Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Fietspaden Epen-Mechelen
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1729.bpfietspadepenmech-VG01

Regels

 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Begrippen
In deze planregels wordt verstaan onder:
 
1.1 Plan
het bestemmingsplan ‘Fietspaden Epen-Mechelen’ van de gemeente Gulpen-Wittem.
 
1.2 Bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.
 
1.3 Aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.4 Aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.5 Bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.6 Bestaand
  • bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp.
  • bij gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod.
1.7 Bestemmingsgrens
de grens van het bestemmingsvlak.
 
1.8 Bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.9 Bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.10 Bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
 
1.11 Bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.12 Evenement
een tijdelijke activiteit in de openlucht al dan niet in tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, vermaak, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden. 
 
1.13 Gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.14 Inunderen
het (tijdelijk) onderwater zetten van laag gelegen land.
 
1.15 Overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.
 
1.16 (openbare) nutsvoorziening
een bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation.
 
1.17 Peil
  • voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:
    0,20 meter boven de hoogte van de kruin van de woningontsluitingsweg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • in andere gevallen:
    de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de naar de woningontsluitingsweg gekeerde gevelzijde, met dien verstande dat deze gemiddelde hoogte tussen 0,20 meter en 1,0 meter boven of beneden de kruin van de weg dient te zijn gelegen.
1.18 Prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. Hieronder wordt ook verstaan thuisprostitutie.
 
1.19 Straatprostitutie
het zich in openbaar gebied of in openbare ruimten dan wel in een zich in het openbaar gebied of in openbare ruimten bevindend voertuig, beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen
met een ander, tegen vergoeding.
 
1.20 Weg
een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten. 

 
Artikel 2 Wijze van meten
 
2.1 Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten
 
2.1.1 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.1.2 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.1.3 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
2.1.4 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.1.5 De lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
De buitenwerks (tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren) gemeten afstand.
 
2.1.6 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.1.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
2.2 Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien
van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1.50 m.
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Verkeer
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. bewegend en stilstaand wegverkeer en de daarbij behorende voorzieningen, met uitzondering van verkooppunten van motorbrandstoffen;
  2. voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut;
  3. groenvoorzieningen, ter aankleding van niet direct voor rijdend en stilstaand wegverkeer noodzakelijk gronden, zoals (midden)bermen;
  4. straatmeubilair;
  5. extensieve recreatie
  6. infiltratie en bufervoorzieningen, zoals hemelwaterbuffers en bergbezinkbassins;
  7. standplaats voor de verkoop van goederen en diensten, promotie, markten, kermissen en evenementen, overeenkomstig het bepaalde in 3.3.1.
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 11.2.
 
3.2 Bouwregels
 
3.2.1 Algemeen
Op de voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.
 
3.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Boven, op of onder de tot ‘Verkeer’ aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. bouwwerken geen gebouwen zijnde met het oog op de regeling van de veiligheid van het verkeer;
  2. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verlichting van wegen, rijwiel- en voetpaden;
  3. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensieve recreatieve voorzieningen;
  4. bouwwerken geen gebouwen zijnde behorende tot het straatmeubilair;
  5. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van onder- en bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water;
  6. bouwwerken geen gebouwen zijnde noodzakelijk voor de gescheiden boven- en ondergrondse inzameling van afvalstoffen.
3.3 Specifieke gebruiksregels
 
3.3.1 Evenementen
Een evenement is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. een evenement duurt niet langer dan 2 weken;
  2. een evenement vindt niet vaker dan 6 maal per kalenderjaar plaats;
  3. een evenement dat vaker per jaar plaatsvindt, duurt in totaal niet langer dan 30 dagen;
  4. de opbouw en afbraak van eventuele tijdelijke bouwwerken ten behoeve van een evenement moet plaatsvinden in een periode van in totaal niet meer dan 30 dagen zoals bepaald onder 3.3.1 sub c;
  5. het evenement heeft niet tot gevolg dat de gronden en/of opstallen na afloop van het evenement ongeschikt zijn voor het onder 3.1 sub a tot en met g toegestane gebruik.
Artikel 4 Leiding - Ondergronds
 
