Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan - Hoofdstuk 22M - Loonsebaan 4, Luyksgestel
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1724.OPLloo22M-VAST

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie ‘Loonsebaan 4, Luyksgestel’ en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22M) van het omgevingsplan van de gemeen-te Bergeijk. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het om-gevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weer-gegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22M van het omgevingsplan van de gemeente Bergeijk. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer, ‘22M’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage, ‘22M’ gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De regels in dit plan gaan voor op de regels in het bestemmingsplan ‘Luyksgestel en De Zwarte Bergen 2012’ waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1724.BPLIuzn2005-VAST, de regels in het bestemmingsplan ‘Luyksgestel en De Zwarte Bergen 2012, herziening 2014’ waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1724.BPLhlz2007-VAST, de regels in het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Bergeijk 2018’ waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1724.BPBppb1078-VAST en op de regels in het bestemmingsplan ‘Parapluplan wonen en bij-behorende bouwwerken’ waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1724.BPBpwb1091-VAST.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Loonsebaan 4 te Luyksgestel, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1724.OPLloo22M-VAST zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
2.1 Begripsbepalingen
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevings-besluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22M.
 
2.2 Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22M gelden aanvullend op artikel 2.1 de volgende begripsbepalingen:
 
2.2.1 plan:
het TAM-omgevingsplan - Hoofdstuk 22M - Loonsebaan 4, Luyksgestel met identificatienummer NL.IMRO.1724.OPLloo22M-VAST van de gemeente Bergeijk.
 
2.2.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan van de gemeente Bergeijk.
 
2.2.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
2.2.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
2.2.5 aaneengebouwd(e bebouwing):
een hoofdgebouw dat onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde hoofdgebou-wen, niet zijnde gestapelde bebouwing;
 
2.2.6 archeologische waarden:
waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewo-ning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erf-goed vertegenwoordigen.
  
2.2.7 archeologische verwachting:
De verwachting die aan een gebied is toegekend in verband met de kans op het voorkomen van archeolo-gische relicten.
 
2.2.8 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
 
2.2.9 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installe-ren en/of herstellen van goederen.
 
2.2.10 bedrijfsmatige activiteit:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot de hierna omschreven beroepsmatige activiteiten, gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is, dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend (zoals een schoonheidssalon, een kapsalon of een nagelstudio), met uitzondering van seksinrichtingen.
 
2.2.11 beroepsmatige activiteit:
een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, therapeutisch, maatschap-pelijk, kunstzinnig en vastgesteldtechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend (zoals een accountantskantoor, advocatenkantoor, administratiekantoor).
 
2.2.12 beneden-bovenwoningen:
een bijzondere woonvorm waarbij boven dan wel beneden en of naast elkaar gesitueerde woningen in
maximaal twee bouwlagen met kap zijn gebouwd waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid al dan niet direct vanaf het voetgangersniveau gewaarborgd is, niet zijnde een appartementencomplex.
 
2.2.13 bestaand(e situatie):
t.a.v. bebouwing:
bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan (legaal gerealiseerd) op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk van het omgevingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraag-de omgevingsvergunning;
 
t.a.v. gebruik:
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk van het omgevingsplan.
 
2.2.14 bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdge-bouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk, met een dak.
 
2.2.15 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouw-werk.
 
2.2.16 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
2.2.17 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebou-wing is toegelaten.
 
2.2.18 bouwperceelsgrens:
de grens van een bouwperceel.
 
2.2.19 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde ge-bouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
 
2.2.20 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
2.2.21 carport/overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een vrijstaande dakconstructie met maximaal één wand.
 
2.2.22 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.2.23 dienstverlening:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.
 
2.2.24 escortbedrijf:
de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.
 
2.2.25 functie:
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toe-gestaan.
 
2.2.26 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
2.2.27 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
 
2.2.28 huishouden:
één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samen-stelling en onderlinge verbondenheid.
 
2.2.29 kunstobject:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met artistieke waarde.
 
