| Plan: | Westerbork - Roessinghkamplaan |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1731.RoessinghkamplWE-VST1 |
In Westerbork wordt sinds enige tijd gewerkt aan het verbeteren van de totale verkeerssituatie van het dorp. Voor het onderdeel Roessinghkamplaan is een herziening van het geldende bestemmingsplan nodig. In het geldende bestemmingsplan is het niet mogelijk om de weg te verleggen en een parkeerterrein te realiseren. De overige aanpassingen zijn al mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan of kunnen met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden worden uitgevoerd.
Het kruispunt Roessinghkamplaan, Westeinde - Hoofdstraat wordt als onveilig ervaren. De gemeente is bezig met het verbeteren van de verkeerssituatie. De aanpassing is onderdeel van het project Van Weezelplein en omgeving. Het centrumgebied van Westerbork krijgt in de plannen een opknapbeurt.
De werkzaamheden die uitgevoerd worden zijn onder andere:
Een groot deel van deze werkzaamheden passen binnen het geldende bestemmingsplan Westerbork. Voor het aanpassen van de Roessinghkamplaan en de directe omgeving is dit bestemmingsplan opgesteld.
Figuur 1: plangebied en omgeving
De herziening heeft betrekking op het wegdeel Roessinghkamplaan, gelegen tussen de Molenweg en het Westeinde - Hoofdstraat en het aanleggen en verplaatsen van het bestaande parkeerterrein. Voor dit gebied geldt momenteel het bestemmingsplan Westerbork waar een deel van het plangebied is bestemd als 'Centrum'. Binnen deze bestemming is het niet mogelijk om de gewenste aanpassingen te realiseren.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het voornemen voor de wegaanpassing. In hoofdstuk 3 wordt beknopt ingegaan op het relevante beleidskader. Hoofdstuk 4 gaat in op de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische regeling en hoofdstuk 6 tenslotte gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van dit plan.
De Roessinghkamplaan maakt deel uit van een totaalplan aan maatregelen in Westerbork, bestaande uit de volgende onderdelen:
Het onderdeel 'Schoolroutes' is ondertussen uitgevoerd. Het tracé Brandenweg, de Sliemkampen en de Brandenweg omvattend, wordt gezien als de oplossing voor het grote en zware noord-zuid verkeer. De uitvoering hiervan is gestart.
Voor het tracé 'Westeinde-Hoofdstraat-Oosteinde' en het 'Van Weezelplein en omgeving' zijn op 25 juni 2014 verkennende gesprekken geweest met diverse belanghebbenden. Dit om een beeld te krijgen van de verschillende belangen, functies en wensen rondom dit tracé. Op 29 maart 2016 heeft het college besloten om akkoord te gaan met een aangepast ontwerp voor het Van Weezelplein en omgeving. Dit ontwerp is gepresenteerd aan het dorp. Naar aanleiding van een aantal reacties op dit ontwerp is het plan opnieuw aangepast. Op 6 juni 2016 heeft het college een aangepast ontwerp vastgesteld. Dit is 28 juni 2016 gepresenteerd aan het dorp.
In de volgende paragrafen wordt dieper op de gewenste maatregelen in dit deel ingegaan.
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het wegdeel Roessinghkamplaan, gelegen tussen de Molenweg en het Westeinde - Hoofdstraat. De figuren in deze paragraaf laten de huidige en de toekomstige situatie zien.
Wegdeel Roessinghkamplaan
Het huidige deel van de Roessinghkamplaan, tussen de Molenweg en Westeinde - Hoofdstraat wordt autoluw gemaakt. De weg wordt omgezet naar een fietsverbinding, waar calamiteitenverkeer gebruik van kan maken. De rechtstreekse autoverbinding Roessinghkamplaan komt te vervallen. Het kruispunt Molenweg - Roessinghkamplaan wordt aangepast tot een gelijkwaardig kruispunt. De inrit naar het achter gelegen parkeerterrein wordt verwijderd.
De Molenweg eindigt nu op de kruising met de Roessinghkamplaan. Deze weg wordt doorgetrokken naar het Westeinde. De route komt westelijk van de bestaande Roessinghkamplaan te liggen, langs het gebouw van Woonservice wordt de ontsluiting voor het nieuwe parkeerterrein. Het achterliggende parkeerterrein krijgt ook een aansluiting op de nieuwe weg.
