekmomenten op deze wegen plaats vinden. Immers, de piekemomenten zijn er in de ochtend en avond als de bewoners naar hun werk en dergelijke gaan. Het gezondheidscentrum is tussen die piekmomenten ook open. Daarnaast is de dimensionering van Kerkeakkers en De Zuiling van voldoende omvang om de extra verkeersbewegingen op te vangen. Daarbij wordt opgemerkt dat De Zuiling in feite maar voor een klein gedeelte extra verkeer zal verwerken, namelijk het gedeelte tussen De Zuiling 8 en de kruising De Zuiling/Kerkeakkers.
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).
Het bestemmingsplan 'Elst, De Zuiling 8' bestaat uit de volgende onderdelen:
De toelichting
Hierin wordt het beleidskader uiteengezet en wordt de ontwikkeling onderbouwd. Dit wordt aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten.
De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.
De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Maatschappelijk' en 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' opgenomen.
De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Bij de overwegingen over de gewenste opzet van het bestemmingsplan staat men voor het dilemma dat er enerzijds een duidelijke behoefte is aan minder regelgeving.
Daarnaast moet het plan flexibel zijn om op toekomstige ontwikkelingen in te spelen. Daarvoor zijn afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Deze regelingen bieden weliswaar ruimte voor bepaalde ontwikkelingen, er kunnen echter geen directe rechten en/ of plichten aan worden ontleend. Er zal altijd een belangenafweging plaatsvinden. Als echter wordt voldaan kan worden aan de gestelde voorwaarden, is die afweging marginaal.
Op de verbeelding is de bestemming 'Maatschappelijk' te zien. Deze bestemming zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functie). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken. Om te weten wat binnen de bestemming op de verbeelding is toegestaan, dienen de regels hierbij gelezen te worden. De regels en verbeelding zijn derhalve niet los van elkaar te zien.
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2008, de Wabo en het gemeentelijk handboek van de gemeente Overbetuwe. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht.
Inleidende regels
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsregels
In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. Het onderhavige bestemmingsplan bevat een enkelbestemming en een dubbelbestemming.
Maatschappelijk
Gebruik
Deze gronden zijn bestemd voor een multidisciplinair medisch centrum. Hiervoor is een omschrijving in de begrippenlijst opgenomen. Tevens zijn niet-zelfstandige kantoorruimtes (behorend bij en ondergeschikt aan het multidisciplinair centrum) toegestaan.
Bouwen
Het bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken. De hoogtes zijn op de verbeelding aangegeven. Ondergrondse gebouwen zijn tevens toegestaan.
Waarde - Archeologische verwachting 2 en Waarde - Archeologische verwachting 3
In het plan zijn deze twee dubbelbestemmingen opgenomen, ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden. Naast de betreffende dubbelbestemmingen hebben de betrokken gronden altijd nog een hoofdbestemming. De bepalingen van de hoofdbestemming en de dubbelbestemmingen zijn dan beide van toepassing. Bij strijd tussen deze bepalingen prevaleren de bepalingen van de dubbelbestemmingen. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemmingen zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene gebruiksregels
Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig zijn met de regels van het bestemmingsplan.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Kostenverhaal
Het verzoek is op basis van artikel 6.2.1 Bro een aangewezen bouwplan (de bouw van meerdere, hoofdgebouwen). Bij aangewezen bouwplannen is de gemeenteraad verplicht om gelijktijdig met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd (via een exploitatieovereenkomst).
De ontwikkeling die met onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt, betreft een particulier initiatief. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te verankeren is voor rekening en risico van de particuliere initiatiefnemer voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Afspraken over de planherziening worden in een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Overbetuwe vastgelegd. In deze overeenkomst worden tevens afspraken met betrekking tot kostenverhaal (kosten voor aanleg van infrastructuur, kabels, leidingen, groen, opstellen plannen etc.) vastgelegd.
Financiële haalbaarheid
De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Verder is gebleken dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen.
De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.
De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Gezien de conserverende aard van het bestemmingsplan en de omvang van het plangebied vindt inspraak niet plaats.
Artikel 3.1.1. van het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gezien de conserverende aard van het bestemmingsplan en de omvang van het plangebied vindt vooroverleg niet plaats.
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan heeft in dit kader ter visie gelegen van 6 maart 2014 t/m 16 april 2014. Er zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend.
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.