Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Buitengebied Hapert, Castersedijk 24-26
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1728.TOBCastdijk2426-VAST

Regels

 
PRE-AMBULE
 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Castersedijk 24-26 te Hapert en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22d]) van het omgevingsplan van de gemeente Bladel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22d] van het omgevingsplan van de gemeente Bladel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22d]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22d]' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2 van de bruidsschat, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover de regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Castersdijk 24-26 te Hapert, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1728.TOBCastdijk2426-VAST zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
  
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in dit artikel daarvan is afgeweken. Als er verschil zit tussen de bepalingen uit 22.24 en dit TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Castersedijk 24-26 Hapert met identificatienummer NL.IMRO.1728.TOBCastdijk2426-VAST dan gelden de bepalingen uit dit plan.
 
2.1 TAM-omgevingsplan
Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Buitengebied Hapert, Castersedijk 24-26 met identificatienummer NL.IMRO.1728.TOBCastdijk2426-VAST, in deze regeling eveneens als ‘dit hoofdstuk’ of ‘Hoofdstuk 22d’ aangehaald;
 
2.2 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
2.3 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
2.4 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
2.5 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van aan huis gebonden beroepen;
 
2.6 bedrijfsgebouw:
een gebouw, niet zijnde een kas, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
 
2.7 bedrijfswoning:
één woning, kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de reële bedrijfsvoering van het bedrijf passend is;
 
2.8 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke;
 
2.9 beroeps- c.q. bedrijfsmatige activiteiten aan huis:
een beroep of het bedrijfsmatig verlenen van diensten dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, nader onder te verdelen in:
Categorie A:
op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch en bedrijfsmatig recreatief of hiermee gelijk te stellen gebied. Hiertoe behoort geen detailhandel en/of persoonlijke verzorging;
 
Categorie B:
op het gebied van persoonlijke verzorging, zoals een kapper en schoonheidssalon en dergelijke, met uitzondering van een seksinrichting, met dien verstande dat een eventuele detailhandelsfunctie ondergeschikt en gerelateerd aan het bedrijf dient te zijn;
 
Categorie C:
  • een ambachtelijk, publiekverzorgend alsmede commercieel en medisch dienstverlenend bedrijf, niet bedoeld voor persoonlijke verzorging, dat zijn goederen en diensten rechtstreeks levert aan de consument, zoals een schoenmaker, goudsmid, hakkenbar, kleermaker en dergelijke, met dien verstande dat een eventuele detailhandelsfunctie ondergeschikt en gerelateerd aan het bedrijf dient te zijn;
  • een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, niet bedoeld persoonlijke verzorging, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf;
  • het op ambachtelijke wijze vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in de van deze planregels deel uitmakende Lijst van bedrijfsactiviteiten; 
2.10 bestaande situatie:
t.a.v. bebouwing
  • bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van onderhavig ontwerpbestemmingsplan, dan wel de bebouwing die mag worden gebouwd krachtens een vóór het tijdstip van terinzagelegging aangevraagde vergunning;
t.a.v. gebruik
  • het gebruik van grond en opstallen zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;
2.11 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
2.12 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
2.13 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk, met een dak;
 
2.14 bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
 
2.15 bosbouw- en cultuurtechnische loonwerkbedrijf
een bedrijf dat werkzaamheden verricht op het gebied van bosbouw, groenbeheer en cultuurtechniek, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
  1. het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van aanleg, onderhoud en beheer van groenvoorzieningen, natuurterreinen en watergangen;
  2. het verrichten van bosbouwactiviteiten zoals kappen, snoeien, rooien en verwerken van houtachtige gewassen;
  3. werkzaamheden op het gebied van cultuurtechniek, zoals maaien, klepelen, bermbeheer, grondverbetering, bodembewerking en herstel van terreininrichtingen;
  4. het gebruik van werktuigen, machines en materieel ten behoeve van deze werkzaamheden;
  5. het ontstaan, verzamelen, afvoeren en transporteren van hierbij vrijkomende groenstromen als bedoeld in dit plan;
  6. het ophalen en transporteren van groenafval en vergelijkbare groenstromen bij derden;
  7. het uitvoeren van ondersteunende logistieke en organisatorische activiteiten die direct samenhangen met bovengenoemde werkzaamheden.
2.16 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
 
2.17 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
2.18 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
2.19 bouwperceelsgrens:
de grens van een bouwperceel.
 
