Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Venweg 2a Alphen
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1723.TAM22bVenweg2a-VG01

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het mogelijk maken van een woonfunctie ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf in het landelijk gebied. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) in het omgevingsplan van de gemeente Alphen-Chaam. Technisch is het nog vormgegeven en gepubliceerd als een bestemmingsplan. Dus is het niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. Daarom moeten de hoofdstukken van dit plan worden gelezen als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Alphen-Chaam. Dus:
  • hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 1;
  • hoofdstuk 2 (Functies) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 2;
  • hoofdstuk 3 (Thema's) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 3;
  • hoofdstuk 4 ( Procesregels) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 4;
  • hoofdstuk 5 (Overgangsrecht en slotbepalingen) moet worden gelezen als hoofdstuk 22b, paragraaf 5.
  • bijlage 1 moet worden gelezen als bijlage 22b.1
 
1 Algemene bepalingen
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
  1. Bijlage 1 bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit TAM-omgevingsplan.
  2. De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan, tenzij in bijlage 1 daarvan is afgeweken.
 
Artikel 2 Meet- en rekenbepalingen
 
In dit TAM-omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
  1. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.
  2. de afstand tot de weg: de afstand tot de bebouwing en de as van de weg.
  3. het bebouwd oppervlak van een bouwperceel: de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen.
  4. het bebouwingspercentage: het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de functie, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die functie.
  5. de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren.
  6. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
  7. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
  8. de inhoud van een bouwwerk: tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
  9. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
  10. de bouwhoogte van een windmolen: vanaf het peil tot en met de as van de molen.
  11. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
  12. peil:
    1. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg;
    2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid.
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  3. De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Venweg 2a Alphen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1723.TAM22bVenweg2a-VG01 zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.
 
2 Functies
 
Artikel 4 Wonen - Landelijke gebieden
 
4.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Wonen - Landelijke gebieden‘.
 
4.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
 
4.2.1 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten
  1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    1. wonen in een woning;
    2. kleinschalig logeren, waarbij de bruto-vloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan 100 m²;
    3. ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde – Cultuurhistorie’ het behoud en instandhouding van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; en,
    4. Het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassings- en inrichtingsplan als opgenomen in bijlage 2.
  2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    1. tuinen en erven;
    2. in- en uitritten;
    3. parkeervoorzieningen
    4. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en,
    5. groen- en speelvoorzieningen.
4.2.2 Voorwaardelijke verplichting
  1. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien de landschappelijke inpassing, zoals bedoeld in artikel 6 overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 van deze regels, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden;
  2. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien het oppervlak aan bijbehorende bouwwerken wordt teruggebracht tot maximaal 325 m2, maximaal na 2 jaar na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan, zoals weergegeven op de situatietekening opgenomen als Bijlage 5 bij de regels;
  3. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoeld in 4.2.1 is uitsluitend toegestaan indien er binnen 1 jaar na de sloop van de bebouwing een bodemonderzoek is uitgevoerd, alsook de eventuele nodige saneringswerkzaamheden;
  4. Het (doen/laten) gebruik(en) voor wonen als bedoel in 4.2.1, ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde – Cultuurhistorie’, is uitsluitend toegestaan indien de cultuurhistorische waarden, zoals omschreven in de redengevende omschrijving en het behoud- en herstelplan opgenomen als bijlage 3 en bijlage 4, behouden en hersteld worden.
4.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
 
