direct naar inhoud van 3.3 Gemeentelijk beleid
vastgesteld
NL.IMRO.1731.BVetpWYS-VST1

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Landschapsbeleidsplan 2012

Het landschapsbeleidsplan geeft de gemeentelijke visie op het landschap en het buitengebied van de gemeente Midden-Drenthe.

De afvalverwerking bij Wijster, met zijn stortplaats/GAVI et cetera, manifesteert zich nadrukkelijk in het landschap. Onderliggende structuren zoals een celtic field zijn nauwelijks meer zichtbaar. Vanwege de karakteristieke openheid van het omliggende gebied is het complex vanuit de wijde omgeving zichtbaar. Rondom de vuilstort zijn verschillende bossen en singels aangeplant.

In het kader van een verdere ontwikkeling van het terrein is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het plan richt zich op verbetering van de ruimtelijke structuur van het landschap waarvan het VAM MERA -terrein deel uit maakt. Het Landschapsbeleidsplan volgt de voorgestelde maatregelen uit het inmiddels afgeronde landschappelijk inpassingsplan en doet geen nadere uitspraken over het VAM MERA-terrein. In het verleden zijn hier grote bospercelen aangeplant. In hoofdzaak gaat het nu om het plaatselijk aanbrengen van singels (voor de beperking van de zichtbaarheid vanaf de weg) en het stimuleren van het aanbrengen van erfbeplantingen (voor het beperken van de zichtbaarheid vanuit de bebouwing). Het accent ligt op maatregelen in het stroomdal van het Oude Diep en de esgronden ten zuiden van Wijster en Drijber, waar de zichtbaarheid door het open karakter van het landschap het grootst is

Conclusie

Het landschapsbeleidsplan haakt aan bij de kaders die zijn gesteld in het landschappelijk inrichtingsplan. Dat plan is een voorwaarde geweest voor de vestiging en verdere ontwikkeling van de het Vam-MERA terrein (nu genaamd ETP-MERA terrein) tot wat het nu is. Het inrichtingsplan is in grote lijnen uitgevoerd. Er worden in het landschapsbeleidsplan geen aanvullende eisen gesteld aan de inrichting in en rondom het plangebied.

3.3.2 GVVP 2012-2020 gemeente Midden-Drenthe

Het gemeentelijk verkeers- en vervoerplan (GVVP) geeft de integrale verkeer en vervoersvisie van de gemeente weer. Het plan is gebaseerd op landelijk en provinciaal beleid. Daarnaast zijn de wensen en ideeën uit de gemeente geïnventariseerd middels een enquête. Het GVVP is er op gericht om de bereikbaarheid verkeersveiligheid en leefbaarheid in Midden-Drenthe te vergroten.

De wegen binnen de gemeente zijn gecategoriseerd. In onderstaande afbeelding is te zien dat de Vamweg-Oosterseveldweg is opgenomen als gebiedsontsluitingsweg. Binnen het plangebied zijn de wegen ingedeeld als erftoegangsweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.BVetpWYS-VST1_0015.png"

Afbeelding 3.10: Wegencategorieën (bron: Gvvp 2012-2020)

Gebiedsontsluitingswegen: zijn wegen die dienen voor een snelle afwikkeling van verkeer. Dit houdt in dat de maximaal toelaatbare snelheid op wegvlakken 80 km/u (buiten de kom). Deze hoge snelheid noodzaakt een vrijliggend fietspad en op drukke kruispunten worden rotondes toegepast.

Erftoegangsweg type B: bij deze wegen staat de verblijfsfunctie voorop. Er heerst een maximale snelheid van 60 km/uur buiten de bebouwde. Bij verblijfsgebieden is het begrip ruimtelijke kwaliteit van belang. Dit zijn immers vaak woongebieden, waar mensen zich op of langs de straat begeven. De verkeersremmende maatregelen moeten de ruimtelijke kwaliteit niet aantasten.