2.20 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
2.21 bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
2.22 cultuurhistorische waarden en kenmerken:
waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;
 
2.23 deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg:
een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische monumentenzorg;
 
2.24 deskundige commissie:
de door het bevoegd gezag ingestelde commissie of aangewezen instantie, die als taak heeft het bevoegd gezag op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1998, over de gemeentelijke erfgoedverordening en over het gemeentelijke monumentenbeleid;
 
2.25 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren en/of faciliteren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
2.26 duurzame motorbrandstof
motorbrandstoffen niet zijnde reguliere motorbrandstof, zoals LNG (Liquified Natural Gas), CNG (Compressed Natural Gas), waterstof (minimaal grijze waterstof) en laadvoorzieningen (elektriciteit);
 
2.27 evenement:
een publieksgerichte activiteit, die een bijdrage levert aan het culturele, sociale en/of sportieve leven;
 
2.28 extensieve recreatie:
vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen;
 
2.29 extensieve recreatieve voorziening:
een verblijf of afgebakend terrein geschikt voor recreatieve doeleinden waar weinig mensen tegelijkertijd de mogelijkheid hebben om te recreëren. Het beleven van rust staat voorop en er is een beperkte uitstraling naar de omgeving;
 
2.30 functie:
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.
 
2.31 functievlak:
een geometrisch bepaald vlak met een zelfde functie
 
2.32 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
2.33 gebruiken:
gebruiken en/of te doen en/of te laten gebruiken en/of in gebruik te geven;
 
2.34 gevellijn:
een denkbeeldige lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd;
 
2.35 groenstromen:
het geheel van organische materialen en reststromen afkomstig van:
  1. snoei- en onderhoudswerkzaamheden van bomen, struiken en bosplantsoen, waaronder snoeihout en houtachtige materialen;
  2. maaibeheer, waaronder bermgras en gemaaid gras;
  3. groenafval aangeleverd door particulieren, zoals snoeiafval en gemaaid gras;
  4. groenstromen voortkomend uit de eigen werkzaamheden van het bosbouw- en cultuurtechnisch loonwerkbedrijf;
  5. overige vergelijkbare organische materialen die vrijkomen bij beheer van openbaar groen, natuurgebieden en watergangen;
  6. de uit de verwerking hiervan ontstane producten, zoals houtsnippers, biomassa en uitgerijpte compost.
2.36 hondenfokkerij
Het fokken van meer dan 20 pups per jaar op één locatie/per bouwvlak/per bestemmingsvlak.
 
2.37 hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
 
2.38 huishouden:
een verzameling van één of meer personen die een huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderling verbondenheid;
 
2.39 landschappelijke inpassing:
het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap;
 
2.40 Landschappelijke verantwoording:
een verantwoording waarmee is aangetoond dat de ruimtelijke ingreep geen onevenredige nadelige effecten heeft op de landschappelijke waarden;
 
2.41 landschappelijke waarden en kenmerken:
gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;
 
2.42 legaal
in overeenstemming met de wet;
 
2.43 maatschappelijk:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten behoeve van deze voorzieningen;
 
2.44 mantelzorg:
langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten van elkaar overstijgt;
 
2.45 Natuur Netwerk Brabant:
samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel het veiligstellen van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden;
 
2.46 ondergeschikte functie:
functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte tot een maximum van 400 m2 van het bedrijfsgebouw wordt gebruikt;
 
2.47 overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
2.48 overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport;
 
2.49 paardenbak:
een (omheinde) niet overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem dan wel gras, waar paarden een vrije uitloop kunnen hebben en/of waar paarden worden getraind;
 
2.50 pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
 
2.51 peil:
  • voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • voor gebouwen in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het gebouw;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld;
2.52 perceelgrens:
een grenslijn tussen (bouw)percelen onderling;
 