2.2.30 lessenaarsdak:
een dakvorm die bestaat uit slechts één dakvlak of dakschild, dat onder een helling is aangebracht, waarbij het laagste punt van het dakvlak de goothoogte betreft en het hoogste punt de bouwhoogte.
 
2.2.31 maatschappelijke voorzieningen:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, religieuze, onderwijs-, sport- en recrea-tieve voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en zorgvoorzieningen alsook ondergeschikte detailhandel en horeca in combinatie met en ten dienste van deze voorzieningen.
 
2.2.32 ondergronds bouwwerk:
een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m bene-den peil.
 
2.2.33 permanente bewoning:
bewoning van een gebouw als hoofdverblijf.
 
2.2.34 prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
 
2.2.35 seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsma-tig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combina-tie met elkaar.
 
2.2.36 voorgevel:
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een hoofdgebouw of indien het een hoofdge-bouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevels de gevel die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van de hoofdentree van de woning.
 
2.2.37 voorgevellijn:
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan.
 
2.2.38 voorgevelrooilijn:
de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de grens van het bouwvlak, die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd, tot aan de perceelsgrenzen.
 
2.2.39 voorzieningen van algemeen nut:
voorzieningen ten behoeve van een op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatie-verkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
 
2.2.40 water:
het oppervlakte aan water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen.
 
2.2.41 waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en water-kwaliteit, waaronder duikers, stuwen, gemalen, inlaten en voorzieningen ten behoeve van berging en infiltratie van hemelwater.
 
2.2.42 waterpeil:
de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de omge-vingsvergunning of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwa-ter.
 
2.2.43 werk:
een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde.
 
2.2.44 wonen:
het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden.
 
2.2.45 woning/wooneenheid:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
3.1 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.2 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.3 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheids-muren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uit-zondering van onderschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stel-len bouwonderdelen.
 
3.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
3.6 de afstand tot de bouwperceelsgrens
tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
 
3.7 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
3.8 peil:
  • voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
2 Regels over functies en activiteiten
Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod
 
Het is verboden gronden of bouwwerken te (laten) gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
 
Artikel 5 Groen
 
5.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Groen'.
 
5.2 Functieomschrijving
Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft een functie voor:
  1. groenvoorzieningen;
  2. bermen en beplantingen;
  3. speelvoorzieningen;
  4. voorzieningen voor langzaam verkeer;
  5. inritten;
  6. nutsvoorzieningen;
  7. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  8. een afschermde voorziening, ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - afschermende voorziening’.
 
5.3 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen:
  1. De bouwhoogte van terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m.
  2. De bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 12 m.
  3. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.
 
Artikel 6 Wonen
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Wonen'.
 
6.2 Functieomschrijving
Een als ‘Wonen' aangewezen locatie heeft een functie voor:
  1. wonen in een woning;
  2. beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten;
  3. tuinen, erven en verhardingen;
  4. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder parkeervoorzieningen;
  5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. groenvoorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen.
 
6.3 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen
6.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
  1. Het aantal woningen bedraagt maximaal 10.
  2. Uitsluitend de woningtypen aaneengebouwde woningen en beneden-bovenwoningen zijn toegestaan.
  3. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
  4. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m.
  5. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m.
  6. De dakhelling mag niet meer bedragen dan 60°.
  7. De afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens mag bij de eindwoningen niet minder bedragen dan 3 m.
 
6.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat bijbehorende bouwwerken niet vóór de voorgevelrooilijn mogen worden gebouwd.
  2. Het bebouwingspercentage van het bouwperceel bedraagt maximaal 80%, uitgezonderd het bouwvlak.
  3. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m.
  4. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,2 m.
  5. De dakhelling mag niet meer bedragen dan 60°, met dien verstande dat voor een bijbehorend bouwwerk gebouwd op de perceelsgrens geldt dat het schuine dak vanuit de perceelsgrens dient op te lopen.
 
6.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.
  2. Voor overkappingen gelden de regels voor bijbehorende bouwwerken zoals opgenomen in 6.3.2.
  3. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, voor zover gelegen achter de voorgevellijn, mag niet meer bedragen dan 2 m.
  4. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen, voor zover gelegen voor de voorgevellijn, mag niet meer bedragen dan 1 m.
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m.
 
