| Plan: | Landgoed Börkerheide te Westerbork |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1731.Beilerstraat13aWB-VST1 |
Sinds meerdere decennia is het Landgoed Börkerheide aan de Beilerstraat 13a in Westerbork als kampeerterrein in bedrijf. De voormalige recreatieondernemer heeft zijn terrein in 2019 verkocht. Het terrein sluit niet aan bij de vraag naar de markt ofwel de behoefte van de huidige veeleisende recreant. Een aangepaste planologische regeling is dan ook wenselijk.
In de huidige situatie is er voor het kampeerterrein van circa 7 ha een vergunning voor 270 kampeerplaatsen. Er mogen tenten, caravans, campers, stacaravans worden geplaatst. Op een deel van het terrein (circa 1,5 ha) zijn ook lodges toegestaan.
Het landgoed wordt gefaseerd ontwikkeld van een 'rechttoe-rechtaan' camping tot een kwalitatief hoogwaardig recreatieterrein, waar het draait om beleving en avontuurlijk recreëren.
De mogelijkheden voor toeristisch kamperen blijven aanwezig naast het behoud van de huidige camperplaatsen, de safaritenten en de 2 boomhutten.
De planologische mogelijkheid om stacaravans te kunnen bouwen van 30 m2 wordt door middel van dit bestemmingsplan omgezet naar de mogelijkheid om recreatiewoningen en andere recreatieve nachtverblijven te kunnen bouwen (bijv. chalet of trekkershut).
In het bosrijke gebied aan de zuidwestkant van de camping is de wens om bijzondere verblijfsaccommodaties te realiseren. In dat gedeelte zijn nu al 2 boomhutten aanwezig. Dit aantal zou uitgebreid kunnen worden of als in de toekomst er nieuwe typen accommodaties op de markt komen, zouden die in dat gedeelte gerealiseerd kunnen worden. Het aantal is daarbij begrensd op 15.
De mogelijkheden voor het bouwen van lodges is daarmee komen te vervallen.
Per saldo biedt het voorliggende bestemmingsplan daarmee vergelijkbare bebouwingsmogelijkheden dan het geldende bestemmingsplan. Dit komt ten goede aan de kwaliteit van de camping en draagt bij aan het behoud van de natuurlijke inrichting van het terrein. Deze kwaliteiten geven een duidelijke meerwaarde aan het recreëren op dit landgoed.
Het Landgoed Börkerheide heeft op dit moment in het vigerende bestemmingsplan ‘Westerbork’ (vastgesteld op 25 september 2014) de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie', met als aanduiding ‘kampeerterrein’. Het zuidoostelijke deel van het terrein heeft voorts de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - lodges’. In het noorden is een klein bouwvlak met maatvoering opgenomen.
Het hele Landgoed heeft daarnaast de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De gronden zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van een kampeerterrein, inclusief standplaatsen voor stacaravans en lodges. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan is weergegeven.
Tevens geldt ter plaatse ook het bestemmingsplan 'Westerbork, herziening evenementen en ambulante detailhandel'. Dit bestemmingsplan is niet relevant voor landgoed Börkerheide .
Afbeelding 1.1: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Westerbork' (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
De voorgenomen herontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan 'Westerbork'. Derhalve is dit nieuwe bestemmingsplan opgesteld.
Hoofdstuk 2 bevat een uitgebreide beschrijving van de huidige situatie en de toekomstige situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op het ter zake doende beleid op rijksniveau, provinciaal niveau en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 beschrijft de ruimtelijk relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 betreft de juridische toelichting op het plan. In dit hoofdstuk worden de regels toegelicht. Tot slot gaan Hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Het Landgoed Börkerheide ligt aan de doorgaande weg Beilerweg, te Westerbork. In de directe omgeving zijn een buffetrestaurant, een hotel-restaurant, zwembad, manege en overige toeristische en horecavoorzieningen aanwezig. Het landgoed is gelegen in een bosrijk en heidegebied. Het landgoed ligt nabij de dorpskern van Westerbork, waar ook andere voorzieningen aanwezig zijn. Hieronder is een luchtfoto van het landgoed opgenomen, waarbij de ligging globaal is aangegeven.
Afbeelding 2.1: Globale ligging plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Op het Landgoed Börkerheide wordt een variëteit aan mogelijkheden geboden voor verblijfsplaatsen. Men kan hier kamperen met een tent, camper of caravan, maar ook verblijven in een van de safaritenten of boomhutten. Onderstaande afbeelding geeft een plattegrond van het terrein weer met de verschillende verblijfsmogelijkheden.
Afbeelding 2.2: Huidige plattegrond Landoed Börkerheide (bron: initiatiefnemer).