Conclusie

De aard van het plangebied vereist een goede ontsluiting. Er zal frequent transport plaatsvinden van en naar het bedrijventerrein. Deze transportroute wordt gegarandeerd door het aanwijzen van de Vam-Oosterseveldweg als gebiedsontsluitingsweg. De wegen binnen het plangebied zijn aangewezen als erftoegangsweg wat een rustige ontsluiting van de individuele percelen beoogd wat de rust en veiligheid binnen het plangebied ten goede zal komen.

3.3.3 Archeologische verwachtings- en beleidskaart gemeente Midden-Drenthe

Ten aanzien van het aspect archeologie moedigt het rijksbeleid de gemeenten aan om specifiek archeologisch beleid op te stellen. In dit kader heeft de gemeente Midden-Drenthe door Oranjewoud een archeologische verwachtings- en beleidskaart laten opstellen.

De gemeente heeft de wettelijke verplichting om de archeologische waarde van de ondergrond te waarborgen. Om te weten welke gebieden een mogelijke archeologische waarde bevatten en welke niet dient de verwachting inzichtelijk te zijn. Met dit inzicht kan gestuurd worden op het behouden van de archeologische waarde. Tevens kunnen bij onvermijdelijke bodemingrepen voorschriften worden verbonden aan de daarmee gepaard gaande verstoring.

De archeologische verwachtingswaardekaart geeft voor het gehele grondgebied van de gemeente een archeologische verwachting af. De gespecificeerde waarde is aangegeven op de kaart. In het daartoe behorende beleidsdocument zijn de waarden nader uitgewerkt. Tevens is voor elke waarde opgenomen hoe ermee dient te worden omgegaan in geval van een mogelijke bodemingreep.

Met de archeologische waardekaart heeft de gemeente een instrument in handen om sturend te kunnen optreden bij bodemingrepen en zo betere zorg dragen over de instandhouding van de archeologische waarden binnen de gemeente.

Conclusie

Hoe wordt omgegaan met het aspect archeologie is in de milieuparagraaf nader toegelicht.

3.3.4 Bodem

Bodemfunctieklassenkaart

Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit volledig van kracht geworden. In dit besluit zijn regels opgenomen voor het toepassen van grond en bagger. Om de nieuwe regelgeving te implementeren is dit binnen de provincie Drenthe gezamenlijk opgepakt. Om hergebruik van grond en bagger mogelijk te maken is inzicht in de kwaliteit en functie van de bodem wenselijk. Dit is mogelijk door het opstellen van een Bodemkwaliteitskaart en Bodemfunctieklassenkaart. In eerste instantie is gekozen voor het vaststellen van een Bodemfunctieklassenkaart. De bodemfunctieklassenkaart geldt voor het gehele gemeentelijke grondgebied.

Generiek bodembeleid

De Drentse gemeenten hebben eerst gekozen voor het verkennen van het generieke kader van het nieuwe bodembeleid. Uitgangspunt hierbij is het onderscheid in twee bodemfunctieklassen: “Wonen” en “Industrie”. Voor bijvoorbeeld de functie landbouw en natuur is een verzamelnaam gekozen “Overig”. Binnen het grondgebied van de gemeente is dit samengevoegd tot de functies “Wonen”, “Industrie” en “Overig”. Binnen de provincie Drenthe heeft afstemming plaats gevonden over de indeling van deze functies. Dit heeft geleidt tot een eenduidige benaming van een aantal voorkomende(toekomstige) bestemmingen. Afspraken zijn gemaakt over o.a. toekomstige woonwijken, defensieterreinen, sportparken en grote bungalowparken. Gebieden met een afwijkende bodemkwaliteit zijn als aandachtsgebied aangeduid. Voor wegen is een specifiek beleid van toepassing, waarop de bodemkwaliteitskaart van toepassing is. Voor hergebruik van grond gelden dan ook de daarop betrekking hebbende regels.

Plangebied

Bij de opstelling van een bodemfunctieklassenkaart wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande contouren en beschikbare data. Dit betekent in de praktijk dat zoveel mogelijk aansluiting is gezocht met de buitengrenzen van de bestemmingsplankaarten of natuurlijke of bestaande grenzen als bebouwd/onbebouwd gebied, wegen en kanalen. Er is gekozen voor een praktisch werkbare bodemfunctieklassenkaart. Dit betekent dat er niet een te gedetailleerde indeling is gemaakt om verschillende grondverzetregels te vermijden bij te kleine deelgebieden. Voor het ETP/MERA terrein is dan ook voor namelijk de functie “Industrie” van toepassing.