4.3.1 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
  1. bedrijfsactiviteiten aan huis, voor zover niet verboden op basis van 4.4.
4.3.2 Aanvraagvereisten en beoordelingsregels bedrijfsactiviteit aan huis
  1. Onverminderd het bepaalde in 12.2, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis de volgende gegevens en bescheiden:
    1. informatie over de parkeervoorziening, de ruimte en voorzieningen voor laden en lossen en de verkeersafwikkeling.
  2. De omgevingsvergunning voor een bedrijfsactiviteit aan huis wordt verleend als:
    1. degene die de activiteit uitvoert, een eenmanszaak heeft en de bewoner van de woning is;
    2. voor de activiteit maximaal 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken met een (gezamenlijk) maximum van in totaal 60 m² wordt aangewend;
    3. geen buitenopslag en buitenactiviteiten;
    4. de activiteit niet leidt tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer of tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; en,
    5. de activiteit niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt.
4.4 Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 4.2 en 4.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:
  1. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte;
  2. het wonen en verblijven in kampeermiddelen;
  3. activiteiten gericht op verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf, met uitzondering van het exploiteren van een bed and breakfast;
  4. het exploiteren van een groothandels-, horeca- en/of detailhandelsbedrijf;
  5. het exploiteren van een seks- en/of pornobedrijf en het uitoefenen van prostitutie;
  6. het parkeren voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw, met uitzondering van in- /uitritten behorende bij een woning, tenzij op de kaart anders geregeld; en,
  7. het opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen, met uitzondering van de (tijdelijke) opslag in het kader van de verwezenlijking van de toegedeelde functie en het bijbehorende beheer en onderhoud.
4.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
 
4.5.1 Algemene beoordelingsregels
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:
  1. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erfafscheidingen, binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  2. indien de bestaande bebouwing buiten het bouwvlak ligt of een grotere maatvoering heeft dan in 4.5.2 of 4.5.3 is aangegeven: geen verdere uitbreiding plaatsvindt. Gebruik ten behoeve van het wonen en algehele herbouw van een woning op bestaande fundamenten is toegestaan;
4.5.2 Beoordelingsregels hoofdgebouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend als:
  1. per bouwvlak maximaal 1 hoofdgebouw wordt gebouwd, tenzij ter plaatse op de kaart een ander aantal is aangegeven, dan geldt dit aantal woningen;
  2. de inhoud van een woning niet meer bedraagt dan 750 m3, voor zover de inhoud ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp van dit plan meer bedraagt geldt de bestaande inhoud als maximum;
  3. het slopen van of het realiseren van vervangende nieuwbouw ter plaatse van de aanduiding 'Waarde – Cultuurhistorie' is niet toegestaan;
  4. Ter plaatse van de aanduiding 'Waarde - Cultuurhistorie' is het toevoegen van maximaal één woning binnen de bestaande cultuurhistorisch waardevolle schuur toegestaan;
  5. indien ter plaatse van het bouwvlak maximaal twee woningen zijn toegestaan, dient één woning te worden gerealiseerd in de cultuurhistorisch waardevolle schuur als bedoeld in lid 4;
  6. het hoofdgebouw wordt afgedekt door een hellend dakvlak, met dien verstande dat de helling minimaal 12 en maximaal 55 graden bedraagt, tenzij ter plaatse op de kaart een vlak dak is aangegeven, dan geldt dat een vlak dak verplicht is;
  7. de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 meter; en,
  8. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 9 meter.
4.5.3 Calamiteitenregeling
In afwijking van artikel 4.5.2 sub 3 en artikel 4.2.2 sub 4 geldt dat het doen en/of laten gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden voor het wonen blijft toegestaan indien het in artikel 4.5.2 sub 3 en artikel 4.2.2 sub 4 bedoelde bouwwerk geheel of gedeeltelijk tenietgaat ten gevolge van een calamiteit.
 