6.4 Specifieke functieregels
6.4.1 Beroepsmatige en bedrijfsmatige activiteiten
Binnen de functie ‘Wonen’ is de uitoefening van een beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit in een hoofd-gebouw en bijbehorende bouwwerk toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
  1. De omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 40% van de gezamenlijke vloeroppervlakte van de woning tot een maximum van 45 m².
  2. Het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.
  3. De activiteit wordt uitgeoefend door een bewoner.
  4. Het gebruik is naar aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming en het betreft geen publieksgerichte voorzieningen.
  5. Het onttrekken van (een deel van) het bij de desbetreffende hoofdgebouw behorende garage is slechts toegestaan, indien op het bij het hoofdgebouw behorende erf ten minste één parkeerplaats aanwezig is of gelijktijdig wordt aangelegd.
  6. Detailhandel is niet toegestaan, uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met de beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteit.
  7. Opslag buiten de gebouwen ten behoeve van de activiteiten is niet toegelaten.
 
6.4.2 Geluidbelasting, geluidwering en afschermende voorziening
  1. Ter plaatse van de waarneempunten waar de berekende geluidbelasting als gevolg van wegverkeersla-waai de standaardwaarde van 53 dB Lden overschrijdt, zoals weergegeven op bijlage 1 bij deze regels, bedraagt de toelaatbare geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai op de gevel(s) van nieuw te realise-ren woning(en) ten hoogste 54 dB Lden.
  2. Het gebruiken van bebouwing voor wonen is alleen toegestaan indien per waarneempunt wordt voorzien in de benodigde karakteristieke geluidwering en deze geluidwering in stand wordt gehouden.
  3. Er wordt voorzien in de benodigde karakteristieke geluidwering zoals bedoeld onder b, als uit een onder-zoek naar geluidwering blijkt dat de karakteristieke geluidwering tenminste het verschil tussen het hoogste gezamenlijke geluid op de gevel (zoals weergegeven in bijlage 1 bij deze regels) en 33 dB bedraagt.
  4. De gronden aangewezen als ‘Wonen’ mogen uitsluitend als zodanig worden gebruikt indien binnen de aanduiding 'overige zone - afschermende voorziening' een afschermende voorziening voor geluid is ge-realiseerd, in stand wordt gehouden en dat voldoet aan:
    • een hoogte van minimaal 1,8 meter.
    • een lengte van minimaal 38 meter.
    • gelegen op de locatie zoals weergegeven in bijlage 2 bij deze regels.
 
6.4.3 Voorwaardelijke verplichting afschermende voorziening gewasbeschermingsmiddelen
De gronden aangewezen als ‘Wonen’ mogen uitsluitend als zodanig worden gebruikt als ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - afschermende voorziening' een afschermende voorziening voor gewasbescher-mingsmiddelen is gerealiseerd en in stand wordt gehouden conform de eisen zoals deze zijn vastgelegd in bijlage 3 bij deze regels.
 
6.4.4 Voorwaardelijke verplichting waterhuishoudkundige voorzieningen
De gronden aangewezen als ‘Wonen’ mogen uitsluitend als zodanig worden gebruikt indien:
  1. Waterhuishoudkundige voorzieningen met voldoende waterbergingscapaciteit zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.
  2. Met de onder a bedoelde waterbergingscapaciteit wordt bedoeld de benodigde capaciteit als gevolg van de toename aan verhard oppervlak, welke als volgt wordt berekend: toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
 
Artikel 7 Waarde - Archeologie 4.1
 
7.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.1'.
 
7.2 Functieomschrijving
Een als 'Waarde - Archeologie 4.1' aangewezen locatie heeft, behalve voor de andere toegestane functies en activiteiten, mede de functie van het behoud en de bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarde(n).
 
