direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Hilleshagerweg te Mechelen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1729.TAMOPCPOMechelen-VG01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het realiseren van een vrijstaande woning aan de Hilleshagerweg te Mechelen. Het plan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22E) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Gulpen-Wittem. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22E van het omgevingsplan van de gemeente Gulpen-Wittem. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22E' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22E' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

2.1 TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Hilleshagerweg te Mechelen.

2.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Gulpen-Wittem.

2.3 verbeelding

de digitale weergave van het TAM-omgevingsplan als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1729.TAMOPCPOMechelen-VG01.

2.4 driftgevoelige functie

voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals wonen, tuin, sport- en speelveldjes, picknickplekken, ligweides. Parkeervoorzieningen, wegen en -paden worden niet als driftgevoelige functie aangemerkt.

2.5 gewasbeschermingsmiddel

stoffen en preparaten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen.

2.6 maaiveld

het grensvlak tussen de ondergrond en de lucht.

2.7 NAP

Nieuw Amsterdams Peil.

2.8 (gewoon) onderhoud, gebruik en beheer

het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt en de detaillering, profilering en vormgeving gelijk blijft.

2.9 peil

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

2.10 spuitzonevrije zone

een zone waarbinnne geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt.

2.11 teeltondersteunende voorzieningen

voorzieningen en/of constructies, inclusief containervelden, met als doel het gewas te forceren tot meer groei en/of de oogst te spreiden. Het gaat daarbij om zowel het vervroegen als het verlaten van de teelt ten opzichte van de normale open teelt en/of het beschermen van het gewas tegen weersinvloeden, ziekten en plagen, hetgeen leidt tot een betere kwaliteit van het product.

2.12 voorgevelrooilijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2 van de omgevingswet, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie 'Hilleshagerweg te Mechelen', waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1729.TAMOPCPOMechelen-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meetbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan van gemeente Gulpen-Wittem zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van gemeente Gulpen-Wittem, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Artikel 6 Algemeen gebruiksverbod

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.

7.2 Functieomschrijving

Een als 'Wonen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. woningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen, al dan niet in combinatie met praktijk- of vrij beroepsuitoefening aan huis (per woning maximaal 30% van het BVO tot een maximum van 30 m2 BVO);
  • b. een hemelwaterriool ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwwerken uitgesloten';

met de daarbij behorende voorzieningen, waaronder:

  • c. verkeers- en parkeervoorzieningen;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. speelvoorzieningen;
  • g. evenementen;
  • h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.3 Beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor een aanvraag omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk de volgende specifieke beoordelingsregels:

7.3.1 Algemeen
  • a. op en in de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de onder 7.2 genoemde functies worden gebouwd;
  • b. het totaal aantal woningen binnen het plangebied bedraagt maximaal 21.

7.3.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. woningen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak', waarbij de voorgevel dient te zijn georiënteerd richting straat of plein;
  • b. vrijstaande woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand';
  • c. aaneengebouwde woningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd';
  • d. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • e. de voorgevel van een woning dient in de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd, dan wel evenwijdig daaraan op maximaal 1 m daarachter;
  • f. de diepte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal de diepte van het voor het betreffende bouwperceel opgenomen bouwvlak;
  • g. de minimale breedte van een hoofdgebouw betreft 5,5 meter;
  • h. er mag ten hoogste in 2 bouwlagen worden gebouwd;
  • i. de hoogte van iedere afzonderlijke bouwlaag mag ten hoogste 3 m bedragen;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwwerken uitgesloten' zijn hoofdgebouwen niet toegestaan;
  • k. het oprichten van hoofdgebouwen is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2;
  • l. woningen zullen met een kap van ten hoogste 60° worden afgedekt.

7.3.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. bijgebouwen worden tenminste 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw geplaatst, tenzij het een aan de wegzijde gelegen open stallingsruimte voor personenauto’s betreft;
  • b. het totale grondoppervlak van bijgebouwen bedraagt per bouwperceel maximaal 50 m2, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer mag bedragen dan 50%;
  • c. de maximale goothoogte van bijgebouwen met een kap bedraagt 2,70 meter en de maximale bouwhoogte van bijgebouwen met een kap bedraagt 6 meter;
  • d. de maximale bouwhoogte van bijgebouwen zonder kap bedraagt 3 meter;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwwerken uitgesloten' zijn bijgebouwen niet toegestaan;
  • f. bijgebouwen zullen met een kap van ten hoogste 60° worden afgedekt;
  • g. het oprichten van bijgebouwen is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2;
  • h. de goothoogte van bijgebouwen aansluitend aan het hoofdgebouw, bedraagt ten hoogste de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw.

