Inhoudsopgave
Hoofdstuk 2 - Planbeschrijving
4.1 Archeologie en cultuurhistorie
4.2 Bedrijven en milieuzonering
Hoofdstuk 5 - Juridische vormgeving
6.1 Economische uitvoerbaarheid
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 1 - Inleiding
1.1 Aanleiding
Het voorliggende plan heeft betrekking op het perceel Beilerweg 11 te Hooghalen in de gemeente Midden-Drenthe. De eigenaar van dit perceel heeft het voornemen om op de huidige oprit naar de woning een garage, dan wel berging te bouwen. Deze ontwikkeling is volgens de geldende juridisch-planologische regelingen nu niet mogelijk. Om die reden is dit voorliggende plan opgesteld. Omdat in de huidige juridisch-planologische regelingen een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, betreft het bij dit onderhavige plan een wijzigingsplan.
1.2 Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied gelden op dit moment de bestemmingsplannen 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1). De gronden waar dit onderhavige bestemmingsplan betrekking op heeft, hebben op dit moment de bestemming 'Agrarisch met waarden - 1'. Daarnaast hebben de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en geldt er de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radiotelescoop 2'. Deze dubbelbestemmingen vormen echter geen belemmering voor het planvoornemen. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van de juridisch-planologische regeling weergegeven met een globale aanduiding van het plangebied.
![i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432000.png [image]](i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432000.png)
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 komt het relevante provinciale en gemeentelijke beleid aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de uitgangssituatie en de planuitgangspunten. De onderwerpen die in dit hoofdstuk worden beschreven, zijn: ruimtelijk-functionele structuur, bevolking en wonen, bedrijvigheid en voorzieningen, infrastructuur en groen, voor zover van toepassing. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeken die ten aanzien van verschillende milieu- en omgevingsaspecten zijn verricht. Het betreft de volgende onderwerpen: water, archeologie, ecologie, wegverkeerslawaai, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bedrijven en milieuzonering, duurzaamheid en bodem. In hoofdstuk 5 volgt de planbeschrijving in de vorm van een toelichting op de systematiek en een toelichting op de bestemmingen. Ten slotte verwoordt hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 2 - Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie
Het plangebied van dit wijzigingsplan is gelegen aan de Beilerweg 11 te Hooghalen. Hooghalen betreft een dorp met minder dan duizend inwoners en is bekend vanwege de aanwezigheid van Kamp Westerbork. Dit voormalige kamp bevindt zich aan de oostzijde van het dorp Hooghalen en derhalve aan de noordoostzijde van het plangebied. Hooghalen ligt halverwege tussen Beilen en Assen welke ongeveer 10.000 respectievelijk 70.000 inwoners tellen.
![i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432001.jpg [image]](i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432001.jpg)
Foto van de aanwezige bebouwing (Google Streetview, d.d. 03-04-2018)
![i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432002.jpg [image]](i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432002.jpg)
Luchtfoto (Bing Maps, d.d. 18-05-2018)
De directe omgeving van het plangebied is te kenmerken als agrarisch gebied waarbij de agrarische bedrijven, met bijbehorende woningen, zich in lintvorm aan de Beilerweg bevinden. Typerend voor het plangebied zijn de verschillende transportmodaliteiten in de omgeving. Op ongeveer 300 m afstand -aan de westzijde van het plangebied- bevindt zich de rijksweg A28 en vrijwel direct grenzend aan het plangebied -aan de oostzijde- bevindt zich een spoorlijn. De rijksweg loopt van Utrecht naar Groningen en de spoorlijn van Meppel naar Groningen. Aan de noord- en oostzijde van het plangebied bevinden zich, tussen de agrarische gronden, ook gronden welke zijn bestemd als 'Natuur'. Deze natuurgronden zijn onderdeel van het natuurgebied Westerbork. Tot slot ligt op ongeveer 240 m ten zuiden van het plangebied het Oranjekanaal welke van de Drentsche Hoofdvaart tot de Hoogeveensche Vaart loopt.
