| Plan: | Blije - Farebuorren 27, 28 en 29 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1722.20161846-VA01 |
De percelen Farebuorren 27, 28 en 29 hebben in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Ferwerderadiel grotendeels de bestemming 'Wonen - 4'. 'Grotendeels' omdat in de huidige situatie de tuinen en enkele bijgebouwen van de verschillende percelen binnen de bestemming 'Agrarisch' vallen. De gronden binnen deze bestemming zijn echter alleen bedoeld voor het agrarisch grondgebruik en niet ten behoeve van de reguliere woonfunctie. Kort gezegd komt het erop neer dat het feitelijke gebruik en de bestemming van de gronden niet met elkaar overeenkomen.
Het feitelijke gebruik van de gronden vindt al sinds jaar en dag plaats en stuit ook niet op problemen. De eigenaren van de percelen wensen het huidige gebruik van de gronden 'Agrarisch' voort te zetten. Daarnaast is de eigenaar van de woning aan de Farebuorren 27 voornemens zijn bestaande woning uit te breiden met circa 50 m2. De uitbreiding van de woning valt binnen de bestemming 'Agrarisch'. Hierbinnen zijn geen woningen toegestaan. Op basis van het bovenstaande is er op een aantal punten sprake van strijd met het geldende bestemmingsplan.
Voor het verruimen van een tuin of erf is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een agrarische bestemming te wijzigen naar de bestemming 'Wonen - 4'. Met het voorliggende wijzigingsplan wordt hier toepassing aan gegeven. Enerzijds wordt hiermee het huidige gebruik van de tuinen gelegaliseerd, anderzijds wordt de uitbreiding van de woning juridisch-planologisch gefaciliteerd.
Het plangebied betreft de percelen Farebuorren 27, 28 en 29. De Farebuorren is een buurtschap direct ten oosten van Blije. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de gewenste bestemmingsvlakken van de verschillende percelen. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.
Figuur 1. Ligging plangebied (bron: Bing Maps)
Het plangebied is momenteel juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 13 februari 2014.
Op basis van dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Wonen - 4' en 'Agrarisch'. Binnen de bestemming 'Wonen - 4' is het oprichten van gebouwen en het gebruik van de gronden ten behoeve van de woonfunctie toegestaan. Binnen de bestemming 'Agrarisch' geldt dat het gebruik van de gronden ten behoeve van de agrarische functie is toegestaan. Het achterste deel van de tuinen van de betreffende percelen en de beoogde uitbreiding van de woning zijn in strijd met het geldende bestemmingsplan omdat deze binnen de bestemming 'Agrarisch' zijn gesitueerd. Een fragment van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 2.
Voor het plangebied geldt tevens de aanduiding 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied'. Dit ter bescherming van het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim. Bebouwing hoger dan 89 meter is binnen de aanduiding niet toegestaan.
Daarnaast zijn de terpen en kruinige percelen in de gemeente van cultuurhistorische waarde. Deze zijn beschermd middels de dubbelbestemming 'Reliëf terpen en kruinige percelen'. Voor de zuidelijke delen van de percelen met nummer 27 en 28 is deze bestemming van toepassing. Voor het afgraven en/of ophogen van gronden, dan wel het dempen en/of graven van water is een omgevingsvergunning vereist.
Tot slot kunnen archeologische waarden op de zuidelijke delen van het plangebied voorkomen. Door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is dan ook geregeld dat bij ingrepen groter dan 50 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.
In de bestemming 'Agrarisch' in artikel 3.7.14 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om, onder voorwaarden, de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Wonen - 4'. Dit wijzigingsplan geeft toepassing aan deze wijzigingsbevoegdheid. In paragraaf 2.5 wordt op de voorwaarden ingegaan.
Figuur 2. Fragment geldend bestemmingsplan
In het volgende hoofdstuk van dit wijzigingsplan wordt het plan beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de gewenste situatie. Daarna wordt de nieuwe situatie getoetst aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst dat relevant is voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op het provinciaal en gemeentelijk beleid. Onderwerp van hoofdstuk 4 zijn de omgevingsaspecten waaraan de nieuwe ontwikkeling is getoetst. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Dit is opgesplitst in maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid. Tenslotte is in hoofdstuk 6 de juridische regeling opgenomen.
Functies in de omgeving
Het plangebied ligt in het buurtschap Farebuorren. Hier is sprake van bebouwing welke in hoofdzaak bestaat uit woonpercelen. Daarnaast is een drietal agrarische bedrijven in het buurtschap gevestigd.