Nut bodemfunctieklassenkaart

De bodemfunctieklassenkaart geeft aan welke mogelijkheden voor hergebruik van grond er zijn voor het grondgebied. Hierbij zijn van belang dat de toepassing niet tot verslechtering van de bodem mag leiden (“stand-still”). En toepassing mag niet leiden tot ongewenste risico's voor de functie van een gebied. De kwaliteit van de toe te passen grond zal moeten worden bepaald door een partijkeuring of op basis van een bodemkwaliteitskaart. Deze wordt vervolgens op basis van de kwaliteit ingedeeld in de klasse Overig (AW2000), Wonen of Industrie. De toepassing van de grond kan alleen plaats vinden op basis van de strengste eis: bodemkwaliteitsklasse of bodemfunctieklasse. Onderhavig plangebied is aangewezen als klasse 'industrie'. Dit betekent dat de aanwezig grond na afgraven alleen mag worden toegepast in gebieden die ook zijn aangeduid met de klasse 'industrie'.

Conclusie

Onderhavig plan voorziet vooralsnog niet in het verplaatsen van grond uit het plangebied. Daarmee voldoet het aan de doelstellingen van de Bodemklassenkaart.

3.3.5 Externe veiligheidsplan 2009-2012

Het rijks en provinciaal beleid biedt individuele gemeenten de mogelijkheid om aanvullend op de wettelijk vastgestelde beleidskaders, beleid te schrijven dat specifiek voor deze gemeente van toepassing is. Hiervoor geldt dat gemeenten uitsluitend strenger beleid kunnen voorschrijven dan in de wet is vastgelegd.

In dit kader kan de gemeente aanvullende eisen stellen aan:

  • Het aantal personen binnen een groepsrisico contour dat als verantwoord wordt geacht.
  • Het aanwijzen van (beperkt) kwetsbare objecten en of terreinen.

Er is gekozen om een gebiedsgericht beleid op te stellen. In het beleid is voor elk afzonderlijk bedrijventerrein een bestuurlijke visie uiteengezet. Voor onderhavig plangebied is het beleid gericht op het faciliteren van een internationaal bedrijventerrein waarbij alleen afval gelieerde bedrijvigheid worden toegestaan.

De vestiging van nieuwe risicovolle (BEVI) bedrijven wordt niet toegestaan op de huidige bedrijventerreinen omdat deze bedoeld zijn voor schone, zakelijke en lokale bedrijvigheid. Daarnaast grenzen de bedrijventerreinen veelal aan woonwijken. Nieuwe risicovolle bedrijven worden bij voorkeur toegestaan op het ETP/MERA terrein, mits de wettelijke risicocontouren binnen de inrichtingsgrenzen van het bedrijfsterrein liggen.

Nu zijn alleen afval gelieerde bedrijven toegestaan. Voor het ETP/MERA terrein ligt clustering van risicobedrijven voor de hand. Daartoe wordt een zonering van het terrein voorgesteld. Via de
milieuvergunning worden de plaatsgebonden risicocontouren zoveel mogelijk beperkt en
vastgelegd op het eigen terrein van de inrichting. Buiten de zonering kunnen zich kwetsbare objecten zoals grotere kantoren vestigen, daarbinnen niet. Daarnaast mogen zich geen kwetsbare objecten of bestemmingen binnen de 10-6 contour van risicovolle bedrijven bevinden. Domino- en cumulatie-effecten dienen zoveel mogelijk te worden beperkt. De provincie Drenthe is bevoegd gezag voor de grotere bedrijven en de gemeente voor de wat kleinere bedrijven. Mochten er initiatieven spelen binnen de gemeente Midden-Drenthe voor provinciale bedrijven
dan dient de provincie de gemeente te consulteren met betrekking tot EV-aspecten. Indien de
provincie een andere EV-beleid hanteert dan de gemeente, dan is afstemming hierover noodzakelijk.