2.2 Toekomstige situatie
Zoals reeds aangeven, is de aanleiding voor dit planvoornemen de wens van de eigenaar van het perceel aan de Beilerweg 11 te Hooghalen om ter plaatse van de huidige oprit naar de woning een garage, dan wel berging te bouwen. Op dit moment heeft de huidige oprit de bestemming 'Agrarisch met waarden – 1' volgens de bestemmingsplannen 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1). Door deze bestemming te wijzigen naar de bestemming 'Wonen', sluiten de gronden wat betreft bestemming aan op het perceel waar de huidige woning staat. Zodoende wordt het planologisch gezien mogelijk om, bijvoorbeeld, een garage te bouwen op de plaats waar de huidige oprit naar de woning zich bevindt.
De te bouwen vrijstaande garage en/of berging zal voor wat betreft de uitstraling worden afgestemd op de woning. De garage krijgt een terughoudend volume en sluit voor wat betreft de materialen aan op de bestaande woning: stenen gecombineerd met zwartgeverfd hout en een nokrichting van een zadeldak die haaks staat op de weg. Door deze uiterlijke kenmerken ontstaat er tussen de woning en de garage een aaneengesloten geheel. Verder krijgt de garage een bouwlaag en een brutovloeroppervlak van 41,02 m2. Tot slot wordt de garage ook 5,00 m teruggeplaatst op het perceel ten opzichte van de oostgevel van de woning. De onderstaande afbeelding betreft een schets van de toekomstige garage.
![i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432003.png [image]](i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432003.png)
Ontwerpschets van de te bouwen garage dan wel berging.
Ten aanzien van de aspecten verkeer en parkeren heeft dit planvoornemen geen gevolgen. Het planvoornemen leidt niet tot een hogere verkeersgeneratie en het perceel aan de Beilerweg 11 te Hooghalen blijft voldoende parkeercapaciteit bieden.
Hoofdstuk 3 - Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits-Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de volgende documenten: PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
De SVIR schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Voor de periode tot 2028 zijn in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd:
-
De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat.
-
Het verbeteren van bereikbaarheid.
-
Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.
De provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke beleid en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden, bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn namelijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het opstellen van het onderhavige plan past in die lijn. Gezien de relatief kleinschalige aard en omvang van de ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat het rijksbeleid zelf niet direct relevant is voor het plan.
3.2 Provinciaal beleid
Omgevingsvisie en -verordening
Provinciale Staten hebben op 2 juli 2014 ingestemd met de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. De Omgevingsvisie is hét kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De provincie beschrijft hierin wat de gewenste ruimtelijk-economische ontwikkeling tot 2020 is. Daarbij is de volgende missie geformuleerd: "het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang ligt in het behouden en waar mogelijk ontwikkelen van de kernkwaliteiten.
In de Omgevingsvisie Drenthe geeft de provincie aan dat wordt gestreefd naar aantrekkelijke, gevarieerde en leefbare woonmilieus die voorzien in de woonvraag. Het maken van bovenlokale afspraken hierover is van provinciaal belang. Gemeenten werken hun aandeel in het woonaanbod en de woonmilieus uit in de gemeentelijke structuurvisie of het woonplan. Zij houden daarbij rekening met de huidige kernenstructuur in de gemeente en de behoefte aan verschillende woonmilieus.
Ten aanzien van zorgvuldig ruimtegebruik, geeft de provincie aan dat inbreiding boven uitbreiding gaat. De Ladder voor duurzame verstedelijking wordt daarbij als denkmodel gebruikt. Het model stelt onder meer dat extra ruimte voor wonen en werken zoveel mogelijk moet worden gezocht in of aansluitend aan bestaand bebouwd gebied en gebundeld rond de nationale en regionale infrastructuur en de openbaar vervoervoorzieningen.
Naast de Omgevingsvisie is voor het projectgebied ook de Provinciale Omgevingsverordening (POV) relevant. De geactualiseerde POV is op 15 oktober 2015 in werking getreden. In de POV is opgenomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen uiteengezet wordt dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform het provinciaal beleid en de sturingsniveaus zoals die zijn verwoord in de Omgevingsvisie. Daarnaast mag een ruimtelijke ontwikkeling geen nieuwe activiteiten dan wel een wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken die de kernkwaliteiten significant aantasten. Verder dient in het kader van zorgvuldig ruimtegebruik de Ladder voor duurzame verstedelijking gevolgd te worden.