Ligging in kwelderwallandschap
Het buurtschap ligt in het kwelderwallandschap. In dit landschap zijn de dorpen (voornamelijk) gebouwd op terpen. Ook in het buurtschap Farebuorren is sprake van een terp. Deze ligt in de open ruimte ten zuidoosten van het plangebied met uitlopers onder de bebouwing rondom de Farebuorren en de Farewei.
Het open landschap rondom het buurtschap is opgebouwd uit kruinige percelen met een onregelmatige verkaveling. Als gevolg van dorpsbebouwing, dorpsbeplanting, en boerderijen met erfbeplanting en grachten is het landschap tussen de dorpen halfopen, met zicht op de dorpen, waarbij de kerktorens oriëntatiepunten zijn in het dorpssilhouet. Beplanting is van oorsprong met name gerelateerd aan de aanwezig boerderijen en hoven in het gebied.
Beplanting
Beplanting langs de wegen is in principe ondergeschikt. Plaatselijk zijn delen van de nieuwe ruilverkavelingswegen aangezet met bomenrijen. Daar waar bebouwing geconcentreerd is langs de wegen zijn verdichte lineaire lijnen en beslotenheid ontstaan in het landschap. De belangrijkste jongere bosjes zijn gekoppeld aan de sportvelden, ijsbaan en de dorpen. Huidige erven met oude waardevolle solitaire bomen geven status en allure aan het gebied.
De woningen in het plangebied liggen aan de Farebuorren. Deze weg heeft voornamelijk een functie als ontsluitingsweg voor de woonfuncties langs deze weg.
De oppervlaktes van de bestemmingsvlakken zijn van links naar rechts: 570, 425, en 393 m2. De feitelijke situatie bedraagt respectievelijk 706, 565 en 750 m2.
Deze, langgerekte percelen, zijn ingericht in de vorm van een lang oprit, tuinen, met voorop het perceel een woning en daarachter de bijbehorende bouwwerken. De lang oprit loopt hierbij door tot de bijbehorende bouwwerken. De drie percelen tezamen vormen een geconcentreerde cluster van bebouwing. Op de percelen is daarnaast sprake van een enkele solitaire bomen.
Een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving is weergegeven in figuur 3. Figuur 4 geeft een vooraanzicht op het plangebied.
Figuur 3. Overzicht huidige situatie
Figuur 4. Vooraanzicht
Gewenste planologische situatie
In planologische zin stelt het plan het faciliteren van de uitbreiding van de woning op nummer 27 en het legaliseren van de bestaande tuinen en bijgebouwen bij de woningen op nummer 27, 28 en 29 door middel van de bestemming 'Wonen - 4' voor. In de gewenste juridisch-planologische situatie hebben de verschillende woonpercelen een (bestaande) oppervlakte van respectievelijk 706, 565 en 750 m2.
Initiatief uitbreiding woning
Het initiatief bestaat uit de uitbreiding van zowel de zij- als achterkant van de bestaande woning op nummer 27 met circa 45 m2. Aan de achterkant van de woning wordt een bijkeuken van circa 16 m2 gebouwd. De woning wordt daarnaast circa 3 meter verbreed. Het gaat hierbij om een oppervlakte van circa 30 m².
Bij het ontwerp en de positionering van de woning is rekening gehouden met de bouwregels die gelden voor hoofdgebouwen en bijgebouwen uit de bestemming 'Wonen - 4' van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat:
Het ontwerp van de uitbreiding van de woning is reeds voorgelegd aan de Adviescommissie ruimtelijke kwaliteit Hûs en Hiem. Deze heeft de woning getoetst aan de welstandscriteria van de gemeente. Het advies luidt dat de toekomstige woning, met uitzondering van een tweetal aandachtspunten, kan voorzien in een positief welstandsadvies.
Figuur 5. geeft een overzicht van zowel de gewenste situatie.
Figuur 6. Gevels gewenste situatie woning op perceel nummer 27
Zoals beschreven is er in de beoogde situatie slechts sprake van een beperkte uitbreiding van de bestaande woning op nummer 27. Het overige blijft in de gewenste situatie feitelijk ongewijzigd.
De belangrijkste kwaliteit van het landschap is de openheid. In de bestaande situatie is op het perceel sprake van een tuininrichting met daarbij enkele solitaire bomen. In de gewenste situatie wordt de bestaande landschappelijke structuur gecontinueerd. Er vinden geen ingrepen aan de landschappelijke elementen plaats. Het bestaande open karakter van de woonpercelen blijft ongewijzigd. De huidige ruimtelijke kwaliteit wordt hiermee gecontinueerd.