De initiatiefnemer heeft de wens het Landgoed gefaseerd te ontwikkelen van een 'rechttoe-rechtaan' camping tot een kwalitatief hoogwaardig recreatieterrein, waar het draait om beleving en avontuurlijk recreëren. Voorliggend bestemmingsplan heeft met name als doel om het juridisch-planologisch mogelijk maken van toekomstige ontwikkelingen, waarmee het voor de initiatiefnemer mogelijk wordt gemaakt om in de toekomst in te spelen op trends en ontwikkelingen in de markt. Voorbeelden zijn onder andere tipi's, boomhutten en villa's. Om in te kunnen spelen op de markt en het bieden van flexibiliteit biedt dit bestemmingsplan de mogelijkheid voor het faciliteren van kampeermiddelen, en bijzondere en innovatieve recreatieve nachtverblijven. Als basis hiervoor is de bestemming 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 2' uit het bestemmingsplan Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022 gehanteerd, zoals die voor meerdere campings in de gemeente Midden-Drenthe geldt. Dat betekent dat de mogelijkheid van stacaravans van 30 m2 wordt omgezet naar de mogelijkheid om recreatiewoningen van verschillende groottes te bouwen (van maximaal 50 m2 tot maximaal 100 m2), waardoor een gevarieerd recreatieterrein ontstaat, naast de mogelijkheid voor toeristische kampeerplaatsen.
De bedoeling is om een variatie in typen recreatiewoningen te bouwen, passend in de natuurlijke omgeving van de camping. Deze worden niet allemaal tegelijk gebouwd, maar er wordt in de komende jaren ingespeeld op marktontwikkelingen en kansrijke vormen van verblijf.
Daarnaast wil de initiatiefnemer bijzondere verblijfsaccomodaties realiseren in het bosgebied aan de zuid-westzijde van de camping. Een concreet voorbeeld hiervan is het realiseren van maximaal 15 boomhutten of andere bijzondere verblijfsaccommodaties. Op dit moment staan al twee boomhutten op het terrein en de eigenaar wil dit onderdeel van het landgoed gaan uitbreiden met meer van deze boomhutten.
Hiervoor wordt uitgegaan van bebouwing van maximaal 120 m2 per accomodatie (inclusief terras en trap). De vloerhoogte zal circa 3 m worden en de bebouwing zelf 6 m (vanaf de vloer). Vergelijkbaar met de reeds gebouwde boomhutten (zie afbeelding hieronder). De onderlinge afstand tussen de boomhutten wordt minimaal 15 meter.
Bij de bouw zal gebruik worden gemaakt van natuurlijke materialen, waarbij hout de voorkeur boven steen heeft. De natuurlijke kwaliteiten van het gebied en haar omgeving (een waterpartij, bossen en heideveld) blijven in tact. Deze kwaliteiten geven een duidelijke meerwaarde aan het recreëren op dit landgoed.
Afbeelding 2.3 Boomhut De Den op Landgoed Börkerheide (bron: initiatiefnemer).
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Nationale belangen en vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn 21 nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk.
Er zijn vier prioriteiten waar het Rijk op wil sturen en richting geven:
Afwegingsprincipes
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
Conclusie
De NOVI bevat beleid op een hoog schaalniveau en doet geen uitspraken over dit initiatief of over het plangebied. Het initiatief is daarmee niet strijdig met de NOVI.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en in oktober 2012 aangevuld. Het Barro heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan ruimtelijke besluiten op provinciaal en gemeentelijk niveau moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.
Conclusie
Het Barro doet geen uitspraken over dit initiatief of over het plangebied.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze verplichte toetsing is verder vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Per 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden.
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing als er sprake is van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Onder 'andere stedelijke voorzieningen' vallen ook leisure. Op basis van een uitspraak van de Raad van State (uitspraak 201505214/1/R1) wordt het terrein zoals in voorliggend plan relevant is wel als stedelijke ontwikkeling aangemerkt.
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Uit jurisprudentie volgt echter dat 'Een plan dat bij recht voorziet in een stedelijke ontwikkeling, maar ten opzichte van hetgeen het voorgaande plan bij recht, in combinatie met een afwijkingsbevoegdheid mogelijk maakte, niet in relevante mate voorziet in meer of andere planologische mogelijkheden, voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling'.
In dit geval gaat het om het aanpassen van de juridische regeling van het bestemmingsplan waardoor per saldo er minder bebouwing mogelijk wordt gemaakt. In die context is een motivering van de behoefte op basis van de ladder duurzame verstedelijking niet nodig.
Conclusie
De ladder vormt geen verdere belemmering voor het initiatief, want het betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
De provincie Drenthe heeft op 3 oktober 2018 de gereviseerde Omgevingsvisie Drenthe 2018 vastgesteld. Deze is op 18 mei 2022 geactualiseerd. Voor de revisie is een verkenning en duiding voor de thema's energie, stedelijke ontwikkeling en vrijetijdseconomie uitgevoerd.
De Omgevingsvisie vormt hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein.
De missie uit de Omgevingsvisie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn:
In een Drenthe-breed onderzoek is de vitaliteit van de verblijfsrecreatiesector in kaart gebracht. Uit dit onderzoek blijkt dat bij de revitaliseringsopgave geldt dat er een sterke verwevenheid is op zowel economisch, fysiek-ruimtelijk, volkshuisvestelijk als sociaal-maatschappelijk terrein. Problemen zijn vaak niet ééndimensionaal. Het onderzoek toont aan dat sprake is van een meervoudige opgave, die beleidsvelden én gemeentegrenzen overstijgt en een meerjaren-, integrale aanpak vereist.