De Molenweg takt aan op het Westeinde. Hier begint de 30 kilometerzone voor het centrumgebied. Het nieuwe tracé komt over het huidige parkeerterrein van Woonservice te liggen. Dit parkeerterrein komt in de nieuwe situatie te vervallen.
Parkeerterrein Molenweg - Roessinghkamplaan
Door de verlegging van de Roessinghkamplaan / Molenweg komt een deel van het bestaande parkeerterrein van Woonservice te vervallen. Tussen de fietsverbinding en de Molenweg ontstaat ruimte om parkeren mogelijk te maken. Het Van Weezelplein wordt opnieuw ingericht. Het groene karakter van het plein wordt hersteld. Hierdoor vervallen een aantal parkeerplaatsen.
Het aantal parkeerplaatsen rond het Van Weezelplein neemt toe van 124 parkeerplaatsen in de huidige situatie naar 157 parkeerplaatsen in de nieuwe situatie. De parkeerplaatsen worden geconcentreerd in de omgeving van de supermarkt. De parkeerdruk rond het Van Weezelplein is hoog en zal met de aanleg van het nieuwe parkeerterrein aan de Roessinghkamplaan af nemen. Het aantal parkeerplaatsen wordt uitgebreid naar 58 parkeerplaatsen. Dit zijn 30 parkeerplaatsen meer dan in de huidige situatie.
Figuur 2: Van Weezelplein en omgeving huidige situatie
Figuur 3: Van Weezelplein en omgeving toekomstige situatie
Figuur 4: Projectgebied Roessinghkamplaan toekomstige situatie
Gezien de aard en omvang van de voorgestelde maatregelen is het rijksbeleid niet relevant. In dit hoofdstuk wordt alleen ingegaan op het relevante provinciale- en gemeentelijk beleid.
Actualisatie Provinciale Omgevingsverordenig Drenthe (POV)
De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (POV) is een belangrijk instrument om het omgevingsbeleid, zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe, uit te voeren. Omdat de Omgevingsvisie in 2014 is geactualiseerd, was het ook noodzakelijk de POV te actualiseren. Provinciale Staten van Drenthe hebben op 23 september 2015 de POV vastgesteld.
In de verordening is in artikel 3.7 'werken met kernkwaliteiten', vastgelegd dat, indien bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn, in het ruimtelijk plan uiteengezet wordt dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie. In de verordening is voorts opgenomen dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt die deze kernkwaliteiten significant aantasten.
Onder kernkwaliteiten worden de kwaliteiten verstaan die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe voor wat betreft:
Met dit bestemmingsplan wordt een aantal kernkwaliteiten uit de Provinciale Omgevingsverordening geraakt: het betreft de kernkwaliteiten Cultuurhistorie, Aardkundige waarden en Archeologie. Voor wat betreft de wijze waarop hier in dit bestemmingsplan rekening mee wordt gehouden wordt verwezen naar de paragrafen 4.8 Archeologie en 4.9 Cultuurhistorie. Voor het onderdeel Archeologie is onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in dit bestemmingsplan.
Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) 2012-2020
Het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoers Plan is een strategisch beleidsdocument ten behoeve van het verkeers- en vervoersbeleid. Het is een visiedocument waarin het verkeer- en vervoerbeleid van de Gemeente binnen een bepaalde tijdsperiode wordt omschreven. Ten aanzien van de verkeerssituatie vermeldt het GVVP dat Westerbork te kampen heeft met doorgaande verkeersstromen. Vooral vanaf de N381 in de richting van Elp en vice versa. Dit verkeer moet dwars door het centrum heen en vooral het stuk Hoofdstraat tussen de Hoogeveenseweg en de Zandhoeklaan is een bottleneck. Er worden plannen ontwikkeld voor de verkeersafwikkeling van Westerbork, waarbij het doorgaande verkeer tussen Borger en Hoogeveen niet meer door het centrum van Westerbork hoeft te rijden.
De inrichting van het Van Weezelplein blijft een discussiepunt. Medio 2011 is dit plein ingericht als blauwe zone met een parkeerduur van maximaal twee uur. Op het Van Weezelplein zelf mag alleen op vrijdag en zaterdag geparkeerd worden. Langparkeerders moeten uitwijken naar het parkeerterrein aan de Roessinghkamplaan. Deze situatie is in overleg met belanghebbenden overeengekomen. in het kader van de structuurvisie Westerbork wordt gekeken naar de mogelijke andere inrichting van het Van Weezelplein.