7.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

In aanvulling op artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3,00 meter, met uitzondering van erfafscheidingen, waarbij de hoogte maximaal 1,20 meter bedraagt;
  • b. in afwijking hiervan mag bij hoekpercelen de hoogte van de erfafscheiding aan één wegzijde voor de voorgevelrooilijn maximaal 2,00 meter bedragen, mits deze ten minste 1,00 meter achter de perceelsgrens wordt geplaatst;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwwerken uitgesloten' zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet toegestaan;
  • d. het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan het beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in Bijlage 2;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder sub a. geldt voor percelen waarbij het achtererfgebied grenst aan de functie 'Groen', de hoogte van de erfafscheiding maximaal 2 meter.
7.4 Maatwerkvoorschriften

In aanvulling op het bepaalde in artikel 7.3 en paragraaf 22.2 van het omgevingsplan van de gemeente Gulpen-Wittem zijn burgmeester en wethouders bevoegd om in de omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk maatwerkvoorschriften op te nemen ten aanzien van:

  • a. de situering van bouwwerken (gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde);
  • b. de inrichting van terreinen;
  • c. de bruto vloeroppervlakte (bvo) en de hoogte van gebouwen;
  • d. de afsluitbaarheid van mechanische ventilatiesystemen.
7.5 Specifieke beoordelingsregels
7.5.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het plat afdekken van gebouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.2 ten aanzien van de wijze van afdekken van gebouwen, mits dit vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen onevenredige aantasting van het straatbeeld met zich meebrengt.

7.5.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van oppervlakte aan bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.3 met dien verstande, dat:

  • a. het oppervlakte aan bijgebouwen ten hoogste 100 m² mag bedragen;
  • b. de noodzaak is aangetoond;
  • c. een goede stedenbouwkundige inpassing verzekerd is;
  • d. het woonmilieu op de belendende percelen niet onevenredig wordt geschaad.
7.6 Specifieke functieregels
7.6.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. vrijstaande bijgebouwen als zelfstandige woning;
  • b. ambachtelijke en/of industriële doeleinden, behoudens voor aan huis gebonden beroepen toegelaten krachtens artikel 7.6.2;
  • c. detail- en/of groothandel;
  • d. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.

7.6.2 Aan huis gebonden beroep

Een beroep aan huis is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. een aan huis gebonden beroep mag worden uitgeoefend in de woning of in de bijgebouwen;
  • b. het mag maximaal 100 m2 van de vloeroppervlakte van de woning betreffen;
  • c. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet wezenlijk aangetast;
  • d. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens de bewoner van de woning;
  • e. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  • f. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse;
  • g. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van aan de activiteit inherente en ondergeschikte detailhandel.

7.6.3 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in lid 7.3.1 is uitsluitend toegestaan indien de inrichtingsmaatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze regels is gerealiseerd en vervolgens duurzaam in stand wordt gehouden.

7.6.4 Voorwaardelijke verplichting spuitzones

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in lid 7.3.1 is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is beëindigd en beëindigd blijft.

7.6.5 Voorwaardelijke verplichting akoestiek wegverkeer

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in lid 7.3.1 is uitsluitend toegestaan indien er middels een akoestisch onderzoek wegverkeer is aangetoond dat het binnenniveau voldoet aan de standaardwaarde.

7.6.6 Voorwaardelijke verplichting akoestiek industrielawaai

Het gebruik van de gronden overeenkomstig het bepaalde in lid 7.3.1 is uitsluitend toegestaan indien er middels een akoestisch onderzoek industrielawaai is aangetoond dat er sprak is van een goed woon- en leefklimaat binnen de onderzochte woningen.

Artikel 8 Groen

8.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.

