direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch Bedrijf
Plan: bp landgoed De Eyserhof
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1729.BPLBUI01001-VG01

Artikel 3 Agrarisch - Agrarisch Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische bedrijven met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  • b. wonen in bedrijfswoningen, daaronder mede begrepen mantelzorg en huisvesting van de rustende boer, mits:
  • 1. mantelzorg en huisvesting van de rustende boer niet leiden tot het ontstaan van een nieuwe zelfstandige woning;
  • c. recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
  • d. dagrecreatieve, educatieve voorzieningen en zaal- en conferentieruimtes ter plaatse van de aanduiding 'gemengd';
  • e. parkeren, ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';
  • f. evenementen onder de voorwaarde dat:
  • 1. een evenement niet langer duurt dan 2 weken;
  • 2. een evenement niet vaker dan 6 maal per kalenderjaar plaatsvindt met een totale duur van 30 dagen;

met dien verstande dat:

  • 3. de opbouw en afbraak van eventuele tijdelijke bouwwerken ten behoeve van een evenement moet plaatsvinden in een periode van in totaal niet meer dan 30 dagen zoals bepaald onder punt 3;
  • 4. het evenement niet tot gevolg heeft dat de gronden en/of opstallen na afloop van het evenement ongeschikt zijn voor toegestane gebruik zoals bepaald onder 3.1 sub. a tot en met e.

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit 21.2.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Op de tot 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in de aanhef toegestane gebruik;
  • b. teeltondersteunende voorzieningen, hagelnetten en mestopslagplaatsen;
  • c. één bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf;
  • d. acht recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoningen';
  • e. een toonruimte met een educatiefunctie annex zaal- en conferentieruimte ter plaatse van de aanduiding 'gemengd';
  • f. een clubhuis annex terras ter plaatse van de aanduiding 'gemengd';
  • g. sanitaire voorzieningen inclusief kleedruimtes ter plaatse van de aanduiding 'gemengd';
  • h. bijgebouwen;
  • i. bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen,

met dien verstande dat voldaan wordt aan het bepaalde in 3.1 en de eisen zoals gesteld in de Provinciale Milieuverordening

3.2.2 Regeling bouwvlak

Met betrekking tot het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen en mestopslagplaatsen mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte van gebouwen mag ten hoogste 4.50 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag ten hoogste 10.00 m bedragen;
  • d. gebouwen zullen met een kap van ten hoogste 60° worden afgedekt;
  • e. een bedrijfswoning voor het overige voldoet aan de regels in artikel 24.2.2;
  • f. voorzieningen ten behoeve van het toegestane gebruik dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;
  • g. de inhoud van de mestopslagplaatsen per bouwperceel mag in totaal 2.500 m3bedragen;
  • h. het oppervlak aan boogkassen per bouwperceel mag ten hoogste 2.500 m² bedragen;
  • i. de hoogte van boogkassen mag ten hoogste 2.50 m bedragen.
3.2.3 Overige regels

Voor het overige gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van andere bouwwerken mag ten hoogste 8.00 m bedragen, met uitzondering van:
  • 1. de hoogte van voedersilo's ten hoogste 12.00 m mag bedragen;
  • 2. de hoogte van erfafscheidingen ten hoogste 2.00 m mag bedragen.
3.3 Nadere eisen
3.3.1

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;
  • b. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  • c. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;

waarbij de regels zoals deze gesteld zijn in de POL-uitwerking BOM+ in acht dienen te worden genomen.

3.3.2

De onder 3.2.2 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • c. ter verbetering van de gebiedskwaliteit.
3.4 Ontheffing van de bouwregels
3.4.1 Ontheffing voor de hoogte van bedrijfsgebouwen

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in 3 ten behoeve van de bouw van bedrijfsgebouwen met een goothoogte groter dan 4.50 m en/of een bouwhoogte groter dan 10.00 m, mits:

  • a. de noodzaak daartoe vanuit de bedrijfsvoering is aangetoond;
  • b. landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind;
  • c. belangen van derden niet onevenredig worden aangetast,

met dien verstande, dat:

  • 1. de goothoogte ten hoogste 6.50 m mag bedragen;
  • 2. de bouwhoogte ten hoogste 12.00 m mag bedragen.
3.4.2 Procedure ontheffing

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de ontheffingsbevoegdheid de in artikel 20.1 gegeven procedure.

