| Plan: | Berkenlaan e.o. Westerbork |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1731.BerkenlaaneoWB-VST1 |
Sinds 2002 moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan bepalingen uit het natuurbeschermingsrecht: de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet. Uitgangspunt is dat er van ruimtelijke ingrepen geen nadelige invloeden mogen uitgaan op de aanwezige beschermde natuurwaarden en soorten.
In de flora- en faunatoets wordt door middel van een deskstudie gekeken naar de ligging van het plangebied ten opzichte van aangewezen natuurgebieden of ecologische verbindingszones en naar de verspreidingsgegevens van (beschermde) soorten planten en dieren in de omgeving van het plangebied. Om te kunnen beoordelen of de soorten die uit de deskstudie naar voren zijn gekomen ook daadwerkelijk in het plangebied voorkomen, zijn in een veldbezoek biotoopkenmerken van het plangebied en biotoopeisen van de soorten nader bestudeerd (Buro Bakker, januari 2010).
Gevolgen van de ingreep
Bij een beoordeling in het kader van de Flora- en faunawet zijn in de eerste plaats vaste verblijfplaatsen en groeiplaatsen van belang. Daaronder valt ook de functionele leefomgeving die nodig is om te overleven, zoals foerageergebied.
Het slopen van de huizen kan tot een mogelijke verdwijning van één of meer verblijfplaatsen van strikt beschermde vleermuizen leiden. Ook foerageergebied en vliegroutes kunnen mogelijk verdwijnen als gevolg van de werkzaamheden.
De Huismus is een koloniebroeder die elk jaar terugkeert naar dezelfde plek om te broeden. Als de Huismus gebruik maakt van het plangebied als broedlocatie zullen deze nesten worden verwijderd. Wanneer de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd kunnen deze niet alleen leiden tot de vernietiging van nesten van Huismussen, maar ook van andere broedvogels.
De werkzaamheden zullen daarnaast leiden tot het verdwijnen van leefgebied en verblijfplaatsen of groeiplaatsen van enkele licht beschermde soorten (tabel 1 Flora- en faunawet). De negatieve effecten zullen echter niet leiden tot het vernietigen van hele populaties. Het betreft allemaal algemene soorten waarvan de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is.
Mogelijkheden voor mitigerende en compenserende maatregelen
Mitigatie en compensatie zijn mogelijk aan de orde bij vleermuizen. Het kan zijn dat er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen zich in één of meer van de te slopen huizen bevinden. Nader onderzoek naar vleermuizen zal duidelijk maken of en welke soorten daadwerkelijk aanwezig zijn. De uitvoering van mitigatie en compensatie hangt dan af van het belang van de verblijfplaats voor de soort, aantal waargenomen dieren, alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving. Compensatie kan meestal worden gerealiseerd door alternatieve verblijfplaatsen aan te bieden. Mitigatie bestaat in de regel uit het uitvoeren van de werkzaamheden op vleermuisvriendelijke wijze en in het juiste jaargetijde.
Indien de Huismus gebruik maakt van het plangebied moet er mogelijk ontheffing worden aangevraagd om de nesten te mogen verwijderen. Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van nesten van huismussen in de woningen. Tussen april en augustus 2010 zijn geen nesten van huismussen waargenomen.
Mitigerende maatregelen zijn verder aan de orde bij de overige broedvogels. Vanwege het voorkomen van broedvogels is het noodzakelijk om werkzaamheden zoals het bouwrijp maken van grond en de kap van bomen en struiken buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen loopt van half maart tot eind juli. Werkzaamheden kunnen wel gedurende het broedseizoen worden voortgezet, wanneer er redelijkerwijs van uit kan worden gegaan dat vogels zich niet in het gebied hebben gevestigd tijdens de werkzaamheden.
Voor schade aan soorten waarvoor een vrijstelling geldt voor de Flora- en faunawet (tabel 1 soorten) hoeft niet te worden gecompenseerd. Op deze soorten is de zorgplicht wel van kracht (artikel 2 Flora- en faunawet). De zorgplicht bepaalt dat men wilde planten en dieren zo min mogelijk schade dient te berokkenen.
Conclusies en consequenties
De aanwezigheid van vleermuizen (soorten die bescherming genieten volgens tabel 3 van de Flora- en faunawet) kan met deze quickscan niet worden uitgesloten. Onderzoek naar vleermuizen vindt op dit moment plaats tijdens een aantal ochtend- en avondbezoeken in het zomerhalfjaar (globaal tussen april en oktober). Dit onderzoek loopt tot oktober 2010.
Het plangebied wordt druk bezocht door foeragerende Laatvliegers (3 a 4 exemplaren) en een aantal Gewone dwergvleermuizen (circa 2 exemplaren). Deze foerageren veel rond de bomen aan de Eikenlaan en in het parkje aan de achterzijde van de woningen aan de Berkenlaan. Er zijn voorlopig geen aanwijzingen dat er verblijfplaatsen in de te slopen woningen aanwezig zijn. Alvorens het bestemmingsplan wordt vastgesteld zal hier uitsluitsel over worden gegeven.
Mochten er alsnog vleermuizen worden aangetroffen in de woningen, dan zal een werkprotocol moeten worden opgesteld. Hierin moet duidelijkheid verschaft worden over uit te voeren mitigatie en compensatie.
Er zijn geen nesten van huismussen aangetroffen tijdens de veldbezoeken die tot nu zijn uitgevoerd in het plangebied.
Vanwege het voorkomen van broedvogels in het plangebied moeten de werkzaamheden (het bouwrijp maken van grond en het verwijderen van beplanting) buiten het broedseizoen (half maart tot half juli) plaatsvinden.
Alle andere gevonden en te verwachten soorten in het plangebied zijn licht beschermd. Voor deze soorten geldt een vrijstelling. Een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet hoeft voor deze soorten niet te worden aangevraagd. De algemene zorgplicht is dan wel van kracht.