Naast bedrijven zijn ook transportwegen mogelijk van invloed op de veiligheid. Navolgende tabel geeft weer welke verantwoording benodigd is per transportroute:

Soort   Route   Opmerking  
Spoor Hoogeveen-Assen   Verantwoording 200 meter, PAG 30 meter   Overschrijding oriëntatiewaarde onacceptabel. Het toestaan van nieuwe niet zelfredzame groepen binnen 200 meter is uitgesloten.  
Buisleidingen   Verantwoording bij nieuwe ontwikkelingen.   Overschrijding oriëntatiewaarde onacceptabel. Toename van de normwaarde is mogelijk bij optimalisatie ontwikkeling.  
Hoogspanningsleidingen   Zakelijk recht 25 meter aan weerszijde.   -  


Conclusie

In de paragraaf externe veiligheid is onderhavig plan worden getoetst aan het beleid. Hiermee voldoet het plan aan het externeveiligheidsbeleid van de gemeente.

3.3.6 Groenbeleidsplan (2006-2015)

Midden-Drenthe beschikt over een groot areaal aan groene ruimte, circa 56 m2 per inwoner. Om een hoogwaardig groenvoorziening te behouden en een lange termijnvisie na te streven is een groenbeleidsplan opgesteld. Het doel van het beleidsplan is het voeren van een consistent beleid ten aanzien van de groenvoorziening in de bebouwde gebieden. Onderdeel hiervan is, waar mogelijk, de kwaliteit van het groen te verbeteren.

Het beleid wordt onderverdeeld in verschillende gebiedssoorten. Onderhavig plangebied behoord tot bedrijventerreinen. Groenvoorziening binnen deze gebieden wordt als volgt omschreven: "Groenvoorzieningen die passen bij de schaal en de functie van de plek. Het moet voldoende representatief zijn voor de betreffende bedrijven. Daarnaast zijn dit vaak plekken waar ook de natuur een kans kan krijgen. Buffers langs bedrijventerreinen."

Voor nieuwe ontwikkelingen wordt aanbevolen om zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij oude landschapsstructuren. Tevens dient er zuinig omgegaan te worden met de bestaande groenstructuren als lanen en houtwallen. Het groenbeleid voor het ETP/MERA terrein is niet nader uitgewerkt. Het groenbeleidsplan beperkt zicht tot een nadere uitwerking van de dorpskernen binnen de gemeente. Nadere eisen ten aanzien van groen zijn daarom niet van toepassing.

Conclusie

Het ETP/MERA terrein is op de plaatsen waar zich reeds veel grootschalige bedrijvigheid heeft gevestigd voorzien van afschermend groen. Hiermee voldoet de invulling van het terrein aan de doelstelling om tussen bedrijventerreinen en omliggende woningen groene buffers aan te leggen.

3.3.7 Kansenkaart Bodemenergie Midden Drenthe

De provincie Drenthe heeft afgelopen jaar WKO (warmte koude opslag) onder de aandacht gebracht bij gemeenten, particulieren en ondernemers. WKO wordt vaak nog te laat in bouwprojecten ingebracht, waardoor kansen op energiebesparing worden gemist. Eén van de vormen om WKO in een vroegtijdig stadium in het bouwproces mee te nemen, is door de ontwikkeling van een WKO kansenkaart. Aan de hand van deze kaart is op éénvoudige en overzichtelijke wijze in beeld gebracht op welke plekken in de gemeente WKO de meeste potentie heeft. Om maximaal gebruik te kunnen (gaan) maken van de mogelijkheden die WKO biedt, heeft de gemeente een kansenkaart bodemenergie laten opstellen (februari 2012). Op deze kaart is inzichtelijk gemaakt waar kansen liggen ten aanzien van het gebruik van bodemenergie. Tevens zijn locaties aangewezen die minder geschikt zijn of waar het toepassen van WKO niet is toegestaan.

Conclusie

De grove schaal van de kaart maakt het niet mogelijk om een precieze verwachting af te geven. Echter over het algemeen is het plangebied aan te merken als zeer geschikt voor gebruik van bodemenergie. Hierop is een uitzondering. Het noord oostelijk deel is een grondwaterverontreiniging aanwezig. Hier is bodemenergie onder voorwaarden toegestaan.

