direct naar inhoud van Regels
Plan: Hoog Beugt 10, te Heeswijk-Dinther
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.BPRvRHoogbeugt10HD-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Plan

Het bestemmingsplan Hoog Beugt 10, te Heeswijk-Dinther met identificatienummer NL.IMRO.1721.BPRvRHoogbeugt10HD-VA01 van de gemeente Bernheze.

1.2 Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

1.3 Aan huis gebonden beroep

Een dienstverlenend beroep, dat in of bij de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.4 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Aangebouwde bijgebouwen

Een uitbreiding van het hoofdgebouw, die wat afmetingen betreft ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.7 Agrarisch grondgebruik

De aanwending van open grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf.

1.8 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.9 Bestaand
  • a. Bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is aangegeven;
  • b. Bij gebruik: dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald.

1.10 Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.11 Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.12 Bijgebouw

Een gebouw, dat in bouwkundig en visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.13 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.14 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.15 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.16 Bouwperceelgrens

Een grens van een bouwperceel.

1.17 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.18 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.19 Carport/overkapping

Een bouwwerk dat zowel feitelijk als in visueel ruimtelijke zin aan maximaal twee zijden een gesloten, al dan niet eigen, wand kent.

1.20 Cultuurhistorisch waardevol pand

Rijks- en gemeentelijke monumenten, alsmede andere cultuurhistorisch waardevolle panden welke zijn vermeld in bijlage 9 van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied en als bijlage 3 van dit bestemmingsplan.

1.21 Detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.22 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.23 Gebruik

Het gebruiken, doen en laten gebruiken.

1.24 Hoofdgebouw

Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.25 Lawaaisporten

Een sportactiviteit waarbij motorisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingsgeluid wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen gildes, de autosport, motorsport, (model)vliegsport, de schietsport met behulp van vuurwapens, de jachtsport wordt hier niet onder begrepen.

1.26 Nevenactiviteit

Een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. De nevenactiviteit volgt in dit kader uit de afhankelijkheid van de hoofdfunctie.

1.27 Normale onderhoudswerkzaamheden

Werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde.

1.28 Peil
  • a. Voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 centimeter;
  • b. In andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 centimeter per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);
  • c. Deze bepaling geldt niet voor bouwwerken geen gebouw zijnde; hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld.

1.29 Recreatief medegebruik

vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.

1.30 Ruimtelijke uitstraling

De waarneembare invloed van landschappelijke, stedenbouwkundige, waterhuishoudkundige en cultuurhistorische aard op de omgeving.

1.31 Schuilgelegenheid

Een gebouw dat bedoeld is voor het bieden van beschutting en schuilruimte voor vee.

1.32 Streekeigen producten

Ambachtelijke of geteelde producten die kenmerkend zijn voor deze regio.

1.33 Verhard

Een verharding bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmede vergelijkbare vaste/gesloten materialen.

1.34 Voorgevellijn

Een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning of een hoofdgebouw en het bouwvlak waarop de woning of het hoofdgebouw zich bevindt en die doorloopt tot de zijdelingse perceelsgrens.

1.35 Waterhuishoudkundige voorzieningen

Voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang en dergelijke, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging, vijvers en poelen; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden en beschoeiingen.

1.36 Woning

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

1.37 Woonwerkontwikkelingsgebied (WOG)

Een kernrandzone, bebouwingslint en/of bebouwingscluster, zoals aangegeven op de verbeelding als wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied.

Artikel 2 Wijze van Meten

2.1 Algemeen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1.1 De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;

2.1.2 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.1.3 De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.1.4 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met uitzondering van dakkapellen;

2.1.5 De horizontale diepte van een gebouw

De diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd;

2.1.6 De inhoud van een gebouw

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.1.7 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.1.8 e oppervlakte van een overkapping

Tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping;

2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.

2.3 Meten

Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

2.4 Afstemming peil

Bij de afstemming met het peil, zoals omschreven in de begrippen, wordt bij nieuwe gebouwen de bovenkant van de afgewerkte beganegrondvloer aangehouden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. Het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden;
  • b. Behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige droge en natte natuurwaarden, waaronder beekherstel;
  • c. Behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden;
  • d. Instandhouding van de typerende geologie/geomorfologie;
  • e. Agrarisch grondgebruik;
  • f. Een burgerwoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'wonen' en 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte';
  • g. Behoud en bescherming van cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding 'Cultuurhistorische waarden'
  • h. Water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • i. Groenvoorzieningen;
  • j. Extensieve dagrecreatie;
  • k. Doeleinden van openbaar nut;
  • l. Eén en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

3.2 Bouwregels

Op de voor 'Agrarisch met waarden – Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden' 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden' aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat:

  • a. Gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;
  • b. Buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 meter;
  • c. De op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan bestaande bebouwing mag worden gehandhaafd, hersteld, vervangen en uitgebreid met inachtneming van het bepaalde in dit lid, met dien verstande dat wanneer de bestaande bebouwing en bestaande maatvoering afwijken van hetgeen in de hierna volgende regels is aangegeven, de afwijking niet mag worden vergroot. De voorgaande volzin is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan;
  • d. Nieuwe teeltondersteunende voorzieningen zijn buiten het bouwvlak niet toegestaan.