Revitalisering van bestaande verblijfsrecreatie
Ten aanzien van de revitalisering van bestaande verblijfsrecreatie heeft de provincie de volgende ambitie opgenomen in haar omgevingsvisie:
Voor deze opgave werken we nauw samen met alle betrokken partijen. Daarbij kiezen we voor de aanpak Eén park (plangebied), één plan. Voor de revitaliseringsopgave zijn weliswaar primair de bedrijven en eigenaren verantwoordelijk, maar gezien de aard, de complexiteit en de omvang van de opgave wordt ook inzet en betrokkenheid gevraagd van gemeenten en provincie, vanuit meerdere domeinen (vrijetijdseconomie, maar ook wonen/volkshuisvesting, leefomgeving, infrastructuur, ruimtelijke ordening, sociaal domein, natuur en openbare orde). We zetten in op een nauwe samenwerking met de gemeenten, (vereniging van) eigenaren, maatschappelijke organisaties en de sector. De problematiek overstijgt de gemeentegrenzen en ingrepen in een gemeente hebben invloed op de situatie in de andere gemeenten.
Een vitale verblijfsrecreatiesector vraagt om een aanpak voor zowel vitale als niet-vitale parken. De rol van de gemeenten en provincie verschilt echter per opgave. Bij de opgaven voor vitale vakantieparken is de sector eerst aan zet en hebben wij een faciliterende, stimulerende en aanjagende rol. De revitaliseringsstrategie is bij de zogeheten excellente parken vooral gericht op het stimuleren en het laten excelleren van het ondernemerschap, product- en conceptontwikkeling, innovatie en herontwikkeling. Voor de opgaven omtrent niet-vitale verblijfsparken hebben we een meer sturende rol. De strategie voor deze parken is: transformeren, consolideren, herontwikkelen en handhaven.
In de Omgevingsvisie is verder ten opzichte van herontwikkeling en uitbreiding opgenomen dat het voor een duurzaam economisch perspectief voor bedrijven in de vrijetijdssector noodzakelijk is dat zij zich kunnen aanpassen aan de vraag van de markt. De ambitie is om voor bedrijven ruimte te creëren voor noodzakelijke aanpassingen en ontwikkelingsmogelijkheden. Om de marktpositie te verbeteren kan een bedrijf er voor kiezen om, binnen de bestaande oppervlakte van het park, vernieuwende recreatieconcepten te ontwikkelen of het aanbod te verbeteren. Hiervoor is ruimte binnen de provinciale beleidsuitgangspunten. Bij deze afweging is altijd sprake van maatwerk.
Vitale vakantieparken
Samen met gemeenten, Recreatieschap Drenthe en RECRON werkt provincie Drenthe aan het project Vitale Vakantieparken. Een project om vakantieparken en campings in Drenthe, die er op dit moment recreatief en economisch gezien minder goed voorstaan, te ondersteunen om weer recreatief en economisch gezond (aantrekkelijk) te worden. Die ondersteuning is er ook voor vakantieparken en campings die er goed voorstaan, om ze de mogelijkheid te bieden verder door te ontwikkelen (excelleren). Daarnaast worden parkeigenaren en/of verenigingen van eigenaren van terreinen zonder recreatieve mogelijkheden en kansen voor de toekomst, begeleid naar een passende andere bestemming (transformeren).
Met de aanpak willen de betrokken partijen de volgende doelen behalen in de periode 2018-2024: meer ruimte voor ondernemerschap, meer bestedingen door toeristen, meer werkgelegenheid, meer grip op sociale problematiek, meer balans tussen vraag en aanbod.
Toets aan provinciaal beleid
Het Landgoed sluit in de huidige opzet te weinig aan op de marktvraag en is niet voldoende rendabel. Door te kiezen voor kwaliteit in plaats van kwantiteit wordt het Landgoed herontwikkeld tot een onderscheidend concept. Deze herontwikkeling vindt plaats binnen de grenzen van het bestaande recreatieterrein. Het plan sluit hiermee aan op het provinciale beleid ten aanzien van de revitalisering van de verblijfsrecreatiesector.
Conclusie
Het initiatief is in lijn met de Provinciale Omgevingsvisie.
De Omgevingsvisie is nader vertaald in de Provinciale omgevingsverordening. Deze is vastgesteld op 3 oktober 2018 en nadien nog enkele keren herzien, de meeste recente was op 1 juni 2022. In de Omgevingsverordening zijn de kernkwaliteiten uit de omgevingsvisie juridisch geborgd en doorvertaald als archeologie, aardkundige waarden, cultuurhistorie, landschap, rust, en natuur.
Om de missie te bereiken, wil de provincie vijf robuuste systemen ontwikkelen. Deze systemen zijn: sociaal economische structuur, klimaatbestendig watersysteem, robuuste landbouw, robuuste natuur en het multifunctioneel systeem. Binnen deze systemen staat de ontwikkeling van de hoofdfunctie (respectievelijk wonen en werken, water, natuur en landbouw) voorop. Een robuust systeem wil zeggen dat een verstoring als gevolg van een ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor het functioneren van het systeem.
Daarnaast is voor het bereiken van de missie de ruimtelijke kwaliteit van belang. De provincie wil ontwikkelingen stimuleren die een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit, rekening houdend met de kernkwaliteiten die de Drentse identiteit bepalen.
In de Omgevingsverordening is daarom opgenomen (artikel 2.6) dat in een ruimtelijk plan uiteen wordt gezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten. Het plan maakt daarbij geen activiteiten mogelijk die deze kernkwaliteiten significant aantasten. Hieronder wordt elke kernkwaliteit individueel besproken.