4.5.4 Beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning wordt verleend als:
  1. bijgebouwen op een afstand van ten minste 2 meter achter de voorgevelrooilijn en ten minste 1 meter van de woning worden gebouwd;
  2. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 meter en de bouwhoogte niet meer dan 6 meter, tenzij ter plaatse op de kaart een andere goot- en/of bouwhoogte is aangegeven, dan geldt deze goot- en/of bouwhoogte;
  3. de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk niet meer bedraagt dan de bovenkant van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; en,
  4. de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoen aan de eisen van het hoofdgebouw als bedoeld in 4.5.2, bedraagt maximaal 325 m²;
  5. in afwijking van het bepaalde in lid 4 geldt dat ten behoeve van de woning als bedoeld in artikel 4.5.2 lid 4 maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan.
4.5.5 Beoordelingsregels bouwwerken geen gebouwen zijnde
De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als:
  1. voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter;
  2. achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2 meter;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3 meter;
  4. de bouwhoogte van windturbines en antennes niet meer bedraagt dan 15 meter.
4.6 Verboden bouwactiviteiten
  1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 4.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel.
  2. Het bouwen van bijbehorende bouwwerken, erfinrichting of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘aan- en bijgebouwen uitgesloten’. Deze aanduiding is opgenomen ter bescherming van de cultuurhistorische waarde van de bestaande bebouwing en erfstructuur. De betreffende gronden mogen niet worden ingericht ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw.
Artikel 5 Agrarisch - Landelijke gebieden
 
5.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten en bouwactiviteiten binnen 'Agrarisch - Landelijke gebieden‘.
 
5.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    1. het telen van gewassen in de vorm van akkerbouw- en vollegrondstuinbouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf;
    2. beweiden van landbouwhuisdieren; en,
    3. extensief recreatief verblijven.
  2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    1. wegen;
    2. voet- en rijwielpaden;
    3. verkeervoorzieningen;
    4. straatmeubilair;
    5. openbare nutsvoorzieningen;
    6. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen; en,
    7. groen- en speelvoorzieningen.
 
5.3 Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 5.2 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  2. motorcrossen;
  3. grootschalige openluchtevenementen;
  4. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf;
  5. het stallen van kampeermiddelen;
  6. het gebruik voor parkeren.
 
5.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:
  1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 5.2;
  2. de bouwhoogte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet meer bedraagt dan 2,5 meter en wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. De in de gebruiksactiviteiten omschreven waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.
    2. De oppervlakte aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mag niet meer dan 2,5 ha bedragen.
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer bedraagt dan 3 meter.
 
5.5 Verboden bouwactiviteiten
  1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 5.5 ten behoeve van de agrarische functie als bedoeld in dit artikel.
  2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
    1. paardenbakken;
    2. trayvelden;
    3. permanente teeltondersteunende voorzieningen;
    4. foliemestbassins; en,
    5. kassen.
 
Artikel 6 Groen - Landschappelijke inpassing
 
6.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden binnen ‘Groen - Landschappelijke inpassing‘.
 
6.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  1. Het is toegestaan de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten of te laten verrichten:
    1. het nemen van landschapsmaatregelen overeenkomstig het landschappelijk inpassingsplan als opgenomen in bijlage 2, ter bescherming van landschappelijke waarden door inpassing van gebouwen, verhardingen en andere voorzieningen in het landschap;
    2. zich verplaatsen; en,
    3. extensief recreatief verblijven.
  2. De volgende voorzieningen ten behoeve van deze gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:
    1. groenvoorzieningen;
    2. voetpaden; en,
    3. water, watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
 
6.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag andere landschapsmaatregelen te treffen dan de landschapsmaatregelen zoals bedoeld in 6.2 onder a.
  2. De omgevingsvergunning voor ander landschapsmaatregelen wordt verleend als:
    1. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het landschappelijk inpassingplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het inpassingsplan genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
    2. hetgeen onder a beschreven kan worden aangetoond met een waarde berekening inclusief toelichting en beplantingsplan;
    3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige waarden.
 
6.4 Verboden gebruiksactiviteiten
Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in 6.2 en 6.3 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:
  1. het lozen en/of opslaan van (afgedankte) goederen, stoffen en materialen;
  2. activiteiten gericht op intensieve verblijfsrecreatie en recreatief nachtverblijf; en,
  3. het gebruik voor parkeren.
 