Landschapsbeleidsplan Midden-Drenthe 2012
Het landschapsbeleidsplan geeft de visie van de gemeente Midden-Drenthe op het landschap. Het landschapsbeleidsplan benoemt een aantal karakteristieke landschapstypen in Midden-Drenthe. Het doel van het landschapsbeleidsplan is het behouden en versterken van de karakteristieken die bij de verschillende landschapstypen horen. Het esdorpenlandschap is één van die landschapstypen. Westerbork ligt in het Esdorpenlandschap.
Op grond van zichtbare kenmerken kunnen verschillende landschappelijke eenheden worden onderscheiden. Dit op basis van de maat en de begrenzing van de ruimte, de verkaveling, het reliëf, het patroon van wegen en waterlopen, het beplantingspatroon en de aard en groepering van de bebouwing. De belevingswaarde van het landschap is in eerste instantie afhankelijk van de structuurbepalende elementen en van het karakter en de ordening per deelgebied.
Het esdorpenlandschap kenmerkt zich door de volgende eenheden:
Het esdorpenlandschap is nog steeds herkenbaar in het landschap.
Het doel van het Landschapbeleidsplan is het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap bij Westerbork. Deze karakteristiek uit zich in een ruimtelijke samenhang tussen esdorp. es en beekdal, met bijbehorend micro-relief beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes.
In het bestemmingsplan wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de karakteristieken van het landschap. Het nieuwe parkeerterrein wordt met groen ingericht. Hierdoor blijft het groene karakter van het gebied behouden.
Beoogde ontwikkeling
In het plan zal de bestaande Roessinghkamplaan worden uitgebreid, dit in de vorm van een nieuwe weg. Het nieuwe gedeelte van de Roessinghkamplaan zal eveneens dezelfde naam krijgen. Net als het bestaande gedeelte van de Roessinghkamplaan, zal ook het nieuwe gedeelte een maximumsnelheid krijgen van 30 km/h. Hierdoor is deze weg niet gezoneerd conform de Wet geluidhinder (Wgh) en behoeft het geen toetsing aan de normen uit de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter wel inzichtelijk gemaakt te worden of sprake blijft van een aanvaardbaar akoestisch klimaat aan de gevels van bestaande woningen.
Het nieuwe gedeelte van de Roessinghkamplaan sluit tevens aan op het Westeinde, die ten westen van de huidige kruising met de Roessinghkamplaan een weg is met een snelheidsregime van 50 km/uur. Door de nieuwe aansluiting zal het Westeinde fysiek wijzigen. In de directe nabijheid van dit kruispunt bevinden zich geluidsgevoelige functies. Reconstructie onderzoek is daarom op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk.
Onderzoek en conclusie
Ten behoeve van dit plan is een reconstructieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 1.
Geconcludeerd wordt dat ten gevolge van de nieuwe weg (Roessinghkamplaan) de richtwaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Ten gevolge van de Fysieke wijziging aan het kruispunt Molenweg - Westeinde is geen sprake van een reconstructiesituatie ingevolge de Wgh. Er blijft sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat op de geveld van de bestaande woningen.
Verdere procedures zijn ingevolge de Wgh niet noodzakelijk.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009).
Toetsing en conclusie
Wegen, paden en parkeervoorzieningen zijn op zichzelf geen milieuhindergevoelige functies. Derhalve hoeft niet te worden getoetst aan de afstand van de beoogde wegen, paden en parkeervoorzieningen tot nabijgelegen bedrijven.
Een parkeervoorziening (autoparkeerterrein) is echter wel een hinderveroorzakende functie. Een autoparkeerterrein valt conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) in categorie 2. Er geldt een aan te houden richtafstand van 30 meter tot gevoelige functies bestemmingen in het gebiedstype rustige woonwijk. Het maatgevende hinderaspect betreft geluid.