AFWEGING
Het plan behelst het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch met waarden – 1’ naar de bestemming ‘Wonen’ zodat het planologisch gezien mogelijk wordt om een berging te bouwen ter plaatse van de huidige oprit. Deze wijziging van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door de Omgevingsvisie en -verordening van de provincie Drenthe. Ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking is de ontwikkeling van een dermate geringe omvang dat een formele toetsing niet nodig is. In zoverre is het planvoornemen in overeenstemming met het provinciaal beleid. Hierbij zij nog opgemerkt dat op afzienbare termijn de actualisatie van de omgevingsvisie vastgesteld wordt. De actualisatie is in het kader van dit planvoornemen niet relevant.
3.3 Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Midden-Drenthe 2030 ‘Platteland leeft!’
De gemeenteraad heeft op 28 juni 2012 de structuurvisie Midden-Drenthe 2030 'Platteland leeft!' vastgesteld. De structuurvisie gaat uit van een grote diversiteit tussen de dorpen van het buitengebied van de gemeente. De gemeente wil ruimte voor een grote diversiteit in het woningaanbod, verschillende vormen van landbouw, natuurontwikkeling koesteren en haar toeristische aantrekkelijkheid vergroten. Om deze speerpunten na te streven maakt de gemeente keuzes. Een van die keuzes houdt in dat de gemeente inzet op haar pijlers wonen, landbouw, natuur en recreatie. Daarnaast moeten nieuwe ontwikkelingen in de gemeente passen binnen de landschappelijke schaal van de betreffende locatie en moet een dergelijk nieuwe ontwikkeling bijdragen aan de levendigheid van deze dorpen en buurten.
AFWEGING
Met de in de structuurvisie geformuleerde doelen is dit planvoornemen in overeenstemming. De bouw van de garage dan wel berging past als nieuwe ontwikkeling in de schaal die het buitengebied ter plaatse heeft. Derhalve is het planvoornemen in overeenstemming met de gemeentelijke structuurvisie.
Welstandsnota
De gemeenteraad heeft op 12 februari 2018 de 'Welstandsnota Midden-Drenthe 2018' vastgesteld. Met de welstandsnota is een deel van het beleid voor de openbare ruimte vastgelegd. In de welstandsnota gaat het daarbij om de vraag hoe allerlei bouwwerken 'eruit zien'. Op zichzelf, maar ook kijkend naar de gebouwen er om heen en naar de openbare ruimte (de straat, het groen en dergelijke). Het gaat de gemeente om de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving. De welstandsnota draagt bij aan het versterken van deze kwaliteit.
Door de hele welstandsnota heen loopt als rode draad de richtlijn: houd bij het bouwen rekening met de omgeving. Daarmee verbindt de gemeente de sociale en ruimtelijke component in de gemeente. Midden-Drenthe is een gemeente waarin naoberschap aanwezig is. Dat wil ze zo houden en zo mogelijk uitbouwen. Dat naoberschap betekent ook dat inwoners bij bouwplannen rekening houden met de gevolgen voor de omgeving.
AFWEGING
Het planvoornemen om naast de bestaande woning op het perceel Beilerweg 11 te Hooghalen een garage, dan wel berging te bouwen, strookt met de eisen die volgen uit de welstandsnota van de gemeente Midden-Drenthe. Aan de rode draad ‘rekening houden met je omgeving’ voldoet dit plan: in het planvoornemen is sprake van een terughoudend volume, een ondergeschikte positie van de garage ten opzichte van de woning, een dakhelling die gelijk is aan die van de woning, afwerking wat betreft materiaalsoorten en kleuren die gelijk is aan de woning en eenzelfde nokrichting van de garage aan de woning. Daarnaast heeft het planvoornemen om een garage dan wel berging te bouwen ook geen invloed op eventuele karakteristieke gebouwen en bomen in de omgeving van het plangebied. Zodoende voldoet het planvoornemen aan de eisen die de welstandsnota stelt aan bouwplannen in de gemeente Midden-Drenthe.