3.2.1 Algemeen
  • a. Hoofdgebouwen worden uitsluitend opgericht binnen een bouwvlak;
  • b. Per bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'wonen' en 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' is maximaal één vrijstaande woning toegestaan;
  • c. Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep is toegestaan, mits:
  • 1. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
  • 2. er maximaal 100 m² van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
  • 3. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
  • d. Inrichtingen ex. artikel 2.4 IVbM zijn niet toegestaan;
  • e. De oprichting van windturbines is niet toegestaan;
  • f. Buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak zijn binnen de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' toegestaan:
  • 1. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en;
  • 2. (vrijstaande) bijgebouwen;

3.2.2 Specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte

Voor de bouwwerken ten dienste van de woonfunctie (functietype 'wonen') gelden de volgende eisen:

  • a. Woningen, inclusief aangebouwde bijgebouwen:

Goothoogte   max. 6 meter  
Bouwhoogte   max. 10 meter  
Inhoud   maximaal 750 m³
ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' max. 1.000 m³ en  
Afstand tot bestemming verkeer   min. 15 meter  
Afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 meter  
Afstand bijgebouwen tot voorgevelrooilijn   min. 2 meter  

  • b. vrijstaande bijgebouwen bij de woning:

Goothoogte
   
max. 3 meter  
Bouwhoogte
   
max. 6 meter    
Afstand tot zijdelingse perceelsgrens
   
min. 5 meter    
Gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen
   
max. 100 m², ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' max. 200 m²  
Afstand tot woning
   
min. 3 meter en max. 20 meter  
Afstand tot voorgevelrooilijn
   
min. 2 meter  

  • c. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

    Bouwhoogte     Gezamenlijke oppervlakte     Aantal    
Erfafscheidingen
 
max. 2 meter,
vóór de voorgevellijn max. 1 meter
   
       
Carport/overkapping     max. 3 meter
   
max. 30 m²     max. 2    
Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde     max. 3 meter
   
       

  • d. Ondergrondse bouwwerken tot een bouwdiepte van max. 3,5 meter zijn toegestaan daar waar bovengronds gebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd.
  • e. Kleinschalige kampeerterreinen zijn toegestaan tot max. 15 kampeerplaatsen.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. Het straat en bebouwingsbeeld;
  • b. De verkeersveiligheid;
  • c. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende gronden niet onevenredig worden beperkt.

3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. Het bepaalde in 3.2 voor een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, onder de voorwaarden dat:
  • 1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
  • 2. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
  • b. Het bepaalde in 3.2 voor afwijking van de afstand tot de bestemming verkeer, onder voorwaarden dat:
  • 1. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
  • 2. dat een hogere waarde procedure wordt doorlopen, waarmee ter hoogte van de gevels van de woning wordt voldaan aan de hogere verleende waarde en dat maatregelen worden getroffen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning te waarborgen;
  • 3. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
  • c. De onder a en b 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 2. de verkeersveiligheid;
  • 3. het woon- en leefklimaat van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • 4. de waterhuishoudkundige situatie.

3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Algemeen

Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep is toegestaan, mits:

  • a. Er maximaal 100 m² van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
  • b. Geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten;

3.5.2 Strijdig gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1 Wabo, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in 3.1, meer in het bijzonder:

  • a. Het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning;
  • b. Het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering;
  • c. Het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel behoudens detailhandel als bedoeld in 3.2.1 onder c sub 3;
  • d. Het gebruik van de gebouwen voor de huisvesting van seizoensarbeiders;
  • e. Het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van zelfstandige bewoning;
  • f. Het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
  • g. Inrichtingen ex onderdeel D van bijlage 1 van het Bor (betreffende de zogenaamde 'grote lawaaimakers') zijn niet toegestaan;
  • h. De aanleg van blijvende ondersteunende voorzieningen voor teelt van gewassen vrij van de grond;