2.53 prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;
 
2.54 recreatie:
vrijetijdsbesteding die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, vissen, zwemmen, roeien, kanoën etc.;
 
2.55 recreatief medegebruik:
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
 
2.56 recreatieve bewoning:
de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie;
 
2.57 recreatieve voorzieningen:
bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het uitoefenen van recreatieve activiteiten, zoals speel- en sporttoestellen;
 
2.58 seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden;
 
Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
2.59 teeltondersteunende voorzieningen:
een voorziening in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt gebruikt om de volgende doelen na te streven:
  • verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en -verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraatschade;
  • verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen;
  • bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen van onkruidbestrijding, effectief omgaan met water);
  • in de vorm van:
  • permanent teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen, die voor onbepaalde tijd worden gebruikt;
  • tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen die op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 maanden. Deze tijdelijke voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik. Hieronder worden verstaan folies, insectengaas, acryldoek, wandelkappen, schaduwhallen, hagelnetten;
2.60 tuin:
de gronden van een bouwperceel behorende bij een woning;
 
2.61 verblijfsrecreatie:
vormen van recreatie die hoofdzakelijk gericht zijn op verstrekken van nachtverblijf, waarbij een onderscheid kan worden gemaakt in:
  1. verblijfsrecreatie groot: een verblijf in een gedeelte van een gebouw of op een afgebakend terrein dat is bestemd voor recreatief nachtverblijf met meer dan 10 bedden / standplaatsen, met permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke voorzieningen;
  2. verblijfsrecreatie klein: een verblijf in een gedeelte van een eigen woning of bijgebouw of op een afgebakend terrein dat is bestemd voor periodiek recreatief nachtverblijf met maximaal 10 bedden / standplaatsen, met permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke voorzieningen; 
2.62 voorzieningen van algemeen nut:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
 
2.63 waterberging:
gebieden die integraal onderdeel uitmaken van het watersysteem en die periodiek vanuit het oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen;
 
2.64 water en waterhuishoudkundige voorzieningen:
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten;
 
2.65 weg:
alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
 
2.66 wet/wettelijke regelingen:
indien en voorzover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald;
 
2.67 wonen:
het wonen in een woning;
 
2.68 woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of daarmee verglijkbare groep mensen;
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
  
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast gelden de meet- en rekenbepalingen, zoals opgenomen in dit artikel. Als er verschil zit tussen de bepalingen uit 22.24 en dit TAM-omgevingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d Castersedijk 24-26 te Hapert met identificatienummer NL.IMRO.1728.TOBCastdijk2426-VAST, dan gelden de bepalingen uit dit plan.
 
3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.2 de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.3 de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.4 de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.5 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
3.6 ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, balkons, luifels en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.
 
2 Functies en activiteiten
   
Artikel 4 Agrarisch
 
4.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Agrarisch’.
 
4.2 Functieomschrijving
 
De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. agrarisch grondgebruik;
  2. een agrarische bedrijfsuitoefening;
  3. tuinen direct grenzend aan het bouwvlak tot maximaal 30 meter rondom het bouwvlak van de bestemming ‘Wonen’ en ‘Wonen-1;
  4. extensief dagrecreatief medegebruik;
  5. agrarisch natuurbeheer;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement', uitsluitend een landschapselement;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder:
  1. paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  2. groenvoorzieningen;
  3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
4.3.1 Gebouwen
 
De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:
  1. Er zijn geen gebouwen toegestaan. 
4.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
 
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouwen zijnde:
  1. het bouwen van erfafscheidingen ten behoeve van afrastering van het agrarisch grondgebruik is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter. 
4.4 Specifieke functieregels
 
4.4.1 Aanwijzing verbod
binnen de als ‘Agrarisch’ aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen, en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. kamperen.
Artikel 5 Agrarisch met Waarden – Natuur- en landschapswaarden
 
5.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Agrarisch met Waarden – Natuur- en landschapswaarden’.
 
