direct naar inhoud van TAM-IMRO motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Mr. J.B. Kanweg 33 te Witteveen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1731.TAMMrjbkanweg33WI-VST1

TAM-IMRO motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het perceel aan de Mr. J.B. Kanweg 33 in Witteveen heeft in het huidige bestemmingsplan 'Witteveen' (per 1 januari 2024 opgenomen in het omgevingsplan gemeente Midden-Drenthe) de bestemming Bedrijf. Op dit moment is alleen een bedrijfswoning op deze locatie toegestaan. Initiatiefnemer heeft aangegeven deze bedrijfsfunctie te willen wijzigen naar de functie wonen zodat een reguliere woning (geen bedrijfswoning) wordt toegestaan.

1.2 Ligging van de locatie (het plangebied)

De locatie (het plangebied) is gelegen aan de Mr. J.B. Kanweg 33 in Witteveen. Rondom de locatie bevinden zich woningen. Ten noorden van de locatie is een bos aanwezig. Ten oosten van de locatie is een voetbalvereniging aanwezig en een grasveld dat als schaatsbaan wordt gebruikt wanneer dit kan. De buren van de locatie hebben een bakkerij.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMMrjbkanweg33WI-VST1_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging Projectgebied (Bron: PDOK viewer)

1.3 Het omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking. Daarmee zijn alle geldende en in procedure zijnde bestemmingsplannen opgegaan in het 'Omgevingsplan van rechtswege'. Dit betekent niet dat de bestemmingsplannen hun geldigheid verliezen. Voor de locatie die onderdeel is van de aangevraagde omgevingsgunning geldt het volgende bestemmingsplan: 'Witteveen'. In dit bestemmingsplan is het projectgebied bestemd met de bestemming 'Bedrijf'. Op percelen met deze bestemming zijn bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 toegestaan. Ook geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Het doel van deze dubbelbestemming is dat de grond niet verstoord wordt waardoor het archeologisch bodemarchief behouden blijft. Ingrepen in de grond moeten daardoor eerst getoetst worden aan deze specifieke bepalingen.

1.4 Leeswijzer

Na de inleiding in hoofdstuk 1 wordt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt het algemeen geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid samengevat. Alleen het beleid wat van toepassing is op het voorliggende initiatief wordt in dit hoofdstuk benoemd. Specifiek beleid (Rijk, provincie en gemeente) voor omgevingsaspecten wordt in hoofdstuk 4 besproken. De uit het beleid voortkomende motiveringen en/of onderzoeken worden ook in hoofdstuk 4 samengevat en voorzien van een conclusie. Hoofdstuk 5 bestaat uit de juridische vormgeving van het project. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financieel-economische uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de voorbereiding en participatie die bij het project komt kijken.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie wordt de locatie al gebruikt om te wonen. Echter is in het omgevingsplan nog aan deze locatie de functie 'bedrijf' toegewezen. Nadien is de bestemming niet aangepast naar 'Wonen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMMrjbkanweg33WI-VST1_0002.png"

Figuur 2.1 Huidige situatie (Bron: PDOK viewer)

2.2 Voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling van dit project is een functiewijziging van 'Bedrijf' naar 'Wonen'. Initiatiefnemer heeft geen omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit bouwen.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijk

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Gelet op de aard, omvang en locatie zijn er geen Rijksbelangen van toepassing op dit initiatief.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)
3.1.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).

Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders.

Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Gelet op de aard, omvang en locatie zijn er geen Rijksbelangen van toepassing op dit initiatief. Door deze functiewijziging wordt een nu nog toegestane milieubelastend bedrijf wegbestemd. De nieuwe woonfunctie past beter in de huidige woon- en leefomgeving. Hierdoor is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 4 zal dit per aspect nader worden toegelicht.

3.1.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen:

  • het moet de fysieke leefomgeving betreffen;
  • als het al uitputtend geregeld is in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt;
  • de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe - denk aan het hiervoor genoemde onderwerp geluid

Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, is het mogelijk dat er maatwerkregels kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan, bijvoorbeeld om cumulatie van de gevolgen van effecten van Bal-activiteiten te beperken. Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels of waarmee een nadere invulling of concretisering wordt gegeven van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan, zoals bij de eisen aan Bijna Energie Neutraal Bouwen (BENG). Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels.