4.2 Bestemmingsomschrijving
 
4.2.1 Verbodsbepaling
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:
  1. het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen;
  2. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hogen dan 2,50 meter;
  3. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren;
  4. het ophogen en egaliseren, bodemverlagen of afgraven of anderszins wijzigen van de maaiveldof weghoogte.
4.2.2 Toepassingsbereik
Het bepaalde in 4.5.1 is niet van toepassing voor:
  1. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  3. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  4. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, of anderszins mogen worden uitgevoerd.
4.2.3 Afwegingskader
De werken of werkzaamheden als bedoeld onder 4.5.1. zijn slechts toelaatbaar indien door die
werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in de aanhef van dit artikel genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Leiding – Ondergronds’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor ondergrondse leidingen voor gas-, rioolwater,- water-, en brandstoftransport, ter plaatse van de als zodanig aangeduide zone en voor de daarbij aangegeven breedte.
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de diverse bestemmingen zijn de desbetreffende regels, voor zover niet strijdig met dit artikel, van toepassing.
 
4.3 Bouwregels
Op de tot ‘Leiding - Ondergronds’ aangewezen gronden mogen, in afwijking van het bepaalde in de afzonderlijke artikelen, uitsluitend worden gebouwd bouwwerken van geringe omvang ten dienste van of ter instandhouding van de betreffende leiding, met dien verstande, dat de hoogte ten hoogste 3.50 m mag bedragen.
 
4.4 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan, gehoord de leidingbeheerder, middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2. ten behoeve van het oprichten van bouwwerken welke ter plaatse conform de op de plankaart aangegeven bestemming mogen worden opgericht mits deze geen gevaar opleveren voor de leiding of aan het functioneren van de leiding geen afbreuk doen en/of door het aan de ontheffing verbinden van voorwaarden een en ander kan worden voorkomen.
 
4.5 Specifieke gebruiksregels
Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 8 wordt tenminste verstaan gebruik van de grond voor en/of als:
  1. een wijze die gevaar kan opleveren voor de leiding of aan het functioneren van de leiding afbreuk doet;
  2. het uitvoeren van ontgrondingen, dan wel anderszins het bodemniveau wijzigen;
  3. het aanbrengen van gesloten oppervlakteverhardingen;
  4. het verrichten van grondwerkzaamheden, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  5. het verrichten van grondophogingen;
  6. het heien of anderszins voorwerpen in de grond aanbrengen.
Artikel 5 Waterstaat - Beschermingszone primair water
 
5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Beschermingszone primair water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming( en), primair bestemd voor bescherming, beheer en onderhoud van primaire wateren overeenkomstig de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas.
 
5.2 Bouwregels
Op de voor 'Waterstaat - Beschermingszone primair water' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde bestemming worden opgericht.
 
5.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2, ten behoeve van het oprichten van bouwwerken binnen de beschermingszone mits:
  1. het belang van het primaire water niet onevenredig wordt aangetast;
  2. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende bestemming.
Alvorens het bevoegd gezag beslist over de omgevingsvergunning wint het schriftelijk advies in bij de waterbeheerder zijnde het waterschap.
 
5.4 Specifieke gebruiksregels
Op de gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone primair water' zijn de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas van toepassing.

 
Artikel 6 Waterstaat - Indundatiegebied
 
6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Inundatiegebied' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), primair bestemd voor de functie inundatiegebied overeenkomstig de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas.
 
6.2 Bouwregels
Op de voor 'Waterstaat - Inundatiegebied' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de genoemde bestemming worden opgericht.
 
6.3 Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2, ten behoeve van het oprichten van bouwwerken binnen de beschermingszone mits:
  1. het belang van het inundatiegebied niet onevenredig wordt aangetast;
  2. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende bestemming.
Alvorens het bevoegd gezag beslist over de omgevingsvergunning wint het schriftelijk advies in bij de waterbeheerder zijnde het waterschap.
 
6.4 Specifieke gebruiksregels
Op de gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Inundatiegebied' zijn de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas van toepassing.
 