Kernkwaliteit landschap
De kwaliteit en de diversiteit van het Drentse landschap dragen sterk bij aan een aantrekkelijk milieu om in te wonen, te werken en te recreëren. Landschap is één van de zes kernkwaliteiten van Drenthe. De identiteit van het Drentse landschap wordt bepaald door de ontstaansgeschiedenis en de diversiteit aan landschapstypen. De provincie richt zich op het in stand houden en versterken van het landschap als economisch, ecologisch en cultureel kapitaal. In de omgevingsvisie zijn zes landschapstypen te onderscheiden. Het doel is deze landschapstypen van Drenthe herkenbaar, beleefbaar en leesbaar te houden.
Het plangebied is gelegen in het esdorpenlandschap. De essen en beekdalen zijn van provinciaal belang. Het provinciaal beleid is gericht op behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting. Zoals ook hierboven vermeld is bij cultuurhistorie, blijven bij dit initiatief de natuurlijke kwaliteiten van het gebied en haar omgeving (een waterpartij, bossen en heideveld) in tact. Deze kwaliteiten geven een duidelijke meerwaarde aan het recreëren op dit landgoed. Het landschap wordt door het initiatief niet aangetast.
Kernkwaliteit natuur
De natuur in Drenthe is bijzonder, en wordt gekenmerkt door een aantal bijzondere elementen. Zo is er op grote schaal keileem aanwzig, waardoor de grond rijk is aan voedingsstoffen en mineralen. Drenthe heeft nog veel grootschalig, robuuste natuurgebieden die gezamelijk een belangrijk deel in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormen. De provincie richt zich op het beschermen, beleven en benutten van deze gebieden.
Drenthe heeft een rijk aanbod aan dag- en verblijfsrecreatie, maar er is een vraag naar meer kwaliteit, comfort en beleving. De provincie wil graag meewerken aan plannen die hierin voorzien, met het belang van de natuur en de recreatief-toeristische sector van belang is.
Kernkwaliteit cultuurhistorie
Het cultuurlandschap, met daarin het gebouwde erfgoed als ankerpunten, is sterk bepalend voor hoe men de leefomgeving ervaart. Het geeft er betekenis aan en is zo direct verbonden met het beeld van de Drentse identiteit. Daarom heeft de provincie de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), die het provinciaal belang vastlegt, met daarin drie sturingsniveaus. Het provinciaal beleid ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in de beleidsnota "Cultuurhistorisch Kompas Drenthe". Twee doelstellingen staan centraal: het herkenbaar houden van de cultuurhistorie (hiervoor is een Cultuurhistorische Hoofdstructuur vastgelegd) en het versterken van de ruimtelijke identiteit.
Het plangebied ligt in deelgebied 'De velden in centraal Drenthe' van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De ambitie is het herkenbaar houden van de samenhang van twee bos- en heidegebieden met de nabijgelegen esdorpen. De bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en van Hooghalen zijn een resultante van de ontginning van de woeste gronden rond de esdorpen. Ook het behouden van de samenhang van de esdorpen Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte met de naastgelegen beekdalen is bepalend voor de toekomst.
Het gebied is aangewezen als gebied waar de provincie de ambitie "respecteren" heeft opgenomen. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische hoofdstructuur als inspiratiebron te benutten voor ontwikkelingen. Als provincie zullen wij plannen en initiatieven daar op beoordelen.
Zoals eerder vermeld, blijven bij dit initiatief de natuurlijke kwaliteiten van het gebied en haar omgeving (een waterpartij, bossen en heideveld) in tact. Deze kwaliteiten geven een duidelijke meerwaarde aan het recreëren op dit landgoed. Het initiatief tast de cultuurhistorie niet aan.
Kernkwaliteit archeologie
Het provinciaal beleid voor de Drentse archeologie is gericht op instandhouding, bescherming, beleven en benutten. Het archeologisch erfgoed behoort tot het ruimtelijk erfgoed en is een belangrijke bouwsteen van de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van Drenthe (kernkwaliteit archeologie).
Voor het plangebied is het beschermingsniveau '1: generiek' van toepassing. Het beschermingsniveau Generiek richt zich op het algemene uitgangspunt dat alle behoudenswaardig archeologische vindplaatsen (waarden) die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen. Het aspect archeologie wordt nader toegelicht in paragraaf 4.1.
Kernkwaliteit aardkundige waarde
Drenthe heeft een eigen karakter, een eigen (ruimtelijke) identiteit, die door inwoners en bezoekers hoog wordt gewaardeerd. Het aardkundige landschap van Drenthe is hiervoor in belangrijke mate bepalend. Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de procincie behouden en, waar mogelijk, herstellen. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteit aardkundige waarden.
Het plangebied heeft het beschermingsniveau 'middel'. In deze gebieden vormen de aardkundige waarden een randvoorwaarde voor ontwikkelingen. Aardkundige waarden geven de richting aan, door het behoud van karakteristieken na te streven, zodat de kenmerken van het aardkundig hoofdlandschap worden behouden. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om vroegtijdig in het planproces inzichtelijk te maken hoe zij de aardkundige kwaliteiten als (ruimtelijke) onderlegger voor nieuwe plannen benutten.
Kernkwaliteit rust
Het plangebied ligt in een gebied dat is aangewezen voor behoud van duisternis. Omdat het plan niet voorziet in toevoegen van functies of woningen waarbij extra verlichting nodig is, heeft het plan geen invloed op deze kernkwaliteit.
