direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Bungalowpark de Hullen
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1731.TAMHullenDR-VST1

Regels

PREAMBULE

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie De Hullen te Drijber en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22i]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22i] van het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22i.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22i.]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Tijdelijk omgevingsplan - ruimtelijke regels

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.3.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 van het tijdelijke omgevingsplan (bruidsschat), met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit TAM-omgevingsplan.

1.3 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Bungalowpark de Hullen (hoofdstuk 22i omgevingsplan), waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1731.TAMDehullen-VST1 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

1.4 Van toepassing verklaring facetplan 'Kleinschalig hernieuwbare energie'

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel zijn op de locatie, zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan 'Kleine windturbines, kleinschalige zonneparken en leidingnet' die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, op deze locatie nog steeds van toepassing.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in artikel 2.3 tot en met 2.43 gehanteerd.

2.3 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22i Bungalowpark De Hullen te Drijber met identificatienummer NL.IMRO.1731.TAMHullenDR-ON01 van de gemeente Midden-Drenthe;

2.4 Omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Midden-Drenthe

2.5 aan- of uitbouw

een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw;

2.6 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.7 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.8 aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten:

het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteiten in de woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kunnen worden uitgeoefend;

2.9 aan huis verbonden beroep:

het beroep van: accountant, administratieconsulent, advocaat, apotheker, architect, assurantiebemiddelaar, belastingconsulent, bouwkundig architect, dierenarts, fysiotherapeut, gerechtsdeurwaarder, huisarts, interieurarchitect, logopedist, makelaar in onroerend goed, medisch specialist, notaris, oefentherapeut, organisatieadviseur, raadgevend ingenieur, registeraccountant, specialist, tandarts, tandartsspecialist, tuin- en landschapsarchitect, verloskundige, dan wel naar de aard daarmee gelijk te stellen beroep, dat in combinatie met de woonfunctie als hoofdfunctie kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw en/of bijgebouw(en) dat is (die zijn) bestemd voor het wonen;

2.10 achtererf:

gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het (hoofd)gebouw is gelegen;

2.11 archeologisch waardevol gebied:

een gebied waarin zich voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen bevinden;

2.12 archeologische waarden:

voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen;

2.13 archeologisch onderzoek:

onderzoek (bureauonderzoek, booronderzoek, gravend onderzoek, begeleiding van bodemingrepen) verricht door een daartoe bevoegde instantie of onderneming;

2.14 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

2.15 bebouwingsbeeld:

de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap. Bij de afweging van het begrip ‘bebouwingsbeeld’ zal het beeldkwaliteitsplan 'De Hullen gemeente Midden-Drenthe', zoals opgenomen in de bijlagen, steeds onderdeel van het toetsingskader zijn;

2.16 bed en breakfast(eenheid):

een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor recreatief nachtverblijf en ontbijt;

2.17 bestaande:
  • 1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een vergunning;
  • 2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende planologisch kader, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het planologisch kader;
2.18 bijgebouw

een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm en ten dienste staat van het hoofdgebouw, vrijstaand, dan wel aangebouw;

2.19 boomkroonbedekking:

het percentage van het grondoppervlak dat bedekt is met boomkronen wanneer je het gebied van bovenaf bekijkt;

2.20 boomwaarde:

de som van de ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en maatschappelijke bijdrage die een boom levert aan zijn omgeving;

2.21 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.22 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

2.23 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

2.24 carport:

bouwwerk geen gebouw zijnde wat bestaat uit een dakconstructie met maximaal één gesloten wand, bedoeld als overdekte stalling voor een motorrijtuig;

2.25 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

2.26 groenvoorziening

een (openbaar) gebied, dat is ingericht als berm, park, groenstrook, beplantingsstrook, grasveld, plantsoen, sport- en speelvelden en dergelijke, welke voor het gehele jaar of een groot deel van het jaar voor het publiek algemeen toegankelijk moet zijn;

2.27 hoofdgebouw

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

2.28 huishouden:

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voer(t)(en) of wil(len) voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen);

2.29 kampeermiddel:
  • 1. een tent, een vouwwagen, een camper, een caravan of een huifkar;
  • 2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, dat geheel of ten dele blijvend kan worden gebruikt voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
2.30 mantelzorg:

het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;

2.31 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie;

2.32 overkapping:

een bouwwerk dat is voorzien van een plat dak, dan wel een kap en met maximaal één wand is uitgevoerd;

2.33 peil
  • 1. bij ligging aan een weg: de kruin van de weg;
  • 2. bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;
  • 3. bij ligging anders dan een weg of verhard terrein: het maaiveld;
  • 4. bij aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij of aan een bestaande woning: de bestaande peilmaat van de woning;
2.34 permanente bewoning:

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf;

2.35 recreatieve bewoning:

de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie, waarbij het hoofdverblijf elders wordt gehouden;

2.36 recreatiewoning

een permanent aanwezig gebouw, geen woonkeet, (sta)chalet, stacaravan, tenthuisje, trekkershut en geen caravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of een daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat of die het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar recreatief te worden bewoond;

2.37 seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.38 verblijfsrecreatie:

recreatief verblijf, waarbij wordt overnacht in kampeermiddelen, recreatiewoningen, appartementen en/of recreatieverblijven, waarbij hoofdverblijf elders wordt gehouden;

2.39 vrijstaand bijgebouw:

een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

2.40 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer en waterberging, waterinfiltratie en waterkwaliteit;

2.41 weg

alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

2.42 wonen:

het huisvesten in een woning van één afzonderlijk huishouden;

2.43 woning:

een complex van ruimten in een gebouw, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één persoon of meerdere personen of een gezin.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 Meetbepalingen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen:

3.1.1 De afstand tot de (zijdelingse) grens van een bouwperceel

de kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de grens van een bouwperceel;

3.1.2 De bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.1.3 De dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.1.4 De goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, waarbij de goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de laagste kant van het dak of van de kap. De goothoogte van een lessenaarsdak wordt bepaald door de hoogte van de goot aan de lage zijde van het dak;

3.1.5 De hoogte van een stacaravan

vanaf de onderkant van het wiel tot aan het hoogste punt van het bouwwerk;

3.1.6 De inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.1.7 De oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.1.8 De oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.1.9 Breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlaken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;

3.1.10 De ashoogte van een windturbine
  • 1. turbines met een horizontale as:

vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;

  • 2. turbines met een verticale as:

vanaf de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMHullenDR-VST1_0009.png"

3.1.11 De tiphoogte van een windturbine
  • 3. turbines met een horizontale as:

de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;

  • 4. turbines met een verticale as:

de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarboven uitsteekt;

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMHullenDR-VST1_0010.png"

3.1.12 De rotordiameter

de diameter wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMHullenDR-VST1_0011.png"

3.1.13 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als:

  • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten;
  • 2. erkers, die voldoen aan de beoordelingsregels;
  • 3. wolfseinden;
  • 4. overstekende daken en/of luifels kleiner dan 0,75 m;
  • 5. balkons die minder dan 1 m buiten de gevel steken;

buiten beschouwing gelaten.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies

Artikel 5 Groen

5.1 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Groen' heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. dagrecreatief medegebruik;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. infrastructurele voorzieningen;
  • d. openbare nutsvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
5.2 Beoordelingsregel

a Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde worden gebouwd, uitgezonderd van bestaande nutsvoorzieningen

5.3 Specifieke beoordelingsregels gebruik

Onder strijdig gebruik met deze functie wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de functieomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden ten behoeve van opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, niet zijnde opslag van takken of vergelijkbare materialen;
  • b. het gebruik van de gronden ten behoeve van (verblijfs)recreatie;
  • c. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • d. het gebruik van de gronden ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • e. bedrijfsmatige stalling en opslag van goederen buiten gebouwen;
  • f. het storten van puin en afvalstoffen;
  • g. de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;
  • h. het gebruik van de gronden ten behoeve van kleinschalige windturbines en kleinschalige zonneparken;
  • i. het gebruik van de gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en/of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen;
  • j. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen;
  • k. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • l. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen.

Artikel 6 Wonen - Bospark

6.1 Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen - Bospark' heeft de volgende functies:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met:
    • 1. mantelzorg;

met de daarbij behorende:

  • b. woningen;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. wegen en paden;
  • e. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen;
  • f. tuinen, erven en terreinen;
  • g. bouwwerken geen gebouwen zijnde;
6.2 Beoordelingsregels
6.2.1 Hoofdgebouwen