Daarnaast blijft met de uitbreiding van de woning sprake van een kleinschalig compacte bebouwing langs de Farebuorren. Gezien de beperkte verbreding van de woning met drie meter blijven ook de doorzichten en aanzichten vanuit het dorp op het (open) (agrarisch) landschap gerespecteerd.
Het vergroten van de woonpercelen wordt planologisch mogelijk gemaakt door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 3.7.14 van het bestemmingsplan Buitengebied. Hiermee kan het bestemmingsplan door Burgemeester en Wethouders, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wro, worden gewijzigd. Aan de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn enkele voorwaarden verbonden:
Na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zijn de regels van artikel 'Wonen - 4' van overeenkomstige toepassing.
De gronden in het plangebied die in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Agrarisch' hebben, krijgen in dit wijzigingsplan de bestemming 'Wonen - 4'.
De oppervlakte van het betreffende bestemmingsvlak bedraagt ten hoogste 3.000 m² .
Zoals in paragraaf 2.3 hebben de toekomstige woonpercelen een oppervlakte van ten hoogste 3.000 m2. Op de verbeelding van dit wijzigingsplan zijn de bestemmingsgrenzen afgestemd op de gewenste woonpercelen.
Er is geen sprake van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
In paragraaf 4.1 wordt beschreven dat bedrijven in de omgeving niet worden gehinderd.
Met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast.
Met dit wijzigingsplan is slechts sprake van een beperkte wijziging van het plangebied. Zoals in paragraaf 2.4 is beschreven is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake van een goede landschappelijke inpassing. Omdat met dit wijzigingsplan geen ingrepen in de landschappelijke kenmerken worden voorgesteld, wordt in dit wijzigingsplan afgezien van een erfinrichtingsplan.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de waardevolle zichtlijnen op dorpssilhouetten.
Met de uitbreiding van de woning blijft sprake van een kleinschalig compacte bebouwing langs de Farebuorren. Gezien de beperkte verbreding van de woning met drie meter blijft ook de doorzichten en aanzichten vanuit het dorp op het (open) (agrarisch) landschap gerespecteerd. Er wordt dan ook geen onevenredige afbreuk gedaan aan de waardevolle zichtlijnen op het buurtschap.
Binnen de invloedsgebieden van risicobronnen worden geen nieuwe verminderd zelfredzame objecten worden toegestaan
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in of nabij het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Daarnaast worden geen objecten ten behoeve van verminderd zelfredzame personen toegestaan. Er is slechts sprake van het vergroten van het bestemmingsvlak en een bestaande woning. Hiermee worden geen nieuwe verminderd zelfredzame objecten mogelijk gemaakt.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de archeologische en cultuurhistorische waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
Zoals in paragraaf 2.4 beschreven wordt geen afbreuk gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden. In hoofdstuk 4 wordt daarnaast beschreven dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische en cultuurhistorische waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
In het bestemmingsplan Buitengebied is binnen de bestemming 'Agrarisch' ruimte gelaten om het bestemmingsvlak voor de woonbestemming 'Wonen - 4' te vergroten. Dat kunnen agrarische gronden zijn, die gelegen zijn aansluitend aan de bestemming 'Wonen - 4'. Middels een wijzigingsbevoegdheid kunnen deze gronden gewijzigd worden in de woonbestemming. Deze planologische ruimte, die hier wordt benut, past binnen het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid.
Voor de beoogde ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden/rustige buitengebieden en gemengde gebieden.
Onderzoek
Op het naastgelegen perceel Farebuorren 31, ten westen van het plangebied, is een schapenhouderij gevestigd. Voor dit type bedrijven geldt een richtafstand van 100 meter op basis van de VNG-brochure. Op basis van het Activiteitenbesluit, dat van toepassing is op veehouderijen, geldt voor deze situatie (buiten bebouwde kom) een afstand van 50 meter tussen woningen en het emissiepunt van stallen. In de huidige situatie wordt hier niet aan voldaan. De woning aan de Farebuorren ligt namelijk op circa 30 tot 35 meter afstand tot het emissiepunt van de stallen van de schapenhouderij.
In de bestaande situatie wordt het bedrijf daarom al enigszins beperkt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Met dit wijzigingsplan is slechts sprake van het vergroten van woonpercelen (lees bestemmingsvlakken) waardoor het bedrijf niet extra in zijn ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt. Er worden namelijk geen extra woningen/gehinderden toestaan.
