direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Steendervalsweg 37 te Mantinge
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1731.TAMSteendrvlsw37MA-VST1

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Steendervalsweg 37, Mantinge en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22d) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22d van het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22d.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22d.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk omgevingsplan - ruimtelijke regels

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.

1.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Mantinge, Steendervalsweg 37, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1731.TAMSteendrvlsw37MA-VST1.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit TAM-omgevingsplan.

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit TAM-omgevingsplan de begrippen als bedoeld in artikel 2.4 ot en met 2.43 gehanteerd.

2.3 omgevingsplan:

het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe;

2.4 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22d Steendervalsweg 37 te Mantinge met identificatienummer NL.IMRO.1731.TAMSteendrvlsw37MA-VST1- van de gemeente Midden-Drenthe;

2.5 aan- of uitbouw:

een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw;

2.6 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.7 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.8 aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten:

het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteiten in de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kunnen worden uitgeoefend;

2.9 aan huis verbonden beroep:

het beroep van: accountant, administratieconsulent, advocaat, apotheker, architect, assurantiebemiddelaar, belastingconsulent, bouwkundig architect, dierenarts, fysiotherapeut, gerechtsdeurwaarder, huisarts, interieurarchitect, logopedist, makelaar in onroerend goed, medisch specialist, notaris, oefentherapeut, organisatieadviseur, raadgevend ingenieur, registeraccountant, specialist, tandarts, tandartsspecialist, tuin- en landschapsarchitect, verloskundige, dan wel naar de aard daarmee gelijk te stellen beroep, dat in combinatie met de woonfunctie als hoofdfunctie kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw en/of bijgebouw(en) dat is (die zijn) bedoeld voor het wonen;

2.10 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.11 bebouwingsbeeld:

de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap. Bij de afweging van het begrip ‘bebouwingsbeeld’ zal het beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Midden-Drenthe, zoals opgenomen in de bijlagen van het bestemmingsplan Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022, steeds onderdeel van het toetsingskader zijn;

2.12 bed & breakfast(eenheid):

een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor recreatief nachtverblijf en ontbijt;

2.13 bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, inclusief opslag- en administratieruimte en dergelijke;

2.14 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

2.15 bestaande:
  • 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een vergunning;
  • 2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan;
2.16 bijgebouw:

een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm en ten dienste staat van het hoofdgebouw, vrijstaand, dan wel aangebouwd;

2.17 bosbouw:

het geheel van bedrijfsmatig handelen en van activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande, respectievelijk nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie;

2.18 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.19 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel;

2.20 cultuurgrond:

grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, die bedrijfsmatig, dan wel hobbymatig in gebruik zijn;

2.21 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.22 evenement:

elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optochten, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten op een locatie die vaker dan twee maal per jaar wordt gebruikt, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

2.23 extensief dagrecreatief medegebruik:

een extensief dagrecreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, een vissteiger, een picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik;

2.24 gastouderopvang:

een specifieke vorm van kinderopvang in de eigen woning van de gastouder of woning waar de kinderen woonachtig zijn met, op grond van de Wet kinderopvang, een maximum van 6 kindplaatsen, waarbij ook de eigen kinderen tot 10 jaar meetellen;

2.25 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:

een agrarisch bedrijfsvoering waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, waaronder ook wordt verstaan bloembollenteelt, onderstamteelt, vollegrondsgroenteteelt en teelt in de vorm van struiken zoals (blauwe) bessen, druiven en dergelijke;

2.26 horeca-activiteiten:

een aan de hoofdfunctie ondergeschikt horecagebruik dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren, zoals een theehuisje, ijssalon, croissanterie, dagcafé, dagrestaurant, wijnhuis en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;

2.27 horecabedrijf:

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;

2.28 kampeermiddel:
  • 1. een tent, een vouwwagen, een camper, een caravan of een huifkar;
  • 2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, dat geheel of ten dele blijvend kan worden gebruikt voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
2.29 kleinschalige windturbine:

een bouwwerk voor het opwekken van electrisch vermogen uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 15,00 m;

2.30 landschappelijke waarden:

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap. Bij de afweging van het begrip 'landschappelijke waarden' zal de landschaps- en beheersvisie uit het Landschapsbeleidsplan van Midden-Drenthe (februari 2000) steeds onderdeel van het toetsingskader zijn;

2.31 milieusituatie:

de waarde van een gebied in milieuhygiënische zin die wordt bepaald door de mate van scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in het bijzonder gelet op het voorkomen, dan wel beperken van hinder door geur, stof, geluid, gevaar, licht en/of trilling. Onderdeel van de afweging van het begrip ‘milieusituatie’ zal ook de bodembescherming zijn;

2.32 natuurlijke waarden:

de abiotische en biotische waarden van een gebied;

2.33 normaal onderhoud:

het onderhoud, dat gelet op de functie regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende functie behoren;

2.34 overkapping:

een bouwwerk dat is voorzien van een plat dak, dan wel een kap en met maximaal één wand is uitgevoerd;

2.35 peil:
  • 1. bij ligging aan een weg: de kruin van de weg;
  • 2. bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;
  • 3. bij ligging anders dan een weg of verhard terrein: het maaiveld;
  • 4. bij aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij of aan een bestaande woning: de bestaande peilmaat van de woning;
2.36 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;

2.37 seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.38 verblijfsrecreatie:

recreatief verblijf, waarbij wordt overnacht in kampeermiddelen, recreatiewoningen, appartementen en/of recreatieverblijven, waarbij hoofdverblijf elders wordt gehouden;

2.39 vloeroppervlak:

totale oppervlakte, binnenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane grond, de verdiepingen, de zolder en de bijbehorende aan- en uitbouwen;

2.40 voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, indien een woning met meer dan één zijde naar de weg is gekeerd, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel(s);

2.41 voorgevelrooilijn:
  • 1. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:
    • a. de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  • 2. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als bedoeld onder 1 aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:
    • a. bij een wegbreedte van ten minste 15 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg;
    • b. bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg;
    • c. bij een wegbreedte tussen de 10 m en de 15 m, de lijn gelegen op een afstand, die gelijk is aan de wegbreedte, uit de as van de weg;
2.42 watergang:

een min of meer lijnvormig watervoerend object met vrij wateroppervlak, zoals een beek, een vaart, een sloot of een greppel;

2.43 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 Meetbepalingen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen:

  • a. de afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel:
    de kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel;
  • b. de bouwhoogte van een bouwwerk:
    vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  • c. de dakhelling:
    langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  • d. de goothoogte van een bouwwerk:
    vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste kant van het dak of van de kap. De goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van de goot aan de lage zijde van het dak;
  • e. de inhoud van een bouwwerk:
    tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  • f. de oppervlakte van een bouwwerk:
    tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • g. de oppervlakte van een overkapping:
    tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • h. breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
    tussen de buitenwerkste hoofdgevelvlaken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;
  • i. de ashoogte van een windturbine:
    • 1. turbines met een horizontale as:
      vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
    • 2. turbines met een verticale as:
      vanaf de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;
      afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMSteendrvlsw37MA-VST1_0001.png"  
  • j. de tiphoogte van een windturbine:
    • 1. turbines met een horizontale as:
      de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;
    • 2. turbines met een verticale as:
      de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarboven uit steekt;
      afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMSteendrvlsw37MA-VST1_0002.png"  
  • k. de rotordiameter:
    de diameter wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;
afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMSteendrvlsw37MA-VST1_0003.png"  

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als:

  • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten;
  • 2. erkers, die voldoen aan de beoordelingsregels;
  • 3. wolfseinden;
  • 4. overstekende daken en/of luifels kleiner dan 0,75 m;
  • 5. balkons die minder dan 1 m buiten de gevel steken;

buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten .

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 5 Agrarisch met waarden - 4

5.1 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch met waarden - 4' heeft de volgende functies:

  • a. cultuurgrond;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden van het beekdalenlandschap en in het bijzonder het open karakter van dit landschap;
  • c. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van kleine natuur- en landschapselementen;
  • d. doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer;
  • e. openbare nutsvoorzieningen;
  • f. extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik;
  • g. bestaande landbouwwegen, alsmede voet- en fietspaden en overige infrastructurele voorzieningen;
  • h. waterhuishoudkundige voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Hoofdgebouwen

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels.

  • a. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregelss.

  • a. silo's, platen en bassins zijn niet toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.

5.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwings- en landschapsbeeld (met name karakteristieke gebouwen en bomen, aaneengesloten bebouwing en het open karakter);
  • de verkeersveiligheid;

maatwerkvoorschriften stellen aan:

  • de plaats van bouwwerken;
  • de (transparante) vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met name afrasteringen en omheiningen;
  • het plaatsen van verlichting.

5.4 Specifieke beoordelingsregels

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de functieregels worden de algemene beoordelingsregels als genoemd in lid 13.2 gehanteerd.

5.4.1 Buiten het bouwvlak bouwen van schuilgelegenheden voor dieren

In afwijking van artikel 5.2.1 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat gebouwen, in de functie van schuilgelegenheden voor dieren ten behoeve van het niet bedrijfsmatig houden van vee, buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits:

  • 1. deze afwijking niet wordt toegepast op gronden met de functie Waarde – Grasland;
  • 2. bij beschikbaarheid van 1 ha tot 2 ha cultuurgrond, de oppervlakte maximaal 25 m2 zal bedragen;
  • 3. bij beschikbaarheid van 2 ha of meer cultuurgrond, de oppervlakte maximaal 50 m2 zal bedragen;
  • 4. de bouwhoogte van de gebouwen ten hoogste 3,5 m zal bedragen;
  • 5. de bebouwing aansluit op bestaande bebouwing en/of opgaande beplanting en er geen afbreuk wordt gedaan aan natuurlijke waarden, de waterhuishouding en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5.4.2 Vergroten van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot ten hoogste 15 m

In afwijking van artikel 5.2.2 onder c kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 15 m, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en natuurlijke waarden, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5.5 Specifieke gebruiksregels
5.5.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met de functie is:

  • a. het aanplanten van bebossing en/of opgaande beplanting ten behoeve van eenrijige beplanting langs landbouwgronden of schuilgelegenheid voor vee tot een maximum van 0,5 ha;

5.5.2 Strijdig gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de functieomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het opslaan van mest, bermmaaisel, producten die vrijkomen bij het schoonmaken van sloten, hooibalen en/of andere agrarische producten;
  • b. het opslaan van agrarische producten;
  • c. het opslaan van niet-agrarische producten en/of het stallen van auto's, caravans en boten;
  • d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel;
  • e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van (verblijfs)recreatie;
  • f. het gebruik van de gronden ten behoeve van bosbouw, houtteelt of andere opgaande teeltvormen
  • g. het aanplanten van bebossing en/of opgaande beplanting anders dan bedoeld in lid 5.5.1 sub a;
  • h. de aanleg van en het gebruik van gronden voor paardrijbakken;
  • i. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden
  • j. de aanleg van een ecologische verbindingszone met een oppervlakte van meer dan 3 ha;
  • k. het gebruik van de gronden ten behoeve van kleinschalige windturbines, kleinschalige zonneparken en grondgebonden zonnepanelen.

5.6 Specifieke beoordelingsregels

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de functieregels worden de algemene beoordelingsregels als genoemd in lid 13.2 gehanteerd.

  • a. In afwijking van artikel 5.5.2 sub g kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de gronden worden gebruikt voor de aanleg van landschappelijke beplanting, mits:
    • 1. is aangetoond dat de aanleg van de beplanting een versterking betekent van de landschappelijke structuur;
    • 2. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke waarden, de waterhuishouding en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

  • b. In afwijking van artikel 5.5.2 sub h kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de gronden ten behoeve van een paardrijbak worden gebruikt, mits:
    • 1. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in aansluiting op het bouwvlak of andere bouwpercelen;
    • 2. is aangetoond dat binnen het bestaande bouwvlak geen ruimte meer is voor een paardrijbak;
    • 3. een minimale afstand van 30 m wordt aangehouden tot woningen of (agrarische) bedrijven van anderen en overigens ook is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
    • 4. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en archeologische waarden.

5.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
  • 1. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas aanwezig als eenrijige beplanting langs landbouwgronden of schuilgelegenheid voor vee;
  • 2. het aanplanten van bomen en/of houtgewas ten behoeve van eenrijige beplanting langs landbouwgronden of schuilgelegenheid voor vee;
  • 3. het dempen en/of graven van (erf)sloten en/of andere watergangen, voor zover waardevolle kwel- en oevervegetaties hierdoor kunnen worden aangetast;
  • 4. het aanleggen van aarden wallen;
  • 5. het realiseren van ecologische verbindingszones met een oppervlakte van niet meer dan 3 ha;
  • 6. het aanleggen van ondergrondse, bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatiekabels en/of -leidingen;
  • 7. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen en/of de aanleg van verharde wegen en paden, als ook verharding breder dan 2 m voor de voorgevelrooilijn of binnen 20 m vanaf de weg, met dien verstande dat de aanleg van verharding voor de voorgevel(s) ten behoeve van twee in-/uitritten met een maximale breedte aan de straatzijde van 17 m en een maximale breedte van 7 m op het voorerf en een in/uitrit met een maximale breedte van 5 m zijn toegestaan;
  • 8. het verharden van onverharde of halfverharde wegen en paden of het veranderen van de verharding van klinkerwegen;
  • b. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
  • 1. het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen;
  • 2. reeds in uitvoering zijn of aanwezig zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan;
  • 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
  • c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van het oude veldontginningengebied en de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden. De aanleg van een ecologische verbindingszone moet passen binnen het beleid met betrekking tot de NNN, dan wel deze moet betrekking hebben op particulier natuurbeheer.

Artikel 6 Wonen

6.1 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met:
      • een aan huis verbonden beroep;
      • mantelzorg;
      • een gastouderopvang;

met de daarbij behorende:

  • b. woningen;
  • c. bedrijfswoningen;
  • d. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • e. tuinen, erven en terreinen;
  • f. bouwwerken geen gebouwen zijnde.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Hoofdgebouwen

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels.