3.5.3 Voorwaardelijke verplichting: saneren bebouwing en verharding
  • 1. Voorafgaand aan het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en hoofdgebouw als bedoeld in 3.2.2 onder a dient de overtollige bebouwing en erfverharding zoals weergegeven in Bijlage I te zijn gesaneerd;
  • 2. Voorafgaand aan het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en hoofdgebouw ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' dient bewijslast van de aankoop van een Ruimte-voor-Ruimte bouwtitel en bijbehorend toetsingsformulier Ruimte-voor-Ruimte aangeleverd te worden;

3.5.4 Voorwaardelijke verplichting: splitsing boerderij
  • a. ten behoeve van het waarborgen van een geluidniveau van 33 dB vanwege verkeerslawaai en 35 dB(A) voor industrielawaai, bij de splitsing van de boerderij ter plaatse van de aanduiding 'Cultuurhistorische waarden' de volgende minimale geluidwering van deze gevels van deze woning noodzakelijk is:
  • 1. Voorgevel: 33 dB (maatgevend wegverkeerslawaai);
  • 2. Zijgevel: 27 dB (maatgevend wegverkeerslawaai);
  • 3. Achtergevel: 24 dB (maatgevend industrielawaai);

Een en ander conform artikel 6.2.3;

3.5.5 Parkeren

Voor het parkeren gelden de volgende regels:

  • a. Per bouwperceel dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te worden gerealiseerd, conform het gemeentelijke parkeerbeleid en de daarbij behorende parkeernota gemeente Bernheze;
  • b. De afmeting van een parkeerplaats is tenminste 2,5 meter breed en 5 meter lang;
  • c. Een garage wordt niet meegeteld bij de bepaling van het aantal parkeerplaatsen;

3.5.6 Voorwaardelijke verplichting: landschappelijke inpassing
  • a. Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bebouwing voor de woonfunctie is uitsluitend toegestaan als op deze gronden een landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd (en in stand gehouden) overeenkomstig de inrichtingsschets in Bijlage II; 
  • b. De inrichting van gronden zoals bedoeld onder a moet uiterlijk zijn voltooid 24 maanden nadat dit bestemmingsplan onherroepelijk is geworden;
  • c. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het gestelde onder b, een omgevingsvergunning verlenen om de gestelde realisatietermijn voor de inrichting van gronden te verlengen met een extra termijn van 12 maanden indien naar oordeel van het bevoegd gezag realisatie anders onmogelijk zal zijn;

3.5.7 Voorwaardelijke verplichting: geluid

Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bebouwing voor de woonfunctie ter plaatse van de aanduiding 'overige aanduiding – geluidzone' is uitsluitend toegestaan mits maatregelen zijn genomen ten aanzien van het aspect akoestiek, waarmee is aangetoond dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek;

3.5.8 Voorwaardelijke verplichting: waterberging
  • a. Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bebouwing voor de woonfunctie is uitsluitend toegestaan als op deze gronden is voorzien in de aanleg van een gescheiden stelsel waarbij hemelwater, net als in de bestaande situatie, gescheiden kan afstromen over het maaiveld of middels lijnafwatering hemelwater kan afvoeren naar de bestaande droogvallende greppel;
  • b. Het gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bebouwing voor de woonfunctie is uitsluitend toegestaan als het afvalwater van de bebouwing voor de woonfunctie op deze gronden aangesloten is op het drukrioolstelsel.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Afwijken ten behoeve van recreatieve nevenactiviteiten

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en recreatieve nevenactiviteiten zoals bed & breakfast, theeschenkerij etc. toestaan bij een woning onder de voorwaarden dat:

  • a. Deze nevenactiviteit is in de woning en de daarbij behorende aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen toegestaan;
  • b. De nevenactiviteit is ondergeschikt van aard;
  • c. Bed & breakfast vindt uitsluitend plaats in bestaande gebouwen, er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de bed & breakfast plaats;
  • d. De gebruiksoppervlakte niet meer mag bedragen dan 250 m²;
  • e. Ten behoeve van de bed & breakfast voorzieningen zijn 5 kamers en in totaal maximaal 10 (éénpersoons)bedden toegestaan;
  • f. Geen onevenredige (extra) hinder of belemmeringen wordt veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
  • g. Permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
  • h. Het kampeerterrein qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
  • i. Geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
  • j. Parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;

3.6.2 Aanvullend afwegingskader

Een onder 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. Het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. De verkeersveiligheid;
  • c. Het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • d. Waterhuishoudkundige situatie.