Ten opzichte van het woon- en leefklimaat van de huidige woningen vinden ook geen wijzigen plaats. Met dit wijzigingsplan worden uitbreidingsmogelijkheden mogelijk gemaakt van het agrarisch bedrijf af. Het betreft namelijk een uitbreiding van de achtererven van de woonpercelen. Er is dan ook geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat. Deze blijft in de toekomstige situatie gehandhaafd.
Het Wetterskip Fryslân is geïnformeerd over het wijzigingsplan via de Digitale watertoets (www.dewatertoets.nl). Op basis van de toets is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Verder overleg met Wetterskip Fryslân is niet nodig. Wetterskip Fryslân geeft een positief wateradvies. De watertoets is als bijlage 1 bij de toelichting opgenomen.
Toetsingskader
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Onderzoek
Er is geen sprake van een nieuwe situatie in de zin van de Wet geluidhinder. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Akoestisch onderzoek is daarom niet nodig. Het wegverkeerslawaai is daarmee geen belemmering voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.
Toetsingskader
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat als ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.
Onderzoek
De beoogde bestemmingsvlakken die dit wijzigingsplan mogelijk maken zijn in de huidige situatie al ingericht ten behoeve van de woonfunctie. Er is daarom geen sprake van een verdachte locatie ten aanzien van bodemverontreinigingen. De bodem is dus geschikt voor de woonfunctie.
De uitbreiding van de woning vindt daarnaast plaats op de gronden die in de huidige situatie in gebruik zijn als tuin. Ook hier is geen sprake van een verdachte situatie. Voor bouwwerken tot 50 m2 is een bodemonderzoek niet vereist. Omdat de uitbreiding van de woning circa 45 m2 is een bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Toetsingskader
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. In het geldende bestemmingsplan hebben de gronden op basis van de provinciale archeologische beleidskaart FAMKE waar mogelijk archeologische waarden kunnen voorkomen archeologische dubbelbestemmingen gekregen. Voor de gronden met het advies geen onderzoek, is geen beschermende regeling opgenomen. Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting op gefundeerde gronden zeer laag is, en waar eventuele resten zich vermoedelijk zodanig diep onder het maaiveld bevinden dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is.
Onderzoek
Op de zuidelijke delen van het plangebied kunnen archeologie waarden voorkomen. Door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' zijn deze waarden beschermd. Bij ingrepen groter dan 50 m2 dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. De uitbreiding van de woning is kleiner dan 50 m2. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Ten aanzien van archeologie zijn er geen belemmeringen voor het wijzigingsplan.
Toetsingskader
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en Natuurnetwerk Nederland) dient bepaald te worden.
Onderzoek
Binnen het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden in de vorm van panden -en/of objecten. Wel lag het buurtschap voorheen op een terp. Het betreft het open gebied midden in de buurtschap. Om de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van deze terp te beschermen is in het geldende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Reliëf terpen en kruinige percelen' opgenomen. De waarde van de terp wordt beschadigt indien sprake is van de volgende werkzaamheden: diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden; het dempen en/of graven van sloten en/of andere waterlopen en/of -partijen.
Op de zuidelijke delen van het plangebied is de dubbelbestemming van toepassing. Met dit wijzigingsplan vinden geen ingrepen plaats die de waarden van de terp beschadigt en heeft daarom geen negatieve invloed op eventuele cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Bij elk ruimtelijk plan dient met het oog op de natuurbescherming rekening te worden gehouden met de gebiedsbescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn beide aspecten geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Hierbij dient te worden aangetoond dat als gevolg van de geplande activiteiten de gunstige staat van instandhouding van waardevolle dier- en plantensoorten niet in het geding komt.
Gebiedsbescherming
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang.
Het plangebied ligt niet nabij Natura 2000-gebieden. Ook ligt het plangebied niet nabij een NNN- gebied. Gezien de aard en de omvang van de voorgestelde ontwikkelingen kan worden gesteld dat dit wijzigingsplan geen (significante) effecten op de natuurwaarden in de omgeving heeft.
Soortenbescherming
Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.
De locatie is door het huidige gebruik als tuin ongeschikt als groeiplaats voor bijzondere en beschermde plantensoorten. De ontwikkeling betreft de uitbreiding van de woning die intensief in gebruik is. Van kappen van bomen, en/of dempen van sloten is geen sprake. Er is daardoor geen sprake van aantasting van een leefgebied.