5.2 Functieomschrijving
 
De volgende functie(s) en gebruiksactiviteit(en) zijn toegestaan:
  1. een agrarische bedrijfsuitoefening;
  2. het behoud, herstel of de ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden en kenmerken;
  3. tuinen direct grenzend aan het bouwvlak wonen tot maximaal 30 meter van de bestemming ‘Wonen’ en ‘Wonen-1;
  4. extensief dagrecreatief medegebruik;
  5. agrarisch natuurbeheer;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschapselement', uitsluitend een landschapselement;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder:
  1. tuinen, erven en terreinen;
  2. paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 
5.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
5.3.1 Gebouwen
 
De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:
  1. Er zijn geen gebouwen toegestaan. 
5.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
 
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouwen zijnde:
  1. het bouwen van erfafscheidingen ten behoeve van afrastering van het agrarisch grondgebruik is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter.
5.4 Specifieke functieregels
 
5.4.1 Aanwijzing verbod
 
binnen de als ‘Agrarisch met Waarden – Natuur- en landschapswaarden’ aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. kamperen.
Artikel 6 Bedrijf
 
6.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Bedrijf’.
 
6.2 Functieomschrijving
 
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. categorie 1 en 2 bedrijven conform de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels;
  2. wonen in een bedrijfswoning;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bosbouw- en cultuurtechnisch loonwerkbedrijf', tevens een bosbouw- en cultuurtechnisch loonwerkbedrijf;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – opslag en verwerking’ zijn buitenopslag en verwerking toegestaan, waaronder:
    1. de buitenopslag en verwerking van groenstromen afkomstig van derden en van eigen werkzaamheden;
    2. de buitenopslag van schone grond, zand, grind en overige schone minerale materialen, alsmede de opslag van verontreinigde grondachtige materialen, met dien verstande dat hiervoor maximaal 8.000 m² van het terrein mag worden gebruikt.
    3. de verwerking van de in dit onderdeel genoemde materialen, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
      1. het zeven en mengen van grond en hulpstoffen tot (samengestelde) producten – waaronder organische meststoffen – ten behoeve van toepassingen in de agrarische, hippische, cultuurtechnische en GWW-sector;
      2. het verkleinen, zeven en windshiften van groenafval tot biomassa;
      3. het composteren van groenafval.
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – handel en reparatie', tevens een reparatie- en handelsbedrijf van in hoofdzaak (landbouw)werktuigen en tractoren;
  6. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – innamepunt groenstromen’, tevens een innamepunt waar particulieren groenafval (met uitzondering van GFT) kunnen aanleveren en waar groenstromen zoals uitgerijpte compost en houtsnippers kunnen worden afgehaald
  7. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – compostering’ is compostering uitsluitend toegestaan indien:
    1. deze volledig inpandig plaatsvindt;
    2. uitsluitend groenstromen als bedoeld in dit plan worden gecomposteerd;
    3. de inrichting is voorzien van een luchtzuiveringssysteem waarmee geur-, ammoniak- en fijnstofemissies worden gereduceerd.
  8. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – ondersteunende voorzieningen’, tevens ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het bedrijf aan de Castersedijk 24, in de vorm van:
    1. een wasplaats;
    2. een tankplaats;
    3. een weegbrug;
    4. een verkeersontsluiting voor het interne bedrijfsverkeer, waarbij het verkeer via de openbare weg (Castersedijk 26) doorrijdt naar het terrein van Castersedijk 24:
    5. parkeervoorzieningen;
    6. een kantoor zonder baliefunctie;
waarbij deze voorzieningen uitsluitend mogen worden gebruikt door de bedrijven gevestigd aan de Castersedijk 24 en 26 en niet zelfstandig mogen worden geëxploiteerd.
 
met daaraan ondergeschikt:
  1. tuinen, erven en terreinen;
  2. parkeervoorzieningen, uitsluitend binnen het bouwvlak;
  3. groenvoorzieningen;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.3 Bouwactiviteiten
 
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden tevens de volgende beoordelingsregels.
 