3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Gebruik van de gronden

Onder verboden gebruik als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening wordt tenminste verstaan gebruik van de grond voor en/of als:

  • a. standplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. nieuwvestiging van een niet grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • c. straatprostitutie;
  • d. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.
3.5.2 Gebruik van de bebouwing

Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 7.10 Wro wordt tenminste verstaan het gebruik van bebouwing voor en/of als:

  • a. wonen, anders dan in een bedrijfswoning of in een mantelzorg- en rustende boervoorziening, waarbij er geen nieuwe zelfstandige woning mag ontstaan;
  • b. ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  • c. recreatie, anders dan toegelaten krachtens het plan;
  • d. detailhandel, uitgezonderd de verkoop van ter plaatse vervaardigde en geproduceerde producten;
  • e. horeca, anders dan ondergeschikt aan het toegelaten gebruik;
  • f. agrarische hulp- en nevenbedrijfsdoeleinden, anders dan ondergeschikt aan het toegelaten gebruik;
  • g. een seksinrichting of soortgelijk bedrijf;
  • h. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • i. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.
3.6 Ontheffing van de gebruiksregels
3.6.1 Ontheffing niet-agrarische activiteiten

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in 3.1, 3.2 en 3.5, ten behoeve van het toestaan van niet-agrarische activiteiten naast agrarische bedrijfsdoeleinden, in het kader van de duurzame ontwikkeling van het landelijk gebied en ter versterking van de recreatieve functie van het buitengebied. Ontheffing voor bewerking en/of verkoop aan de boerderij van agrarische producten, het bieden van werk en verzorging aan hulpbehoevende mensen, verblijfsrecreatie in de vorm van kamperen en appartementen op de boerderij, dagrecreatie in de vorm van het bieden van dagarrangementen en excursies alsmede (sier)tuinen, kleinschalige horeca, zoals theeschenkerijen, en culturele activiteiten zoals natuurcursussen en exposities en/of daarmee qua aard en omvang naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders gelijk te stellen activiteiten, wordt alleen verleend, mits:

algemeen:

  • a. de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;
  • b. de activiteiten binnen de bestaande bouwmassa kunnen worden uitgevoerd. Alleen wanneer de noodzaak daartoe is aangetoond is uitbreiding of vervangende nieuwbouw van bestaande bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak toegestaan, mits daardoor geen cultuurhistorisch waardevolle of karakteristieke bebouwing verloren gaat;
  • c. de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
  • d. de activiteiten landschappelijk goed inpasbaar zijn en omliggende natuurlijke en landschappelijke waarden en belangen niet onevenredig schaden;
  • e. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;

specifiek voor boerderijverkoop:

  • boerderijverkoop onderdeel uitmaakt van een functionerend agrarisch bedrijf en wordt beëindigd bij beëindiging van het agrarisch bedrijf;
  • boerderijverkoop plaats vindt van in hoofdzaak op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan op andere agrarische bedrijven geproduceerde of bewerkte agrarische producten;

met dien verstande, dat:

  • 1. het vloeroppervlak voor boerderijverkoop ten hoogste 200 m² mag bedragen;specifiek voor bewerking van agrarische producten:
  • bewerking van agrarische producten uitsluitend de bewerking van op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan op andere agrarische bedrijven geproduceerde producten betreft;

specifiek voor vakantiewoningen op de boerderij:

  • de vakantiewoningen kunnen worden ingepast binnen de bestaande monumentale en/of karakteristieke bebouwing;

specifiek voor kleinschalige dagrecreatie en horeca:

  • de activiteiten kleinschalig zijn en ten dienste staan van extensieve recreatie in het buitengebied c.q. ondersteunend zijn aan wandel- en fietsroutes dan wel bedoeld zijn voor de eigen gasten.

specifiek voor kamperen:

  • kamperen als ondergeschikte nevenactiviteit onderdeel uitmaakt van een functionerend agrarisch bedrijf (min. 25 NGE) en wordt beëindigd bij beëindiging van het agrarisch bedrijf;

met dien verstande, dat:

  • 1. maximaal 25 locaties kamperen op de boerderij binnen de gemeente aanwezig mogen zijn;
  • 2. per locatie maximaal 10 kampeerplaatsen aanwezig mogen zijn;
  • 3. sanitaire voorzieningen binnen het bouwvlak mogen worden opgericht;
  • 4. kamperen alleen tijdens het kampeerseizoen is toegestaan dat loopt van 15 maart tot 1 november;
  • 5. buiten het kampeerseizoen geen kampeermiddelen op het terrein aanwezig zijn;
  • 6. de kampeerplaatsen landschappelijk zijn ingepast in de omgeving;
  • 7. in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien binnen het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' overeenkomstig de geldende parkeernorm zoals bepaald in artikel 21.3
  • 8. de kampeerplaatsen op basis van een landschappelijk inpassingsplan afgestemd worden op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijk en cultuurhistorische aspecten).
3.6.2 Ontheffing stalling kampeermiddelen en boten

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in 3 en 3.3.2, ten behoeve van het toestaan van het stallen van kampeermiddelen en boten, mits:

  • f. de stalling plaatsvindt binnen de bestaande bouwmassa van het complex;
  • g. er elders op het perceel geen vervangende nieuwbouw gerealiseerd wordt;
  • h. de stalling geen hinder of belemmeringen veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
  • i. de omliggende natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig worden geschaad.
3.6.3 Procedure ontheffing

Burgemeester en Wethouders volgen bij het toepassen van de ontheffingsbevoegdheid de in artikel 20.1 gegeven procedure.