De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer, zoals een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplan activiteit (BOPA). Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken. Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.

Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Gelet op de aard, omvang en locatie is het stellen van maatwerkvoorschriften niet noodzakelijk. Door deze functiewijziging wordt een nu nog toegestaan milieubelastend bedrijf wegbestemd. De nieuwe woonfunctie past beter in de huidige woon- en leefomgeving. Hierdoor is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 4 zal dit per aspect nader worden toegelicht.

3.1.3 Conclusie

Deze functiewijziging raakt geen Rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in de NOVI. Gelet op de aard, omvang en locatie is het initiatief niet in strijd met het Bkl en hoeven er geen maatvoorschriften gesteld te worden.

3.2 Provincie

3.2.1 Omgevingsvisie Drenthe

De Omgevingsvisie provincie Drenthe 2022 (geactualiseerd d.d. 28 september 2022) is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe. Op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden, is deze Omgevingsvisie van rechtswege aangemerkt als omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. Dit volgt uit artikel 4.10, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Met de Omgevingsvisie zet de provincie in op "het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar concrete indicatoren gemaakt, namelijk voor landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Aanvullend geeft de provincie aan dat 'zuinig ruimtegebruik' en het bewaken van een goede 'milieu- en leefomgevingskwaliteit' van provinciaal belang zijn.

In de Omgevingsverordening provincie Drenthe (15 februari 2024) is het beleid uit de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 vertaald naar juridische regels.

3.2.2 Omgevingsverordening provincie Drenthe

Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening opgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang. De Omgevingsverordening is voor het laatst gewijzigd op 15-02-2024. Deze versie is gebruikt bij de toetsing van het provinciaal beleid.

De locatie (plangebied) ligt in het door de provincie aangewezen bebouwd gebied. Met dit initiatief wordt de bedrijfsfunctie gewijzigd in een woonfunctie. De bestaande bedrijfswoning wordt daardoor een normale woning. Er vinden geen bouwactiviteiten plaats. Hierdoor is er geen sprake van een provinciaal belang.

3.2.3 Conclusie

De locatie (het projectgebied) ligt in bestaand stedelijk gebied. Aangevraagd is een functiewijzigingen zonder bouwactiviteiten. Het woningbouwproject conflicteert niet met provinciale belangen.

3.3 Gemeente

3.3.1 Omgevingsvisie Midden-Drenthe

In de Omgevingsvisie Midden-Drenthe (versie 6 februari 2022, vervangt de Structuurvisie Midden-Drenthe 2030 "Platteland Leeft!" uit 2012) geeft de gemeente antwoorden op diverse vragen: Hoe willen we dat onze gemeente er in de toekomst uitziet? Welke ontwikkelingen komen er op ons af en wat is er nodig om de komende jaren prettig te kunnen wonen, werken en recreëren? Daarvoor is de gemeente voor een groot deel afhankelijk van initiatieven. Om initiatieven samen voor elkaar te krijgen, is de uitnodiging zo open mogelijk met zo min mogelijk beperkingen. Tegelijkertijd blijft sturing nodig. De gemeente wil dat ontwikkelingen elkaar bij voorkeur versterken en niet beperken. Bovendien is het belangrijk om het DNA van Midden-Drenthe te behouden: de identiteit van Midden-Drenthe en de kwaliteiten waar men trots op is. De gemeente is verantwoordelijk voor het bewaken van de samenhang en de kwaliteit. De gemeente kan initiatieven stimuleren en ontwikkelingen mogelijk maken, door integraal te werken en vooral in samenwerking met inwoners, ondernemers, (semi-)overheden, organisaties en overige belanghebbenden. Zij kiest er met deze Omgevingsvisie voor om meer ruimte te bieden en niet alles vast te leggen. Dit doet de gemeente door ambities per thema en per deelgebied te benoemen, zonder precies aan te geven waar wat moet komen.

In Midden-Drenthe is de ruimte. Streven voor Midden-Drenthe in 2035 is dan ook ruimte:

  • voor iedereen om mee te doen;
  • om te wonen;
  • voor duurzame innovatie;
  • voor ontwikkeling;
  • maken we samen.