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • b. het aantal woningen per bouwvlak bedraagt ten hoogste één;
  • c. de oppervlakte zal ten hoogste 150 m² bedragen;
  • d. de goothoogte zal ten hoogste 3,5 m bedragen;
  • e. de bouwhoogte zal ten hoogste 9 m bedragen;
  • f. de breedte van de woning zal ten hoogste 10 m bedragen;
  • g. de dakhelling zal ten minste 30° bedragen;
  • h. de dakhelling zal ten hoogste 60° bedragen;
  • i. de minimale afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt 3 m.
  • j. woningen mogen uitsluitend in een bouwvlak worden gebouwd.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels.

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan een openbare weg (niet zijnde een brandgang tussen twee gebouwen) of openbaar groengebied op een afstand van 1 m of minder uit de perceelgrens ten hoogste 1 m bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 6 m, met dien verstande dat het aantal vlaggenmasten niet meer dan twee bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 7 m, met dien verstande dat uitsluitend bestaande lichtmasten zijn toegestaan.

6.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels.

  • a. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd.
  • b. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zullen volledig binnen een afstand van 25 m vanuit het dichtstbijzijnde punt van het hoofdgebouw worden gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de aangebouwde bijgebouwen en de aangebouwde overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen;
  • e. de goothoogte zal ten hoogste 3,5 m bedragen;
  • f. de bouwhoogte zal ten hoogste 6,6 m bedragen;
  • g. de dakhelling zal ten minste 30° bedragen;
  • h. de dakhelling zal ten hoogste 60° bedragen.

6.3 Specifieke beoordelingsregels

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de functieregels worden de algemene beoordelingsregels als genoemd in lid 13.2 gehanteerd.

6.3.1 Afwijken vergroten oppervlakte woning

In afwijking van artikel 6.2.1 sub c kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de oppervlakte van de woning wordt vergroot tot ten hoogste 250 m2.

6.3.2 Afwijken toestaan verbreden woning

In afwijking van artikel 6.2.1 sub f kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de breedte van de woning wordt vergroot tot ten hoogste 20 meter voor woningen die parallel aan de weg zijn gesitueerd.

6.3.3 Afwijken toestaan bijgebouwen op grotere afstand dan 25 meter

In afwijking van artikel 6.2.3 sub b kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en worden toestaan dat de bijgebouwen op een grotere afstand dan 25 m vanaf het dichtstbijzijnde punt van het hoofdgebouw worden gebouwd, mits:

  • een verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd.
6.3.4 Afwijken toestaan groter gezamenlijk oppervlakte een aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

In afwijking van artikel 6.2.3 sub c kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 150 m², mits is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

6.3.5 Afwijken ten behoeve van gedeeltelijk plat dak van het hoofdgebouw

In afwijking van artikel 6.2.3 sub g en h kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat aan- en uitbouwen tot ten hoogste 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw worden voorzien van een plat dak, mits is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld.

6.3.6 Afwijken ten behoeve van lichtmasten

In afwijking van artikel 6.2.2 sub c kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat er lichtmasten worden geplaatst bij nieuwe met omgevingsvergunning toegestane paardrijbakken, mits:

  • de hoogte maximaal 4 m bedraagt;
  • het aantal niet meer dan zes bedraagt;
  • de lichtmasten uitsluitend gericht zijn op de paardrijbak;
  • deze voldoen aan de milieukwaliteitseisen onder de specifieke functieregels.

6.4 Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met de functie is:

  • a. Het gebruik van gedeelten van een woning, inclusief aan- en uitbouwen, en/of een bijgebouw bij de woning, voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. het beroep wordt uitgeoefend door een van de bewoners van de woning, met dien verstande dat één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn;
    • 2. de beroepsvloeroppervlakte in de woning bedraagt niet meer dan 30% van het vloeroppervlak van de woning;
    • 3. de beroepsvloeroppervlakte in een bijgebouw bedraagt niet meer dan 45 m²;
    • 4. parkeren vindt op eigen erf plaats;
    • 5. er vindt geen detailhandel plaats anders dan productiegebonden detailhandel;
  • b. het gebruik van verlichting voor een paardrijbak, met inachtneming van de volgende regels:
    • 1. er mag niet meer dan 60 lux/m² worden geproduceerd, gemeten 1 m boven de bodem van de paardrijbak;
    • 2. de verlichting mag niet worden gebruikt tussen 23.00 uur en 07.00 uur;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij voor het hobbymatig houden van paarden, met dien verstande dat:
    • 1. onder hobbymatige paardenhouderij wordt verstaan alles wat niet als bedrijfsmatig wordt aangemerkt in de Beleidsnotitie Paardenhouderij, dan wel diens rechtsopvolger;
    • 2. de hobbymatige paardenhouderij op ten minste 30 m van een woning van derden gelegen dient te zijn;
    • 3. maximaal 75 m2 aan stalruimte wordt gerealiseerd, mits de bebouwingsbepalingen voor bijgebouwen (waaronder de maximale oppervlakte aan bijgebouwen) uit lid 6.2 sub b niet worden overschreden;
    • 4. voorzieningen ten behoeve van de hobbymatige paardenhouderij geclusterd áchter de achtergevel van het woonhuis worden gerealiseerd.

6.4.2 Strijdig gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de functieomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van gedeelten van gebouwen voor bedrijfsdoeleinden anders dan een aan huis verbonden beroep anders dan bedoeld in lid 6.4.1 sub a;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van (verblijfs)recreatie;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • d. de aanleg van en het gebruik van gronden voor paardrijbakken;
  • e. het gebruik van gronden voorzover deze zijn gelegen binnen een afstand van 50 m van de bouwperceelgrenzen van naastgelegen bedrijven voor nieuwe geurgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • f. het gebruik van de gronden ten behoeve van kleinschalige windturbines en kleinschalige zonneparken.

6.4.3 Voorwaardelijke verplichting
  • a. Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik en in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 6.1 opgenomen functieomschrijving, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting', zonder dat binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de in Bijlage 1 opgenomen landschapsmaatregelen.
  • b. Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik en in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 6.1 opgenomen functieomschrijving, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting', zonder dat binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de in Bijlage 1 opgenomen landschapsmaatregelen.
6.5 Specifieke beoordelingsregels
6.5.1 Algemeen

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de functieregels worden de algemene beoordelingsregels als genoemd in lid 13.2 gehanteerd.