Ten behoeve van nieuwe verblijfsrecreatie en/of uitbreiding van verblijfsrecreatie stelt de Omgevingsverordening (artikel 2.21) dat een ruimtelijk plan alleen kan voorzien in een nieuw park of uitbreiding van een park indien het ruimtelijk plan regels stelt ter waarborging van levensvatbare langjarige bedrijfsmatige exploitatie van het park, zodat permanente bewoning van recreatiewoningen wordt voorkomen. Zoals wordt geconcludeerd in voorgaande paragrafen, wordt het park tot een vitaal, kwalitatief Landgoed herontwikkeld. In voorliggend bestemmingsplan wordt niet bij voorbaat het soort accommodatie en de omvang van de accommodatie vastgelegd, maar wordt geregeld dat kan worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen en veranderende marktvraag. Permanente bewoning van recreatiewoningen is uitgesloten in de planregels.
Conclusie
De omgevingsverordening van de provincie Drenthe vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Op 2 juni 2022 is de Omgevingsvisie Midden-Drenthe vastgesteld. Deze visie geldt voor de gehele gemeente en legt in grote lijnen het beleid voor de komende tijd vast. Dit is gecentreerd rondom het idee dat in 2035 binnen Midden-Drenthe ruimte is voor iedereen om mee te doen, om te wonen, voor duurzame innovatie, voor ontwikkeling en ruimte die samen gemaakt wordt. De uitwerking is gestructureerd op de volgende thema's met bijbehorende kernambities:
Toets aan gemeentelijk beleid
De initiatiefnemer streeft naar recreatie met respect voor en behoud van natuur, maar wil tegelijkertijd inzetten in de actieve ontwikkeling van de verblijfs- en recreatielocatie die het landgoed toevoegd aan de gemeente. Rondom het terrein loopt op dit moment een wandelpad dat openbaar toegankelijk is. Dit pad wordt veel gebruikt door inwoners van Westerbork als 'dorpsommetje'. Aanvrager is van plan om deze wandelroute ook in de toekomst te respecteren als 'dorpsommetje', en om de heide als wandelgebied openbaar toegankelijk te houden. Het plan sluit aan op de gemeentelijke visie en de genoemde kerndefinities.
Conclusie
De herontwikkeling van het Landgoed sluit goed aan bij het beleid van de gemeente om een kwaliteitsslag te maken in de Drentse verblijfsrecreatie. Daarnaast wordt voldaan aan de uitgangspunten van een goede ruimtelijke ordening. Dit komt hieronder nader aan de orde.
Voorliggend plan voorziet in een functieverandering van het plangebied ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Deze verandering maakt snellere veranderingen in de toekomst mogelijk, zodat het landgoed makkelijker kan inspelen op veranderingen en het terrein kan blijven doorontwikkelen. Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van het voornemen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven en wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.
Wettelijk kader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend hierop zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Dit is uitgewerkt in paragraaf 4.2. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden.
Onderzoek
Het Landgoed heeft in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk bij ingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,3 m. De oppervlakte van de verblijfseenheden komt hier boven uit. Zodoende is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Daarbij is eerst bureauonderzoek uitgevoerd en op basis daarvan een zogenaamd karterend booronderzoek. Dit onderzoek is als .. bij deze toelichting opgenomen.
Uit het bureauonderzoek bleek dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het Drents keileemplateau en dat het op een afzetting van landduinen met bijbehorende vlakten en laagten ligt. Archeologische resten kunnen vanaf het maaiveld voorkomen en bestaan uit grondsporen en materiaal uit alle perioden tot en met de nieuwe tijd. Op de drogere delen van het dekzandlandschap zijn vaak (veld)podzolgronden ontstaan met (intacte) bodemhorizonten.
Aanwijzingen voor historische bebouwing in het plangebied zijn met het bureauonderzoek niet gevonden. Op oude historische topografische kaarten is te zien dat het plangebied aan het begin van de negentiende eeuw uit heide en grasland bestaat, waar in het begin van de twintigste een bos wordt aangeplant. Op de kaart uit 1995 is te zien dat het plangebied reeds in gebruik is als camping. Het meer in het midden van het plangebied is in 2014-2015 aangelegd.
Tijdens het veldonderzoek (karterende fase) zijn 26 boringen verricht. In de karterende boringen werden op de meeste plekken restanten van podzolbodems (E-horizonten, Bhorizonten en BC-horizonten) aangetroffen. De diepte waarop deze (deels) intacte bodems zich bevinden varieert tussen de 35 en 80 centimeter onder maaiveld. In sommige karterende boringen was de bodem tot in de C-horizont verstoord.
Op boorpunten waar podzolrestanten werden aangetroffen is de opgeboorde grond door middel van een zeef zorgvuldig geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren. Indicatoren zoals bot, houtskool, bewerkt vuursteen of scherven aardewerk dan wel aardewerkgruis zijn in geen van de boringen aangetroffen. Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische waarden wijzen.
Door het gebrek aan archeologische indicatoren ondanks de (deels) intacte bodem adviseert De Steekproef om geen nader archeologisch onderzoek in het plangebied uit te voeren.
Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11.
Daarmee is er geen aanleiding meer om nog een archeologische dubbelbestemming op te nemen in de planregels van dit bestemmingsplan.
Conclusie
Vanuit het aspect archeologie is het planvoornemen uitvoerbaar.