Bestemmingsplan Buitengebied
De gemeente Midden-Drenthe heeft in het kader van dit planvoornemen een aantal aanvullende opmerkingen gemaakt. Een aantal opmerkingen betrof de welstandseisen zoals hierboven reeds beschreven. Daarnaast komen de volgende voorwaarden uit het nu geldende bestemmingsplan buitengebied aan de orde (artikel 4.9 onder k):
-
de garage/berging moet voldoen aan de bouwregels van artikel 28.2 van de bestemmingsplannen 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1). Na de bestemmingswijziging (van agrarisch naar wonen) kan de garage/berging vergunningsvrij gebouwd worden;
-
de oppervlakte van het bestemmingsvlak moet na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ten hoogste 3.000 m2 bedragen. Het perceel met de woning is circa 1.570 m2, het agrarisch perceel waar de garage/berging komt is ongeveer 660 m2. Samen zijn de percelen niet meer dan 2.300 m2;
-
aangetoond moet zijn dat geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven in die zin dat deze bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Er is geen sprake van een beperking (zie ook paragraaf bedrijven en milieuzonering);
-
er moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing van de gronden ten behoeve van het wonen en de gronden moeten als een aaneengesloten geheel worden ingericht. Dit is in onderhavige situatie al het geval, beide percelen ogen als een geheel;
-
aangetoond moet zijn dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de archeologische waarden en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Dit is niet het geval (zie hiervoor het hoofdstuk planbeschrijving en onderzoek).
Naast de bovengenoemde voorwaarden moet ook worden voldaan aan de algemene toetsingscriteria van artikel 43.2 van de bestemmingsplannen 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1). Er wordt uitsluitend overgegaan tot wijziging van het bestemmingsplan als het dit planvoornemen aantoont dat het geen onevenredige afbreuk doet aan een aantal aspecten, zoals hieronder aangegeven:
-
de milieusituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de verkeersveiligheid;
-
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
-
het bebouwings- en landschapsbeeld, in de zin dat die in overeenstemming dient te zijn met het beeldkwaliteitsplan buitengebied gemeente Midden Drenthe, de beleidsnota paardenhouderij en de landschap- en beheersvisie uit het landschapsbeleid van de gemeente.
-
het zicht op karakteristieke gebouwen en bomen en aaneengesloten bebouwing;
-
de verkeersveiligheid.
Aan de bovengenoemde aspecten kan worden voldaan (zie hoofdstukken 2 en 4), ofwel de aspecten zijn niet van toepassing (bijvoorbeeld de beleidsnota paardenhouderij) of betreffen verouderd beleid (bijvoorbeeld het landschapsbeleidsplan 2000).
Hoofdstuk 4 - Onderzoek
4.1 Archeologie en cultuurhistorie
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
Archeologie
Archeologische (verwachtings)waarden dienen vanwege de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 1 september 2007) te worden meegewogen in de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen. Doel van de Wet op de archeologische monumentenzorg is namelijk: 'bescherming van aanwezige en te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten'. Bij het opstellen en het uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.
De Erfgoedwet is juridisch gezien vertaald naar het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1). Dit bestemmingsplan bepaalt dat ter plaatse van het perceel Beilerweg 11 te Hooghalen de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ geldt. Voor gronden met deze bestemming geldt dat indien een planvoornemen betrekking heeft op een oppervlakte dat groter is dan 1.000 m2 en de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm plaatsvindt, er een archeologisch onderzoek moet worden overlegd waarin de archeologische waarden van het plangebied voldoende zijn vastgesteld of kunnen voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning. Omdat echter met dit planvoornemen geen sprake is van een oppervlakte groter dan 1.000 m2 (het planvoornemen voorziet in de bouw van een garage dan wel berging van ongeveer 40 m2), is een archeologisch onderzoek of aanvullende voorwaarden niet nodig. Derhalve kan dit bestemmingsplan voor wat betreft het aspect archeologie als uitvoerbaar worden geacht.
