direct naar inhoud van Regels Tam-Omgevingsplan hoofdstuk 22i
Plan: Tam-Omgevingsplan Hoofdstuk 22i Chaamseweg 26 Alphen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1723.TAMChmsewg26Alphen-VG01

Regels Tam-Omgevingsplan hoofdstuk 22i

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van de herontwikkeling van een veehouderij naar een niet-agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van statische opslag van campers, caravans en oldtimers. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22i) in het omgevingsplan van de gemeente Alphen-Chaam. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOPTPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22i van het omgevingsplan van de gemeente Alphen-Chaam. Dus:

  • hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 1;
  • hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 2;
  • hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 3;
  • hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 4;
  • hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22i, paragraaf 5.
  • Separate bijlagen 1 en 2 moeten worden gelezen als bijlage 22i.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan.
  • 2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in Bijlage 1 daarvan is afgeweken.

Artikel 2 Wijze van meten

In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

  • 1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
  • 2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg.
  • 3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
  • 4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming.
  • 5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren.
  • 6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  • 7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  • 8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  • 9. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  • 10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen.
  • 11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  • 12. peil:
    • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg;
    • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie aan de Chaamseweg 26 te Alphen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1723.TAMChmsewg26Alphen-ON01, zoals vastgelegd op Regels op de kaart.

Hoofdstuk 2 Omgevingsplanregels

Artikel 4 Agrarisch - Landelijke gebieden

4.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch - Landelijke gebieden'.

4.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan als opgenomen in Bijlage 2,
    • b. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf, inclusief bijbehorende bodembewerkingen ten behoeve van de teelt;
    • c. beweiden van landbouwhuisdieren en paarden; en,
    • d. extensief recreatief verblijven;
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;
    • b. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en,
  • 3. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor:
    • a. cultuurhistorische waardevolle gebieden, ter plaatse van de aanduiding ´specifieke vorm van agrarisch met waarden – cultuurhistorisch waardevol gebied';
    • b. landschapsontwikkelingsgebieden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - landschapsontwikkelingsgebieden' (RNLE).

4.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 4.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  • 2. motorcrossen;
  • 3. grootschalige openluchtevenementen;
  • 4. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
  • 5. het stallen van kampeermiddelen;
  • 6. het gebruik voor parkeren.

4.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • 1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 4.2;
  • 2. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet meer bedraagt dan 2,5 meter en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. De in de gebruiksactiviteiten omschreven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
    • b. De oppervlakte aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag per bestemmingsvlak en per agrarisch bedrijf niet meer dan 2,5 ha bedragen.
  • 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 m.


4.5 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 4.4 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel.
  • 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
    • a. paardenbakken;
    • b. trayvelden;
    • c. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    • d. foliemestbassins; en,
    • e. kassen.

Artikel 5 Bedrijf - Landelijke gebieden

5.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Bedrijf - Landelijke gebieden'.

5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
5.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. Bedrijfsdoeleinden met bijbehorende voorzieningen in de hoedanigheid van statische opslag van campers en caravans;
    • b. bedrijfswoningen:
      • ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is één bedrijfswoning toegestaan;
  • 2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    • a. productiegebonden en ondergeschikte detailhandel, waarbij de totale gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 50 m²;
    • b. kleinschalig logeren, waarbij de bruto-vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m²;
    • c. paden en wegen en parkeervoorzieningen;
    • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
    • e. groenvoorzieningen.

5.2.2 Voorwaardelijke verplichting
  • 1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor bedrijfsdoeleinden als bedoeld in 5.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing en natuuraanleg, zoals bedoeld in artikel 6 overeenkomstig het landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 van deze regels, binnen 1 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden;
  • 2. Het (doen/laten) gebruik(en) voor bedrijfsdoeleinden als bedoeld in 5.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de als te slopen aangeduide gebouwen en voorzieningen binnen 1 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan zijn gesloopt, zoals opgenomen in Bijlage 2 bij de regels.

5.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
5.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van 5.4;

5.3.2 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
  • 1. Onverminderd het bepaalde in 11.2.1, verstrekt de aanvrager bij enaanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden:
    • a. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling.
  • 2. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als:
    • a. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is;
    • b. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend;
    • c. er nu en in de toekomstige situatie geen sprake is van buitenopslag en buitenactiviteiten;
    • d. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en,
    • e. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt.

5.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 en 5.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • 1. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte;
  • 2. het wonen en verblijven in kampeermiddelen;
  • 3. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf, met uitzondering van kleinschalig logeren;
  • 4. het exploiteren van een groothandels-, horeca- en/of detailhandelsbedrijf;
  • 5. het exploiteren van een seks- en/of pornobedrijf en het uitoefenen van prostitutie;
  • 6. het parkeren voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw, met uitzondering van in- /uitritten behorende bij een woning, tenzij op de kaart anders geregeld; en,
  • 7. het opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen, met uitzondering van de (tijdelijke) opslag in het kader van de verwezenlijking van de toegedeelde functie en het bijbehorende beheer en onderhoud.