Wettelijk kader
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden mee gewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De overige cultuurhistorische waarden moeten, naast de archeologische waarden, worden betrokken in het onderzoek.
De rijksmonumenten worden beschermd door de Erfgoedwet. Met monumenten worden alle "onroerende zaken" bedoeld. Tot die onroerende zaken horen gebouwen en objecten, zoals vaarten, bruggen, wegen, bomen en pleinen, die tenminste vijftig jaar oud zijn. Zij moeten van belang zijn door hun schoonheid, de wetenschappelijke en/of hun cultuurhistorische betekenis. Een monument kan worden aangewezen als rijksmonument wanneer het aan deze regels voldoet en als het een nationale, unieke waarde heeft. Naast rijksmonumenten worden op provinciaal niveau en gemeentelijk niveau monumenten aangewezen op grond van respectievelijk de provinciale- en gemeentelijke monumentenverordening.
Onderzoek
Het plangebied ligt in deelgebied 'De velden in centraal Drenthe' van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en bij Hooghalen, en door de beekdalen van de Elperstroom en de Westerborkerstroom met de daarbij geleden esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan. De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Maar ze bevatten ook vele sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre-)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork. Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen. De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen.
Aan de Beilerstroom en Dwingelderstroom en aan hun zijbeken hebben zich esdorpen ontwikkeld, waarvan de wortels in veel gevallen teruggrijpen tot in de prehistorie. Typerend voor dit gebied is dat in de Middeleeuwen vanuit deze esdorpen veel kleine nieuwe nederzettingen zijn ontstaan. Zo zijn Eursinge, Garminge, Mantinge, Balinge en Bruntinge allemaal vanuit Westerbork gesticht. Aan de naamgeving is dat vaak nog te horen. Eursinge betekent ‘over de es gelegen’ dorp.
De ambities voor dit landschap zijn:
Bij dit initiatief blijven de natuurlijke kwaliteiten van het gebied en haar omgeving (een waterpartij, bossen en heideveld) in tact. Deze kwaliteiten geven een duidelijke meerwaarde aan het recreëren op dit landgoed. Het initiatief tast de cultuurhistorie niet aan, maar draagt door de verminderde bouwmogelijkheden juist bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden.
Conclusie
Vanuit het aspect cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar.
Wettelijk kader
Het Besluit Bodemkwaliteit streeft naar duurzaam bodembeheer waarbij een balans gezocht wordt tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu enerzijds en het gebruiken van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen anderzijds. Het Besluit bevat regels voor kwaliteitsborging (Kwalibo), bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bij het mogelijk maken van ruimtelijke initiatieven moet de vraag worden gesteld of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Onderzoek
Het initiatief heeft betrekking op het realiseren van recreatieve verblijven, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen (langer dan twee uur per dag) zullen verblijven. Voor het initiatief moet in principe dan ook een verkennend bodemonderzoek worden verricht. De milieuhygiënische bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste functie.
Op grond van het gebruik in het verleden worden hier op voorhand geen onoverkomelijke belemmeringen verwacht. Daarom wordt voorgesteld om het bodemonderzoek uit te stellen tot de fase van het aanvragen van een omgevingsvergunning bouwen voor de individuele verblijfsaccommodaties. De initiatiefnemer weet nu ook nog niet waar en in welke vorm gebouwd gaat worden. In het kader van een bouwaanvraag kan er dan een gerichter onderzoek plaatsvinden.
Conclusie
Vanuit het aspect bodem worden geen belemmeringen verwacht. Te zijner tijd wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd daar waar extra ten opzichte van de huidige situatie wordt gebouwd.
Wettelijk kader
Onderdeel van de Wet natuurbescherming is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:
Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.
Ook de bescherming van specifieke natuurgebieden is in de Wet natuurbescherming geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Om deze reden is het relevant om met een AERIUS-berekening vast te stellen of sprake is van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN.
Vanuit het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid wordt buiten de NNN-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van weide- en akkervogelleefgebied. Hiertoe zijn specifieke gebieden aangewezen.
Onderzoek
Ten behoeve van het bestemmingsplan is een beknopte natuurtoets uitgevoerd, die als Bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen. Tevens is een Aeriusberekening uitgevoerd om de effecten op het gebied van stikstof in omliggende Natura 2000-gebieden te kunnen beoordelen. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 3, hiervan is uitgegaan van een worst-case scenario van 120 vakantiewoningen en 13 boomhutten.
Er zijn geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten indien de volgende natuurwaarden behouden blijven:
Als blijkt dat één van de voorgaande genoemde structuren wel verdwijnt of wordt aangetast, is nader onderzoek en mogelijk een ontheffing voor de Wnb nodig.
Verder moeten negatieve effecten op een eventuele vliegroute van vleermuizen door lichtuitstraling worden voorkomen door tijdens werkzaamheden bij de aanlegfase en tijdens de gebruiksfase geen directe lichtuitstraling op de bomenrijen rondom het terrein te veroorzaken.
Verder moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat er bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli.
Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.
Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het plangebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.
Op basis van de stikstofberekening is geconcludeerd dat negatieve effecten in omliggende Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen, mits de voorwaarden uit de beknopte natuurtoets in acht worden genomen. Deze zijn vastgelegd in de planregels van het bestemmingsplan.
Wettelijk kader
Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rond het thema externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit).
Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak veiligheidsafstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
Onderzoek
De risicokaart Nederland geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere typen risicobronnen en ongevallen. De gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied weergegeven, met in blauw globaal het plangebied aangegeven.
Nabij het plangebied liggen geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Er ligt wel een risicovolle inrichting in de buurt van het plangebied, namelijk het zwembad "De Boskamp". Wij verwachten echter geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Afbeelding 4.1: Uitsnede risicokaart; plangebied globaal blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl).
Conclusie
Ten aanzien van het aspect externe veiligheid treden er geen belemmeringen op. Het plan is op dit punt uitvoerbaar.
Wettelijk kader
Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde.
De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Volgens de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform art. 74 lid 2 Wgh zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hiervan uitgezonderd, evenals wegen die deel uitmaken van een woonerf.
Onderzoek
Het plangebied ligt in de geluidzone van zoneplichtige wegen (binnen 200 m van wegen (geen 30 km/uur)), namelijk de N856. Er wordt geen geluidgevoelige bebouwing opgericht, aangezien recreatiewoningen niet als zodanig worden aangemerkt. Wel moet beoordeeld worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening of er sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de recreatiewoningen. Gelet op de afstand van de weg tot de bestemming 'Recreatie – Verblijfsrecreatie 2' kan in redelijkheid worden aangenomen dat daarvan sprake is.
Conclusie
Ten aanzien van het aspect geluid treden er geen belemmeringen op.
Wettelijk kader
De Wet luchtkwaliteit is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling. Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool 2020 ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Onderzoek
Voorliggend plan voorziet niet in een toename van verkeersstromen ten opzichte van de nu geldende mogelijkheden. Zodoende vind er geen verandering plaats ten opzichte van de huidige situatie en is onderzoek ook niet nodig.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds verstaan. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.
Onderzoek
Het voornemen voorziet in het realiseren van de recreatieve functie. Vooralsnog wordt dit beschouwd als een milieugevoelige functie. In de omgeving van het plangebied zijn sportbestemmingen, een horecabestemming, woonbestemmingen en natuur- en agrarische bestemmingen (waaronder enkele agrarische bedrijven). Gezien de afstand en gezien het feit dat al een camping is toegestaan en wordt geëxploiteerd in de huidige situatie, worden geen belemmeringen in het kader van milieuzonering verwacht.
Conclusie
Het initiatief is uitvoerbaar wat betreft het aspect milieuzonering.
Het initiatief voorziet niet in een nieuwe verkeersgeneratie of in een nieuwe parkeerbehoefte. In de huidige situatie zijn geen verkeersproblemen of parkeerproblemen geconstateerd. Nader onderzoek naar verkeer is niet noodzakelijk. Ter plaatse is voldoende parkeergelegenheid aanwezig.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouw- en nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water.
Waterschappen hebben op grond van de Waterwet een belangrijke taak met betrekking tot het waterbeheer. In een waterbeheerplan geven zij functies aan het water waarbij afstemming wordt gezocht met het ruimtelijk beleid. Als leidende principes voor een duurzaam waterbeheer geldt een tweetal ‘tritsen’:
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Drents Overijsselse Delta.
Onderzoek
Bij ruimtelijke plannen dient een watertoets te worden uitgevoerd. Doel van de watertoets is om de relatie tussen planvorming en waterhuishouding te versterken. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen daartoe te worden getoetst door de waterbeheerder. Bij een watertoets moeten de gevolgen voor de waterhuishouding in beeld worden gebracht. Voor het plangebied is de watertoets uitgevoerd. Uit de watertoets blijkt er geen waterschapsbelang is bij het planvoornemen. Het plan wordt nog wel voorgelegd aan het waterschap. Het resultaat van de watertoets is te vinden in Watertoets.
Alleen de planologische mogelijkheden voor de camping veranderen, waarbij per saldo de bebouwingsmogelijkheden fors afnemen. Het compenseren van het verharde oppervlak is daarom niet aan de orde.
Conclusie
Vanuit het aspect water is het planvoornemen uitvoerbaar.
Wettelijk kader
De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r..
Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer:
Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.
Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer:
Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen).
Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r.
Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden.
Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.
Onderzoek
Het plan heeft betrekking op de activiteit op de D-lijst van het Besluit m.e.r.: een stedelijke ontwikkeling in de zin van onderdeel D11.2.
In de subparagrafen 4.1 t/m 4.10 zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.
Conclusie
Het huidige planvoornemen leidt niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het is daarom niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit:
Bij het bestemmingsplan hoort een toelichting.
Ook zijn de regels van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) toegepast. Met deze standaard worden de regels en de verbeelding zodanig opgebouwd en ingericht dat bestemmingsplannen goed met elkaar kunnen worden vergeleken.
Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd. Vanaf 1 januari 2010 wordt het bestemmingsplan ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge verbeelding van het bestemmingsplan op papier. Als de digitale en analoge verbeelding tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale verbeelding beslissend.
Wat betreft de regels is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek en inhoud van 'Veegplan Buitengebied Midden-Drenthe 2022' (30 juni 2022) voor de invulling van de recreatiebestemming en voor het overige 'Westerbork' (25 september 2014).
