2.1 Van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van de regels.
2.2 Aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit
hoofdstuk de begrippen als bedoeld in artikel 2.2.1 tot en met 2.2.71 gehanteerd.
2.2.1 aan- of uitbouw:
een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar functioneel één geheel vormt met het hoofdgebouw;
2.2.2 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;\
2.2.3 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
2.2.4 aan huis verbonden beroep:
het beroep van: accountant, administratieconsulent, advocaat, apotheker, architect, assurantiebemiddelaar, belastingconsulent, bouwkundig architect, dierenarts, fysiotherapeut, gerechtsdeurwaarder, huisarts, interieurarchitect, logopedist, makelaar in onroerend goed, medisch specialist, notaris, oefentherapeut, organisatieadviseur, raadgevend ingenieur, registeraccountant, specialist, tandarts, tandartsspecialist, tuin- en landschapsarchitect, verloskundige, dan wel naar de aard daarmee gelijk te stellen beroep, dat in combinatie met de woonfunctie als hoofdfunctie kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw en/of bijgebouw(en) dat is (die zijn) bestemd voor het wonen;
2.2.5 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;
2.2.6 andere opgaande teeltvormen:
hierbinnen valt
- sierteelt: de teelt van opgaande sierbeplanting als coniferen, buxussen, kerstbomen, heesters en struiken;
- het kweken van fruit aan houtige gewassen, en;
- naar de aard daarmee gelijk te stellen vormen van opgaande teelt van meerjarige gewassen, zoals olifantengras;
2.2.7 archeologisch waardevol gebied:
een gebied waarin zich voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen bevinden;
2.2.8 archeologische waarden:
voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen;
2.2.9 bassin:
een mest- of waterbak voor de opslag van mest, digestaat of water ten behoeve van agrarische activiteiten;
2.2.10 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
2.2.11 bebouwingsbeeld:
de visuele waarden van het totaal aan bebouwing en de bebouwing in het landschap. Bij de afweging van het begrip ‘bebouwingsbeeld’ zal het beeldkwaliteitsplan behorende bij het Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe, zoals opgenomen in bijlage 6, steeds onderdeel van het toetsingskader zijn;
2.2.12 bed & breakfast(eenheid):
een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor recreatief nachtverblijf en ontbijt;
2.2.13 bedrijfsgebouw:
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
2.2.14 bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan huis verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, inclusief opslag- en administratieruimte en dergelijke;
2.2.15 bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
2.2.16 bestaande:
- het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een vergunning;
- het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan;
2.2.17 bijgebouw:
een gebouw, dat in bouwkundig opzicht qua massa en vorm en ten dienste staat van het hoofdgebouw, vrijstaand, dan wel aangebouwd;
2.2.18 boerderijwinkel
Verkooppunt van boerenproducten dat ondergeschikt is aan de agrarische bedrijfsvoering.
2.2.19 bosbouw:
het geheel van bedrijfsmatig handelen en van activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande, respectievelijk nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie;
2.2.20 bouwlaag:
een doodlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping;
2.2.21 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
2.2.22 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
2.2.23 cultuurgrond:
grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, die bedrijfsmatig, dan wel hobbymatig in gebruik zijn;
2.2.24 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
2.2.25 evenement:
elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optochten, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten op een locatie die vaker dan twee maal per jaar wordt gebruikt, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
2.2.26 extensief dagrecreatief medegebruik:
een extensief dagrecreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, een vissteiger, een picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik;
2.2.27 fruitteelt:
de teelt of het kweken van fruit aan houtige gewassen;
2.2.28 geluidsbelasting:
De geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg;
2.2.29 geluidsgevoelige objecten/gebouwen:
Een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met een:
- woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
- bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedden;
- gezondheidszorgfunctie met bedden en nevengebruiksfuncties daarvan
voor zover dit gebouw is toegelaten voor langer dan 10 jaar.