5.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
5.5.1 Algemene beoordelingsregels

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • a. Per werkingsgebied is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan;
  • b. De afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m.;
  • c. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen van nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 2 m.;
  • d. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

5.5.2 Beoordelingsregels bedrijfsgebouwen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw wordt verleend als:

  • a. De goothoogte niet meer bedraagt dan 5,5 m;
  • b. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 m.
  • c. De oppervlakte aan bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan de oppervlakte zoals deze is aangegeven op de kaart;

5.5.3 Beoordelingsregels bedrijfswoning

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning wordt verleend als:

  • a. De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m³; indien de bestaande inhoud meer bedraagt dan 750 m³ mag de bestaande inhoud niet worden uitgebreid;
  • b. De goothoogte niet meer bedraagt dan 5 m.;
  • c. De bouwhoogte niet meer bedraagt dan 9 m.

5.5.4 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning wordt verleend als:

  • a. de afstand tot de voorgevellijn van de bedrijfswoning niet minder bedraagt dan 2 meter en de afstand tot de bedrijfswoning niet minder dan 1 meter;
  • b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter;
  • c. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en,
  • d. de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoen aan de eisen van de bedrijfswoning als bedoeld in 5.5.3, bedraagt maximaal 100 m².

5.5.5 Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als:

  • a. voor de voorgevellijn van de de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter;
  • b. achter de voorgevellijn van de de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter;
  • d. de bouwhoogte van lichtmasten, silo's, windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter.

5.6 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.5 ten behoeve van de bedrijfsfunctie als bedoeld in dit artikel.

5.7 Omgevingsplanactiviteiten bouw
5.7.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 5.5.1 onder c voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  • b. lid 5.5.2 onder a en b voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een hogere goothoogte tot maximaal 8 m en/of een hogere bouwhoogte tot maximaal 13 m, indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering;
  • c. lid 5.5.5 onder c voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een hogere bouwhoogte tot 6 m.

5.7.2 Uitbreiding bedrijfsvloeroppervlakte

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.5.1 onder b voor het uitbreiden van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen waarbij moet worden voldaan aan de volgende bepalingen:

  • a. De vergroting dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling van het bedrijf.
  • b. De vergroting dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvlak.
  • c. De uitbreiding niet meer dan 15% van de aangegeven bebouwde oppervlakte omvat.
  • d. Er sprake is van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan.
  • e. Er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen.

5.8 Omgevingsplanactiviteiten gebruik
5.8.1 Andere bedrijfsactiviteiten

Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 voor het vestigen van een ander soort bedrijf dan op basis van de toegestane gebruiksactiviteiten is toegestaan, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. De oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet worden vergroot.
  • b. Het nieuw te vestigen bedrijf mag naar aard en invloed niet meer milieuhinder voor de omgeving opleveren dan de oorspronkelijk toegestane bedrijfssoort, zoals de in de Bijlage 3 opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten.
  • c. Het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid mag geen onevenredige beperking opleveren van de bestaande bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven.
  • d. Het nieuw te vestigen bedrijf mag geen grotere publieks- en/of verkeersaantrekkende werking hebben dan de oorspronkelijk toegestane bedrijfssoort.
  • e. Er mag geen uitbreiding van bestaande detailhandel of nieuwvestiging van detailhandel plaatsvinden.

Artikel 6 Groen - Landschappelijke inpassing

6.1 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden binnen 'Groen - Landschappelijke inpassing'.

6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • a. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in Bijlage 2, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap;
  • b. extensief recreatief verblijven.

Alsmede voor:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. voetpaden;
  • e. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorziening.

6.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 5.2 onder a.

  • a. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als:
    • 1. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
    • 2. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waardeberekening inclusief toelichting en beplantingsplan;
    • 3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden.

6.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 6.2 en 6.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen;
  • b. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en,
  • c. het gebruik voor parkeren.

6.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:

  • a. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 6.2;
  • b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter;
  • c. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn;
  • d. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht.

6.6 Verboden bouwactiviteiten
  • 1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 6.5 ten behoeve van de groenfunctie als bedoeld in dit artikel.
  • 2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
    • a. paardenbakken; en,
    • b. kassen.

Hoofdstuk 3 Thema's

Artikel 7 Waarde - Archeologie 3b

7.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in Hoofdstuk 2.

7.2 Toepassingsbereik

Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3b'.

7.3 Toegestane gebruiksactiviteiten
  • 1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    • a. de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen.