Cultuurhistorie
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Op basis van de ‘Omgevingsvisie 2014’ van de provincie Drenthe geldt voor het plangebied het sturingsniveau ‘respecteren’. Dat houdt in dat voor de provincie voor het plangebied zich richt op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst. Initiatiefnemers hebben daarbij de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten. Het plangebied bevindt zich echter niet in een van de concentratiegebieden waarvoor de provincie specifiek beleid hanteert. De Omgevingsvisie heeft op die manier dus geen invloed op het planvoornemen om een stuk grond met de bestemming 'Agrarisch met waarden – 1' te wijzigen in de bestemming 'Wonen' op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en het bestemmingsplan 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1). Dit bestemmingsplan kan dus voor wat betreft het aspect cultuurhistorie als uitvoerbaar worden geacht.
4.2 Bedrijven en milieuzonering
Milieuaspecten worden geregeld via de daartoe geëigende wetgeving, maar daar waar het de ruimtelijke ordening raakt, dient met deze aspecten rekening te worden gehouden. Het gaat dan om de situering van milieugevoelige objecten ten opzichte van milieuhinderlijke elementen. Van belang is namelijk dat de omgevingskwaliteit passend is voor de nieuwe bestemmingen. Andersom geldt dat met de nieuwe bestemmingen de aanwezige bedrijven en functies niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkeling. De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de methodiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.
In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen die informatie geeft over de milieukenmerken van typen bedrijven. Vervolgens geeft de lijst op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, gevaar en verkeer) een indicatie van de afstanden tussen bedrijfstypen en een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals rustig buitengebied), waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Deze afstand is gebaseerd op de grootste indicatieve afstand. De lijst is algemeen geaccepteerd als uitgangspunt bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Naast het omgevingstype 'rustige woonwijk' onderscheidt de VNG-brochure ook het omgevingstype 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matig tot sterke functiemenging. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één stap terug worden gebracht.
Afweging
In de omgeving van het plangebied komen verschillende bestemmingen en verschillende activiteiten voor. Aan de zuidkant van het plangebied, op ongeveer 150 m afstand, bevindt zich een grondgebonden agrarisch bedrijf. Aan de oostzijde, aan de andere kant van het spoor, bevindt zich een hondenschool en kennel. Deze bedrijvigheid ligt (planologisch gezien) op ongeveer 50 m afstand. De bedrijvigheid aan de zuidkant van het plangebied betreft het fokken en houden van rundvee. Op basis van de VNG-brochure geldt voor zulke bedrijvigheid (SBI-code 2008 0141 en 0142) milieucategorie 3.2 vanwege het aspect geur. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 100 m. Nu dit agrarische bedrijf op ongeveer 150 m is gevestigd van het plangebied, vormt het geen belemmering voor het plangebied.
Voor het bedrijf aan de oostzijde van het plangebied geldt voor de bedrijfsactiviteit hondenschool een milieucategorie 3.1 (SBI-code 2008 94991-B) vanwege het aspect geluid en voor de bedrijfsactiviteit kennel (SBI-code 2008 9609-A) een milieucategorie van 3.2 vanwege het aspect geluid. Voor milieucategorie 3.1 geldt een richtafstand van 50 m en voor milieucategorie geldt een richtafstand van 100 m. Het planvoornemen ligt binnen deze richtafstand van 100 m. Echter, omdat het bij dit planvoornemen gaat om het planologisch mogelijk maken van een gebouw dat dermate extensief gebruikt zal worden en in de omgeving van de kennel en andere woonbestemmingen op een vergelijkbare afstand liggen en voorzover bekend eveneens geen onevenredige hinder ervaren, vormt de kennel geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Zoals hierboven besproken, vormen de omliggende functies geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Omgekeerd belemmert de voorgenomen ontwikkeling (de bouw van een garage, dan wel berging) het functioneren van de omliggende functies niet. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
4.3 Bodem
Voor de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan dient de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk te worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie.