2.2.30 gevel:
het gedeelte dat vanaf het openbaar toegankelijke gebied zichtbaar is van plint tot kap indien de kap vanaf het openbaar toegankelijke gebied zichtbaar is en bijdraagt aan het totale historisch waardevolle gevelbeeld valt deze ook onder het begrip gevel als er sprake is van een zijgevel en deze vanaf het openbaar toegankelijke gebied zichtbaar is valt deze ook onder het begrip gevel;
2.2.31 gevoelige functies:
woonfunctie of een andere functie waar mensen permanent verblijven, niet zijnde een bedrijfswoning;
2.2.32 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
een agrarisch bedrijfsvoering waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, waaronder ook wordt verstaan bloembollenteelt, onderstamteelt, vollegrondsgroenteteelt en teelt in de vorm van struiken zoals (blauwe) bessen, druiven en dergelijke;
2.2.33 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel in bouwkundig opzicht qua massa en vorm, dan wel gelet op de functie als belangrijkste gebouw valt aan te merken;
2.2.34 horeca-activiteiten:
een aan de hoofdfunctie ondergeschikt horecagebruik dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren, zoals een theehuisje, ijssalon, croissanterie, dagcafé, dagrestaurant, wijnhuis en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;
2.2.35 horecabedrijf:
een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;
2.2.36 houtteelt:
de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend het kweken van bomen ten behoeve van de houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe ontheffing is verleend van de meldings- en herplantplicht ex artikel 2 en 3 van de Boswet;
2.2.37 kampeermiddel:
- een tent, een vouwwagen, een camper, een caravan of een huifkar;
- enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, dat geheel of ten dele blijvend kan worden gebruikt voor recreatief dag- en/of nachtverblijf;
2.2.38 kampeerterrein:
een terrein of een deel van een terrein bedoeld voor verblijfsrecreatie in die zin dat het ter beschikking wordt gesteld voor het plaatsen, dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;
2.2.39 kap:
een dakafdekking onder een hoek van meer dan 5 graden met het horizontale vlak;
2.2.40 kleinschalig kampeerterrein:
een nevenactiviteit bij een (bedrijfs)woning in de vorm van een kampeerterrein, met dien verstande dat:
- toegestaan is een onbeperkt aantal mobiele kampeermiddelen te plaatsen;
- het kampeerterrein inclusief alle voorzieningen minimaal 0,2 ha en maximaal 1 ha groot is;
- het kampeerseizoen van 15 maart tot 1 november loopt en daarbuiten het terrein leeg is. In uitzondering hierop mogen de eventueel aanwezige trekkershutten en/of bijgebouwen ten behoeve van het kampeerterrein, zoals een sanitair gebouw, ook buiten het seizoen aanwezig zijn, met dien verstande dat de trekkershutten alleen in het kampeerseizoen gebruikt mogen worden;
2.2.41 kleinschalige recreatievoorziening:
recreatie als nevenactiviteit in de vorm van een kleinschalig kampeerterrein, bed & breakfast of dagrecreatie;
2.2.42 kleinschalige windturbine:
een bouwwerk voor het opwekken van electrisch vermogen uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 15,00 m;
2.2.43 landschappelijke waarden:
de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap. Bij de afweging van het begrip 'landschappelijke waarden' zal de landschaps- en beheersvisie uit het Landschapsbeleidsplan van Midden-Drenthe (februari 2000) steeds onderdeel van het toetsingskader zijn;
2.2.44 mestsilo:
een bouwwerk ten behoeve van de opslag van mest of digestaat;
2.2.45 milieusituatie:
de waarde van een gebied in milieuhygiënische zin die wordt bepaald door de mate van scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in het bijzonder gelet op het voorkomen, dan wel beperken van hinder door geur, stof, geluid, gevaar, licht en/of trilling. Onderdeel van de afweging van het begrip ‘milieusituatie’ zal ook de bodembescherming zijn;
2.2.46 minicamping:
een nevenactiviteit bij een (bedrijfs)woning in de vorm van een kampeerterrein, met dien verstande dat:
- er maximaal 15 kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;
- het kampeerseizoen van 15 maart tot 1 november loopt en daarbuiten het terrein leeg en buiten gebruik is. In uitzondering hierop mogen de eventueel aanwezige bijgebouwen ten behoeve van het kampeerterrein, zoals een sanitair gebouw, ook buiten het seizoen aanwezig maar niet in gebruik zijn;
2.2.47 natuurlijke waarden:
de abiotische en biotische waarden van een gebied;
2.2.48 ondergeschikte of tweede tak:
een ondergeschikt bestanddeel van de totale bedrijfsomvang van een agrarisch bedrijf, zoals een intensieve tak veehouderij;
2.2.49 openbaar toegankelijk gebied:
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitsluiting van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langszaam verkeer;
2.2.50 overkapping:
een bouwwerk dat is voorzien van een plat dak, dan wel een kap en met maximaal één wand is uitgevoerd;
2.2.51 paardrijbak:
buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, voorzien van een zandbed en al dan niet voorzien van een omheining;
2.2.52 peil:
- bij ligging aan een weg: de kruin van de weg;
- bij ligging aan een anderszins verhard terrein: de bovenkant van dat terrein;
- bij ligging anders dan een weg of verhard terrein: het maaiveld;
- bij aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij of aan een bestaande woning: de bestaande peilmaat van de woning;
2.2.53 productiegebonden detailhandel:
detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie;
2.2.54 recreatief nachtverblijf:
een recreatiewoning, caravan, stachalet, trekkershut of ander gebouw dat gedurende langere tijd op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en die door zijn plaatsing direct of indirect met de grond is verbonden, dan wel direct of indirect steun vindt in of op de grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken;
2.2.55 relatie:
ter plaatse van de aanduiding 'relatie' wordt de verbinding aangegeven tussen bij elkaar behorende gebouwen of percelen;
2.2.56 schuilgelegenheid:
een niet voor bewoning, al dan niet in het kader van een agrarisch bedrijf bestemd gebouw dat dient voor het onderbrengen van vee tegen weersinvloeden;
2.2.57 seksinrichting:
een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
2.2.58 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22j Hoogeveenseweg 12 te Bruntinge met identificatienummer NL.IMRO.1731.TAMHoogvnseweg12BR-VST1 van de gemeente Midden-Drenthe;
2.2.59 torensilo:
een bouwwerk ten behoeve van opslagdoeleinden;
2.2.60 trekkershut:
houten blokhut of soortgelijke lichte constructie voor 4-6 personen met slaap-, kook- en zitgelegenheid voor recreatief dag- en/of nachtverblijf voor passanten;
2.2.61 tunnelkas:
elke constructie van hout, metaal of ander materiaal, welke met plastic of in gebruik daarmee overeenstemmend materiaal is afgedekt en dient als teeltondersteuning voor bedekte teelten;
2.2.62 verblijfsrecreatie:
recreatief verblijf, waarbij wordt overnacht in kampeermiddelen, recreatiewoningen, appartementen en/of recreatieverblijven, waarbij hoofdverblijf elders wordt gehouden;
2.2.63 vloeroppervlak:
totale oppervlakte, binnenwerks gemeten, van alle ruimten op de begane grond, de verdiepingen, de zolder en de bijbehorende aan- en uitbouwen;
2.2.64 volwaardig (agrarisch) bedrijf:
onder een volwaardig agrarisch bedrijf wordt verstaan een bedrijf dat:
- naar aard en omvang, en
- op grond van de arbeidsbehoefte
als zodanig moet worden aangemerkt en waarvan de continuïteit ook op langere termijn (minimaal 5 à 10 jaar) gewaarborgd is.