6.3.1 Algemeen
 
Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van daar aanwezige functie worden gebouwd:
  1. gebouwen;
  2. bijbehorende bouwwerken;
  3. bouwwerken, geen gebouw zijnde. 
6.3.2 Bouwen binnen bestemmings- en/of bouwvlak
 
Voor het bouwen op gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ gelden de volgende regels:
  1. gebouwen, waaronder bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken, mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  2. bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals waterbassins, verhardingen, terreinafscheidingen en parkeervoorzieningen, mogen worden opgericht binnen het bestemmingsvlak. 
6.3.3 Hoofdgebouwen
 
In afwijking van/in aanvulling op artikel 22.29 gelden de volgende regels voor hoofdgebouwen.
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw wordt uitsluitend verleend onder de volgende voorwaarden:
  1. bedrijfsgebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
  2. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal 7 respectievelijk 12 meter;
  3. de oppervlakte van bedrijfsgebouwen en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' aangeduide bebouwde oppervlakte;
  4. de minimale afstand tot de as van de weg bedraagt 18 meter;
  5. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt minimaal 5 meter, dan wel minimaal de bestaande afstand. 
6.3.4 Beoordelingsregels voor het bouwen van een Bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken
 
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken.
Voor het bouwen van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken zijn de volgende beoordelingsregels ban toepassing:
  1. per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, tenzij op de verbeelding is aangeduid dat het aantal wooneenheden '0' of '2' bedraagt;
  2. de inhoud van de bedrijfswoning inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 750 m³;
  3. de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 5,5 meter;
  4. de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 10 meter;
  5. afstand tot de perceelsgrens dient minimaal 5 meter te bedragen;
  6. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag maximaal 100 m2 bedragen;
  7. de afstand van een vrijstaand bijgebouw tot de bedrijfswoning bedraagt maximaal 30 meter;
  8. de maximale goothoogte van bijgebouwen bedraagt 3,2 meter en de maximale bouwhoogte 5,5 meter;
  9. een bijgebouw dient op een minimale afstand van 5 meter achter de voorgevel te worden opgericht;
  10. de minimale afstand tot de as van de weg bedraagt 18 meter. 
6.3.5 Beoordelingsregels voor het bouwen van Bouwwerken, geen gebouw zijnde
 
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.27 en 22.36 gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken (checken)
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn de volgende beoordelingsregels van toepassing:
  1. de maximale bouwhoogte bedraagt 12 meter, met uitzondering van het bepaalde in sub b;
  2. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter;
  3. de afstand tot de perceelsgrens dient minimaal 5 meter te bedragen met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen;
  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen op minimaal 1 meter achter de gevellijn te worden opgericht;
  5. de minimale afstand tot de as van de weg bedraagt 10 meter.
6.3.6 Nadere eisen/ maatwerkvoorschriften
 
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het functievlak:
  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  2. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing. 
6.4 Specifieke gebruiksactiviteiten
 
6.4.1 Strijdig gebruik
 
binnen de als ‘Bedrijf’ aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. wonen, behoudens in een bedrijfswoning als bedoeld in 6.1 sub b;
  2. detailhandel;
  3. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (incl. LPG) en duurzame motorbrandstoffen;
  4. seksinrichtingen;
  5. kamperen;
  6. opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – opslag en verwerking’;
  7. wonen in bijgebouwen;
  8. het bewonen van de bedrijfswoning als burgerwoning;
  9. een hondenfokkerij.
6.4.2 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
  1. Tot een verboden gebruiksactiviteit als bedoeld in artikel 6.1 wordt begrepen het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken binnen de functie ‘Bedrijf’ zonder de aanleg en instandhouding van de in bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan;
  2. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de functie Bedrijf onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na het in gebruik nemen voor deze functies geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en de instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het in Bijlage 2 opgenomen landschappelijke inpassingsplan. 
6.5 Vergunningplicht voor afwijken van de gebruiksactiviteiten
 