Toetsing

In zowel de visie als in de gebiedskompassen wordt de woonambitie uitgesproken. De gemeente zet in op het toevoegen van nieuwe woningen uitgaande van groei van de woningvoorraad. Hierbij geniet inbreiding de voorkeur. De gemeente vindt het belangrijk dat bij transformatie er ook oog is voor de woonomgeving. De aspecten gezond, schoon en veilig zijn altijd onderdeel van de afwegingen. In hoofdstuk 4 worden deze milieukwaliteiten getoetst aan de aangevraagde functiewijziging.

3.3.2 Programma's
3.3.2.1 Woonvisie Midden-Drenthe 2023-2027

Met de woonvisie 2023-2027 geeft de gemeente richting aan het wonen in Midden-Drenthe. De gemeente beschrijft hoe er tegen opgaven wordt aangekeken, wat de ambities zijn en wat ze concreet gaan doen zodat inwoners prettig kunnen (blijven) wonen in Midden-Drenthe. De visie van de gemeente Midden-Drenthe is samen te vatten in één zin: wonen heeft prioriteit! Dit betekent voornamelijk meer woningen in alle dorpen, passend bij de vraag. Voor de kleine kernen wil de gemeente vooral inzetten op de lokale woningbehoefte, aansluitend en passend bij het karakter en de schaal van deze dorpen.

Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. De bedrijfswoning wordt een normale woning.

3.3.3 Conclusie

Door de functiewijziging van 'Bedrijf' naar 'Woning' wordt de bedrijfswoning gewijzigd in een normale woning. Ook wordt het bedrijf wegbestemd. Hiermee wordt de omgevingskwaliteit verbeterd. Deze functiewijziging is daarmee niet in strijd met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 M.e.r.-beoordeling

4.1.1 Wettelijk kader

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project. In de vierde kolom staan de besluiten genoemd waarvoor m.e.r.-verplichtingen gelden. Het gaat om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.

Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.

4.1.2 Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. De bedrijfswoning wordt een normale woning. Hierdoor is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject en dus is dit project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

4.1.3 Conclusie

Gelet op aard, locatie en omvang van dit project is geconcludeerd dat dit project geen negatieve milieugevolgen heeft. Het project is daardoor niet project m.e.r.-plichtig.

4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

4.2.1 Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."

Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.
4.2.2 Toetsing

De wijziging die met dit project mogelijk gemaakt wordt is geen stedelijke ontwikkeling waarop de ladder van duurzame verstedelijking van toepassing is.

4.2.3 Conclusie

Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op dit project.

4.3 Beschermingszones radioastronomie

4.3.1 Wettelijk kader

Rijk

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Rijk 21 nationale belangen geformuleerd (zie ook 3.1.1). Dit zijn belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau ontstijgen en vragen om nationale politiek-bestuurlijke aandacht. Eén van die belangen is het waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. Voor dit vestigingsklimaat is de radioastronomie van belang. De NOVI geeft hierover aan: "Nederland wil in verschillende vakgebieden (onder andere radio-astronomie) tot de wereldtop blijven behoren. De opgave in deze is om essentiële grootschalige wetenschappelijke infrastructuur, die voor haar functioneren afhankelijk is van een storingsvrije omgeving, te beschermen door een storingsvrije omgeving te waarborgen." Het Rijk ziet erop toe dat de kwaliteit van deze infrastructuur binnen de leefomgeving gewaarborgd blijft.

Provincie

De provincie wil garanderen dat de radioastronomie zich kan blijven ontwikkelen en dat verstoring van activiteiten die daarmee samenhangen wordt voorkomen. Om dat te bewerkstelligen, liggen er beschermingszones rondom de LOFAR-radiotelescoop, waar beperkingen gelden inzake de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden ter voorkoming van elektromagnetische straling. Een kernbegrip hierbij is het begrip 'verstoring'. Elektrische en elektronische apparatuur zendt, onbedoeld, radiogolven uit en kan de systemen van het Nederlands Instituut voor Radio Astronomie (ASTRON) storen. Deze soort storing valt in de categorie Elektro-Magnetische Compatibiliteit (EMC). Ook al voldoet de apparatuur aan de geldende EMC emissie normen, toch kunnen ze zwakke signalen uit het heelal storen. Echter, voor dit soort zwakke signalen heeft LOFAR nu juist zijn grote gevoeligheid gekregen. Deze zeer zwakke signalen uit het heelal worden dan als het ware overstemd door de, op aarde geaccepteerde, signalen. Vanwege genoemd effect is er een veilige minimumafstand nodig radiogolven uitzendende apparatuur en LOFAR. De mate van verstoring is dus gekoppeld aan elektromagnetische straling van een bron. Er is sprake van twee zones met elk een verschillend beschermingsniveau.