6.5 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
De omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt verleend als:
  1. sprake is van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ten behoeve van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in 6.2;
  2. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1 meter;
  3. de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn en 2 meter achter de voorgevelrooilijn;
  4. erf- en terreinafscheidingen als open constructie worden opgericht.
 
6.6 Verboden bouwactiviteiten
  1. Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten als bedoeld in 6.5 ten behoeve van de woonfunctie als bedoeld in dit artikel.
  2. Het verbod omvat in ieder geval het oprichten, in stand houden en gebruiken van:
    1. paardenbakken; en,
    2. kassen.
 
3 Thema's
 
Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorie
 
7.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op bouwactiviteiten, het verrichten van werken en werkzaamheden en sloopactiviteiten op, aan of in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
 
7.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
  1. De voor 'Waarde – Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede geschikt voor het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, waarbij de functie 'Waarde – Cultuurhistorie' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies;
  2. Onder de ‘Waarde – Cultuurhistorie’ wordt in het geval van het voorliggende TAM-Omgevingsplan voor de locatie Venweg 2a de volgende waarde(n) van de landbouwschuur verstaan:
    1. oorspronkelijke structuur van de schuur;
    2. oorspronkelijke uiterlijk en verschijningsvorm van de schuur bestaande uit muren, gevels, deuren en openingen;
    3. oorspronkelijke opzet en uiterlijk van de dakconstructie;
      zoals beschreven in de redengevende omschrijving en behoud- en herstelplan, opgenomen in Bijlage 3 en Bijlage 4.
7.3 Verboden bouwactiviteiten
In afwijking van de regels opgenomen bij de andere voor deze gronden aangewezen functies geldt voor het bouwen van bouwwerken dat, ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde – Cultuurhistorie’ niet is toegestaan:
  1. de bestaande bebouwing te vergroten en/of veranderen;
  2. nieuw op te richten bouwwerken toe te voegen.
7.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 7.3 onder 1, nadat advies is ingewonnen bij de commissie Ruimtelijke Kwaliteit en indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde van de gebouwen en of de inrichting van het aangewezen gebied:
  1. de redengevende beschrijving, opgenomen als Bijlage 3, genoemde cultuurhistorische waarden van de gebouwen en/of de inrichting van het aangewezen gebied;
  2. deze verandering of vergroting in overeenstemming is met de regels opgenomen in de andere voor deze gronden aangewezen functies.
7.5 Vergunningplichtige werkzaamheden
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag binnen het functiegebied 'Waarde - Cultuurhistorie' de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren:
    1. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 1 meter.
  2. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a is slechts toelaatbaar, indien door die werken en/of werkzaamheden de cultuurhistorische waarden op deze gronden, zoals beschreven in de redengevende omschrijving en behoud- en herstelplan, niet in onevenredige mate worden aangetast.
  3. Over een dergelijke vergunning wordt niet eerder beslist dan, nadat advies is ingewonnen bij de commissie ruimtelijke kwaliteit.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden van geringe omvang en uit planologisch oogpunt van ondergeschikt belang, gericht op en noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden of de instandhouding, waaronder normale beheerswerkzaamheden.
7.6 Vergunningplichtige sloopactiviteiten
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag bouwwerken gelegen binnen het functiegebied 'Waarde - Cultuurhistorie' geheel of gedeeltelijk te slopen.
  2. Een omgevingsvergunning als bedoeld onder a is slechts toelaatbaar, indien door die werkzaamheden de cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in de redengevende omschrijving en behoud- en herstelplan, niet in onevenredige mate worden aangetast.
  3. Over een dergelijke vergunning beslist het bevoegd gezag dan, nadat advies is ingewonnen bij de commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op werkzaamheden van geringe omvang, gericht op en noodzakelijk voor het normale onderhoud of de instandhouding, waaronder normale beheerswerkzaamheden.
 
Artikel 8 Waarde - Archeologie 1
  
8.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 1’.
 
8.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 1' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies.
 