6.5.1 Aanwijzing afwijkend gebruik ten behoeve van mantelzorg
 
Een omgevingsvergunning is vereist voor de volgende activiteiten:
  1. Bouwen en gebruiken ten behoeve van mantelzorg. 
6.5.2 Beoordelingsregels afwijkend gebruik
Het bevoegd gezag kan door middel van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit afwijken van de bepalingen in artikel 6.5.1 van het plan voorbouwen en gebruiken ten behoeve van mantelzorg, mits:
  1. de inhoud van een woning niet meer bedraagt dan de totale inhoud van de bestaande woning;
  2. er mag geen tweede woning ontstaan en om dit te voorkomen mogen ten behoeve van de inwoning maximaal 3 van de 4 volgende voorzieningen worden gerealiseerd: keuken, badkamer, toilet, achteringang;
  3. per woning kan maar éénmaal gebruik worden gemaakt van deze regeling;
  4. een eigen voordeur, hetzij aan de voorgevel, hetzij aan de zijgevel is niet toegestaan;
  5. alle bijgebouwen/verbouwingen dienen te voldoen aan de ten tijde van de aanvraag geldende eisen van het bouwbesluit en de bouwverordening;
  6. ten behoeve van de inwoning mag geen aparte aansluiting op de nutsvoorzieningen worden aangelegd. hiervoor moet gebruik worden gemaakt van de reeds bestaande aansluiting;
  7. na beëindiging van de situatie dient de omgevingsvergunning te worden ingetrokken;
  8. het gedeelte dat ten behoeve van inwoning wordt aangewend, dient aansluitend aan de woning een onderlinge verbinding te hebben met de woning, niet zijnde een verbinding buitenom.
Artikel 7 Groen
 
7.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Groen’.
 
7.2 Functieomschrijving
 
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn aangewezen voor:
  1. groenvoorzieningen;
  2. bermen en beplanting;
  3. paden;
met de daarbij behorende:
  1. voorzieningen van algemeen nut;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
7.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
7.3.1 Gebouwen
 
De volgende beoordelingsregels gelden voor gebouwen:
  1. Er zijn geen gebouwen toegestaan.
 
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
 
De volgende beoordelingsregels gelden voor bouwwerken geen gebouwen zijnde:
  1. het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijn is toegestaan met een maximale bouwhoogte van 2 meter;
  2. het bouwen van nutsvoorzieningen waarvan de maximale bouwhoogte niet dan 3 meter mag bedragen.
 
7.4 Specifieke functieregels
 
7.4.1 Aanwijzing verbod
 
Binnen de als ‘Groen’ aangewezen locaties geldt een verbod op:
  1. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. kamperen.
 
Artikel 8 Leiding - riool
 
8.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Leiding – riool’.
 
8.2 Functieomschrijving
 
De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een rioolleiding.
 
8.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
Op deze gronden mag niet worden gebouwd behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 2,5 meter.
 
8.4 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
 
Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de in 8.1 bedoelde functies wordt verleend, indien wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding;
  2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de desbetreffende leidingbeheerder.
 
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
8.5.1 Vergunningplicht
 
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
a. Bodem:
het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen.
b. Waterhuishouding:
het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
c. Infrastructuur:
verharden oppervlak, het aanleggen van leidingen;
d. Beplantingen:
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen.
 
8.5.2 Uitzonderingen vergunningplicht
 
De in subsubparagraaf 8.5.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
  1. werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen;
  2. werken en/of werkzaamheden, welke op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn.
 
8.5.3 Toelaatbaarheid
 
Werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 8.5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:
  1. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende hoofd- of medebestemming zijn toegekend;
  2. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
 
Artikel 9 Waarde - Archeologie 4
 
9.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4'.
 
9.2 Functieomschrijving
 
De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden.
 
9.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
Binnen de als ‘Waarde - Archeologie 4’ aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken van toepassing:
  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  2. Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
    3. het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
 
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
9.4.1 Verboden werkzaamheden
 
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, indrijven, frezen, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage.
  2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels;
  3. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 meter (dan wel 0,5 meter bij de agrarisch bestemde gronden onder het maaiveld.
 
9.4.2 Uitzonderingen
 
De in subsubparagraaf 9.4.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 500 m²;
  3. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
9.4.3 Beoordelingsregels
 
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. de genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  2. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  3. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
 
Artikel 10 Waarde - Archeologie 5
 
10.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 5.
 