Met dit planvoornemen gaat het om het planologisch mogelijk maken van een garage dan wel berging ter plaatse van gronden welke nu een agrarische bestemming hebben en in gebruik zijn als oprit naast de woning. Omdat het met een garage, dan wel berging niet gaat om een gebouw of bouwwerk waarin mensen nagenoeg voortdurend langer dan 2 uur in verblijven, kan bodemonderzoek achterwege blijven. Zodoende kan men stellen dat er geen sprake zal zijn van een verslechtering van de kwaliteit van de bodem. Derhalve kan dit bestemmingsplan voor het aspect bodem als uitvoerbaar worden beschouwd.
4.4 Ecologie
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden moet men beoordelen in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. De wettelijke grondslag hiervan ligt per 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en in het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De Wnb regelt onder andere de soortenbescherming van planten en dieren, dit betreft de in het wild voorkomende vogels onder de vogelrichtlijn, de dier- en plantensoorten onder de habitatrichtlijn. Dier- en plantensoorten die in de bijlage van de wet genoemd worden vallen ook onder de beschermde soorten, op deze lijst mogen provincies een 'lijst met vrijstellingen' opstellen (artikel 3.11 van de Wnb). In de Wnb is eveneens de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
Omdat het perceel onafgebroken in gebruik is geweest als woonperceel (meer specifiek: als oprit), er geen beschermde flora en fauna in het projectgebied wordt verwacht en omdat er geen sprake is van een externe werking, kan ecologisch onderzoek achterwege blijven en vormt het aspect geen belemmering voor het onderhavige project.
4.5 Externe veiligheid
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Voor het plaatsgebonden risico is de zogeheten 10-6-contour richtinggevend. Deze plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar geldt als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten en betekent dat kwetsbare objecten niet binnen deze contour aanwezig mogen zijn of mogen komen. Beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan als daarvoor voldoende motivatie is gegeven. Het groepsrisico bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Ten aanzien van het groepsrisico met betrekking tot transportroutes geldt op grond van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, onder 1° van het Besluit externe veiligheid transportroutes dat indien een bestemmingsplan planologisch gezien kan leiden tot een bevolkingstoename van meer dan 10% ten aanzien van de bestaande situatie, er sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. In zulke gevallen moet het groepsrisico worden verantwoord, in andere gevallen –wanneer het bestemmingsplan dus niet leidt tot een bevolkingstoename van meer dan 10%- hoeft het groepsrisico niet te worden verantwoord.
Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied meerdere risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. De onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de betreffende risicokaart.
![i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432004.jpg [image]](i_NL.IMRO.1731.Beilerweg11HH-VST1_432004.jpg)
Fragment risicokaart waarbij het plangebied blauw omlijnd is (bron: risicokaart.nederland.nl)
Op basis van de risicokaart is te zien dat ten zuiden, op ongeveer 30 m van het plangebied, en ten westen, op ongeveer 60 m van het plangebied, zich een aardgastransportleiding bevindt. Het betreft de leiding N-521-44-KR-004 met een druk van 40 bar en een diameter van 15 cm. De plaatsgebonden risicocontour (10-6) van deze leiding valt niet buiten de bebouwingsvrije zone. Deze bebouwingsvrije zone wordt reeds door de bestemming ‘Leiding – Gas’ in de bestemmingsplannen 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1) veiliggesteld. Ten aanzien van het groepsrisico van de leiding geldt dat deze 70 m bedraagt. Het plangebied van dit bestemmingsplan valt binnen deze zone van 70 m. Omdat er echter alleen sprake is van een bestemmingswijziging die niet leidt tot een toename van het aantal mensen dat zich ter plaatse zal begeven, neemt het groepsrisico niet toe. Derhalve vormt de buisleiding geen belemmering voor het planvoornemen.
Behalve de aardgastransportleiding in de omgeving van het plangebied, bevindt zich ook de spoorweg Hoogeveen-Beilen-Assen. Over deze spoorlijn vindt ook transport van gevaarlijke stoffen plaats. De 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico van deze spoorweg bevindt zich echter op de spoorlijn zelf. Hierdoor vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het planvoornemen. Voor het groepsrisico geldt hetzelfde als ten aanzien van de aardgastransportleiding: doordat het planvoornemen niet voorziet in een toename van het aantal mensen dat zich ter plaatse zal begeven van meer dan 10% ten aanzien van de huidige situatie, hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. Derhalve vormt de spoorweg Hoogeveen-Beilen-Assen geen belemmering voor het planvoornemen.