8.2 Functieomschrijving

Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies:

  • a. groenvoorzieningen, zoals trapvelden, speelvoorzieningen, straatmeubilair, picknickplaatsen, plantsoenen, waterpartijen met de daarbij behorende voet- en fietspaden en andere voorzieningen;
  • b. duurzaam bodem- en waterbeheer, waaronder begrepen watergangen, zaksloten en infiltratie- en buffervoorzieningen;
  • c. voorzieningen ten behoeve van openbaar nut;
  • d. paden voor onderhoud van groenvoorzieningen;
  • e. een hemelwaterriool ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - hemelwaterriool';
  • f. landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing';

met daaraan ondergeschikt:

  • g. recreatief medegebruik.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen nevenfuncties en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 15.2.

8.3 Beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor een aanvraag omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk de volgende specifieke beoordelingsregels:

8.3.1 Algemeen

Op en in de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde;
  • b. bouwwerken geen gebouwen zijnde, met het oog op de regeling van de veiligheid van het verkeer;
  • c. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verlichting van wegen, rijwiel- en voetpaden;
  • d. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van groenvoorzieningen.

8.3.2 Overige regels

Voor het overige gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen, geen woning zijnde mag niet meer bedragen dan 20 m²;
  • b. de hoogte van gebouwen, geen woning zijnde mag niet meer bedragen dan 3,50 m;
  • c. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 4,00 m bedragen. met uitzondering van:
    • 1. de hoogte van erfafscheidingen, welke ten hoogste 1.00 m mag bedragen;
    • 2. de hoogte van palen, masten en verlichting, welke ten hoogste 8.00 m mag bedragen;
    • 3. de hoogte van kunstwerken en kunstobjecten, welke ten hoogste 3,50 bedragen en een oppervlakte hebben van ten hoogste 10 m² per object;
    • 4. de hoogte van speelvoorzieningen, welke ten hoogste 4.50 m mag bedragen.
8.4 Specfieke functieregels
8.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met dit TAM-omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. standplaats op ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. terras, tennisbaan en zwembad;
  • c. het beproeven van voertuigen, de beoefening van motorsport, het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen;
  • d. het racen of crossen met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen;
  • e. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  • f. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.

Artikel 9 Verkeer

9.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Verkeer'.

9.2 Functieomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bewegend en stilstaand wegverkeer en de daarbij behorende voorzieningen, met uitzondering van verkooppunten van motorbrandstoffen;
  • b. voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut;
  • c. groenvoorzieningen, ter aankleding van niet direct voor rijdend en stilstaand wegverkeer noodzakelijk gronden, zoals (midden)bermen;
  • d. straatmeubilair;
  • e. extensieve recreatie;
  • f. infiltratie en buffervoorzieningen, zoals hemelwaterbuffers en bergbezinkbassins.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen nevenfuncties en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 15.2.

9.3 Beoordelingsregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden voor een aanvraag omgevingsvergunning die betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk de volgende specifieke beoordelingsregels:

9.3.1 Algemeen

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

9.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Boven, op of onder de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bouwwerken geen gebouwen zijnde, met het oog op de regeling van de veiligheid van het verkeer;
  • b. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de verlichting van wegen, rijwiel- en voetpaden;
  • c. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensieve recreatieve voorzieningen;
  • d. bouwwerken geen gebouwen zijnde behorende tot het straatmeubilair;
  • e. bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeven van onder- en bovengrondse voorzieningen voor de opvang en buffering van water;
  • f. bouwwerken geen gebouwen zijnde noodzakelijk voor de gescheiden boven- en ondergrondse inzameling van afvalstoffen.

9.3.3 Overige regels

Met betrekking tot het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, met uitzondering van die welke bedoeld zijn onder b., mag ten hoogste 4.00 m bedragen;
  • b. de hoogte van lichtmasten, verkeerstekens en andere palen en masten mag ten hoogste 10.00 m bedragen.