3.3.8 Milieubeleidsplan Midden-Drenthe 2011-2014

In het milieubeleidsplan wordt de gemeentelijke visie op het milieu- en duurzaamheidsbeleid voor de periode 2011-2014 uiteengezet. Daarnaast zijn in het milieubeleidsplan de projecten op het gebied van milieu en duurzaamheid opgenomen.

In de milieuvisie worden zeven eigenschappen van een duurzame gemeente uitgewerkt:

  • 1. Zuinig met voorraden.
  • 2. Koesteren natuur, groen en landschap.
  • 3. Mooi, schoon en veilig.
  • 4. Iedereen doet mee.
  • 5. Lokaal doen, wat lokaal kan.
  • 6. Inrichten met het oog op de volgende generaties.
  • 7. Openstaan voor innovatie.

Daarnaast wordt in het milieubeleidsplan aangegeven hoe binnen de gemeente omgegaan wordt met verschillende aspecten als duurzame bodemkwaliteit, water, externe veiligheid, geur, lucht, geluid en duurzame ruimtelijke ontwikkeling.

In de milieuparagraaf worden te punten uit het milieuplan getoetst. Hiermee voldoet het plan aan het milieubeleidsplan.

3.3.9 Structuurvisie Midden-Drenthe 2030 'Platteland leeft'

Met de structuurvisie Midden-Drenthe 2030 (28 juni 2012) schept de gemeente een kader voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen de gemeente tot 2030. De gemeente vormt daarmee het kader voor de integrale afweging van concrete ruimtelijke beslissingen en de inzet daartoe van de bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten, zoals het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen, het beschikbaar stellen van financiële middelen en het sluiten van bestuursovereenkomsten.

Voor onderhavige plangebied bepaald de structuurvisie het volgende:

Bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen moet een afweging gemaakt worden waar dit wel en waar dit niet gewenst is. In Midden-Drenthe is op drie locaties nog ruimte voor uitbreiding van bedrijventerreinen. Een daarvan is het ETP/MERA terrein dat als Energie Transitie Park ruimte beidt voor grootschalige bedrijven die op het gebied van energie omzetting en duurzaamheid werkzaam zijn. De specialisatie van het terrein biedt kansen om naast werkgelegenheid in te zetten op kennisontwikkeling.

De doelstelling van de gemeente is het ETP/MERA terrein te ontwikkelen waarbij grote bedrijven gespecialiseerd in energie, in de brede zin van het woord, veel ruimte krijgen. Het ontwikkelen van kleinschaligere bedrijvigheid vindt plaats op de terreinen rondom de kernen.

Een subdoelstelling bij de ontwikkeling van het Energie transitie park is de doelstelling om bij de ontwikkeling actief ondersteuning te bieden op gebied van duurzaamheid, kennisontwikkeling en (gespecialiseerde) werkgelegenheid.

Conclusie

Onderhavig plan faciliteert de doelstelling om het Energie Transitie Park verder te gaan ontwikkelen. Hiermee voldoet het plan aan de doelstellingen uit de gemeentelijk structuurvisie.

3.3.10 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)

Het vGRP heeft drie pijlers:

  • De inzameling en transport van stedelijk afvalwater;
  • De doelmatige inzameling en transport van afvloeiend hemelwater;
  • Het in openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of te beperken voor zover doelmatig.

De doelstelling van het rioleringsplan is drieledig:

  • Beschermen van de volksgezondheid;
  • Droge voeten;
  • Schoon water en een schone bodem.

In dit beleid stelt de gemeente zichzelf doelen om te voldoen aan de zorgplicht richting de inwoners en bedrijven ten aanzien van een doelmatig (riool) waterbeheer. Een onderdeel van dit plan om te komen tot een goede waterbeheersing is dat in alle nieuwbouw een gescheiden rioleringssysteem wordt aangelegd.