  • a. In afwijking van artikel 6.4.2 sub a kan de omgevingsvergunning voor een aciviteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van aan huis-verbonden bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf uitsluitend is toegestaan voor zover de woonfunctie in overwegende mate blijft gehandhaafd en er geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan en voldoet aan de volgende voorwaarden:
    • 1. de woonfunctie moet in ruimtelijke en visuele zin primair blijven;
    • 2. de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf mogen uitsluitend inpandig worden verricht;
    • 3. maximaal 30% van de oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het bedrijf met een maximum van 45 m²;
    • 4. degene die de gebruiker is van de woning moet ook degene zijn die het aan huis verbonden bedrijf uitoefent;
    • 5. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten moet qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
    • 6. het gebruik levert geen ernstige hinder op voor het woonmilieu, dan wel doet geen afbreuk aan het woonkarakter van de wijk of de buurt;
    • 7. van deze afwijkingsbevoegdheid wordt geen gebruik gemaakt ten behoeve van bedrijven die vergunningsplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de milieuwetgeving;
    • 8. bedrijfsactiviteiten zijn bovendien uitsluitend toegestaan voor zover deze voorkomen in, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn met de bedrijven categorie 1 en 2 van de in Bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijven;
    • 9. behoudens een beperkte verkoop in het klein, in direct verband met het aan huis verbonden bedrijf, mag geen detailhandel plaatsvinden;
    • 10. het gebruik zal geen nadelige invloed hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat er dient te worden geparkeerd op eigen terrein;

  • b. In afwijking van artikel 6.4.2 sub d kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat gronden ten behoeve van een paardrijbak worden gebruikt, mits:
    • 1. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in aansluiting op de bestaande bebouwing;
    • 2. deze afwijking niet wordt toegepast op gronden die mede zijn bestemd als Waarde – Archeologie 1 of Waarde - Grasland;
    • 3. de hoogte van de omheiningen van paardrijbakken ten hoogste 1,8 m zal bedragen tot een oppervlakte van maximaal 1.200 m2, met dien verstande dat de afrasteringen en omheiningen transparant zullen worden vormgegeven;
    • 4. een minimale afstand van 30 m wordt aangehouden tot woningen of (agrarische) bedrijven van anderen en overigens ook is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
    • 5. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en archeologische waarden.

6.5.2 Afwijken van de voorwaardelijke verplichting

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 6.4.3 onder a, indien in plaats van de landschapsmaatregelen, zoals opgenomen in het Ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 andere landschapsmaatregelen wordt getroffen, met dien verstande dat:

  • a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het Ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het Ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1 genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

Artikel 7 Wonen - Voormalige boerderijen

7.1 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen - Voormalige boerderijen' heeft de volgende functies:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met:
      • een aan huis verbonden beroep dan wel bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2, die zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid;
      • mantelzorg;
      • sociaal-culturele doeleinden;
      • een gastouderopvang;

met de daarbij behorende:

  • b. woningen;
  • c. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • d. tuinen, erven en terreinen;
  • e. bouwwerken geen gebouwen zijnde;

alsmede voor:

  • f. het behoud van de uitwendige hoofdvorm van bestaande hoofdgebouwen. Bij hoofdgebouwen wordt de uitwendige hoofdvorm bepaald door de goot- en bouwhoogte, de dakvorm, de dakhelling en de gevelindeling.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Hoofdgebouwen

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels.

  • a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd met de kenmerkende karakteristieke vorm van voormalige boerderijen;
  • b. het aantal woningen binnen deze functie bedraagt ten hoogste één;
  • c. de afstand van een hoofdgebouw ten opzichte van de weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen;
  • d. de oppervlakte zal ten hoogste 150 m² bedragen, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt;
  • e. de goothoogte zal ten hoogste 3,5 m bedragen, danwel de bestaande goothoogte;
  • f. de bouwhoogte zal ten hoogste 9 m bedragen, danwel de bestaande bouwhoogte;
  • g. de breedte van de woning zal ten hoogste 10 m bedragen, dan wel ten hoogste de bestaande breedte indien deze meer bedraagt;
  • h. de dakhelling zal ten minste 30° bedragen, danwel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt;
  • i. de dakhelling zal ten hoogste 60° bedragen, danwel de bestaande dakhelling indien deze meer bedraagt;
  • j. de minimale afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt 3 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt.

7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels.

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan een openbare weg (niet zijnde een brandgang tussen twee gebouwen) of openbaar groengebied op een afstand van 1 m of minder uit de perceelgrens ten hoogste 1 m bedraagt;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 6 m, met dien verstande dat het aantal vlaggenmasten niet meer dan twee bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 5 m, met dien verstande dat uitsluitend bestaande lichtmasten zijn toegestaan.

7.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels.

  • a. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  • b. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zullen volledig binnen een afstand van 25 m vanuit het dichtstbijzijnde punt van het hoofdgebouw worden gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 150 m² bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer dan 150 m² bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen met een maximum van 250 m²;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen, danwel het bestaande percentage indien dat meer bedraagt;
  • e. de goothoogte zal ten hoogste 3,5 m bedragen, met dien verstande dat deze eis voor slechts één zijde van kapschuren geldt, danwel de bestaande goothoogte indien deze meer bedraagt;
  • f. de bouwhoogte zal ten hoogste 6,6 m bedragen, danwel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt;
  • g. de dakhelling zal ten minste 30° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder bedraagt;
  • h. de dakhelling zal ten hoogste 60° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze meer bedraagt.

7.3 Specifieke beoordelingsregels

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels worden de algemene beoordelingsregels als genoemd in lid 13.2 gehanteerd.

7.3.1 Afwijken vergroten oppervlakte woning

In afwijking met artikel 7.2.1 sub d kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de oppervlakte van de woning wordt vergroot tot ten hoogste 250 m2.

7.3.2 Afwijken toestaan bijgebouwen op grotere afstand dan 25 meter

In afwijking met artikel 7.2.3 sub b kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de bijgebouwen op een grotere afstand dan 25 m vanaf het dichtstbijzijnde punt van het hoofdgebouw worden gebouwd, mits:

  • een verzoek om verlening van de omgevingsvergunning gepaard gaat met een voorstel tot landschappelijke inpassing van de bebouwing; er wordt uitsluitend over gegaan tot verlening van de omgevingsvergunning als er overeenstemming is over een goede landschappelijke inpassing en de uitvoering van het plan voor landschappelijke inpassing is gegarandeerd.
7.3.3 Afwijken toestaan groter gezamenlijk oppervlakte een aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

In afwijking met artikel 7.2.3 sub c kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 200 m², mits is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

7.3.4 Afwijken vervangende bouw en/of verbouw van aan- en uitbouwen en bijgebouwen

In afwijking met artikel 7.2.3 sub d kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat, indien reeds 250 m² of meer aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, maar minder dan 500 m², een per bouwperceel vervangende bouw en/of verbouw van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag plaatsvinden tot een maximumoppervlak van 50% van het oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen boven de 250 m², met dien verstande dat over de oppervlakte ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geen reductie van toepassing is, mits:

  • binnen twee jaar na het slopen van de gebouwen een aanvraag omgevingsvergunning voor vervangende bouw ingediend is;
  • is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld.
7.3.5 Afwijken vervangende bouw en/of verbouw van aan- en uitbouwen en bijgebouwen

In afwijking met artikel 7.2.3 sub d kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat, indien reeds meer dan 500 m² aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen aanwezig is, een per bouwperceel vervangende bouw en/of verbouw van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag plaatsvinden tot een maximumoppervlak van 20% van het oppervlak aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen boven de 500 m², met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geen reductie van toepassing is, mits:

  • binnen twee jaar na het slopen van de gebouwen een aanvraag omgevingsvergunning voor vervangende bouw is ingediend;
  • is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld.
7.3.6 Afwijken ten behoeve van gedeeltelijk plat dak van het hoofdgebouw

In afwijking met artikel 7.2.3 sub g en h kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat aan- en uitbouwen tot ten hoogste 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw worden voorzien van een plat dak, mits is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en het straat- en bebouwingsbeeld.