De volwaardigheid wordt met name bepaald door:
- de mate waarin het agrarische bedrijf voorziet in het hoofdinkomen van het bedrijfshoofd. Dat wil zeggen een aanvaardbaar inkomen rekening houdende met investeringen, modernisering en uitbreidingen;
- de veebezetting;
- het beschikbare grondareaal (eigendom/pacht/huur);
- de grootte, aard en inrichting van de bedrijfsgebouwen;
- de outillage van het bedrijf;
- de eventuele voorziene investeringen;
- de wijze waarop het arbeidsproces plaatsvindt;
- de wijze waarop de verwerking en afzet plaatsvindt.
De arbeidsbehoefte blijkt uit:
- De mate van voldoende productieve werkgelegenheid. Dat wil zeggen er is sprake van minstens 1 arbeidskracht die qua tijdsbesteding volledig/voltijds werkzaam is in het bedrijf, is er minstens 1 mensjaar aan werk aanwezig of zal dat zijn op termijn. 1 mensjaar is 1.700 werkelijk gewerkte uren.
- De toegevoegde waarde die het bedrijf genereert. Er moet een bepaald niveau aan toegevoegde waarde zijn, wil het volwaardig zijn. Dit wordt bepaald door de SO (standaard opbrengst) en de bijbehorende SVC (Standaard Verdien Capaciteit).
- Het hoofdberoep van het bedrijfshoofd moet agrariër zijn. Dit blijkt onder meer uit de registratie in de CBS landbouwtelling, de huidige werkkring, etc.
- De aanvrager moet helemaal beschikbaar zijn voor de uitoefening van het bedrijf.
- Continuïteit van het bedrijf moet verzekerd zijn voor minstens 5 à 10 jaar.
Dit blijkt uit:
- de opzet en omvang van het bedrijf;
- de leeftijd van de ondernemer;
- de vakkennis van de ondernemer;
- de opleiding van de ondernemer;
- de achtergrond van de ondernemer;
- de ervaring van de ondernemer;
- beschikbaarheid van een opvolger;
- de intentie waarmee de activiteiten gedaan worden;
- financiering van het bedrijf/akkoord van de bank met het bedrijfsplan.
2.2.65 voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een woning of, indien een woning met meer dan één zijde naar de weg is gekeerd, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel(s);
2.2.66 voorgevelrooilijn:
- langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:
- de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
- langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als bedoeld onder 1 aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:
- bij een wegbreedte van ten minste 15 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg;
- bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg;
- bij een wegbreedte tussen de 10 m en de 15 m, de lijn gelegen op een afstand, die gelijk is aan de wegbreedte, uit de as van de weg;
2.2.67 watergang:
een min of meer lijnvormig watervoerend object met vrij wateroppervlak, zoals een beek, een vaart, een sloot of een greppel;
2.2.68 winkelgebruiksoppervlak boerderijwinkel
Vloeroppervlakten die nodig zijn voor de gehele bedrijfsvoering. Dit betreft naast de winkelvloeroppervlak ook verwerkingsruimte en opslagruimte.
2.2.69 winkelvloeroppervlak boerderijwinkel
netto vloeroppervlak van het deel van de winkel dat voor publiek toegankelijk is voor de uitstalling en verkoop van detailhandelsartikelen (niet zijnde opslag en verwerkingsruimte).
2.2.70 woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;
2.2.71 zorgfunctie:
een zorgfunctie als neventak bij een bedrijf, waarbij de personen met een zorgbehoefte als dagbesteding werkzaam zijn binnen het bedrijf.