Gezien de sterke menging van (centrum)functies rondom het plangebied mag worden geconcludeerd dat hier sprake is van het gebiedstype gemengd gebied. In dergelijke gebieden mag in het kader van bedrijven en milieuzonering 'een stapje terug' worden gedaan. In dat geval moet worden uitgegaan van een richtafstand die wordt teruggebracht van 30 naar 10 meter. Aan deze richtafstand wordt tot alle omringende woningen voldaan. Het aspect bedrijven en milieuzonering werkt dan ook niet belemmerend voor deze ontwikkeling. Evenmin worden omliggende bedrijven in hun bedrijfsvoering beperkt door dit plan.
Beleid en normstelling
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Onderzoek en conclusie
Het plan betreft het verleggen van een weg alsmede uitbreiding van bestaande parkeervoorzieningen ter plaatse van de bestemmingen 'Verkeer' en 'Centrum'. In het kader van de ruimtelijke procedure is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Er is namelijk geen sprake van een transformatie naar een gevoelige(re) functie. We gaan er vanuit dat de bodem geschikt is voor de beoogde verkeers- en parkeervoorzieningen.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
De meest nabijgelegen gebieden uit de Natuurbeschermingswet 1998, betreffen de Natura 2000-gebieden Mantingerzand en Elperstroomgebied. Beide gebieden liggen op circa 4 kilometer van het plangebied, respectievelijke in zuidoostelijke en noordoostelijke richting vanuit het plangebied bezien. Gezien de afstand van het plangebied tot de Natura 2000-gebieden en het feit dat het plan een verschuiving van verkeersbewegingen over slechts enkele tientallen meters inhoudt, vallen significante effecten op de Natura 2000 op voorhand uit te sluiten.
Hetzelfde geldt voor de ten oosten van Westerbork gelegen delen van de Ecologische Hoofdstructuur (1,5 km van het plangebied). De Natuurbeschermingswet 1998 en het EHS-beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden zijn vastgesteld aan de hand van foto's van het projectgebied, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere Ravon, www.verspreidingsatlas.nl en www.waarneming.nl).
Vogels
In en rondom het plangebied zijn boomstructuren aanwezig. Derhalve is de aanwezigheid van algemeen voorkomende broedvogels te verwachten. Het projectgebied vormt geen geschikt jachtgebied. In de nabije omgeving is echter voldoende leefgebied aanwezig, zodat de realisatie van de kantoorpanden de functionaliteit van een eventueel aanwezig nest niet nadelig beïnvloed.
Zoogdieren
Het projectgebied biedt geschikt leefgebied aan algemeen voorkomende, licht beschermde soorten als mol, egel, huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, rosse woelmuis of hermelijn. De bestaande boomrijen rondom het plangebied hebben mogelijk een belangrijke functie voor vleermuizen. Deze boomstructuren blijven bestaan. Op de noordzijde van het plangebied worden enkele bomen en bosschages verwijderd. Deze maken echter geen onderdeel uit van de doorlopende boomstructuren.
Amfibieën
Algemene amfibieën als bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad zijn gezien de afwezigheid van waterstructuren in het plangebied niet te verwachten.
Overige soorten
Er zijn, gezien de aanwezige biotopen, geen beschermde reptielen en/of bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het projectgebied voldoet hier niet aan.
Aan de noordzijde wordt een bosschage en enkele bomen verwijderd. Hiervoor dient een kapvergunning te worden aangevraagd.
De benodigde werkzaamheden ten behoeve van deze ontwikkeling kunnen leiden tot aantasting van te beschermen natuurwaarden.
a. Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Ffw omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
b. Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Ffw wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).
Gezien de bovenstaande conclusies staat de Flora- en faunawet, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Beleid en normstelling
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid rekening te worden gehouden met:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 meter strekken.