7.3.7 Afwijken ten behoeve van lichtmasten

In afwijking met artikel 7.2.2 sub c kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat er lichtmasten worden geplaatst bij nieuwe met omgevingsvergunning toegestane paardrijbakken, mits:

  • de hoogte maximaal 4 m bedraagt;
  • het aantal niet meer dan zes bedraagt;
  • de lichtmasten uitsluitend gericht zijn op de paardrijbak;
  • deze voldoen aan de milieukwaliteitseisen onder de specifieke functieregels.

7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Toegestaan gebruik

In overeenstemming met deze functie is:

  • a. het gebruik van gedeelten van een woning, inclusief aan- en uitbouwen, en/of een bijgebouw bij de woning, voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een ander bedrijf uit categorie 1 of 2 van de Staat van bedrijven, met inachtneming van de volgende regels:
  • 1. het beroep of bedrijf wordt uitgeoefend door een van de bewoners van de woning, met dien verstande dat één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn;
  • 2. de beroeps- of bedrijfsvloeroppervlakte in de woning bedraagt niet meer dan 30% van het vloeroppervlak van de woning;
  • 3. de beroeps- of bedrijfsvloeroppervlakte in een bijgebouw bedraagt niet meer dan 45 m²;
  • 4. parkeren vindt op eigen erf plaats;
  • 5. er vindt geen detailhandel plaats anders dan productiegebonden detailhandel;
  • b. het gebruik van verlichting voor een paardrijbak, met inachtneming van de volgende regels:
  • 1. er mag niet meer dan 60 LUX/m² worden geproduceerd, gemeten 1 m boven de bodem van de paardrijbak;
  • 2. de verlichting mag niet worden gebruikt tussen 23.00 uur en 07.00 uur;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een hobbymatige paardenhouderij voor het hobbymatig houden van paarden, met dien verstande dat:
  • 1. onder hobbymatige paardenhouderij wordt verstaan alles wat niet als bedrijfsmatig wordt aangemerkt in de Beleidsnotitie Paardenhouderij, dan wel diens rechtsopvolger;
  • 2. de hobbymatige paardenhouderij op ten minste 30 m van een woning van derden gelegen dient te zijn;
  • 3. maximaal 75 m2 aan stalruimte wordt gerealiseerd, mits de bebouwingsbepalingen voor bijgebouwen (waaronder de maximale oppervlakte aan bijgebouwen) uit lid 7.2 sub b niet worden overschreden;
  • 4. voorzieningen ten behoeve van de hobbymatige paardenhouderij geclusterd áchter de achtergevel van het woonhuis worden gerealiseerd;

7.4.2 Strijdig gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de functieomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van gedeelten van gebouwen voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit anders dan bedoeld in lid 7.4.1 sub a;
  • b. het splitsen van een woning;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van (verblijfs)recreatie;
  • d. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • e. de aanleg van en het gebruik van gronden voor paardrijbakken;
  • f. het gebruik van gronden voorzover deze zijn gelegen binnen een afstand van 50 m van de bouwperceelgrenzen van naastgelegen bedrijven voor nieuwe geurgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;
  • g. bedrijfsmatige stalling en opslag van goederen buiten gebouwen;
  • h. het gebruik van de gronden ten behoeve van kleinschalige windturbines en kleinschalige zonneparken.

7.4.3 Voorwaardelijke verplichting
a Landschappelijke inpassing

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik en in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 7.1 opgenomen functieomschrijving, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting', zonder dat binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan de in Bijlage 1 opgenomen landschapsmaatregelen.

b Sloop

Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik en in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 7.1 opgenomen functieomschrijving, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting', zonder dat binnen 12 maanden na het onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan geheel uitvoering is gegeven aan het sloopplan zoals opgenomen in Bijlage 1.

7.5 Specifieke beoordelingsregels

Bij gebruikmaking van de bevoegdheid bij een omgevingsvergunning af te wijken van de functieregels worden de algemene beoordelingsregels als genoemd in lid 13.2 gehanteerd.

  • a. In afwijking van artikel 7.4.2 sub a kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat een woning in combinatie met bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt, mits:
    • 1. het gaat om bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.2, zoals die zijn opgenomen in de bij deze regels behorende Staat van bedrijven, voorzover deze naar de aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de bedrijvigheid in de milieucategorieën 1 en 2;
    • 2. de bedrijfsactiviteiten worden gevestigd in de bestaande bebouwing, niet zijnde glasopstanden, met dien verstande dat de maximaal toegestane bedrijfsvloeroppervlakte 30% van de bestaande bebouwing bedraagt, met een maximum van in totaal 150 m2;
    • 3. de bedrijfsactiviteiten vanuit een oogpunt van milieuhygiëne geen belemmeringen voor de ontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven met zich meebrengen;
    • 4. de woonfunctie in het hoofdgebouw gevestigd blijft;
    • 5. parkeren op eigen erf plaatsvindt
    • 6. is aangetoond dat er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
    • 7. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 8. er sprake is van een ligging aan een weg, die geschikt is voor een eventuele toename van (zwaar) verkeer;
  • b. In afwijking van artikel 7.4.2 sub a kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat een woning in combinatie met een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang wordt gebruikt, mits:
    • 1. het gaat om een bedrijfsvorm uit categorie 1 of 2 van de Staat van bedrijven;
    • 2. het beroep of bedrijf wordt in ieder geval uitgeoefend door een van de bewoners van de woning die gelegen is op het perceel waar de activiteit plaatsvindt;
    • 3. de bedrijfsvloeroppervlakte voor een kinderdagverblijf of een buitenschoolse opvang:
      • in geval gebruik wordt gemaakt van de woning of bijgebouwen behorende bij de woning niet meer bedraagt dan 30% van het bestaande vloeroppervlak van de genoemde gebouwen maar in ieder geval niet meer dan 45 m2 van dat oppervlak, of;
      • in geval gebruik wordt gemaakt van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op hetzelfde perceel niet meer bedraagt dan 70 m2 van het bestaande vloeroppervlak van de genoemde bebouwing;

met dien verstande dat de totale oppervlakte voor kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang tezamen niet meer dan in totaal 70 m2 mag bedragen, dit is exclusief verkeersruimtes en sanitaire ruimtes;

    • 1. het parkeren op eigen erf plaatsvindt;
    • 2. er is aangetoond dat geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
    • 3. er sprake is van een ligging aan een weg, die geschikt is voor een eventuele toename van (zwaar) verkeer;
    • 4. er geen opslag plaatsvindt van goederen, behorende bij het andere gebruik, buiten de gebouwen;
    • 5. er is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid, de ruimtelijke kwaliteit en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • c. In afwijking van artikel 7.4.2 sub a kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat bedrijfsmatige opslag van caravans plaatsvindt, mits:
    • 1. er sprake is van een ligging aan een weg, die geschikt is voor een eventuele toename van (zwaar) verkeer;
    • 2. de opslag binnen de bestaande bebouwing wordt ondergebracht;
    • 3. er geen opslag buiten de gebouwen plaatsvindt;
    • 4. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • d. In afwijking van artikel 7.4.2 sub b kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat een gebouw wordt gebruikt voor meer dan één woning, mits:
    • 1. de oppervlakte van de woning voorafgaand aan de splitsing minimaal 180 m² zal bedragen;
    • 2. de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot en na splitsing nog steeds sprake is van één hoofdgebouw met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
    • 3. er voldoende parkeergelegenheid op het bijbehorende erf wordt aangelegd;
    • 4. is aangetoond dat er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;
    • 5. de geluidsbelasting van het geluidsgevoelige gebouw niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende waarde;
    • 6. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

e. In afwijking van artikel 7.4.2 sub e kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat de gronden ten behoeve van een paardrijbak worden gebruikt, mits:

    • 1. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast in aansluiting op de bestaande bebouwing;
    • 2. deze afwijking niet wordt toegepast op gronden die mede zijn bestemd als Waarde - Archeologie 1 of Waarde – Grasland;
    • 3. de hoogte van de omheiningen van paardrijbakken ten hoogste 1,8 m zal bedragen tot een oppervlakte van maximaal 1.200 m2, met dien verstande dat de afrasteringen en omheiningen transparant zullen worden vormgegeven;
    • 4. een minimale afstand van 30 m wordt aangehouden tot woningen of (agrarische) bedrijven van anderen en overigens ook is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
    • 5. is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en archeologische waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 8 Milieuzone - hydrologische beïnvloeding

8.1 Oogmerken

Binnen de gebiedsaanwijzing Milieuzone - hydrologische beïnvloeding dienen de hydrologische waarden te worden hersteld, behouden en ontwikkeld.

8.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde functies:
    • 1. het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstroomprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen;
    • 2. het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm.
  • b. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan;
    • 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
  • c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de hydrologische waarden van de gronden, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en er geen significant negatieve aantasting plaatsvindt van de gebieden Mantingerzand, Elperstroom, Drentsche Aa, Mantingerbos, het Witterveld, het Drents-Friese Wold en het Dwingelderveld.

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Bestaande maatvoering

Voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning geldt dat indien de bestaande situering en/of maten afwijken van de ingevolge dit TAM-omgevingsplan toegestane situering en/of maten, de bestaande situering tevens en/of bestaande maten als maximaal toegestaan worden beschouwd.

Artikel 11 Aanvraagvereisten

  • 1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan. In het bijzonder geldt dat:
  • a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit TAM-omgevingsplan; en
  • b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit TAM-omgevingsplan.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Artikel 12 Algemene omgevingsplanactiviteiten

12.1 Omgevingsplanactiviteit toegestane afmetingen, maten en percentages
12.1.1 Omgevingsplanactiviteit hoogte bouwactiviteit

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit Hoofdstuk 2 voor:

  • a. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvangst- en antennemasten.

12.1.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 12.1.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. de antenne kan niet worden geplaatst op een bestaand hoog bouwwerk, zoals een hoogspanningsmast, een reclamemast, een torensilo, of een daarmee gelijk te stellen hoog bouwwerk;
  • b. de antenne kan niet worden geplaatst op een bedrijventerrein;
  • c. de antenne wordt vervolgens geplaatst in aansluiting op grote infrastructuurlijnen;
  • d. de mast is radiografisch noodzakelijk;
  • e. de hoogte van een mast zal ten hoogste 40 m bedragen;
  • f. het aantal masten binnen de gemeente mag niet meer bedragen dan strikt noodzakelijk is voor de realisatie van een adequaat dekkend netwerk van voldoende capaciteit conform het Plaatsingsplan, zoals vastgesteld door het Rijk, de VNG en de gezamenlijke mobiele telefoonaanbieders;
  • g. het is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

12.2 Omgevingsplanactiviteit kleinschalige windturbines
12.2.1 Kleinschalige windturbines

Met een omgevingsvergunning kan een activiteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit Hoofdstuk 2 voor:

  • a. het plaatsen van één (of twee) kleinschalige windturbine(s) met de bijbehorende kabels en de verankering van het transformatorhuis.

12.2.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 12.2.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. Kleinschalige windturbines mogen uitsluitend worden geplaatst:
    • 1. binnen een bouwperceel of direct aansluitend daaraan binnen een afstand van 25 meter vanaf de bouwperceelgrens, mits niet geplaatst achter het bouwperceel van een derde;
    • 2. achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, tenzij wordt aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk beeld en de cultuurhistorische karakteristiek van het erf en de omgeving;
    • 3. passend in het landschap en de stedenbouwkundige structuur; hiertoe dient bij de aanvraag omgevingsvergunning een landschappelijk inpassingsplan te worden bijgevoegd;
  • b. de ashoogte (zie Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen) bedraagt maximaal 15,00 m, conform de Provinciale omgevingsverordening Drenthe; indien gedurende de planperiode de Provinciale omgevingsverordening Drenthe ten aanzien van de ashoogte wordt verhoogd, wordt de nieuw vastgestelde bouwhoogte aangehouden:
  • c. de energieproductie van een kleinschalige windturbine:
    • 1. mag niet bestemd zijn voor commerciële doeleinden;
    • 2. moet 100% lokaal eigendom zijn;
    • 3. wordt gebruikt om te voorzien in de energievoorziening van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf en/of van de lokale omgeving, mits er niet meer kleinschalige windturbines worden gebouwd dan noodzakelijk om in het lokale energieverbruik te voorzien;
  • d. de volgende afstandsregels worden in acht genomen:
    • 1. de wieken of de constructie van een kleinschalige windturbine mogen niet overhangen over openbaar toegankelijk gebied;
    • 2. de afstand van een kleinschalige windturbine tot het meest nabijgelegen geluidsgevoelige object, niet zijnde de eigen woning, bedraagt minimaal 4 maal de ashoogte van de kleinschalige windturbine; van deze minimale afstandsmaat kan worden afgeweken als kan worden aangetoond dat er van geluidshinder geen sprake is of als deze zo kan worden beperkt dat van hinder in redelijkheid geen sprake meer is;
    • 3. in verband met onderhoud van watergangen bedraagt de afstand van een kleinschalige windturbine tot de boveninsteek van een watergang minimaal 5 m; indien het waterschap ermee instemt, mag deze afstand minder dan 5 m bedragen;
    • 4. een kleinschalige windturbine staat op voldoende afstand van (beperkt) kwetsbare objecten, wegen, waterwegen en spoorwegen, buisleidingen, hoogspanningsleidingen en bedrijven waarbij een risicogebied externe veiligheid geldt, waarbij de normering uit de Handreiking Risicozonering Windturbines d.d. 21 januari 2020 moet worden aangehouden of, indien deze gedurende de planperiode wordt gewijzigd, de meest recente normering, met dien verstande dat:
      • de afstand tot (hoofd)aardgastransportleidingen en hoogspanningsleidingen meer bedraagt dan de masthoogte + 1/3 wieklengte, tenzij de leidingbeheerder instemt met een kortere afstand;
      • de afstand tot een hoogspanningsverbinding op zijn minst de maximale werpafstand bedraagt bij twee keer het maximale toerental van de kleinschalige windturbine, tenzij de netbeheerder instemt met een kortere afstand;
    • 5. voor het verrichten van bouw- en aanlegactiviteiten binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg en de daarnaast gelegen gronden moet rekening worden gehouden met de afstanden die zijn vermeld in artikel 21 van het Besluit hoofdspoorweginfrastructuur. Wanneer activiteiten plaatsvinden binnen één van de in dat artikel genoemde beperkingengebieden, is een vergunning ex artikel 19 Spoorwegwet vereist;
  • e. er dient advies te worden ingewonnen bij de netbeheerder over de aansluitmogelijkheid op het energienet, resulterend in een aansluitplan, waarin de locatie van de kabels en de aanleg van de kabels wordt meegenomen;
  • f. er dient advies te worden ingewonnen bij Astron over de plaatsing van windturbines buiten de aanduiding 'overige zone - instemming Astron windturbines';
  • g. bij de aanvraag omgevingsvergunning moet een ecologische quickscan worden bijgevoegd, waaruit blijkt dat de plaatsing van de kleinschalige windturbine(s) geen negatieve gevolgen heeft voor de natuurwaarden;
  • h. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning voorwaarden stellen aan de plaats, omvang en gebruik van de kleinschalige windturbine met betrekking tot:
    • 1. de bezonningssituatie;
    • 2. lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;
    • 3. zichtlijnen of visuele hinder;
    • 4. het voorkomen van slagschaduw;
    • 5. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten;
    • 6. geluidhinder;
    • 7. de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een bestaand bedrijf;
    • 8. rijks- en provinciale monumenten;
  • i. binnen een jaar nadat een kleinschalige windturbine definitief buiten gebruik is gesteld, moet deze constructie met de bijbehorende voorzieningen worden verwijderd.

