| vastgesteld |
| NL.IMRO.1731.BVetpWYS-VST1 |
Vrijwel alle gebruiksvormen kennen in meerdere of mindere mate interactie met de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Daarmee is het aspect bodemkwaliteit ook van invloed op de uitvoerbaarheid van de verordening. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de toekomstige functie.
Beoordeling van het aspect bodemkwaliteit kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigingen van de bestemming van een al bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit vergelijkbaar gebruik kennen, is beoordeling van het aspect bodemkwaliteit niet aan de orde. Zo ook bij beheersverordeningen, waarin wordt geconstateerd dat het feitelijke/planologische gebruik van een perceel hetzelfde blijft met de vigerende (oude) bestemming. Dit is ook in onderhavige situatie het geval. Door Aveco de Bondt is de bodemkwaliteit van het plangebied op 23 november 2012 in kaart gebracht, zie bijlage 1. Met betrekking tot het plangebied kan derhalve het navolgende worden geconstateerd:
In het plangebied bevinden zich enkele terreinen waar sprake is van gevallen van (ernstige) bodemverontreiniging. Dit betreffen de navolgende terreinen [bron: provincie Drenthe):
Het betreffen bedrijfslocaties die binnen het plangebied liggen waar reeds bodemonderzoeken zijn uitgevoerd en saneringsplannen zijn opgesteld. Voor de locaties waar ernstige bodemverontreiniging is aangetoond, zal op den duur sanering plaatsvinden of heeft plaatsgevonden.
De toetsing aan de haalbaarheid van de beheersverordening brengt een bepaalde mate van onderzoek naar de kwaliteit van bodem en grondwater met zich mee. In het algemeen kan gesteld worden, dat – gezien de noodzakelijke uitvoerbaarheid en de eventuele aansprakelijkheidstelling van de gemeente c.q. de provincie door bouwers en ontwikkelaars – zoveel mogelijk voorkomen moet worden, dat in de procedure gevallen van bodemverontreinigingen niet worden opgespoord. Voorliggende beheersverordening laat echter geen nieuwe ontwikkelingen rechtstreeks toe waarvoor de bodemkwaliteit getoetst dient te worden. Het betreft immers een verordening gericht op beheer waarbij de functies binnen het gebied grotendeels ongewijzigd blijven.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat indien binnen het plangebied op nog onbebouwde terreindelen nieuwbouw plaats gaat vinden, er in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag / bouwverordening wel bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden.
Bodemkwaliteitskaart
Voor de bepaling van de bodemkwaliteit op niet verdachte locaties is een bodemkwaliteitskaart opgesteld door adviesbureau CSO. Hiervoor is een Nota bodembeheer opgesteld waarin het beleid t.a.v. toepassen van grond binnen de gemeente is opgenomen. Dit in samenspraak met 9 Drentse gemeenten en de provincie. Hierdoor is uniformiteit en uitwisseling van grond mogelijk zonder grote onderzoeksinspanning.
Voor de gemeente Midden-Drenthe geldt dat het bedrijventerrein ETP-MERA niet is opgenomen op de bodemkwaliteitskaart. Dit betekent dat voor grond afkomstig van dit terrein voor toepassing elders altijd een ander erkend bewijsmiddel nodig is.
Aangezien sprake is van een beheersverordening, is in beginsel een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Dit is anders wanneer nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn.
Het aspect bodem is hiermee voldoende onderbouwd en levert geen nadere beperking op ten aanzien van onderhavige beheersverordening.