Een ruimtelijk plan kan, voor zover deze gebieden bestrijkt die op de bij de Provinciale omgevingsverordening Drenthe behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone I', alleen voorzien in nieuwe bebouwings- en gebruiksmogelijkheden als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.

Een ruimtelijk plan kan, voor zover dat gebieden bestrijkt die op de bij de Provinciale omgevingsverordening Drenthe behorende kaart D8 zijn aangeduid als 'Zonering radioastronomie zone II', alleen voorzien in bedrijfsvestiging, -uitbreiding, intensivering van verkeer en andere activiteiten als hierbij geen elektromagnetische straling ontstaat die een storend effect heeft op de waarnemingen van de radiotelescopen in die gebieden.

Voor een ruimtelijk plan die binnen zone I en II van de LOFAR-radiotelescoop ligt, is een advies van ASTRON nodig. Uit de Provinciale omgevingsverordening Drenthe volgt dat dit ook geldt voor een ruimtelijk plan die voorziet in ontwikkelingen binnen een straal van twee kilometer rondom een LOFAR-buitenstation. De locaties van deze buitenstations en de bijbehorende beschermingszones zijn aangegeven op de website van ASTRON.

ASTRON

ASTRON heeft op haar website tevens kaarten gepubliceerd met normen voor elektromagnetische straling (EMC). Deze zijn relevant voor windparken, zonneparken en kleine windmolens. Er wordt uitgegaan van groene, gele en rode zones. In de rode zones (Elektrische veldsterkte (flux) < 20 dBµV/m) moeten initiatiefnemers extra maatregelen treffen. Inmiddels is veel ervaring opgedaan met zonneparken in rode zones en is een radiostille windturbine ontwikkeld. Van kleine windmolens is bekend dat de meeste types in de rode zones kunnen worden geplaatst. In gele zones (Elektrische veldsterkte (flux) = 30-50 dBµV/m) zijn de maatregelen vaak beperkt. De meeste zonneparken kunnen aan de hier geldende norm voldoen. Voor een windturbine gaat het met name om het toepassen van een radiostille lamp voor de luchtvaartverlichting en eventueel extra afscherming van de sensoren in de nacelle. Van de kleine windmolens voldoen alle types reeds aan de gele norm en een enkele ook aan de rode norm. In de groene zones (Elektrische veldsterkte (flux) = 30-50 dBµV/m) zijn meestal geen of zeer beperkte maatregelen nodig. In alle gevallen geldt dat voor windparken, zonneparken en kleine windmolens een advies van ASTRON nodig is en dat het omgevingsplan moet voorzien in een beschermende regeling.

4.3.2 Toetsing

De locatie ligt buiten de zoneringen van de radioastronomie.

4.3.3 Conclusie

Het aspect beschermingszones radioastronomie vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

4.4 Duurzaamheid

4.4.1 Wettelijk kader

In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:

"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.

Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

4.4.2 Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. De bedrijfslocatie wordt een woonlocatie met een normale woning in plaats van een bedrijfswoning. Hiermee ontstaat een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een betere omgevingskwaliteit.

4.4.3 Conclusie

Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor deze functiewijziging.

4.5 Gezondheid

4.5.1 Wettelijk kader

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.

Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.

4.5.2 Toetsing

De gezondheid in de omgeving wordt verbeterd doordat er een bedrijfsfunctie wordt gewijzigd in wonen. Dit biedt mogelijkheden voor onder andere meer gezond gedrag en meer groen.

4.5.3 Conclusie

Het milieuaspect gezondheid vormt geen belemmeringen voor het wijzigen van de functie. De GGD ziet in het plan geen belemmeringen voor de gezondheid. De functieverandering wordt toegejuicht omdat het ten gunste is van het woonplezier van de bewoners. Ook in de omgeving van de woning zijn geen belemmeringen vanuit het milieu voor gezondheid gevonden.