Voor hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de hoofdgebouwen zullen vrijstaand worden gebouwd;
  • b. het aantal hoofdgebouwen mag niet toenemen;
  • c. de onderlinge afstand tussen het hoofdgebouw en de perceelgrens zal ten minste 3 m bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt;
  • d. de oppervlakte van een hoofdgebouw, zal ten hoogste 100 m² bedragen;
  • e. de hoogte zal ten hoogste 9 m bedragen;
  • f. de goothoogte zal ten hoogste 3,5 m bedragen;
  • g. de dakhelling zal ten minste 15º bedragen, tenzij de bestaande woning plat is afgedekt, in welk geval ook een eventuele uitbreiding van de woning plat mag worden afgedekt;
  • h. de dakhelling zal ten hoogste 60º bedragen.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m;
  • b. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 6 m, met dien verstande dat het aantal vlaggenmasten niet meer dan twee bedraagt;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 7 m, met dien verstande dat uitsluitend bestaande lichtmasten zijn toegestaan.
  • d. de oppervlakte van een carport (geen gebouw zijnde) zal ten hoogte 30 m2 bedragen.
  • e. de bouwhoogte van een carport zal ten hoogste 3.5 m bedragen
6.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3 m, dan wel bestaand, achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd
  • b. vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zullen volledig binnen een afstand van 25 m vanuit het dichtstbijzijnde punt van het hoofdgebouw worden gebouwd, dan wel overeenkomstig de bestaande situatie;
  • c. de afstand tussen een aan-, uitbouw of bijgebouw en de perceelgrens zal ten minste 1,5 m bedragen;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 60 m² bedragen;
  • e. de goothoogte zal ten hoogste 3,5 m bedragen, dan wel bestaand;
  • f. de bouwhoogte zal ten hoogste 5 m bedragen, tenzij de bouwhoogte van het hoofdgebouw lager is in die gevallen zal de bouwhoogte niet hoger zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw;
  • g. de dakhelling zal ten minste 15° bedragen of plat zijn;
  • h. de dakhelling zal ten hoogste 60° bedragen.
6.3 Beoordelingsregel bouwen
6.3.1 Strijdig gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, te realiseren ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing'.

6.4 Beeldkwaliteitsplan

Het oprichten van gebouwen is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in bijlage 1.

6.5 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen, ten behoeve van een goede woonsituatie, de milieusituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

6.6 Beoordelingsregels gebruik
6.6.1 Strijdig gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de functieomschrijving. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van gedeelten van gebouwen voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit;
  • b. het splitsen van een woning;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van (verblijfs)recreatie;
  • d. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • f. bedrijfsmatige stalling en opslag van goederen buiten gebouwen;
  • g. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de functie toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • h. het storten van puin en afvalstoffen;
  • i. de stalling en opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen;
  • j. het gebruik van de gronden ten behoeve van kleinschalige windturbines en kleinschalige zonneparken;
  • k. het gebruik van de gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en/of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen;
  • l. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen;
  • m. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;
  • n. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen;
  • o. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor zelfstandige bewoning;
  • p. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf in de vorm van bed & breakfast;
  • q. het in gebruiken hebben van parkeergelegenheden in strijd met de CROW vastgestelde richtlijnen (publicatie 744 oktober 2024, of de meest actuele uitgave)
6.6.2 Specifieke beoordelingsregels
  • a. in afwijking met artikel 6.6.1 sub p kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regel toch worden verleend en toestaan dat een woning in combinatie met een bed & breakfast wordt gebruikt, mits:
    • 1. er is aangetoond dat er sprake is van een ondergeschikte tak (nevenactiviteit) of deeltijdfunctie bij de hoofdfunctie;
    • 2. er blijkt uit een ondernemersplan dat de activiteit economisch haalbaar is en de recreatiefunctie voor het bestaand toeristisch aanbod een toegevoegde waarde heeft (vernieuwend of aanvullend);
    • 3. er is aangetoond dat er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven;
    • 4. er is aangetoond dat op het eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, namelijk per bed & breakfasteenheid minimaal één parkeerplaats;
    • 5. de nevenactiviteit wordt uitgevoerd bij een woning;
    • 6. er in totaal maximaal twee bed & breakfasteenheden in de bestaande bebouwing toegestaan zijn, waarbij het aantal personen in totaal maximaal vier mag zijn;
    • 7. deze eenheden uitsluitend mogen worden gerealiseerd in bestaande hoofd- en/of bijgebouwen;
    • 8. er voor de bed & breakfasteenheden in het hoofdgebouw of in een bijgebouw uitsluitend slaapplaatsen met sanitaire voorzieningen mogen worden gerealiseerd. Een ontbijtruimte (niet nodig indien het ontbijt op de kamer wordt geserveerd) en eventueel een woonkamer bevinden zich elders in het hoofdgebouw, dan wel in het bij het bijgebouw behorende hoofdgebouw. Er mogen geen keukenblokken of woonkamervoorziening in de bed & breakfasteenheden worden gemaakt;
    • 9. een bestaand bijgebouw ten behoeve van de bed & breakfast in de directe nabijheid van het hoofdgebouw dient te staan en een duidelijke relatie dient te hebben met het hoofdgebouw. De uiterlijke kenmerken van het bijgebouw moeten worden behouden. Er mogen geen uiterlijke kenmerken van een woning worden toegevoegd aan het bijgebouw.
  • b. in afwijking met artikel 6.6.1 sub q kan de omgevingsvergunning voor het gebruiken van parkeervoorzieningen in strijd met de activiteit die in strijd is met de CROW vastgestelde richtlijnen (publicatie 744 oktober 2024, of de meest actuele uitgave) toch worden verleend, mits:
    • 1. op andere wijze in de benodigde parkeerruimte wordt voorzien;
    • 2. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot aantasting van de samenhang in het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. het verlenen van de omgevingsvergunning niet leidt tot verkeersonveilige situaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 7 Milieuzone - hydrologische beïnvloeding

7.1 Oogmerk

Binnen de gebiedsaanwijzing Milieuzone - hydrologische beïnvloeding dienen de hydrologische waarden te worden hersteld, behouden en ontwikkeld.