8.3 Verboden bouwactiviteiten
 
8.3.1 Verbod
Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden.
 
8.3.2 Uitzonderingen
Het in artikel 8.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
  1. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits:
    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; of
  2. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
8.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
 
8.4.1 Afwijken van het verbod
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 8.3.1, ten dienste van de andere geldende functie(s), indien:
  1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
 
8.4.2 Archeologisch rapport
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
 
8.4.3 Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in artikel 8.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
8.5 Vergunningplichtige werkzaamheden (niet zijnde bouwactiviteiten)
 
8.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren op gronden met de functieaanduiding 'Waarde – Archeologie 1':
  1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  4. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  5. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  7. het ophogen van gronden;
 
8.5.2 Uitzonderingen op het verbod
Het in artikel 8.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:
  1. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  2. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of;
  3. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  4. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  5. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of;
  6. het werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 8.5.1 onder 7 betreft, waarbij:
    1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²;
    2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
8.5.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.5.1 wordt verleend als:
  1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    3. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
 
8.5.4 Archeologisch rapport
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
 
8.5.5 Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
8.6 Vergunningplichtige sloopactiviteiten
 
8.6.1 Verbod
Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.
 
8.6.2 Uitzonderingen op het verbod
Het in artikel 8.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:
  1. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of;
  2. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  3. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
8.6.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.6.1 wordt slechts verleend indien:
  1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
  
8.6.4 Archeologisch rapport
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
 
8.6.5 Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
8.7 Nadere eisen
 
8.7.1 Behoud archeologische waarden in situ
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
Artikel 9 Waarde - Archeologie 2
 
9.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 2’.
 
9.2 Toegestane gebruiksactiviteiten
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor de bescherming van de archeologische (verwachtings)waarden en archeologische vindplaatsen, waarbij de functie 'Waarde - Archeologie 2' voorrang heeft op de andere daar voorkomende functies.
 
9.3 Verboden bouwactiviteiten
 
9.3.1 Verbod
Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de mede voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden.
 
9.3.2 Uitzonderingen
Het in artikel 9.3.1 genoemde verbod is niet van toepassing op:
  1. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of;
  2. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,15 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende functie(s), of;
  3. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende functie(s), mits:
    1. de bestaande fundering wordt gebruikt;
    2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; of
  4. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
9.4 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
 
9.4.1 Afwijken van het verbod
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor bouwactiviteiten in afwijking van artikel 9.3.1, ten dienste van de andere geldende functie(s), indien:
  1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
 
9.4.2 Archeologisch rapport
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
 
9.4.3 Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in artikel 9.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
9.5 Vergunningplichtige werkzaamheden (niet zijnde bouwactiviteiten)
 
9.5.1 Verbod
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren op gronden met de functieaanduiding 'Waarde – Archeologie 2':
  1. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen;
  2. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen;
  3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  4. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  5. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden;
  6. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd;
  7. het ophogen van gronden;
 
9.5.2 Uitzonderingen op het verbod
Het in artikel 9.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:
  1. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  2. het werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 9.5.1 onder 1 t/m 8 betreft die niet dieper reiken dan 0,15 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  3. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of;
  4. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of;
  5. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  6. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
  7. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag. Bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige, of;
  8. het werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 9.5.1 onder 7 betreft, waarbij:
    1. de bodem als gevolg van het ophogen niet meer wordt belast dan 0,8 ton/m²;
    2. het ophogen plaatsvindt op gronden die naar het oordeel van het bevoegd gezag niet zettingsgevoelig zijn; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
9.5.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 9.5.1 wordt verleend als:
  1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    3. een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
 
9.5.4 Archeologisch rapport
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
 
9.5.5 Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
9.6 Vergunningplichtige sloopactiviteiten
 
9.6.1 Verbod
Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag.
 
9.6.2 Uitzonderingen op het verbod
Het in artikel 9.6.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien:
  1. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of;
  2. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,15 meter onder het bestaande maaiveld, of;
  3. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, of;
  4. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of;
  5. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag, bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
9.6.3 Toetsingscriteria
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.6.1 wordt slechts verleend indien:
  1. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of;
  2. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of;
  3. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord:
    1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of;
    3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
 
