| vastgesteld |
| NL.IMRO.1731.Zuidmaten-BVV1 |
Bij een ruimtelijke procedure dient voor het aspect 'luchtkwaliteit' aangetoond te worden dat voldaan zal worden aan de Wet luchtkwaliteit. Hierbij wordt gekeken naar de eventuele bijdrage van het project aan de luchtkwaliteit, alsmede of in de bestaande situatie een goed woon- en leefklimaat aanwezig is.
In de Wet is weergegeven hoe en onder welke voorwaarden een ruimtelijk plan mag worden vastgesteld in relatie tot luchtkwaliteitseisen. Als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid (waar relevant is een toelichting op de voorwaarde gegeven):
Aangezien op grond van de beheersverordening primair de bestaande (planologische) situatie opnieuw juridisch wordt vastgelegd, kan gesteld worden dat onderhavige beheersverordening niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat als aannemelijk kan worden gemaakt dat er geen (dreigende) overschrijding is van de grenswaarden. Op de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (zie www.rivm.nl) is weergegeven dat de daarin berekende jaargemiddelde concentratie in 2010 vanwege bestaande bronnen van fijn stof in de gemeente Midden - Drenthe maximaal ongeveer 22,6 µg/m3 bedroeg. Voor stikstofdioxide bedroeg die jaargemiddelde concentratie 16,4 µg/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de grenswaarde voor beide stoffen van 40,0 µg/m3.
Het is aannemelijk dat onderhavige beheersverordening niet tot gevolg heeft dat de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit worden overschreden. Tevens is het aannemelijk dat in het plangebied geen (dreigende) overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt en dus dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en in stand gehouden.