4.6 Verkeer en parkeren

4.6.1 Wettelijk kader

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door de parkeernormen die in het omgevingsplan zijn opgenomen en/of de kencijfers van de CROW.

4.6.2 Toetsing

De locatie (het projectgebied) wordt reeds gebruikt om te wonen. De bedrijfsfunctie vervalt waardoor er minder parkeergelegenheid nodig is dan er al aanwezig is. Ook zal het aantal verkeersbewegingen afnemen wanneer de functie gewijzigd wordt van 'Bedrijf' naar 'Wonen'. Er wotdt geparkeerd op eigen terrein.

4.6.3 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het wijzigen van functie voor dit project.

4.7 Natuur

4.7.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een landelijk netwerk van natuur- en agrarische gebieden met een speciale natuurkwaliteit. De provincie Drenthe streeft naar een goed werkend robuust natuursysteem dat zorgt dat de kwaliteit van natuur zich duurzaam verbetert. Het NNN bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit ecologische verbindingen die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. Ecologische verbindingen vormen een waardevol onderdeel van het NNN. Via bermen, natuurstroken langs watergangen en ecoducten zoals die over de A28 kunnen dieren van het ene gebied naar het andere trekken. Dat komt ten goede aan de kwaliteit van de natuurgebieden. Bovendien vormen deze verbindingen een belangrijk onderdeel van de groene dooradering van onze provincie.

De grote boswachterijen, de uitgestrekte heidevelden en de oude hoogveenkernen maken deel uit van het NNN. De 14 Drentse Natura 2000-gebieden vormen een belangrijk onderdeel van de bestaande natuur. Het behalen van Europese natuurdoelen voor deze gebieden vormen de belangrijkste natuuropgave voor het NNN.

Stikstof

Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Soortenbescherming 

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.7.2 Toetsing

De locatie (het projectgebied) ligt buiten natuurgebied van het NNN of Natura-2000. Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. De bedrijfswoning wordt een normale woning. Het aantal verkeersbewegingen voor een locatie met een woonfunctie ligt veel lager dan die van een bedrijfsfunctie. Aangezien alleen een functiewijziging is aangevraagd, is er geen sprake van een bouwfase. De stikstofemissie in de gebruiksfase is daardoor veel lager. Doordat er geen bouwactiviteiten gaan plaatsvinden zullen ook geen soorten aangetast worden in hun leefomgeving. Er is geen aanvullend onderzoek nodig.

4.7.3 Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmeringen voor het wijzigen van de functie.

4.8 Luchtkwaliteit

4.8.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Midden-Drenthe is niet aangewezen als concentratiegebied.

4.8.2 Toetsing

Doordat een bedrijf en de activiteiten van het bedrijf verdwijnen wordt de luchtkwaliteit verbeterd. De verkeersgeneratie van een woning is lager dan dat van een bedrijf, de verkeersgeneratie zal door de functiewijziging afnemen. Ook dit heeft een positieve invloed op de luchtkwaliteit.

4.8.3 Conclusie

Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de doorgang van voorliggend initiatief.

4.9 Geluid

4.9.1 Wettelijk kader

In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

4.9.2 Toetsing

Met deze functiewijziging wordt er op de locatie geen extra woning toegestaan. De bedrijfswoning wordt een normale woning. Een onderzoek naar wegverkeersgeluid is daarom niet noodzakelijk. Dit geldt ook voor een onderzoek naar industriegeluid. De huidige bedrijfsfunctie wordt gewijzigd naar een woonfunctie. Hierdoor verdwijnt een geluidveroorzakend object en zal de omgevingskwaliteit en dus de fysieke leefomgeving verbeteren.

4.9.3 Conclusie

Het milieuaspect geluid vormt geen belemmering voor het wijzigen van functie op de locatie (projectgebied).

4.10 Geur

4.10.1 Wettelijk kader

In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt twee kanten op:

  • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

Er moet dus overwogen worden wat de beste locatie is voor een geurveroorzakende activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw.

De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat beoordeeld moet worden of waarden, afstanden en gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente heeft beleidsvrijheid om te bepalen welke mate van geurhinder aanvaardbaar is.