De regels zijn opgebouwd uit een aantal hoofdstukken. Deze indeling ziet er als volgt uit:
In hoofdstuk 1 is een uitleg van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen opgenomen. De standaard begripsomschrijvingen van de gemeente zijn aangevuld met die begrippen, die specifiek in dit bestemminsplan voorkomen en waarbij sprake is van een (mogelijk) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen.
Om de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken te kunnen bepalen, is daarnaast aangegeven hoe deze worden gemeten.
Recreatie - Verblijfsrecreatie 2
De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor een kampeerterrein en/of recreatieve nachtverblijven. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bijzondere verblijfsaccommodaties' zijn daarnaast bijzondere en innovatieve recreatieve nachtverblijven, zoals tipi's, boomhutten en -villa's en dergelijke toegestaan.
Ook zijn voorzieningen voor het beheer, zoals opslag van materiaal, en voorzieningen voor de dienstverlening, zoals een (overdekt) zwembad en horecagelegenheid toegestaan. Er is één bedrijfswoning toegestaan op het recreatieterrein.
Er zijn voorwaarden gesteld aan het bouwen van de recreatieve nachtverblijven, de bijzondere en innovatieve recreatieve nachtverblijven, de bedrijfswoning, de overige gebouwen (beheer en dienstverlening) en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
Voor de recreatieve nachtverblijven geldt dat de totale oppervlakte daarvan niet meer dan 8.900 m2 mag bedragen. Dat getal is afgeleid van de geldende bouwmogelijkheden. Het totaal aantal recreatieve nachtverblijven mag maximaal 120 bedragen, waarvan er 15 in de vorm van bijzondere en innovatieve verblijven gebouwd mogen worden. Die bijzondere verblijven mogen maximaal 120 m² groot worden.
Van de overige recreatieve nachtverblijven geldt een staffeling in toegestane grootte. Dit om te waarborgen dat het terrein een divers karakter krijgt en ook in vormgeving er verschillende typen huisjes worden gebouwd.
De nachtverblijven worden ten minste op 3 meter van elkaar geplaatst. De bouw- en goothoogte bedraagt 8 respectievelijk 3 meter.
Bijzondere en innovatieve recreatieve nachtverblijven mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bijzondere verblijfsaccommodaties' worden gebouwd. In totaal zijn 15 van deze bijzondere nachtverblijven toegestaan. Ook van dit type nachtverblijf bedraagt de opppervlakte niet meer dan 120 m2 (inclusief bijbehorende bouwwerken, terrassen en trappen). De nachtverblijven moeten ten minste 15 meter uit elkaar worden gepositioneerd. De bouwhoogte is maximaal 8 meter. Indien een boomhut- of villa wordt gebouwd, mag de vloerhoogte maximaal 3 m boven peil worden gesitueerd en bedraagt de bouwhoogte, gemeten vanaf deze vloerhoogte, ten hoogste 6 m.
Van een aantal bouwregels kan onder voorwaarden per binnenplanse omgevingsvergunning worden afgeweken.
Ook zijn een aantal gebruiksregels opgesteld. Zo is onder voorwaarden bij de bedrijfswoning een beroep of bedrijf aan huis toegestaan. Het is verboden de nachtverblijven te gebruiken voor permanente bewoning.
Waarde - Archeologie 2
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud van de mogelijk te verwachten archeologische waarden. Er geldt een vergunningsplicht, inclusief onderzoeksplicht, voor het bouwen aan bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 1.000 m², waarbij de activiteit op een grotere diepte dan 30 cm wordt uitgevoerd.
Onder algemene regels zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene gebruiksregels, de algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en de overige regels.
Anti-dubbeltelregel
De anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
In de algemene bouwregels is een verbod opgenomen voor het bouwen van kleinkleinschalige windturbines, kleinschalige zonneparken en grondgebonden zonnepanelen.
Algemene gebruiksregels
In de algemene gebruiksregels is opgenomen welk gebruik van gronden en/of bouwwerken in ieder geval verboden is.
Algemene afwijkingsregels
In de algemene afwijkingsregels is de mogelijkheid opgenomen bij omgevingsvergunning openbare nutsgebouwtjes en dergelijke te realiseren.
Overige regels
In de overige regels zijn de parkeerregels en nadere eisen opgenomen. Ook is in de overige regels het afwegingskader opgenomen waaraan omgevingsvergunningen tot het afwijken van het bestemmingsplan moeten worden getoetst.
De gebruikelijke regeling met betrekking tot het overgangsrecht is hierin opgenomen. In de slotregel is de naamgeving van het bestemmingsplan opgenomen.
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De kosten voor de uitvoering van het plan, inclusief mogelijke planschade, zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening is sprake van een plan waarvoor een exploitatieplan vereist is. De gemeente maakt in het kader van dit plan kosten die door middel van een overeenkomst verhaald zullen worden. Hiernaast zal er een planschadeverhaalovereenkomst worden afgesloten. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.
Het conceptbestemmingsplan is besproken met de provincie. Hun opmerkingen zijn in het voorliggende bestemmingsplan verwerkt.
Daarnaast heeft het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 23 november 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen die periode zijn een tweetal zienswijzen binnengekomen. In de Nota zienswijzen, die als bijlage 5 bij de toelichting is opgenomen, zijn de zienwijzen beantwoord. De reactie van de provincie Drenthe leidt tot een aanpassing in het bestemmingsplan door het toevoegen van een landschappelijke waardenkaart, gekoppeld aan de planregels.