Een derde risicovolle inrichting in de omgeving van het plangebied van dit bestemmingsplan, betreft de rijksweg A28. Deze snelweg, welke ter plaatse van Assen naar Hoogeveen loopt, bevindt zich op ongeveer 340 m afstand van het plangebied. Over deze snelweg vindt ook transport van gevaarlijke stoffen plaats. De 10-6-contour van deze weg bevindt zich echter op de snelweg zelf en dus levert het plaatsgebonden risico van de snelweg A28 geen belemmeringen mee voor dit planvoornemen. Voor het groepsrisico van de snelweg geldt dat omdat er alleen sprake is van een bestemmingswijziging die niet leidt tot een toename van het aantal mensen dat zich ter plaatse zal begeven van meer dan 10%. Om die reden hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord. Derhalve vormt de buisleiding geen belemmering voor het planvoornemen.
Uit bovenstaande gegevens blijkt dat voor wat betreft de omgevingsaspecten externe veiligheid op voorhand geen bezwaren zijn tegen de beoogde bestemmingswijziging en het planvoornemen om een garage dan wel berging op te richten. Vanwege voldoende afstand tot de aanwezige risicobronnen staat de externe veiligheid de functiewijziging niet in de weg. De voorgenomen ontwikkeling past bij het streven dat het groepsrisico niet toeneemt als gevolg van het plan.
Het bestemmingsplan kan voor wat betreft het aspect externe veiligheid als uitvoerbaar worden geacht.
4.6 Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/h geldt. In geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. In het plangebied zal echter geen (nieuwe) geluidsgevoelige bebouwing worden opgericht. Het planvoornemen voorziet in een bestemmingswijziging om op die manier een garage dan wel berging mogelijk te maken en er wordt geen geluidsgevoelige bebouwing opgericht. Het bestemmingsplan kan dus voor het aspect geluid als uitvoerbaar worden beschouwd.
4.7 Luchtkwaliteit
Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Omdat het planvoornemen enkel voorziet in een kleine bestemmingswijziging om de bouw van een garage dan wel berging mogelijk te maken, kan verdere toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de netto verslechtering van de luchtkwaliteit ten aanzien van het nu geldende planologische regime, bijvoorbeeld als gevolg van de toename van verkeersbewegingen, verwaarloosbaar klein zal zijn. Het bestemmingsplan kan dus voor het aspect luchtkwaliteit als uitvoerbaar worden beschouwd.
4.8 Water
Het beleid van het Waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Water Raakt!, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid Beheer en Onderhoud Stedelijk water 2013-2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.
Afweging
Voor dit bestemmingsplan is op 18 mei 2018 de watertoets doorlopen. De watertoets is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Uit het advies van het Waterschap Drents Overijsselse Delta blijkt dat korte procedure gevolgd is.
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1.500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
De bestemming en de grootte van dit plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. Derhalve kan dit bestemmingsplan voor wat betreft het aspect als uitvoerbaar worden geacht.
4.9 M.e.r.-beoordeling
Algemeen
Op 1 april 2011 is het (gewijzigde) Besluit m.e.r. in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Daarbij zijn in het bijzonder de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EU-richtlijn van belang. Deze omstandigheden betreffen onder andere de kenmerken van de potentiële effecten en cumulatie. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn eventuele keuze voor géén m.e.r.-beoordeling voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de overwegingen van het moederbesluit. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Op basis van de vormvrije m.e.r. blijkt of al dan niet een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is.
Vervolgens is het Besluit m.e.r. op 7 juli 2017 wederom gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Het gewijzigde Besluit m.e.r. geldt vanaf 16 mei 2017 voor alle lopende vergunningaanvragen en bestemmingsplannen waarover nog geen besluit is genomen. Één van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2, vijfde lid van het Besluit m.e.r.
