2.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevings-besluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22M.
2.2 Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22M gelden aanvullend op artikel 2.1 de volgende begripsbepalingen:
2.2.1 plan:
het TAM-omgevingsplan - Hoofdstuk 22M - Loonsebaan 4, Luyksgestel met identificatienummer NL.IMRO.1724.OPLloo22M-VAST van de gemeente Bergeijk.
2.2.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan van de gemeente Bergeijk.
2.2.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
2.2.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
2.2.5 aaneengebouwd(e bebouwing):
een hoofdgebouw dat onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde hoofdgebou-wen, niet zijnde gestapelde bebouwing;
2.2.6 archeologische waarden:
waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewo-ning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erf-goed vertegenwoordigen.
2.2.7 archeologische verwachting:
De verwachting die aan een gebied is toegekend in verband met de kans op het voorkomen van archeolo-gische relicten.
2.2.8 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
2.2.9 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installe-ren en/of herstellen van goederen.
2.2.10 bedrijfsmatige activiteit:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot de hierna omschreven beroepsmatige activiteiten, gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is, dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend (zoals een schoonheidssalon, een kapsalon of een nagelstudio), met uitzondering van seksinrichtingen.
2.2.11 beroepsmatige activiteit:
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, therapeutisch, maatschap-pelijk, kunstzinnig en vastgesteldtechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend (zoals een accountantskantoor, advocatenkantoor, administratiekantoor).
2.2.12 beneden-bovenwoningen:
een bijzondere woonvorm waarbij boven dan wel beneden en of naast elkaar gesitueerde woningen in
maximaal twee bouwlagen met kap zijn gebouwd waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau gewaarborgd is, niet zijnde een appartementencomplex.
2.2.13 bestaand(e situatie):
t.a.v. bebouwing:
bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan (legaal gerealiseerd) op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk van het omgevingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraag-de omgevingsvergunning;
t.a.v. gebruik:
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk van het omgevingsplan.
2.2.14 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdge-bouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk, met een dak.
2.2.15 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouw-werk.
2.2.16 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
2.2.17 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebou-wing is toegelaten.
2.2.18 bouwperceelsgrens:
de grens van een bouwperceel.
2.2.19 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde ge-bouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
2.2.20 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
2.2.21 carport/overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een vrijstaande dakconstructie met maximaal één wand.
2.2.22 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
2.2.23 dienstverlening:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.
2.2.24 escortbedrijf:
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.
2.2.25 functie:
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toe-gestaan.
2.2.26 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
2.2.27 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
2.2.28 huishouden:
één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samen-stelling en onderlinge verbondenheid.
2.2.29 kunstobject:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met artistieke waarde.
2.2.30 lessenaarsdak:
een dakvorm die bestaat uit slechts één dakvlak of dakschild, dat onder een helling is aangebracht, waarbij het laagste punt van het dakvlak de goothoogte betreft en het hoogste punt de bouwhoogte.
2.2.31 maatschappelijke voorzieningen:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijs-, sport- en recrea-tieve voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en zorgvoorzieningen alsook ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen.
2.2.32 ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m bene-den peil.
2.2.33 permanente bewoning:
bewoning van een gebouw als hoofdverblijf.
2.2.34 prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
2.2.35 seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsma-tig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combina-tie met elkaar.
2.2.36 voorgevel:
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een hoofdgebouw of indien het een hoofdge-bouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevels de gevel die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van de hoofdentree van de woning.
2.2.37 voorgevellijn:
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
2.2.38 voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de grens van het bouwvlak, die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd, tot aan de perceelsgrenzen.
2.2.39 voorzieningen van algemeen nut:
voorzieningen ten behoeve van een op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatie-verkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
2.2.40 water:
het oppervlakte aan water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.
2.2.41 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en water-kwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.
2.2.42 waterpeil:
de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de omge-vingsvergunning of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwa-ter.
2.2.43 werk:
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.
2.2.44 wonen:
het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden.
2.2.45 woning/wooneenheid:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.