direct naar inhoud van Artikel 6 Sport-Golfbaan
Plan: bp landgoed De Eyserhof
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1729.BPLBUI01001-VG01

Artikel 6 Sport-Golfbaan

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport-Golfbaan' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de beoefening van shorttrack natuurgolf;
  • b. instandhouding, versterking en ontwikkeling van de aldaar voorkomende danwel daaraan eigen natuurlijke, landschappelijke, (landschaps)ecologische cultuurhistorische en archeologische waarden;
  • c. met daaraan ondergeschikt:
  • d. extensief recreatief medegebruik;
  • e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding,

en de daarbij behorende voorzieningen.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit 21.2.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Op de tot 'Sport-Golfbaan' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. omheiningen en/of erfafscheidingen, uitsluitend in de vorm van draadomheiningen en/of draaderfafscheidingen, met dien verstande dat:
  • 1. de hoogte ten hoogste 1.50 m mag bedragen.
6.3 Nadere eisen
6.3.1

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  • b. voorzieningen ter voorkoming van de hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing.
6.3.2

De onder 6.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige nadelige gevolgen voor de milieusituatie, verkeersveiligheid, sociale veiligheid en gebruiksmogelijkheden en/of privacy van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter voorkoming van parkeerhinder indien op eigen terrein niet voldaan wordt aan de parkeernorm zoals bepaald in artikel 21.3;
  • d. ter verbetering van de gebiedskwaliteit.
6.4 Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Gebruik van de gronden

Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt tenminste verstaan gebruik van de grond voor en/of als:

  • a. standplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. parkeerterrein;
  • c. sport- en wedstrijdterrein, ligplaats, speelweide, paardenbak, terras, tennisbaan en zwembad;
  • d. het beproeven van voertuigen, de beoefening van motorsport, het houden van wedstrijden met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen;
  • e. het racen of crossen met motorrijtuigen, motoren of (brom)fietsen;
  • f. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  • g. het winnen van bosstrooisel en mos;
  • h. militaire oefeningen met uitzondering van marsoefeningen, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voertuigen;
  • i. terrein voor het aanbrengen, het hebben van opschriften, aankondigingen of afbeeldingen, waaronder reclame-uitingen, behoudens het bepaalde in artikel 7 van de Grondwet;
  • j. het scheuren van grasland;
  • k. het opslaan van mest(stoffen);
  • l. het opslaan van hooi- en strobalen;
  • m. het oprichten van boogkassen, hagelnetten en teeltondersteunende voorzieningen;
  • n. nieuwvestiging van een niet grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • o. straatprostitutie;
  • p. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.
6.5 Aanlegvergunning
6.5.1 Vergunningsplichtige werken of werkzaamheden

Het is verboden op of in de tot 'Sport-Golfbaan' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  • c. het ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • e. het aanbrengen of aanleggen van oeverbeschroeiingen, kaden, aanleg- en ligplaatsen of vlonders;
  • f. het aanbrengen van hoog opgaande beplanting anders dan ten behoeve van de ecologische structuur of de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap;
  • g. het bebossen van gronden ten behoeve van de houtproductie;
  • h. het verrichten van exploratieboringen ten behoeve van de winning van de delfstoffen olie en gas;
  • i. het bemalen, draineren van gronden en het winnen van water of anderszins verlagen van de grondwaterstand, behoudens voor onderhoud van het terrein;
  • j. het aanleggen van een voorziening voor de opvang van hemelwater en de afvoer van hemelwater vanaf een dergelijke voorziening.
6.5.2

Het bepaalde in 6.5.1 is niet van toepassing voor:

  • a. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  • b. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  • c. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning, ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
6.5.3

De werken of werkzaamheden als bedoeld onder 6.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in de aanhef van dit artikel genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind.

6.5.4

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de aanlegvergunning de procedure zoals vervat in de Wet ruimtelijke ordening.

6.6 Wijzigingsbevoegdheid
6.6.1 Wijziging in de bestemming Natuur

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming 'Natuur', ten behoeve van het realiseren van de ecologische (hoofd)structuur, mits (EHS):

  • a. de betreffende gronden in eigendom en gebruik zijn gekomen van de gemeente, dan wel een terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie;
  • b. de financiële middelen voor de aanleg van natuurgebied zeker zijn gesteld;
  • c. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;
  • d. de effecten op de waterhuishouding in beeld zijn gebracht (watertoets).

met dien verstande, dat:

bij de wijziging in de bestemming 'Natuur' voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 5 van deze regels.

6.6.2 Wijziging naar de bestemming Water, Waterstaat – Waterlopen

Burgemeester en Wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming Water'', ten behoeve van het aanleggen van watergangen, waaronder regenwaterbuffers, en het herinrichten van bestaande watergangen, mits:

  • a. de noodzaak daartoe in het kader van een adequaat waterhuishoudkundig beheer is aangetoond;
  • b. natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast;
  • c. ruimtelijke inpassing in het landschap verzekerd is;
  • d. uit de noodzakelijke (milieu)onderzoeken blijkt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik;

met dien verstande, dat:

bij de wijziging in de bestemming 'Water' of de bestemming 'Waterstaat – Waterlopen' voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 7 en 14 van deze regels.

6.6.3 Procedure wijziging

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid de procedure zoals vervat in de Wet ruimtelijke ordening.