7.3 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen
7.3.1 Bouwregels algemeen
  1. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende functies dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte gro-ter dan 500 m² en een diepte van meer dan 0,3 m onder maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
  2. Indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden.
    2. De verplichting tot het doen van opgravingen.
    3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  3. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de om-gevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder b ge-noemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  4. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waar-de van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  5. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld onder a wint zij schrifte-lijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden ge-daan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden
7.4.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden op een locatie aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4.1' zonder of in afwijking van een om-gevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, over een oppervlakte van 500 m² of meer:
 
  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, waaronder begrepen het aanleggen van drainage, dieper dan 0,3 m onder maaiveld;
  2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplantingen, waar-bij de stobben worden verwijderd;
  3. het ophogen en egaliseren van gronden;
  4. het verlagen van het waterpeil;
  5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
  6. het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers en andere wateren;
  7. het omzetten van gras- of akkerland in een teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend wordt boomteelt en graszodenteelt;
  8. het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verband houdende constructies;
  9. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,3 m onder maaiveld.
 
7.4.2 Uitzonderingen
Het in artikel 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  3. in het kader van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  4. binnen een afstand van niet meer dan 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk worden uitgevoerd.
 
7.4.3 Beoordelingsregels archeologie
  1. De in artikel 7.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de vol-gende voorwaarden worden verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor hei-werk, het al niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
  2. Indien uit het rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de om-gevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de onder a ge-noemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.
  3. Een rapport is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waar-de van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.
  4. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 wint deze schriftelijk advies in bij de deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan wor-den gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden ge-steld.
 
3 Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbelteltregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gege-ven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 9 Aanvraagvereisten
 
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepas-sing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
Artikel 10 Algemene regels voor functies en activiteiten
 
10.1 Verboden gebruiksactiviteiten
Het is verboden om:
  1. Gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens te gebruiken ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie.
  2. Bijbehorende bouwwerken bij een woning te (laten) gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte.
 
Artikel 11 Algemene regels voor het bouwen
 
11.1 Ondergronds bouwen
  1. Op plaatsen waar gebouwen mogen worden gebouwd, mag eveneens ondergronds gebouwd worden, met dien verstande dat de maximale maten zoals genoemd in hoofdstuk 2 van toepassing blijven. Daar waar bovengronds geen gebouwen aanwezig zijn, dient de oppervlakte van het ondergrondse bouwwerk met bijbehorende toegang(en) te worden meegerekend in de maximaal toegestane oppervlakte aan ge-bouwen, met uitzondering van in- en uitritten ten behoeve van ondergrondse bouwwerken.
  2. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 4 m.
 
11.2 Lessenaarsdaken
  1. Lessenaarsdaken bij hoofdgebouwen zijn niet toegestaan.
  2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bedoelde onder 1 een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van een lessenaarsdak bij een hoofdgebouw, mits:
    1. dit stedenbouwkundig aanvaardbaar is;
    2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
 
Artikel 12 Overige regels
 
12.1 Parkeren
  1. Het bevoegd gezag toetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactivi-teit met betrekking tot het bouwen, in stand houden, gebruiken van bouwwerken en/of activiteiten die niet mogelijk zijn op basis van dit hoofdstuk (buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) of wordt voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid. Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend indien wordt voldaan aan de volgende regels:
    1. In het geval van de oprichting of uitbreiding van een gebouw dient ten behoeve van het parkeren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsgelegenheid.
    2. In het geval van functiewijziging van een gebouw en/of van gronden dient ten behoeve van het par-keren van auto's en het stallen van fietsen te worden voorzien in voldoende parkeer- en stallingsge-legenheid.
    3. Voor het bepalen van de benodigde parkeer- en stallingsgelegenheid dient te worden voldaan aan de beleidsregel ‘Parkeer- en Elektrisch Laden Beleid 2025 Gemeente Bergeijk’. Indien deze beleids-regels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt de aanvraag omgevingsvergunning ge-toetst aan het gewijzigde parkeerbeleid zoals geldend ten tijde van de aanvraag voor een omge-vingsvergunning.
  2. De parkeer- en stallingsvoorzieningen als bedoeld onder a en b dienen in stand te worden gehouden.
 
4 Overgangsregels
Artikel 13 Overgangsrecht
 
13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bepaalde onder 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
13.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder 1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder 1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen gel-dende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.