9.6.4 Archeologisch rapport
Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen.
 
9.6.5 Advies
Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.6.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
 
9.7 Nadere eisen
 
9.7.1 Behoud archeologische waarden in situ
Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
Artikel 10 Gebruik
 
10.1 Verboden gebruiksactiviteiten
  1. Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met de aan locatie toegedeelde functie(s) in hoofdstuk 2 zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
  2. Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
 
Artikel 11 Bouwen
 
11.1 Algemene bepalingen
 
11.1.1 Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
11.1.2 Bestaande maatvoering toegestaan
  1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden.
  2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan ingevolge dit artikel danwel hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden aangehouden.
  3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is dit uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
  4. Het bepaalde 11.1.2. onder 1 en 2 is niet van toepassing op oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de functie 'Wonen', waarop meer dan 200 m² bijbehorende bouwwerken aanwezig is, voor zover in overeenstemming met verleende vergunning(en) tot stand gekomen.
 
11.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten
 
11.2.1 Algemene beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten
  1. In afwijking van de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten ook verleend als de daar voorgeschreven maatvoerings- en situeringseisen met ten hoogste 10% worden overschreden mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    1. de woonsituatie;
    2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    3. de milieusituatie;
    4. de verkeersveiligheid;
    5. de sociale veiligheid; en,
    6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  2. Onverminderd de bouwregels in hoofdstuk 2 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van ondergrondse bouwwerken verleend als:
    1. onder bovengrondse bebouwing, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen en direct aansluitende inritconstructies;
    2. met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 3,5 meter onder peil.
  3. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van bouwactiviteiten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatie- en rookkanalen, voorzieningen voor (hemel)waterafvoer, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, galerijen, reclamevoorzieningen, schoorstenen, balkons en overstekende daken, te realiseren, in stand te houden en te gebruiken buiten beschouwing gelaten mits de overschrijding van maatvoeringsnormen niet meer dan 1 meter bedraagt en plaatsvindt binnen het bouwperceel.
 
11.2.2 Inwinning advies welstand
Voordat op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt beslist, wint het bevoegd gezag advies in bij de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit over de welstandsaspecten.
 
11.3 Verboden bouwactiviteiten
Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken, anders dan de toegelaten en vergunningplichtige bouwactiviteiten bedoeld in hoofdstuk 2 en 3.
 
4 Procesregels
 
Artikel 12 Algemene bepalingen
 
12.1 Rangorde
De regels in dit TAM-omgevingsplan gaan – voor zover deze in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet - voor op het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
 
12.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning
  1. De aanvrager van een omgevingsvergunning draagt er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project.
  2. Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  3. het e-mailadres (voor zover beschikbaar) van de melder of aanvrager; en,
  4. de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding.
 
5 Overgangsrecht en slotbepalingen
 
Artikel 13 Overgangsrecht
 
13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM- omgevingsplan mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan van rechtswege, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
13.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan op de betreffende locatie en dat als gevolg van dit TAM-omgevingsplan in strijd is met de gebruiksregels in hoofdstuk 2 ten 3, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM- omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met de voorheen geldende gebruiksregels voor die locatie in het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.
 
13.3 Eerbiedigende werking overige activiteiten
  1. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als vergunning- of meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een onherroepelijke ontheffing of vergunning zoals die luidde direct voor die regeling als een omgevingsvergunning respectievelijk melding voor die activiteit.
  2. Zodra een regeling in dit TAM-omgevingsplan een activiteit als meldingsplichtig aanwijst, dan geldt een melding of kennisgeving zoals ingediend voor die regeling als een melding voor die activiteit.
  3. Op activiteiten anders dan bedoeld in de artikelen 13.1 en 13.2 die op het moment van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van dit TAM-omgevingsplan direct van toepassing.