Onderzoek en conclusie
Er zijn geen risicoveroorzakende inrichtingen, transportroutes of buisleidingen gelegen in het plangebied, of in de nabijheid daarvan. Daarnaast geldt dat een parkeervoorziening of weg geen (beperkt) kwetsbaar object is, zoals genoemd in het Bevi. Het aspect externe veiligheid belemmert het plan derhalve niet.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
Tabel: Relevante luchtkwaliteitsnormen
| Stof | Toetsing van | Grenswaarde | |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 ìg/m³ | |
| fijn stof (PM10)1) | jaargemiddelde concentratie | 40 ìg/m³ | |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer per jaar meer dan 50 ìg/m³ | ||
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 ìg/m³ | |
1) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten
beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007)
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekende mate (NIBM)
In dit Besluit is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek en conclusie
Als gevolg van het aanpassen van de wegenstructuur ter hoogte van Roessinghkamplaan, gelegen tussen de Molenweg en Westeinde - Hoofdstraat verplaatsen huidige verkeersstromen zich over een beperkte afstand. Op de bestaande Roessinghkamplaan zal de verkeersintensiteit hierdoor afnemen. Tussen de kruising met de Molenweg en de kruising met de Westeinde-Hoofdstraat zal in de beoogde situatie alleen sprake zijn van fietsverkeer. De huidige (auto)verkeersstroom verplaatst zich enige tientallen meters naar het westen, maar in het geheel is er alleen sprake van verplaatsing van de verkeersstromen en geen toename. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van lager dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2/µgm3). De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van het toetsen aan de grenswaarden. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2014 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreft de N374 (Elperstraat / Hoogeveenseweg) en de N856 (Beilerstraat). Dit zijn de drie belangrijkste wegen naar de kern Westerbork.
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2013 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer waren gelegen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen 12,4 µg/m³ voor NO2, 17,6 µg/m³ voor PM10 en 10,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6,3 dag. Omdat langs deze wegen ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen zal dit ook langs de het plangebied het geval zijn. De verkeersintensiteiten in het plangebied liggen immers veel lager dan de hiervoor genoemde wegen. Hierdoor is in de omgeving van de beoogde ontwikkeling sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is de digitale watertoets doorlopen. De resultaten daarvan zijn verwerkt in deze waterparagraaf.
Waterschapsbeleid
In het Waterbeheerplan 2016 - 2021 beschrijft het Waterschap zijn beleid voor de periode 2016 tot en met 2021. Het waterbeheerplan bevat het integrale beleid van het waterschap met als hoofdthema's: 'de bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid', 'het zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen', 'het zorgen voor een goede waterkwantiteit' en 'het verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit'. De hoofdthema's worden in het Waterbeheerplan verder uitgewerkt middels uitdagingen en strategieën. Per taakveld is dit vervolgens doorvertaald naar een agenda voor uitvoering, waarbij onderscheid is gemaakt tussen maatregelen op het gebeid van 'uitvoering en beheer' en maatregelen op het gebied van 'verkennen en ontwikkelen'.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied is gelegen in Westerbork, op de hoek van de Roessinghkamplaan en het Westeinde. In de huidig situatie kruist de Roessinghkamplaan rechtstreeks het Westeinde. Ten westen daarvan ligt een open ruimte deels voorzien van gras en deels van parkeervoorzieningen.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zandgronden. Ter plaatse van het plangebied is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert tussen de 0,40 en 0,80 m beneden maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,20 m beneden maaiveld ligt. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP + 16,2 m. De situatie met betrekking tot bodem en grondwaterhuishouding werken derhalve niet belemmerend voor het plan.
Waterkwantiteit
Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De Molenweg (ten noordoosten van het plangebied) wordt begeleid door een ondiepe, droogvallende greppel.
Overige wateraspecten
Het plangebied ligt niet binnen de kern- of beschermingszone van een (regionale)waterkering. Tevens ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied, waterbergingsgebied, of in de nabijheid van een RWZI of, rioolwatertransportleiding.
Toekomstige situatie
Algemeen
Het bestemmingsplan maakt een herschikking van de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse van de Roesingkamplaan - Molenweg - Westeinde mogelijk. Als gevolg van dit plan vindt met name een herschikking van verhardingen plaats. Aangezien het zuidelijk deel van het plangebied nog een grasveld kent is sprake van een lichte toename aan verhardingen (circa 300 m2).
Waterhuishouding
Het plan loopt geen verhoogd risico op wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd. De toename van het verharde oppervlak is minder dan 1500 m2.
Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer
In het plan wordt gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap te volgen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen.
Voor de beoogde ontwikkeling zal het hemelwater worden afgevoerd naar een gescheiden rioolstelsel. In dit gescheiden rioolstelsel wordt het hemelwater afgevoerd richting de ijsbaan.
Aanleghoogte van de bebouwing
Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Er wordt echter geen bebouwing gerealiseerd, waardoor dit aspect niet relevant is. Voor de aanleg van (weg)verhardingen is de ontwatering voldoende.