4.10.2 Toetsing

Woningen zijn geurgevoelige objecten. In de nabije omgeving van de locatie bevindt zich een bakkerij. Deze bevindt zich binnen de richtafstanden van 30 meter. Er valt te stellen dat door de aanwezigheid van een weg, sportcomplex, woning en bedrijf er sprake is van een 'gemengd gebied'. In dat geval mag de richtafstand een trede verlaagd worden, in dit geval naar 10 meter. Daardoor heeft de woning geen negatieve invloed van de bakkerij.

4.10.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de wijziging van functie.

4.11 Omgevingsveiligheid

4.11.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl;
  • Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl.
4.11.2 Toetsing

Een woning is een kwetsbaar gebouw. Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. De bedrijfswoning wordt een normale woning. Hierdoor neemt het aantal kwetsbare gebouwen niet toe. De locatie is in de huidige en toekomstige situatie niet aan te merken als een kwetsbare locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMMrjbkanweg33WI-VST1_0003.png"

Figuur 4.1 Uitsnede signaleringkaart Externe Veiligheid (bron signaleringskaart.nl)

4.11.3 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de wijziging van functie. De Omgevingsdienst Drenthe gaf aan zich te kunnen vinden in deze conclusie.

De Omgevingsdienst Drenthe gaf verder aan dat, vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied, de gemeente op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen de Veiligheidsregio Drenthe (VRD) in de gelegenheid moet stellen om een advies over externe veiligheid uit te kunnen brengen. Dit is gedaan door de gemeente.

Op een eerder moment gaf de VRD het volgende aan:

  • Het plangebied ligt op zo'n 450 meter afstand van de hogedruk aardgasleiding A-661. Hiermee ligt het plangebied binnen de 1% letaliteitszone. Voor de beperkte verantwoording groepsrisico moet er gekeken worden naar zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het scenario waar hiervan uit wordt gegaan is een fakkelbrand. Er zijn voor dit scenario geen aanvullende maatregelen die genomen kunnen worden om de zelfredzaamheid of bestrijdbaarheid te verbeteren. Een dergelijk scenario verloopt namelijk zeer snel en de directe gevolgen zijn niet te bestrijden. De effecten van een fakkelbrand zullen echter beperkt zijn vanwege de grote afstand.

Aanvullend gaf de VRD, naar aanleiding van het gemeentelijk verzoek, het volgende aan:

  • Ten westen van de planlocatie liggen vier buisleidingen. Dat verandert de situatie verder niet. De planlocatie ligt inderdaad binnen het brandaandachtsgebied van deze vier hogedruk aardgastransportleidingen. Om de zelfredzaamheid te vergroten is het raadzaam om aandacht te besteden aan risicocommunicatie, wat bij deze wordt gedaan. Om slachtoffers te voorkomen is het van belang dat men weet welke risico's er zijn en er zodanig op acteert. Risicocommunicatie kan hiervoor een middel zijn. Het kan de personen in het de woning inzicht geven en een handelingsperspectief bieden zoals vluchten van de buisleidingen af of juist schuilen. Bied een handelingsperspectief aan de mensen in de woning dat in het brandaandachtsgebied zal komen te liggen. Afhankelijk van de situatie is vluchten van de bron af het meest voor de hand liggende perspectief. Is vluchten niet meer mogelijk, dan is binnenshuis schuilen de beste optie.

4.12 Trilling

4.12.1 Wettelijk kader

Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat (BS). Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS.

4.12.2 Toetsing

In de nabije omgeving van de locatie (het projectgebied) zijn geen bronnen aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken. Het aspect trillingen is daarom niet van toepassing voor deze motivering.

4.12.3 Conclusie

Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de wijziging van functie.

4.13 Welstand

4.13.1 Wettelijk kader

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Denk hierbij aan vorm, kleur of gebruik van materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsregels van de gemeente. In de Bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot repressief welstandstoezicht (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.

4.13.2 Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. De bedrijfswoning wordt een normale woning. Er is dus geen sprake van een bouwactiviteit waardoor deze aanvraag niet getoetst hoeft te worden aan de gemeentelijke welstandsregels.