3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels
 
8.1 Gebruiksverbod
Het is verboden de gronden en bouwwerken in dit plan te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en).
 
8.2 Gebruik van gronden en bebouwing
Onder verboden gebruik, als bedoeld in lid 1, wordt naast het bepaalde in artikel 8.3 verstaan het gebruik van de gronden en bebouwing voor straatprostitutie, waarbij mede invulling wordt gegeven aan het gemeentelijk prostitutiebeleid, zoals vastgesteld in het Bestemmingsplan Prostitutiebeleid, vastgesteld door de Raad d.d. 21 februari 2002, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten d.d. 21 mei 2002.
 
8.3 Ontheffing gebruiksverbod
Het bevoegt gezag wijkt middels een omgevingsvergunning af van het bepaalde in lid 1 als strikte toepassing van het voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatig gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels
 
9.1 Milieuzone - Bodembeschermingsgebied
Binnen het bodembeschermingsgebied Mergelland is duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden als bijzondere bescherming van de bodem noodzakelijk.
 
Het streven is naar een kwaliteit van bodem, grondwater en landschap die voldoet aan de eisen die de aanwezige bijzondere biotische, abiotische en cultuurhistorische waarden stellen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met dan wel afstemming te worden gezocht met het beleid ter zake van de Omgevingsverordening Limburg en het Provinciaal Omgevingsplan Limburg.
 
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
 
10.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in de dubbelbestemmingen, middels een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan ten aanzien van de bebouwing van niet voor bewoning bestemde gronden met gebouwen en andere bouwwerken, ten dienste van het openbare nut met dien verstande dat:
  1. de hoogte ten hoogste 3.50 m mag bedragen;
  2. de inhoud ten hoogste 50 m3 mag bedragen.
10.2 Afwijken met 10%
Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het bepaalde in de dubbelbestemmingen, middels een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan mits:
  1. de afwijking niet meer bedraagt dan 10%;
  2. de belangen van derden niet worden geschaad.
In die gevallen waarin reeds uit hoofde van de regels in de respectievelijke artikelen een ontheffing is verleend mag niet nogmaals op grond van onderhavige ontheffingsregel ontheffing worden verleend.
Artikel 11 Overige regels
 
11.1 Wettelijke regelingen
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan.
 
11.2 Voorrangsregeling
 
11.2.1 Strijdigheid belangen
In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming, met name aan de orde bij wijzigingsbevoegdheden, blijft het belang van de dubbelbestemming overeind.
 
11.2.2 Realisatie nieuw beleid door dubbelbestemmingen
De realisatie van nieuw beleid door middel van dubbelbestemmingen hoeft niet gebiedsbreed (binnen de gehele dubbelbestemming) te zijn, wil de doelstelling gehaald worden. Als er echter afbreuk gedaan wordt aan de gegeven gebiedsbreedte c.q. niet de gehele dubbelbestemming wordt benut, moet voor het resterende gedeelte aangetoond worden dat dit voldoende is om het beoogde beleid voor dat gebied te realiseren. Dat wil zeggen dat de omvang van de opgenomen dubbelbestemmingen zo ruim is dat, om het nagestreefde beleid te doen slagen, niet altijd de gehele dubbelbestemming behoeft te worden benut.
 
11.2.3 Onderlinge relatie dubbelbestemmingen
Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat, gelet op het totaalbeleid voor het buitengebied, dubbelbestemmingen gericht op het instandhouden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebouwing voorgaan boven dubbelbestemmingen met bebouwing. In concreto wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de dubbelbestemming:
  1. leiding - ondergronds;
  2. waterstaat - beschermingszone water;
  3. waterstaat - inundatiegebied;
Uitzondering hierop, in de vorm van nevenschikking, is mogelijk, wanneer compensatie van eventueel verlies aan kwaliteit is gegarandeerd.
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht
 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%.
  3. het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als:
Regels van het bestemmingsplan ‘Fietspaden Epen-Mechelen’
 
Behoort bij het besluit van de raad van de gemeente Gulpen-Wittem van .............. tot vaststelling van het bestemmingsplan: ‘Fietspaden Epen-Mechelen’