Onderzoek
De beoogde ontwikkeling blijft onder de drempelwaarden van alle activiteiten zoals opgenomen in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Bij D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. gaat het om "de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen". Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals verwoord in dit hoofdstuk, blijkt voorts dat het voornemen geen significant effecten op de omgeving heeft. Het gaat immers om het planologisch mogelijk maken van een garage dan wel berging van ongeveer 42 m2. Voor het voornemen hoeft daarmee geen m.e.r.-(beoordelings)procedure te worden doorlopen. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.
Hoofdstuk 5 - Juridische vormgeving
5.1 Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het krachtens artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Hierna worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.
5.2 Opbouw van de regels
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit:
Dit wordt in het navolgende nader toegelicht.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Hierin wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe dient te worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan.
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels
Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen enzovoorts. De aard van de toegelaten inrichting van de gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. In het bestemmingsplan worden meerdere bestemmingen onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn regelingen als de bestemmingsomschrijving, bebouwingsmogelijkheden en gebruiksmogelijkheden gekoppeld. Per bestemming wordt de indeling volgens de SVBP 2012 gehanteerd. Deze volgorde en de naamgeving zijn standaard en dienen in principe te worden gevolgd. De volgende bestemmingen komen in dit bestemmingsplan voor:
De enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' sluiten aan bij de bestemmingen zoals die zijn opgenomen in de bestemmingsplannen 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1). Wel zijn een aantal onderdelen van de bestemmingen weggelaten. In die gevallen gaat het om regels die niet voor het onderhavige planvoornemen van toepassing zijn.
Op basis van de bestemming 'Wonen' is het toegestaan om op de gronden met die bestemming te wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep, mantelzorg of een gastouderopvang. Daarbij zijn de gronden ook bestemd voor (bedrijfs)woningen, aan- en uitbouwen en overkappingen, tuinen enzovoorts. De bouwregels van deze bestemming laten verschillende bouwwerken toe. Wel worden er eisen gesteld aan de oppervlakten, hoogten en dakhellingen van de betreffende hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Naast bouwregels bevat de bestemming ook gebruiksregels. Zulke gebruiksregels bepalen op welke manier men gronden met de betreffende bestemming mogen gebruiken. Toegestaan is om de gronden te gebruiken voor een aan huis verbonden beroep en het gebruiken van verlichting bij een paardrijbak. Wel zijn aan zulks gebruik een aantal voorwaarden verbonden.
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' bepaalt dat gronden mede zijn bestemd voor het behoud van de mogelijk te verwachten archeologische waarden en de mogelijke archeologische waarden in niet gekarteerde gebieden. De bijbehorende bouwregels schrijven voor dat indien een aanvrager van een omgevingsvergunning voornemens is om de bodem te roeren met daarbij een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm, de betreffende aanvrager een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Ook kan aan een omgevingsvergunning bepaalde voorwaarden worden verbonden om de archeologische waarden van het gebied veilig te stellen.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels
Hieronder zijn begrepen de anti-dubbeltelregel, de algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels, de algemene afwijkingsregels en de overige regels. De anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro. De algemene gebruiksregels, de algemene aanduidingsregels, de algemene afwijkingsregels en de overige regels zijn op basis van de bestemmingsplannen 'Buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.Buitengebied-VST1) en 'Correctieve herziening bestemmingsplan buitengebied Midden-Drenthe' (met identificatienummer NL.IMRO.1731.CorHerBuitengebied-VST1).
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk omvat standaard overgangsrecht en de slotregel conform artikel 3.2.1 van het Bro.
Hoofdstuk 6 - Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Door middel van de grondexploitatieregeling beschikt de gemeente over de mogelijkheid tot het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Wanneer sprake is van een bouwplan als bepaald in artikel 6.12 van de Wro en 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) moet de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is.
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst gesloten. Hierin is vastgelegd dat eventuele planschadekosten, welke het gevolg zijn van het project, voor rekening van de initiatiefnemer komen. Het plan is derhalve economisch uitvoerbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan is vanaf 25 juni 2018 gedurende zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Er zijn in deze termijn geen zienswijzen ingediend.