4.13.3 Conclusie

De aanvraag is niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

4.14 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

4.14.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

4.14.2 Toetsing

Aangevraagd is een functiewijziging van een bedrijfswoning naar een normale woning conform het huidige gebruik. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. De bedrijfswoning wordt een normale woning. Er is dus geen sprake van een bouwactiviteit waardoor eventuele archeologische, cultuurhistorische of landschappelijke karakteristieken aangetast zouden kunnen worden.

4.14.3 Conclusie

Het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap vormt geen belemmering voor de functiewijziging.

4.15 Bodem

4.15.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:

  • het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

  • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO);
  • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal);
  • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

4.15.2 Toetsing

Feitelijk treedt er geen verandering op. De bedrijfswoning blijft een woning. Daarnaast wordt de grond als gevolg van de functiewijziging ook niet geroerd. Hiermee is deze locatie (projectgebied) ook geschikt voor de beoogde woonfunctie.

4.15.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de functiewijziging.

4.16 Water

4.16.1 Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

4.16.2 Toetsing

Op 21 maart 2024 is in het kader van de watertoets de aangevraagde functiewijziging voorgelegd aan het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Dit is gebeurd via de digitale watertoets. Aangezien alleen een functiewijziging is aangevraagd die geen gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding heeft het waterschap aangegeven dat de procedure geen belang van toepassing is.

4.16.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de wijziging van functie. Het waterschap heeft het plan beoordeeld. In de onderbouwing is aangegeven dat er een watertoets is ingediend, deze kan echter niet worden teruggevonden in de systemen. Waarschijnlijk is de watertoets wel doorlopen maar niet definitief ingediend of heeft het systeem op dat moment niet goed gefunctioneerd. Dit is voor het plan geen probleem, de conclusie is namelijk correct.

Aangezien het een functiewijziging betreft en er geen fysieke wijzigingen plaatsvinden, worden er bij dit plan geen wateraspecten geraakt. Het betreft een 'geen belang' procedure en zodoende heeft het waterschap geen bezwaar tegen het plan. Wanneer er in de toekomst fysieke wijzigingen plaatsvinden dient er opnieuw een watertoets (via wateradvies.nl) te worden ingediend.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Wijziging omgevingsplan

Dit omgevingsplan sluit aan op de door de gemeente Midden-Drenthe recent in andere omgevingsplannen gebruikte plansystematiek en de standaard van de gemeente. TRegelinhoudelijk is aangesloten bij het onderliggende bestemmingsplan voor Witteveen. Daarnaast voldoet het omgevingsplan aan het door het Rijk opgestelde plansystematiek zoals benoemd in de Wro, Bro, Wabo en de SVBP 2012.

5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.

5.1.3 Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie van de bedrijswoning aan de Mr. J.B. Kanweg 33 in Witteveen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1731.TAMMrjbkanweg33WI-VST1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.2 Artikelsgewijze toelichting

Preambule

De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1 Toepassingsbereik

In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-IMRO omgevingsplan is opgesteld. In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.In het derde lid worden de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.

Artikel 2 Begripsbepalingen

In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de algemeen geldende begrippen en begrippen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan. Deze regels zijn aangepast aan de TAM IMRO symthematiek. Via maatwerk zijn bepalingen die niet van toepassing zijn op de locatie niet opgenomen. Hiermee wordt de leesbaarheid (begrijpelijkeheid van de regels) vergroot.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Onder de omgevingswet geldt dat als in het omgevingsplan geen regels voor een activiteit zijn opgenomen deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies (voorheen bestemmingen) is daarom onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken.

HOOFDSTUK 2 SPECIFIEKE REGELS OVER FUNCTIES

Artikel 5 Tuin

Binnen de functieomschrijving Tuin zijn tuinen, behorende bij de op deaangrenzende gronden gelegen woonhuizen toegestaan. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Door middel van een afwijkingsmogelijkheid kunnen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen woonhuis worden gebouwd.

Artikel 6 Wonen

Binnen de als Wonen aangewezen locaties zijn woonfuncties en de daarbijbehorende activiteiten toegestaan. De hoofdgebouwen moeten binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd en zijn vrijstaand. De afstand van een hoofdgebouw of een blok van aaneen gebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelgrens is minimaal 3 meter. Als daar in de huidige situatie al van is afgeweken, geldt dat als de minimale afstand tot de perceelgrens.