3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.7.1 Verbod

Het is verboden zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'behoud/ herstel watersysteem':
    • 1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m²;
    • 2. het ophogen van gronden;
  • b. Het afgraven;
  • c. Het ophogen;
  • d. Het vergraven;
  • e. Het diepploegen en -woelen;
  • f. Het egaliseren;
  • g. Het indrijven van voorwerpen in de grond;
  • h. Het aanleggen van drainage;
  • i. Het aanleggen van onderbemaling;
  • j. Het aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels;
  • k. Het dempen van sloten of greppels;
  • l. Het dempen van kleine geïsoleerde wateren;
  • m. Het aanbrengen van oeverbeschoeiingen;
  • n. Het rooien van houtgewas;
  • o. Het aanplanten van houtgewas (anders dan ten behoeve van een boomkwekerij);
  • p. Het omzetten van grasland in bouwland;
  • q. Het omzetten van grasland in boomkwekerij of sierteeltgrond;
  • r. Het aanbrengen van verhardingen groter dan 200 m²;
  • s. Het aanbrengen van verhardingen op wegen en (fiets)paden;
  • t. Het aanbrengen van ondergrondse leidingen;
  • u. Het gebruik van afdekmaterialen en lage tunnels;

3.7.2 Uitzonderingen op verbod

Het in 3.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. Uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen aanduiding 'wonen' en 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte';
  • b. Het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • c. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;

3.7.3 Onderzoek

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 onder a wordt het betrokken waterschapsbestuur gehoord;

3.7.4 Afwegingskader

Uitvoering van de in 3.7.1 genoemde werken of werkzaamheden is in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden;

3.7.5 Waarden

Onder de in 3.7.4 genoemde waarden worden verstaan:

  • a. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder a genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen;
  • b. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder b, c, d, e, f, g, h, i, j, k, m, r, s en t genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de typerende geologie/ geomorfologie zoals tot uitdrukking komend in de aardkundige vorm van het object of gebied (oude stroomgeulen, steilranden etc.), bodemopbouw en instandhouding van de grondwaterstand in klei-of veengebieden;
  • c. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder l, m en n genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van plassen en poelen, bepaald door:
    • 1. matig voedselrijk;
    • 2. gevoed door grondwater;
    • 3. ondiep;
    • 4. omgeven door ruigtekruiden en struweel, hydrologisch geïsoleerd in cultuurlandschap;
  • d. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder b, c, d, e, f, g, n, q, r en u genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van slootkanten, bepaald door:
    • 1. gemiddeld hoge grondwaterstand;
    • 2. microreliëf;
    • 3. geleidelijke gradiënt in nat-droog;
    • 4. soms ondoorlatende laag in ondergrond;
    • 5. extensief maaibeheer;
    • 6. flauw talud sloot;
  • e. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder n genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van levensgemeenschappen van struwelen en houtwallen, bepaald door:
    • 1. aanwezigheid van een gevarieerde boom-, struik en kruidlaag;
    • 2. microreliëf;
    • 3. (gedeeltelijk) aaneengesloten linten;
  • f. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder n, p, q, r, s en u genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van dassenleefgebied, bepaald door:
    • 1. gelijkblijvende grondwaterstand;
    • 2. afwisselend landschap met droog bos, lijnvormige elementen, natte graslanden, ontbreken van barrières;
  • g. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder j, k en n genoemde werken of werkzaamheden: het besloten coulissenlandschap, bepaald door landschappelijke elementen afgewisseld met landbouwgronden in kleine eenheden;
  • h. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder p, q en u genoemde werken of werkzaamheden: het open landschap, bepaald door het ontbreken van opgaande begroeiing en bebouwing;
  • i. Ten aanzien van de in 3.7.1 onder b, c, d, e, f, o, r, s en u genoemde werken of werkzaamheden: het open akkercomplex, bepaald door reliëf, vorm en functie van de akkers.

3.8 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
3.8.1 Verbod

Het is verboden om cultuurhistorisch waardevolle panden, zoals die op de verbeelding zijn aangeduid als Cultuurhistorische waarde – CW', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk te slopen;

3.8.2 Afwegingskader

Het slopen als bedoeld in artikel 3.8.1 is slechts toelaatbaar, indien voldaan wordt aan één van de volgende voorwaarden:

  • a. De karakteristieke hoofdvorm is niet langer aanwezig en kan niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het pand worden hersteld;
  • b. De karakteristieke hoofdvorm is niet te handhaven;
  • c. Het betreft delen van een pand of bijgebouwen, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan vindt geen onevenredige aantasting plaats van de karakteristieke hoofdvorm;
  • d. In het geval slopen noodzakelijk is vanuit het oogpunt van veiligheid.