Watertoetsproces - Digitale watertoets
De initiatiefnemer heeft het Waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding.
Geen watervergunningplicht
Voor eventuele aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. Het plan voorziet niet in werkzaamheden nabij oppervlaktewater, waterkeringen of andere watervergunningplichtige activiteiten. Voor de werkzaamheden die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt hoeft geen watervergunning te worden aangevraagd.
Conclusie
Het plan heeft geen of zeer geringe gevolgen voor de waterhuishouding. Het aspect water werkt niet belemmerend voor dit plan.
Beleid en Normstelling
Verdrag van Malta
Het Verdrag van Malta is in 1992 ondertekend en in 1995 in werking getreden. Doelstelling van het Verdrag van Malta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
De inhoud van het Verdrag van Malta is neergelegd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg die op 1 september 2007 van kracht is geworden en een wijziging van de Monumentenwet 1988 tot gevolg heeft gehad. Op grond van deze aangescherpte regelgeving stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Nota Belvedère, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, de Monumentenwet 1988 en diverse publicaties van het Ministerie ven OC&W.
Gemeentelijk archeologiebeleid
Voor de gemeente is een archeologische verwachtingskaart vastgesteld. Het plangebied is gelegen op de grens van de historische kern van Westerbork. De ontwikkeling vindt plaats in de bufferzone behorende bij de historische kern. Het Bestemmingsplan Westerbork heeft op de verbeelding in deze locatie de waarde Archeologie 2 aangeduid, waarvoor een vrijstelling geldt van archeologisch onderzoek een oppervlakte tot 1.000 m2 en voor ingrepen dieper dan 30 cm bij bouwwerken. Het terrein is echter gelegen in de bufferzone van de historische kern van Westerbork. Dit betekent een signaalfunctie voor de archeologie in/bij oude kernen om snel te kunnen beoordelen of mogelijk oude gebouwen aangetroffen kunnen worden. De vrijstelling geldt in deze situatie dan ook niet zo strikt en is gezien de vroegere bebouwing in het plangebied archeologisch onderzoek vereist.
Onderzoek en conclusie
Voor dit plan is een archeologisch bureau- en booronderzoek verricht. Dit onderzoek opgenomen in bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat de top van het dekzand (en daarmee de archeologisch relevante laag) niet meer in tact is. De kans op het aantreffen van archeologische resten is daarmee laag. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geadviseerd het onderzoeksgebied vrij te geven. Dit advies dient getoetst en goedgekeurd te worden door het bevoegd gezag (in dit geval gemeente Midden-Drenthe) door middel van een selectiebesluit.
Sinds 1 januari 2012 is er een zorgplicht voor cultuurhistorie. Alle cultuurhistorische waarden dienen in ruimtelijke plannen meegewogen te worden. Deze maatregel is een gevolg van het project Modernisering van de Monumentenzorg (MoMo). Cultuurhistorische waarden kunnen bijdragen aan het landschap van de toekomst. Ze kunnen een bron van inspiratie zijn bij de inrichting van de ruimte en tegelijk iets van het verleden zichtbaar houden. Zo verhoogt cultuurhistorie de kwaliteit van de leefomgeving.
In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Er is dan ook geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Ook direct rondom het plangebied is van dergelijke bebouwing geen sprake.
Daarnaast geldt ook het aanwezige groen in het bebouwd gebied van Westerbork als aspect van cultuurhistorische waarde. Westerbork heeft een mooie uitstraling, waarbij het genoemde groen een grote rol speelt. In Westerbork vallen met name het oude bomenbestand en de bosbeplantingen op. Waardevol in cultuurhistorisch opzicht zijn:
Het plan doet geen afbreuk aan deze groene cultuurhistorische waarden in Westerbork. Een kleinschalige open ruimte in het dorp wordt weliswaar heringericht, maar blijft behouden. Bovendien blijft de bomenstructuur langs de Roessinghkamplaan behouden. Ter plaatse van de nieuwe aansluiting met de huidige Molenweg wordt een kleine bosschage weggenomen. Dit betreft echter geen cultuurhistorisch waardevol groen. Cultuurhistorische waarden worden derhalve met dit plan niet geschaad. Cultuurhistorie werkt niet belemmerend voor dit plan.