3.3.11 Water

Afkoppelplan

In haar waterplan heeft de gemeente aangegeven dat bij nieuwe ontwikkeling onderzocht moet worden welke verharde delen kunnen worden afgekoppeld. In dit kader is een afkoppelplan opgesteld. In het beleid staan richtlijnen beschreven waarmee bij afkoppeling rekening dient te worden gehouden. In het beleidsstuk zijn verschillende gebieden opgenomen die behoren tot het plangebied van onderhavige beheersverordening. De specifieke uitwerking wordt omschreven in de waterparagraaf.

Waterplan

De gemeente Midden-Drenthe en het waterschap Reest en Wieden hebben voor het grondgebied van de gemeente Midden-Drenthe integraal een samenhangend waterbeleid opgesteld. Met het waterplan willen de samenwerkende partijen een verbetering van de samenwerking tot stand brengen. Tevens zijn in dit beleidsstuk afspraken vastgelegd aangaande beheer, waterwinning, grondwateroverlast duurzaam materiaal gebruik en waterberging.

In het waterplan is de volgende toekomstvisie opgenomen: “Het toekomstbeeld voor het waterbeheer van de gemeente Midden-Drenthe is helder. Een beeld waarbij alle functies optimaal gebruik kunnen maken van water in de gemeente, zonder daarbij de waarden van het watersysteem tekort te doen. In dat beeld heeft water een belangrijke ecologische functie en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat, waar zowel oog is voor de stedelijke als agrarische functies van het water.”

Ten aanzien van water in het planologisch proces komt het waterplan tot de volgende acties:

  • Toepassen van de trits vasthouden, bergen en afvoeren bij nieuwbouwplannen;
  • Toepassen van de Watertoets bij ruimtelijke plannen en besluiten;
  • Bij het ontwerpen van nieuwe waterpartijen rekening houden met (natuurvriendelijk) beheer en onderhoud;
  • De toepassing van duurzame materialen bevorderen (uitvoering DUBO beleid);
  • Uitbreiden regulier overleg ten aanzien van locatiekeuzes.

Conclusie

Door het uitvoeren van een watertoets wordt onderhavig plan getoetst aan het beleid. Hiermee voldoet het aan de beleidsdoelstellingen van de gemeente.

3.3.12 Welstandsnota Midden-Drenthe 2011

In de welstandsnota zet de gemeente haar visie uiteen over het uiterlijk van de bebouwing en hoe gebouwen en omgeving zich tot elkaar verhouden. Hierdoor streeft de gemeente naar een samenhangend geheel. Rode draad in het welstandsbeleid is rekening houden met elkaar en de omgeving. De doelstelling is de gemeente nog mooier te maken.

Het welstandsbeleid gaat uit van een bouwproces waarbij dialoog over de geplande ontwikkeling leidt tot het gewenste ontwikkeling. In de nota zijn verscheidene toetsingscriteria opgenomen waaraan alle ingediende bouwplannen worden getoetst. Hierbij zijn volgende toetsingselementen van toepassing:

  • Bebouwing en omgeving;
  • Vormgeving van de bebouwing;
  • Aankleding van de bebouwing.

Ter voorbereiding op de ontwikkeling van een heel gebied kan er voor worden gekozen om een beeldkwaliteitsplan op te stellen. Een beeldkwaliteitsplan zal in grote mate aansluiting zoeken bij de welstandsnota maar kan in bijzondere gevallen ook afwijken van de toetsingselementen. In dit geval geldt het beeldkwaliteitsplan als een nadere verbijzondering van de welstandsnota.

Voor reclame uitingen geldt in eerste instantie de welstandsnota. Mocht de reclame uiting niet passen binnen de toetsingselementen wordt getoetst aan de landschapsverordening.

Bij individuele aanvragen tot het oprichten van een bouwwerk zal de gemeente in de omgevingsvergunning aanvraag voor de activiteit bouwen het plan toetsen aan de welstandsnota.

Conclusie

Onderhavig plan voorziet vooralsnog niet in de ontwikkeling van een specifiek bouwwerk. Derhalve is een toetsing aan de welstandsnota niet van toepassing. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een bouwwerk zal het specifieke plan worden getoetst aan de welstandnota.