7.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde functies:
    • 1. het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstroomprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen;
    • 2. het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm;
  • b. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
  • c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de hydrologische waarden van de gronden, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en er geen significant negatieve aantasting plaatsvindt van de gebieden Mantingerzand, Elperstroom, Drentsche Aa, Mantingerbos, het Witterveld, het Drents-Friese Wold en het Dwingelderveld.

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Bestaande maatvoering

Voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestonden of in uitvoering waren krachtens een verleende omgevingsvergunning, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning, geldt dat indien de bestaande situering en/of maten afwijken van de ingevolge dit TAM-omgevingsplan toegestane situering en/of maten, de bestaande situering en/of bestaande maten als maximaal toegestaan worden beschouwd.

Artikel 10 Algemene beoordelingsregels

10.1 Omgevingsplanactiviteit toegestane percentages

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning af te wijken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentage.

10.1.1 Beoordelingsregels

In afwijking met artikel 10.1 kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met deze bepalingen toch worden verleend en toestaan dat worden afgeweken van de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, mits:

  • a. aangetoond is dat de afwijking in het van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein
10.2 Onvoorwaardelijke verplichting groen en landschappelijk inpassingsplan

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig het Groenplan en tevens ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing' anders te gebruiken dan overeenkomstig het opgestelde Landschappelijk inpassingsplan.

10.2.1 Beoordelingsregel

Het gebruik zoals bedoeld in artikel 10.2 wordt alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de volgelde bepalingen:

  • a. het landschappelijke inpassingplan (bijlage 2) en het groenplan (bijlage 3) dienen binnen 2 jaar na onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan te zijn uitgevoerd en na uitvoering in stand te worden gehouden;
  • b. indien niet wordt voldaan aan de landschappelijke inpassing en/of het groenplan is een andere vorm toegestaan, mits de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in bijlagen 1 en 2 opgenomen maatregelen en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

Artikel 11 Aanvraagvereisten

  • 1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan. In het bijzonder geldt dat:
    • a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit TAM-omgevingsplan; en
    • b. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit TAM-omgevingsplan.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 12 Waarde - Archeologie 5

12.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

12.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1731.TAMHullenDR-VST1 is aangewezen als Waarde - Archeologie 5.

12.3 Functieomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Archeologie 5' zijn de gronden, naast de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor:

  • a. het behoud van de mogelijk te verwachten archeologische waarden;
  • b. mogelijk archeologische waarden in niet gekarteerde gebieden;
12.4 Beoordelingsregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 1.000 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm wordt uitgevoerd:

  • a. dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport over te leggen waarin de bescherming van archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. kunnen aan een omgevingsvergunning de volgende regels worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties, tenzij in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van burgemeester en wethouders is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.
12.5 Specifieke beoordelingsregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 12.4 sub a voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport indien het oordeel van burgemeester en wethouders de bescherming van de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld. De woorden ‘het rapport als bedoeld onder a’ dienen in dat geval te worden gelezen als ‘andere beschikbare informatie’.

12.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.6.1 Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1.000 m² uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde functies:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 30 cm, met dien verstande dat geen vergunning nodig is wanneer het betreft niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het verbeteren van de verdichte bodemstructuur (woelen) tot ten hoogste 10 cm onder de bouwvoor;
  • b. het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 30 cm;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 30 cm;
  • d. het aanplanten en/of het rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan 30 cm diepte en/of voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 30 cm wordt geroerd.
12.6.2 Uitzondering van het verbod

De in artikel 12.6.1 bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • c. het normale onderhoud betreffen;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • e. op archeologisch onderzoek zijn gericht.
12.6.3 Beoordelingsregels

De onder12.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de plaats waar werken en/of werkzaamheden zullen worden uitgevoerd voldoende archeologisch is onderzocht, vaststaat dat er geen onevenredige afbreuk aan de archeologische en/of cultuurhistorische waarden wordt gedaan, dan wel dat afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud of bescherming van die waarden of de eventuele bodemvondsten naar elders zijn overgebracht.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Gebouwen die al gerealiseerd zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het omgevingsplan die niet in strijd zijn met het daarvoor geldende plan mogen:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.