Ten aanzien van de bijgebouwen en aanbouwen geldt de gemeentelijke bijgebouwenregeling. Aan- en bijgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Er mag maximaal 50 % van een bouwperceel worden bebouwd. Als dit percentage in de huidige situatie al is overschreden geldt dat als maximum. Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen moeten op de zijdelingse perceelgrens, of op een afstand van ten minste 1 meter daarvan worden gebouwd. Per woning zijn ten hoogste drie aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan, waarvan er ten hoogste twee aan het hoofdgebouw mogen worden gebouwd.

De woonfunctie mag bij recht (onder voorwaarden) gecombineerd worden met een beroepsactiviteit aan huis: een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Dit zijn beroepen die door de bewoner van een woning worden uitgeoefend. Het zijn beroepen die in het verleden, meestal door jurisprudentie, als vrij beroep zijn aangewezen en daarop naar aard en ruimtelijke uitstraling gelijkende beroepen. Eén van de voorwaarden voor het toestaan van een aan-huis-verbonden beroep is het uitsluiten van nevenactiviteiten, in de vorm van (productiegebonden) detailhandel, behoudens de verkoop in het klein in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep. Door middel van een afwijkingsmogelijkheid is een aan huis verbonden bedrijfsactiviteit mogelijk (zie bijlage 1 van de regels). Ook is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van het gebruik van het hoofdgebouw voor meer dan één woning.

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS OVER FUNCTIES

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.

Artikel 8 Bestaande maatvoering

In dit artikel worden de bestaande legale maatvoeringen die afwijken van de in dit TAM omgevingsplan bepaalde maatvoering alsnog toegestaan. Hiermee wordt voorkomen dat vergunde bouwwerken strijdig zijn met de regels in dit TAM omgevingpslan.

Artikel 9 Aanvraagvereisten

In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk deel uit van het nieuwe deel. Door het opnemen van dit artikel wordt de relevante aanvraagvereisten uit het tijdelijke deel van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

In dit artikel wordt gebruik van gronden voor bepaalde doeleinden verboden. Het gaat om gebruik wat algemeen verboden is en dus voor alle functie geldt.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregel

In dit artikel worden voor voor kleinere afwijkingen van het omgevingsplan bepaald dat deze afwijkingen via een binennplanse omgevingsplanactiviteiten kunnen worden vergund mits er sprake is van een evenwichtige toedeling van deze functie aan de locatie.

HOOFDSTUK 4 REGELS TER BESCHERMING VAN WAARDEN EN OBJECTEN

Artikel 12 Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

HOOFDSTUK 5 OVERGANGSREGELS

Artikel 13 Overgangsrecht

In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.

In de bijlagen bij de regels is een bedrijvenlijst en een lijst met toelaatbare beroepe en vormen van bedrijvigheid bij het wonen opgenomen. In de regels wordt hier op een aantal plaatsen naar verwezen.

Hoofdstuk 6 Financieel-economische uitvoerbaarheid

6.1 Wettelijke kaders

Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot om af te wijken van het omgevingsplan van rechtsweg een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.

6.2 Toetsing

In artikel 8.15 Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

Economische uitvoerbaarheid

Aangevraagd is een functiewijziging van bedrijf naar wonen. Er worden geen woningen toegevoegd, waardoor er geen sprake is van het verhalen van kosten op basis van artikel 13.11 Omgevingswet. Om dezelfde reden is er ook geen sprake van nadeelcompensatie.

Hoofdstuk 7 Voorbereiding & Participatie

7.1 Vooroverleg ketenpartners

Aangezien het bij deze aanvraag gaat om een functiewijziging conform het huidige gebruik en er daardoor geen provinciale belangen en waterschapsbelangen van toepassing zijn op deze aanvraag, heeft de gemeente ervoor gekozen om af te zien van vooroverleg.

7.2 Participatie

Initiatiefnemer heeft 14 maart het initiatief voorgelegd aan de buurman. Er is gevraagd of er bezwaar is tegen de wijziging van functie van 'Bedrijf' naar 'Wonen'. Aangegeven is dat er geen bezwaar tegen het initiatief is.