12.3 Omgevingsplanactiviteit kleinschalige zonneparken
12.3.1 Kleinschalige zonneparken

Met een omgevingsvergunning kan een activiteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit Hoofdstuk 2 voor:

  • a. de aanleg van kleinschalige zonneparken.

12.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 12.3.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. een kleinschalig zonnepark mag uitsluitend worden aangelegd indien:
    • 1. er sprake is van een lokaal initiatief, bijvoorbeeld van een energiecoöperatie of een dorpsvereniging;
    • 2. de omvang van een kleinschalig zonnepark past binnen de schaal van het landschap, waarbij de maximale omvang niet meer mag bedragen dan 2,5 hectare;
    • 3. er voldoende afstand wordt gehouden tussen individuele (clusters van) zonneparken;
    • 4. rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten van het gebied en er meerwaarde voor het gebied wodt gecreëerd;
    • 5. bij de aanleg van een kleinschalig zonnepark wordt aangesloten bij de bebouwing; hiervan alleen mag worden afgeweken als er sprake is van een meerwaarde voor het landschap;
    • 6. er wordt zorggedragen voor samenhang in het ontwerp van het zonnepark, waarbij rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden in de Handreiking landschappelijke inpassing zonneakkers;
    • 7. passend in het landschap en de stedenbouwkundige structuur; hiertoe dient bij de aanvraag omgevingsvergunning een landschappelijk inpassingsplan te worden bijgevoegd, waarbij rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden die de Handreiking landschappelijke inpassing zonneakkers aan de inrichting van de randen stelt;
    • 8. er één type zonnepanelen en één plaatsingssysteem wordt toegepast;
    • 9. de zonnepanelen in maximaal twee hoofdrichtingen worden geplaatst en worden geclusterd;
    • 10. de bouwhoogte van de zonnepanelen niet meer bedraagt dan 2 m;
    • 11. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 12. ter plaatse transformatoren zijn toegestaan met een bouwhoogte van niet meer dan 3 m (de verticale afstand van het hoogste punt van een gebouw of ander bouwwerk tot aan het gemiddelde peil van het aansluitende en afgewerkte terrein) en een oppervlakte die niet meer bedraagt dan aantoonbaar nodig is voor het kleinschalige zonnepark;
  • b. de energieproductie van een kleinschalig zonnepark:
    • 1. mag niet bestemd zijn voor commerciële doeleinden;
    • 2. moet 100% lokaal eigendom zijn;
    • 3. wordt gebruikt in de energievoorziening van de lokale omgeving onder de voorwaarde dat de omvang van het zonnepark (zonder energieopslag) niet meer mag zijn dan noodzakelijk om per jaar in het lokale energieverbruik (inclusief normale te verwachten groei in electriciteitsverbruik) te voorzien ;
  • c. een kleinschalig zonnepark moet op voldoende afstand liggen van gevoelige functies met het oog op geluidhinder, hinder door elektromagnetische velden en hinder door schittering; ten aanzien van geluidhinder moeten de richtafstanden uit de VNG brochure 'bedrijven en milieuzonering' worden aangehouden;
  • d. een kleinschalig zonnepark moet op voldoende afstand liggen van hoofd)aardgastransportleidingen en hoogspanningsleidingen, voor de aan te houden afstand wordt advies ingewonnen van respectievelijk de leidingbeheerder en netbeheerder;
  • e. in verband met onderhoud van watergangen bedraagt de afstand van een kleinschalig zonnepark tot de boveninsteek van een watergang minimaal 5 m;
  • f. een kleinschalig zonnepark moet op voldoende afstand liggen van de hoofdspoorweginfrastructuur; indien een kleinschalig zonnepark op minder dan 700 m van de hoofdspoorweginfrastructuur wordt aangelegd moet eerst een risicoberekening conform RLN00398 worden opgesteld. Leidraad daarbij is paragraaf 5.2 van de richtlijn met accenten op 50 Hz beïnvloeding en kortsluitsituaties. Daarnaast moet worden aangetoond dat er geen sprake is van hinderlijke of gevaarlijke lichtweerkaatsing; ProRail moet worden geïnformeerd over de uitkomsten voordat mag worden gestart met de realisatie van het zonnepark;
  • g. voor het verrichten van bouw- en aanlegactiviteiten binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg en de daarnaast gelegen gronden moet rekening worden gehouden met de afstanden die zijn vermeld in artikel 21 van het Besluit hoofdspoorweginfrastructuur. Wanneer activiteiten plaatsvinden binnen één van de in dat artikel genoemde beperkingengebieden, is een vergunning ex artikel 19 Spoorwegwet vereist;
  • h. er dient advies te worden ingewonnen bij de netbeheerder over de aansluitmogelijkheid op het energienet, resulterend in een aansluitplan;
  • i. er dient advies te worden ingewonnen bij Astron over de aanleg van zonneparken buiten de aanduiding 'overige zone - instemming Astron zonneparken';
  • j. bij de aanvraag omgevingsvergunning moet een ecologische quickscan worden bijgevoegd, waaruit blijkt dat de aanleg van een kleinschalig zonnepark geen negatieve gevolgen heeft voor de natuurwaarden;
  • k. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning voorwaarden stellen aan de plaats, omvang en gebruik van een kleinschalig zonnepark met betrekking tot:
    • 1. lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;
    • 2. zichtlijnen of visuele hinder;
    • 3. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten;
    • 4. geluidhinder;
    • 5. rijks- en provinciale monumenten;
  • l. binnen een jaar nadat de technische levensduur (meestal 25 jaar) van het kleinschalig zonnepark is bereikt, moet de exploitant van het zonnepark het park vernieuwen of het gebruik beëindigen en de locatie in oorspronkelijke staat terugbrengen. Daarbij moeten alle bouwwerken, inclusief ondergrondse constructies, kabels en leidingen, worden verwijderd.

12.4 Omgevingsplanactiviteit grondgebonden zonnepanelen bij bouwpercelen
12.4.1 Grondgebonden zonnepanelen bij bouwpercelen

Met een omgevingsvergunning kan een activiteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit Hoofdstuk 2 voor:

  • a. de plaatsing van grondgebonden zonnepanelen op bouwpercelen.