Voor broedvogels in het algemeen moet het slopen van de gebouwen buiten het broedseizoen plaatsvinden. De piek van het broedseizoen valt in de periode half maart - half juli. Latere en eerdere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode november - februari is de kans op broedsels nihil. Bij de sloopwerkzaamheden is een goede afstemming tussen de perioden van de werkzaamheden in relatie tot de vleermuizen en de broedvogels van belang.
Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten. Het project is niet in strijd met het gestelde binnen de Natuurbescherming. Voor alle soorten is de zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.
Toetsingskader
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. Naast het Besluit Externe veiligheid Inrichtingen dient vanuit oogpunt van externe veiligheid getoetst te worden aan de Wet vervoer gevaarlijk stoffen, het Besluit transportroutes externe veiligheid en het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen de groepsrisico-contour, moet een bestuurlijke afweging worden gemaakt.
Onderzoek
Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is. In of nabij het plangebied liggen evenmin (hogedruk)aardgastransportleidingen. In onderhavige wijzigingsplan worden geen nieuwe objecten voor minder zelfredzame personen gerealiseerd. Er is en blijft sprake van drie woningen. Het aspect externe veiligheid heeft geen gevolgen voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.
In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.
In en rond het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig waarmee met dit bestemmingsplan rekening gehouden dient te worden. Wel kunnen er enkele kleinere huisaansluitingen voor bijvoorbeeld gas, water en riool zijn. Met de uitvoering van de plannen wordt met deze leidingen rekening gehouden. In het kader van het wijzigingsplan behoeven deze leidingen geen bescherming. Wel ligt over het plangebied een radarverstoringsgebied met daarbij een verbod op bouwwerken hoger dan 89 meter. Met dit wijzigingsplan worden dergelijke bouwwerken niet mogelijk gemaakt.
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn op grond van de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden.
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2016) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit.
Ferwerderadiel kent ter plaatse van de locatie in het plangebied geen knelpunten met betrekking tot luchtkwaliteit. De ontwikkeling in het plangebied is bovendien dusdanig van schaal en aard dat na realisatie ervan de maatgevende waarden niet overschreden worden.
Het wijzigingsplan doorloopt de in de Wro vastgelegde procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun zienswijze op het plan kenbaar kunnen maken. In paragraaf 5.1 volgt een nadere toelichting.
Daarnaast is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. Hier wordt in paragraaf 5.2 ingegaan.
In artikel 3.1.1 Bro is bepaald dat overleg gepleegd moet worden met besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Omdat het in dit geval gaat om het planologisch vastleggen van de bestaande situatie zijn er geen provinciale en waterschap belangen.
Het wijzigingsplan is daarom direct als ontwerp gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze zes weken was een ieder in de gelegenheid gesteld zijn/haar zienswijzen tegen het ontwerpwijzigingsplan kenbaar te maken. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Het wijzigingsplan is vervolgens door het college van burgemeesters en wethouders op 7 november 2017 vastgesteld. Na de vaststelling wordt het wijzigingsplan nogmaals zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode is het mogelijk beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom bij de initiatiefnemers. De kosten voor de uitbreiding van de woning wordt door de initiatiefnemer gedragen. Aangenomen wordt dat deze over voldoende financiële middelen beschikken om de uitbreiding te kunnen realiseren.
De gemeentelijke kosten met betrekking tot de wijzigingsplanprocedure en daaraan verwante kosten worden verhaald via de leges van de gemeente. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.
Grondexploitatie
Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
De beoogde ontwikkeling die in dit wijzigingsplan centraal staat is niet als 'bouwplan' als bedoeld in de grondexploitatieregeling aangemerkt. Het opstellen van een exploitatieplan of -overeenkomst is daarom niet aan de orde. Wel wordt een planschadeverhaalsovereenkomst opgesteld.
Het wijzigingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om ruimtelijke plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe plannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt.
Bij het wijzigingsplan Blije - Farebuorren 27, 28 en 29 hoort een verbeelding. Op deze verbeelding is het plangebied met de toekomstige bestemmingen weergegeven. Voor dit gebied vervangt het wijzigingsplan de bestemming van de gronden in het bestemmingsplan Buitengebied. Na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan Buitengebied.
De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Ferwerderadiel, zoals vervat in de bestandenset met planidentificatie NL.IMRO.1722.1211606-0003 met de bijbehorende regels (en bijlagen), zijn onverkort van toepassing na het onherroepelijk worden van dit wijzigingsplan.