direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijf
Plan: Leemskuilen 21A Bladel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1728.BPB1028Leemsk21A-VAST

Artikel 3 Bedrijf

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven, waarbij geldt dat:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan in de categorie 2 van de bij deze regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen;
  • b. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;
  • c. ondergeschikte horeca in combinatie met en ten dienste van de bedrijfsfunctie;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel volumineus 1': tevens detailhandel in volumineuze goederen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel volumineus 2': tevens detailhandel in volumineuze goederen en detailhandel in witgoed;
  • f. bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’;
  • g. aan bedrijf gerelateerd onderwijs;
  • h. opslag en uitstalling;
  • i. wegen en paden;
  • j. parkeervoorzieningen;
  • k. tuinen, erven en verhardingen;
  • l. groenvoorzieningen;
  • m. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • n. nutsvoorzieningen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het aangeduide bouwvlak worden gebouwd.
  • b. Het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’ is aangegeven. Indien geen bebouwingspercentage op de verbeelding is aangegeven, mag het bebouwingspercentage maximaal 75% van het bouwperceel bedragen
  • c. De afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan beide zijden ten minste 3 m te bedragen.
  • d. De afstand van gebouwen tot de achterste perceelsgrens dient ten minste 3 m te bedragen.
  • e. Indien in afwijking van het bepaalde onder a tot en met d ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan een groter(e) respectievelijk kleiner(e) bebouwingspercentage dan wel afstand aanwezig was, mag dat bebouwingspercentage respectievelijk die afstand worden gehandhaafd.

3.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. De goothoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' is aangegeven.
  • b. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is aangegeven.
  • c. Indien in afwijking van het bepaalde onder a en b ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan een groter(e) goot- en/of bouwhoogte aanwezig was, mag die goot- en/of bouwhoogte worden gehandhaafd.

3.2.3 Bedrijfswoningen

Bedrijfswoningen (vrijstaand dan wel opgenomen in de bedrijfsbebouwing) mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • a. De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m³.
  • b. De goothoogte van vrijstaande bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan 7,5 m.
  • c. De bouwhoogte van vrijstaande bedrijfswoningen mag niet meer bedragen dan  9 m.
  • d. Met betrekking tot de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient voor een vrijstaande bedrijfswoning het gestelde onder 3.2.1 onder c in acht te worden genomen.
  • e. Het aantal bedrijfswoningen mag ter plaatse van de aanduidingen 'bedrijfswoning' in totaal niet meer bedragen dan 3.

3.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.
  • b. De maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 60 m².
  • c. De goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3,2 m.
  • d. De bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 5,5 m.

3.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.
  • b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m.
  • c. De bouwhoogte van antennes en reclamemasten mag niet meer bedragen dan 15 m respectievelijk 6 m.
  • d. De bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 m.
  • e. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m.

3.2.6 Nutsgebouwen

Voor het bouwen van nutsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. Nutsgebouwen, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.
  • b. De oppervlakte per nutsgebouw mag niet meer bedragen dan 20 m².
  • c. De bouwhoogte van nutsgebouwen mag niet meer bedragen dan 4 m.

3.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken:

  • a. van het bepaalde in lid 3.2.1 onder b ten behoeve van een groter bebouwingspercentage dan is toegestaan, met dien verstande dat:
    • 1. het bebouwingspercentage per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 80%;
    • 2. de afwijking in het kader van de bedrijfsvoering noodzakelijk is;
    • 3. het vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar wordt geacht;
    • 4. het vanuit beeldkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht;
    • 5. de ruimtelijke en functionele structuur niet onevenredig wordt aangetast;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
    • 7. op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Perceelsoppervlakte
  • a. De perceelsoppervlakte voor bedrijven mag per bedrijf niet minder bedragen dan 1.000 m², met dien verstande dat voor ten hoogste twee bedrijfspercelen de minimale oppervlakte ten minste 650 m2 bedraagt (inclusief ontsluiting).
  • b. De perceelsoppervlakte voor bedrijven mag per bedrijf niet meer bedragen dan 5.000 m².
  • c. Indien in afwijking van het bepaalde onder a en b ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan een grotere respectievelijk kleinere perceelsoppervlakte aanwezig was, mag die perceelsoppervlakte worden gehandhaafd.
  • d. De oppervlakte van detailhandel in witgoed bedraagt ten minste 1.000 m2 en ten hoogste 1.200 m2 ter plaatse van een strook met een diepte van ten hoogste 100 meter gemeten vanuit de voorgevel van het hoofdgebouw, georiënteerd op de zuidzijde van de aanduiding. De oppervlakte van detailhandel in accessoires bedraagt ten hoogste 100 m2 binnen de hiervoor genoemde oppervlakte;
  • e. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel volumineus 1' en 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel volumineus 2' bedraagt de oppervlakte van parkeergelegenheid ten behoeve van de daar genoemde detailhandel ten minste 2,4 parkeerplaatsen/100 m2 bruto vloeroppervlak (de totale vloeroppervlakte van een winkel met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten) ten behoeve van bezoekersparkeren (93% hiervan) binnen een afstand van ten hoogste 50 meter van de zuidgrens van het bestemmingsvlak.

3.4.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van gronden voor bedrijven welke vallen onder onderdeel D van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht alsmede risicovolle inrichtingen;
  • b. het gebruik van gronden voor de voorgevelrooilijn ten behoeve van buitenopslag;
  • c. het gebruik van gronden in de geheel bebouwingsvrije strook tussen gebouwen en de zijdelingse perceelgrens ten behoeve van buitenopslag;
  • d. het gebruik van gronden met de aanduiding 'detailhandel volumineus' voor detailhandel in bruingoed.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijken Staat van Bedrijfsactiviteiten

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.1:

  • a. voor het toestaan in de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ van bedrijvigheid die niet voorkomt in de Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande, dat de bedrijvigheid naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de toegelaten milieucategorie 2;
  • b. voor het toestaan in de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ van bedrijvigheid in de milieucategorie 3.1 zoals genoemd in de Staat van bedrijfsactiviteiten, mits de bedrijvigheid naar aard en invloed op de omgeving, al dan niet door het treffen van maatregelen, gelijk te stellen is met de toegelaten milieucategorieën.