12.4.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning genoemd onder 12.4.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. grondgebonden zonnepanelen mogen uitsluitend worden geplaatst indien:
    • 1. aangetoond is dat het plaatsen van de zonnepanelen op de daken binnen het bouwperceel technisch niet mogelijk is;
    • 2. ze worden geplaatst binnen een bouwperceel, tenzij aangetoond is dat binnen het bouwperceel niet voldoende ruimte is; in dit geval moeten de grondgebonden zonnepanelen wordten geplaatst aan de achterzijde van het bouwperceel, direct aansluitend daaraan, mits niet geplaatst achter het bouwperceel van een derde;
    • 3. passend in het landschap en de stedenbouwkundige structuur; hiertoe dient bij de aanvraag omgevingsvergunning een landschappelijk inpassingsplan te worden bijgevoegd, waarbij rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden die de Handreiking landschappelijke inpassing zonneakkers aan de inrichting van de randen stelt;
    • 4. de totale omvang van de grondgebonden zonnepanelen past binnen de schaal van het landschap, waarbij de maximale omvang niet meer mag bedragen dan de omvang die op de daken binnen het bouwperceel geplaatst had kunnen worden om aan de eigen energiebehoefte binnen het bouwperceel te voldoen;
    • 5. er één type zonnepanelen en één plaatsingssysteem wordt toegepast;
    • 6. de zonnepanelen in maximaal twee hoofdrichtigen worden geplaatst en worden geclusterd;
    • 7. de bouwhoogte van de zonnepanelen niet meer bedraagt dan 2 m;
    • 8. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 9. ter plaatse transformatoren zijn toegestaan met een bouwhoogte van niet meer dan 3 m (de verticale afstand van het hoogste punt van een gebouw of ander bouwwerk tot aan het gemiddelde peil van het aansluitende en afgewerkte terrein) en een oppervlakte die niet meer bedraagt dan aantoonbaar nodig is voor de grondgebonden zonnepanelen;
  • b. de energieproductie van de grondgebonden zonnepanelen:
    • 1. mag niet bestemd zijn voor commerciële doeleinden;
    • 2. moet 100% lokaal eigendom zijn;
    • 3. wordt gebruikt om te voorzien in de energiebehoefte die samenhangt met de bestaande functie van dat bouwperceel;
  • c. de grondgebonden zonnepanelen moeten op voldoende afstand liggen van gevoelige functies met het oog op geluidhinder, hinder door elektromagnetishe velden en hinder door schittering; ten aanzien van geluidhinder moeten de richtafstanden uit de VNG brochure 'bedrijven en milieuzonering' worden aangehouden;
  • d. de grondgebonden zonnepanelen moeten op voldoende afstand liggen van hoofd)aardgastransportleidingen en hoogspanningsleidingen, voor de aan te houden afstand wordt advies ingewonnen van respectievelijk de leidingbeheerder en netbeheerder;
  • e. in verband met onderhoud van watergangen bedraagt de afstand van een kleinschalig zonnepark tot de boveninsteek van een watergang minimaal 5 m;
  • f. de grondgebonden zonnepanelen moeten op voldoende afstand liggen van de hoofdspoorweginfrastructuur; indien deze op minder dan 700 m van de hoofdspoorweginfrastructuur worden aangelegd moet eerst een risicoberekening conform RLN00398 worden opgesteld en moet worden aangetoond dat er geen sprake is van hinderlijke of gevaarlijke lichtweerkaatsing; ProRail moet worden geïnformeerd over de uitkomsten voordat mag worden gestart met de plaatsing van de zonnepanelen;
  • g. voor het verrichten van bouw- en aanlegactiviteiten binnen de begrenzing van de hoofdspoorweg en de daarnaast gelegen gronden moet rekening worden gehouden met de afstanden die zijn vermeld in artikel 21 van het Besluit hoodspoorweginfrastructuur. Wanneer activiteiten plaatsvinden binnen één van de in dat artikel genoemde beperkingengebieden, is een vergunning ex artikel 19 Spoorwegwet vereist;
  • h. er dient advies te worden ingewonnen bij de netbeheerder over de aansluitmogelijkheid op het energienet, resulterend in een aansluitplan;
  • i. er dient advies te worden ingewonnen bij Astron over de aanleg van zonneparken buiten de aanduiding 'overige zone - instemming Astron zonneparken';
  • j. bij de aanvraag omgevingsvergunning moet een ecologische quickscan worden bijgevoegd, waaruit blijkt dat het plaatsen van de grondgebonden zonnepanelen geen negatieve gevolgen heeft voor de natuurwaarden;
  • k. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van een omgevingsvergunning voorwaarden stellen aan de plaats, omvang en gebruik van de grondgebonden zonnepanelen met betrekking tot:
    • 1. lichttoetreding in nabijgelegen bebouwing;
    • 2. zichtlijnen of visuele hinder;
    • 3. risico's voor gevoelige of kwetsbare objecten;
    • 4. geluidhinder;
    • 5. rijks- en provinciale monumenten;
  • l. binnen een jaar nadat het gebruik van de grondgebonden zonnepanelen is beëindigd, moet de locatie in oorspronkelijke staat worden teruggebracht. Daarbij moeten alle bouwwerken, inclusief ondergrondse constructies, kabels en leidingen, worden verwijderd.

Artikel 13 Overige regels voor activiteiten

13.1 Aanvullende werking welstandscriteria

De in dit TAM-omgevingsplan geboden ruimte ten aanzien van de situering en de maatvoering van bouwwerken kan nader worden ingevuld door de in artikel 22.7 bedoelde welstandscriteria.

13.2 Algemene beoordelingsregels

Er wordt uitsluitend een omgevingsvergunning verleend indien is aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • de milieusituatie, natuurlijke (Natura 2000 en NNN) en landschappelijke waarden (open gebieden, robuuste landbouwgebieden), de verkeersveiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  • het bebouwings- en landschapsbeeld, in de zin dat dit in overeenstemming dient te zijn met het beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Midden-Drenthe zoals opgenomen in bijlage 6 van het bestemmingsplan Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022, de beleidsnotitie Paardenhouderij zoals opgenomen in bijlage 7 van het bestemmingsplan Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022, de landschaps- en beheersvisie uit het Landschapsbeleidsplan van Midden-Drenthe (februari 2000);
  • het zicht op karakteristieke gebouwen en bomen en aaneengesloten bebouwing;
  • de verkeersveiligheid.

13.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • de milieusituatie;
  • de landschappelijke waarden;
  • de natuurlijke waarden;
  • de geomorfologische waarden;
  • de cultuurhistorische waarden;
  • de archeologische waarden;
  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, onder andere ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing en het zicht op de karakteristieke en monumentale bouwwerken ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’.

Bij het stellen van nadere eisen is het beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Midden-Drenthe zoals opgenomen in bijlage 6 van het bestemmingsplan Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022, mede toetsingsgrond.

13.4 Parkeernorm

Als uitgangspunt geldt dat op eigen erf dient te worden geparkeerd. Hiervan kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken indien in het geval van nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van deze ontwikkeling op een goede wijze kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.

14.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.