Afwegingskader
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
Onderzoek en conclusie
Onder de wegen en parkeervoorzieningen is gemeentelijke riolering aanwezig. Met deze ontwikkeling wordt de riolering partieel aangepast. Het betreft louter reguliere riolering die de planvorming niet belemmert. Verder zijn er geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig in en nabij het plangebied. Er wordt geconcludeerd dat het aspect planologisch relevante leidingen de uitvoering van de beoogde ontwikkeling niet belemmert.
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding is de bestemming vastgelegd, in de regels de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
In deze paragraaf volgt een korte omschrijving van de op de verbeelding voorkomende bestemmingen.
Verkeer - Verblijf
Er is voor de bestemming Verkeer - Verblijf gekozen omdat deze aansluit bij het geldende bestemmingsplan. De ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen vallen onder deze bestemming. Voor de herziening van de Roessinghkamplaan is hierbij aangesloten.
De nieuwe weg c.q. de nieuwe gedeelte van de Roessinghkamplaan, de fietsverbinding en het aan te leggen parkeerterrein kunnen binnen de bestemming Verkeer - Verblijf worden gerealiseerd. Op de verbeelding is één gebied aangegeven met deze bestemming. De precieze locatie van de weg, het fietspad en het parkeerterrein is niet vastgelegd. Hierdoor is het nog mogelijk om iets te schuiven met de inrichting.
Ondergeschikt aan deze bestemming zijn ook groenvoorzieningen, waterlopen en openbare nutsvoorzieningen mogelijk.
Gebouwen zijn in deze bestemming niet toegestaan.
Middels een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de gestelde maximale bouwhoogte. Bij gebruikmaking van deze bevoegdheid worden de algemene toetsingscriteria afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden gehanteerd zoals deze zijn opgenomen in artikel 7. Daarop aanvullend wordt de afwijking alleen verleend mits is aangetoond dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de verkeersveiligheid, de landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Onderdeel hiervan is de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. Ook wordt er in dit hoofdstuk aandacht besteedt aan het aspect grondexploitatie.
Het bestemmingsplan doorloopt een uitgebreide procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting.
Voorbereidingsfase
Gezien de omvang en aard van de planvorming heeft de gemeente er voor gekozen om het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage te leggen. Wel is in het kader van vooroverleg het concept van het ontwerp-bestemmingsplan voorgelegd aan de Provincie Drenthe en aan het waterschap Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden). De resultaten van dit vooroverleg worden meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan.
Aanpassing na overlegreacties
Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft middels een overlegreactie (d.d. 8 juni 2016) laten weten dat het voornemen geen of zeer geringe gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Het waterschap heeft enkele kleine opmerkingen gemeld in relatie tot de naamswijziging van het waterschap na fusering. Ook heeft het waterschap nadere informatie verschaft met betrekking tot de waterhuishouding.
Het plan is op deze onderwerpen aangepast.
De provincie Drenthe heeft geen opmerkingen op het bestemmingsplan, met uitzondering van het aspect archeologie. Uit de tekst van de toelichting blijkt dat er een archeologisch onderzoek is uitgevoerd, deze is alleen niet toegevoegd aan het plan. De provincie kan daarom het aspect archeologie niet beoordelen. De resultaten van het archeologisch onderzoek worden in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. De provincie Drenthe wordt in de gelegenheid gesteld om te reageren op het ontwerpbestemmingsplan.
Ontwerpfase
Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de in de Wro opgenomen formele bestemmingsplanprocedure. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder krijgt de gelegenheid voor het indienen van zienswijzen.
Vaststellingsfase
Ten aanzien van de ingekomen zienswijzen wordt een gemeentelijk standpunt bepaald in de zienswijzennota. Het resultaat van de zienswijzennota wordt verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kosten voor uitvoering van het plan worden gedragen door de gemeente Midden-Drenthe. De financiële dekking voor dit plan is door de gemeenteraad geaccordeerd. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende aangetoond.
Met de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, indien sprake is van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden.
In dit bestemmingsplan worden geen bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Het opstellen van een grondexploitatieplan is dan ook niet aan de orde.
Het ontwerpbestemmingsplan Westerbork - Roessinghkamplaan heeft met ingang van 3 november 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode had een ieder de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad ongewijzigd vastgesteld op 26 januari 2017.