10.2 Functieomschrijving
 
De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden.
 
10.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
Binnen de als Waarde - Archeologie 5 aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken van toepassing:
  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  2. Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
    3. het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
 
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
10.4.1 Verboden werkzaamheden
 
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,3 meter (dan wel 0,5 meter bij de agrarisch bestemde gronden onder het maaiveld zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, indrijven, frezen, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage.
  2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels;
  3. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,3 meter (dan wel 0,5 meter bij de agrarisch bestemde gronden) onder het maaiveld.
 
10.4.2 Uitzonderingen
 
De in subsubparagraaf 10.4.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 2.500 m²;
  3. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
10.4.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. de genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  2. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  3. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  
Artikel 11 Waarde - Archeologie 6
 
11.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 6.
 
11.2 Functieomschrijving
 
De voor 'Waarde - Archeologie 6' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van (potentieel) aanwezige archeologische waarden.
 
11.3 Beoordelingsregels bouwwerken
 
Binnen de als Waarde - Archeologie 6 aangewezen locaties zijn de volgende beoordelingsregels voor bouwwerken van toepassing:
  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 25.000 m² en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  2. Indien uit het in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
    3. het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
 
11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
11.4.1 Verboden werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren:
  1. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,4 meter (dan wel 0,5 meter bij de agrarisch bestemde gronden) onder het maaiveld zoals afgraven, diepploegen, egaliseren, indrijven, frezen, aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleggen van drainage.
  2. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten, poelen en greppels;
  3. het aanleggen van leidingen dieper dan 0,4 meter (dan wel 0,5 meter bij de agrarisch bestemde gronden) onder het maaiveld.
 
11.4.2 Uitzonderingen
De in subsubparagraaf 11.4.1 opgenomen vergunningsplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. de bodem verstoren over een oppervlakte kleiner dan 25.000 m²;
  3. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
14.4.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. de genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden;
  2. alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  3. een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
 
3 Algemene regels
Artikel 12 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 13 Algemene bouwregels
 
13.1 Bestaande afwijkende maatvoering
 
Indien maten met betrekking tot afstanden, hoogten, oppervlakten en volumes van bestaande bouwwerken, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan minder dan wel meer bedragen dan de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
 
Artikel 14 Algemene gebruiksregels
 
14.1 Strijdig gebruik
 
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan:
  1. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
  2. het gebruik en laten gebruiken van bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte.
 
Artikel 15 Omgevingsplanactiviteiten (bouwen)
 
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van
  1. de regels en toestaan dat bebouwingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  2. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    1. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;
  3. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, mits:
    1. de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;
    2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen;
 
Artikel 16 Algemene aanduidingsregels
 
16.1 Overige zone - attentiezone waterhuishouding
 
16.1.1 Aanduidingsomschrijving
 
De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone attentiezone waterhuishouding' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming tegen negatieve effecten op de waterhuishouding en de hydrologische instandhoudingsdoelstellingen van het Natuur Netwerk Brabant.
 
16.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
a Verbod
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten uit te voeren
  1. verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 0,6 meter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist in het kader van de Ontgrondingenwet;
  2. aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage;
  3. verlagen grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  4. aanbrengen oppervlakteverhardingen of verharden oppervlakten met meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.
Voor een nadere beschrijving van de hierboven genoemde werken en/of werkzaamheden zie bijlage 3 bij deze regels.
 
b Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in artikel 16 lid 1.2 sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
 
c Toelaatbaarheid
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 16 lid 1.2 sub a zijn slechts toelaatbaar, mits:
  1. is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de in artikel 16 lid 1.1 bedoelde hydrologische waarden, waarbij mede wordt getoetst aan de in bijlage 3 genoemde LNC-belangen;
  2. het betrokken waterschap is gehoord.
 
4 Overgangsregels
Artikel 17 Overgangsrecht
 
17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22a aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit Hoofdstuk 22a, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan;
  2. het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22a, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvóór geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
17.2 Overgangsrecht functioneel gebruik
 
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22a en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit hoofdstuk 22a strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk 22a strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22a voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.