3.9 Wijzigingsbevoegdheid
3.9.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en bestaande woningen/hoofdgebouwen met het functietype 'wonen' splitsen in maximaal 2 woningen, onder de voorwaarden dat:

  • a. De splitsing uitsluitend is toegestaan in een cultuurhistorisch waardevol pand, zoals opgenomen in Bijlage III waarvan het bestaande (architectonische) karakter van het pand na de splitsing behouden blijft;
  • b. Na splitsing de woningen elk een minimale inhoud hebben van 450 m³;
  • c. Bewoning aanvaardbaar is uit oogpunt van een gezond woon- en leefklimaat;
  • d. Bijgebouwen bij de woning zijn toegestaan conform de maatvoering bij alle burgerwoningen zoals opgenomen in 3.2.2 sprake is van sloop van overige niet cultuurhistorische waardevolle bebouwing als bedoeld in Bijlage III;
  • e. Sprake is van een goede ruimtelijke uitstraling;
  • f. Een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan.

Ten aanzien van de, via splitsing gecreëerde, woning gelden de volgende aanvullende regels:

  • a. De volgens de NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied mag aantoonbaar niet kleiner zijn dan het verschil tussen de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting uit het geluidrapport 'Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen Hoog-Beugt 10 te Heeswijk Dinther met rapportnummer M18 007.401.doc van 3 april 2018' en 33dB;
  • b. De uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte heeft volgens de NEN 5077 een bepaalde karakteristieke geluidwering die maximaal 2 dB lager is dan de karakteristieke geluidwering in artikel 1.;

3.9.2 Aanvullende afwegingskader

Een in 3.9.1 genoemde wijziging kan bovendien slechts worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. Het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. De milieusituatie; er dient sprake te zijn van een goede milieu hygiënische uitvoerbaarheid;
  • c. De verkeersveiligheid;
  • d. Het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  • e. De natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden;
  • f. De waterhuishoudkundige situatie.

Artikel 4 Waarde - Archeologie 2

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde – Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek;

4.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties;

4.2.3 Bouwverbod

Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 4.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 4.1 bedoelde gronden de volgende andere-werken uit te voeren:

  • a. Het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. Het bodemverlagen of afgraven van gronden;
  • c. Het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld;
  • d. Het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  • e. Het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. Het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies;

4.3.2 Verlening

Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;

4.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning

Het in 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:

  • a. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • b. Er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 250 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;
  • c. Op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
  • d. De werken en werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  • e. De werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
  • f. De werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene aanduidingsregels

6.1 Wro-zone – woonwerkontwikkelingsgebied

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied' zijn de gronden bestemd voor ontwikkeling van een aantrekkelijk en gevarieerd woon- en werkklimaat. 

6.2 Overige aanduiding – geluidzone
6.2.1 Algemeen

Ter plaatse van de aanduiding 'overige aanduiding – geluidzone' is, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van het woon-en leefklimaat met betrekking tot het aspect akoestiek;

6.2.2 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'overige aanduiding – geluidzone' mag splitsing van de bebouwing in meerdere wooneenheden niet plaatsvinden;

6.2.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 6.2.2 teneinde splitsing van het bestaande gebouw te laten plaatsvinden, overeenkomstig de overige voor deze gronden geldende bestemmingen, mits maatregelen zijn genomen ten aanzien van het aspect akoestiek, waarmee is aangetoond dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek.

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

7.1 Bevoegdheid voor afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. De planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. De planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en afwijken gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • c. Van de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend- en ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot maximaal 40 meter;
  • d. Het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen hoger dan 2,5 meter, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen'
  • e. Van in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlaktematen mits:
  • 1. dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid;
  • 2. de vergroting maximaal 10% bedraagt;
  • 3. de toegestane maximale inhoud niet wordt overschreden.

7.2 Afwegingskader

Een in 7.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. Het straat- bebouwingsbeeld;
  • b. De milieusituatie;
  • c. De verkeersveiligheid;
  • d. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. De sociale veiligheid;
  • f. De externe veiligheid.

Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

8.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:

  • a. Nadere aanduidingen met betrekking tot de functie van de verbeelding verwijderen;
  • b. Bestemmingsgrenzen met maximaal 5 meter verschuiven.

8.2 Afwegingskader

Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in 8.1 genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:

  • a. De mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
  • b. De mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
  • c. De mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige-, de archeologische-, de ecologische-, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.

Artikel 9 Overige regels

9.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van de inwerkingtreding van het plan.

9.2 Schema van volgorde dubbelbestemmingen

Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Overgangsrecht

10.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

10.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 11 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Hoog Beugt 10, te Heeswijk-Dinther'.