Artikel 10 Waarde - Archeologie

10.1 Functies en gebruik
  • a. de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden;
  • b. waar een basisfunctie samenvalt met deze nevenfunctie geldt primair het bepaalde ten aanzien van de nevenfunctie. Deze bepalingen van de basisfunctie zijn alsdan uitsluitend van toepassing voor zover deze niet strijdig zijn met het bepaalde ten aanzien van de nevenfunctie.
10.2 Bouwen

Op de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mag geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden niet dieper dan 30 cm reiken;
  • c. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m2.
10.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 10.2 voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien:

  • a. bebouwing plaatsvindt ter plaatse van een evident eerder verstoorde bodem, of;
  • b. op basis van een archeologisch vooronderzoek blijkt dat geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden of mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of het verrichten van archeologisch vervolgonderzoek, of;
  • c. de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden binnen de bebouwde kom, op een terrein dat kleiner is dan 100 m2 en het terrein niet is gelegen binnen 50 meter van een tot archeologisch onderzoek aanleiding gevende eerdere archeologische vondst of beschermd archeologisch monument.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder ontgronden, afgraven, diepploegen en het aanbrengen van leidingen, op een grotere diepte van 30 cm, behalve indien deze in het kader van onderzoek naar mogelijke archeologische vindplaatsen worden uitgevoerd;
  • b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • c. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  • d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze voorwerpen in de grond drijven.

10.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 10.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  • b. op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een reeds verleende vergunning mogen worden uitgevoerd.

10.4.3 Afwegingskader

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 10.4.1, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  • a. de werken of werkzaamheden plaatsvinden in een evident eerder verstoorde bodem, of;
  • b. op basis van een archeologisch vooronderzoek blijkt dat geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden of mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem of verrichten van archeologisch vervolgonderzoek.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 11 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 12 Algemene bouwregels

12.1 Ondergronds bouwen
12.1.1 Ondergrondse werken, geen gebouw zijnde

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

12.1.2 Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende bepalingen:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en onder bijgebouwen;
  • b. in aanvulling op het bepaalde in sub a is bij ondergrondse bouwwerken onder bijgebouwen geen toegang van buitenaf toegestaan;
  • c. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken, geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  • d. in aanvulling op het bepaalde sub a en b is per woning maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    • 1. het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 m van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
    • 2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen als opgenomen in de regels behorende bij de desbetreffende functie in acht wordt genomen;
    • 3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
  • e. de bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 4 meter onder peil.

12.1.3 Specifieke beoordelingsregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning (voorheen: ontheffing) verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 12.1.2 sub d voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat:

  • a. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  • b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.

Artikel 13 Algemene gebruiksregels

13.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het TAM-Omgevingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. een seksinrichting en een sekswinkel;
  • b. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • c. het telen, bewerken en verhandelen van soft- en harddrugs;
  • d. straatprostitutie.

Artikel 14 Algemene aanduidingsregels

14.1 Milieuzone - spuitvrije zone
14.1.1 Omschrijving

De gronden ter plaatse van 'Milieuzone - spuitvrije zone' zijn mede aangewezen als spuitvrije zone vanwege de bescherming van de gezondheid als gevolg van het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.

14.1.2 Gebruiksregel

Op de gronden met de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Toepassing van de gewasbeschermingsmiddelen moet bij de inwerkingtreding van dit plan worden beëindigd en beëindigd blijven.

14.2 Overige zone - voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing
14.2.1 Omschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing' zijn de gronden mede aangewezen als landschappelijke inpassing.

14.2.2 Gebruiksregel

Alvorens de gronden en/of bouwwerken binnen het functiegebied 'Wonen' in gebruik genomen worden voor woondoeleinden, dient binnen het plangebied, de landschappelijke inpassing conform het inpassingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 gerealiseerd te zijn en duurzaam in stand worden gehouden.

Artikel 15 Overige regels

15.1 Wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM- Omgevingsplan.

15.2 Voorrangsregeling
15.2.1 Stijdigheid belangen

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een functie en een nevenfunctie, met name aan de orde bij wijzigingsbevoegdheden, heeft het belang van de nevenfunctie voorrang. De nevenfunctie vormt het toegevoegde na te streven nieuwe beleid en levert als zodanig extra criteria op voor de uit te voeren toetsing bij de wijzigingsbevoegdheid. Kan bij wijziging niet aan deze criteria worden voldaan en/of wordt op enig vlak onevenredige schade aangebracht dan kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.