7.4 Toegestane sloop- en bouwactiviteiten

Het is toegestaan de volgende sloop- en bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. bouwwerken waarvoor bij de sloop en/of bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 500 m2 en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functies, of;
  • 2. bouwwerken waarvoor bij de sloop en/of bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s) of;
  • 3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits:
    • a. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    • b. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid;
  • 4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige

7.5 Vergunningplichtige sloop- en bouwactiviteiten

Het is verboden een sloop- en/of bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, zonder omgevingsvergunning, of anders dan is bedoeld in 7.4.

7.5.1 Algemene beoordelingsregels

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.

7.5.2 Beoordelingsregels bouwen ten dienste van andere functies

De omgevingsvergunning voor een sloop- en/of bouwactiviteit voor het bouwen ten dienste van andere functies wordt verleend als:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • c. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
  • 4. Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
  • 5. Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in 7.5.2, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.6 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 7.4.

7.7 Vergunningplichtige werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden
7.7.1 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden te verrichten of te laten verrichten:

  • 1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  • 2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  • 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energergie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  • 5. het aanledden of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  • 6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  • 7. het ophogen van gronden.

7.7.2 Uitzonderingen op vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Het in artikel 7.7.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:

  • 1. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  • 2. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of;
  • 3. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  • 4. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  • 5. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of;
  • 6. het werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.7.1 onder 7 betreft, waarbij:
    • a. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m2;
    • b. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige

7.7.3 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 7.5.1 wordt verleend als:

  • 1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  • 2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  • 3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • b. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    • c. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).

7.7.4 Archeologisch rapport

Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.

7.7.5 Advies

Bij de beoordeling van een archeologissch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.7.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.

7.8 Vergunningplichtige sloopactiviteiten
7.8.1 verbod

Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 3b' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen voor zover deze niet binnen 7.4 passen of zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag.

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Bestaande afwijkende maatvoering

In die gevallen, dat de (goot)hoogte, de oppervlakte, de inhoud, een bebouwingspercentage en/of de afstand tot de weg of perceelsgrenzen, en andere maten, voor zover in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die bestaande maatvoering in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

9.2 Ondergronds bouwen
  • a. Op plaatsen waar hoofd- en bijgebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd mag eveneens ondergronds gebouwd worden, direct aansluitend mogen in- dan wel uitritten ten behoeve van de ondergrondse bouwwerken worden gebouwd.
  • b. De verticale diepte mag bij ondergronds bouwen niet meer bedragen dan 3,5 m.
  • c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken op andere locaties dan onder het hoofdgebouw of bijgebouw mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangepast.

Artikel 10 Gebruik

10.1 Verboden gebruiksactiviteiten

Gebruiksactiviteiten die betrekking hebben op het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet reeds bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn verboden.

Artikel 11 Bouwen

11.1 Algemene bepalingen
11.1.1 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

11.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan
  • 1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden.
  • 2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden.
  • 3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

11.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
11.2.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
  • 1. In afwijking van de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • 2. Onverminderd de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken verleend als:
    • a. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies;
    • b. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil.
  • 3. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel

11.2.2 Inwinning advies welstand

Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

12.1 Veiligheidszone - munitie

Ter plaatse van de aanduiding veiligheidszone - munitie - A/B/C gelden de volgende bepalingen:

  • d. Op de gronden met de aanduiding 'veiligheidszone - munitie - B' is zonder toestemming van het onderzoekscentrum geen bebouwing en gebruik toegestaan waar zich regelmatig personen bevinden, zoals woningen, winkels, kantoren, horeca, sportvelden, sportcomplexen, kampeerterreinen, e.d. Wegen met beperkt verkeer zijn wel toelaatbaar.
  • e. Op de gronden met de aanduiding 'veiligheidszone - munitie - C' zijn kwetsbare gebouwen zoals gebouwen met zeer grote glasoppervlakte en/of waar zich regelmatig veel mensen bevinden niet toegestaan.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden een omgevingsvergunning verlenen:

  • a. van de functieregels en voor het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de functiegrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt;
  • b. van de functieregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:
    • 1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² zal bedragen;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m zal bedragen;
  • c. van de functieregels ten aanzien van het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar per perceel/kavel en een duur van niet meer dan 15 dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder begrepen;
  • d. van de functieregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:
    • 1. ten behoeve van civieltechnische/cultuurtechnische kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m;
    • 2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m;

Hoofdstuk 4 Procesregels

Artikel 14 Algemene bepalingen

14.1 Rangorde

De regels in dit TAM-omgevingsplan gaan – voor zover deze in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet - voor op het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

14.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning
  • 1. De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project.
  • 2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
    • a. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en,
    • b. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

15.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 ten 3, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAMomgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

15.3 Eerbiedigende werking overige activiteiten
  • 1. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit.
  • 2. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit.
  • 3. Op activiteiten anders dan bedoeld in artikel 11.1 en 11.2 die ophet moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.