direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kleinwijk ong. te Nistelrode
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Kleinwijk ong. te Nistelrode" van de gemeente Bernheze.

1.1.1 Aanleiding en doel

Voorliggend plan betreft het omzetten van een agrarische bestemming in een woonbestemming, waarbij één vrijstaande woning gerealiseerd mag worden. Op 13 maart 2014 is het bestemmingsplan “Het Runneke” vastgesteld, waarin eveneens een woonbestemming en een vrijstaande woning voor dezelfde gronden was opgenomen. Het bestemmingsplan ''Het Runneke'' is echter op 18 mei 2016 door Raad van State vernietigd. Deze woonbestemming stond echter niet ter discussie en was dan ook geen onderdeel van het beroep. Ten opzichte van het vernietigde bestemmingsplan “Het Runneke” is de ligging van het bouwvlak in voorliggend bestemmingsplan "Kleinwijk ong. te Nistelrode" naar het noorden opgeschoven. Hierdoor wordt er iets meer afstand tot de naast gelegen woning gecreëerd. Door deze verschuiving is ook de noordgrens van de woonbestemming verlegd zodat er voldoende ruimte blijft tussen het bouwvlak en bestemmingsgrens.

1.2 Ligging en kadastrale begrenzing

Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0002.jpg"

KADASTRALE SITUATIE

De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Bernheze, sectie F, nummers 1286 en 1287. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 3.435 m².

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Bernheze" vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 27 juni 2013.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0003.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN

Voor onderhavig plan gelden de regels van de bestemming 'Agrarisch' uit het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Bernheze". De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en mogen niet met gebouwen worden bebouwd.

Toetsing van het plan aan het vigerende bestemmingsplan

Het initiatief voorziet in een nieuwe burgerwoning. Deze woning kan niet gerealiseerd worden binnen de vigerende bestemming 'Agrarisch'. Derhalve is een bestemmingsherziening noodzakelijk.

Bestemmingsplan "Het Runneke"

De plannen voor een burgerwoning (op onderhavige locatie) zijn in het bestemmingsplan "Het Runneke" vastgesteld. Door onvoldoende motivatie ten behoeve van de toetsing aan de Ladder Duurzame Verstedelijking ten aanzien van de bedrijvigheid, is het vaststellingsbesluit voor het bestemmingsplan door Raad van State vernietigd. Door dit besluit is ook de mogelijkheid tot een burgerwoning komen te vervallen.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding van ''Het Runneke''. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0004.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING BESTEMMINGSPLAN ´HET RUNNEKE´

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Achtereenvolgens de omgeving en het plangebied.

2.1 Omgeving

Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied in de omgeving weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0005.jpg"

OMGEVING

Ruimtelijk-functioneel
Ten noorden van het plangebied ligt een stevige groenzone die onderdeel is van golfbaan ´The Duke´. De Noorderbaan en de Heescheweg met aansluitend deze groenzone vormen een duidelijke begrenzing in het landschap. De Noorderbaan fungeert momenteel als dorpsrand. Ten oosten van het plangebied ligt het bedrijventerrein Kleinwijk. Ten westen van de planlocatie ligt een groot stuk agrarische grond, dat momenteel in gebruik is als weide. Op enige afstand bevindt zich aan deze zijde een aantal bedrijfspanden. Ten zuiden van het plangebied ligt het dorp Nistelrode met afwisselend woningen en bedrijven. Onderhavig plangebied wordt onderdeel van het bebouwingslint richting het buitengebied.

Ontsluiting
Op regionaal niveau vindt de ontsluiting van Nistelrode plaats via de A50. De aansluiting van het dorp op de A50 verloopt via de op- en afrit die aansluit op de Noorderbaan. Doorgaand verkeer passeert Nistelrode tevens via de A50 waardoor het dorp gevrijwaard blijft van doorgaand regionaal verkeer. De Heesscheweg vormt als het ware de entree van het huidige Nistelrode, zowel vanuit de richting Heesch als vanaf de A50. Onderhavig plan wordt middels Het Runneke ontsloten door zowel de Noorderbaan (via de weg Kleinwijk) als de Heescheweg. Het Runneke begint verhard vanaf de Heescheweg en loopt over in een onverharde weg tot aan de wijkontsluitingsweg Kleinwijk.

Plangebied

Het plangebied bestaat uit een grasland waarvan een deel begraasd wordt door een paard. Op het grasland staan drie containers, een hooischuurtje en een kleine stal voor het paard. Aan de zuidkant ligt een historische boerderij, Kleinwijk 39. Aan de noordkant scheidt Het Runneke het struweel (gelegen tegen de Noorderbaan) van het grasland.

Hoofdstuk 3 Plan

Na voorgaande inventarisatie en analyse volgt in dit hoofdstuk de beschrijving van het feitelijke plan.

3.1 Inrichtingsschets

De ruimtelijke structuur is nader uitgewerkt in de inrichtingsschets zoals onderstaand opgenomen en weergegeven op kaartbijlage 1. Onderscheiden zijn: bebouwing en functies, ontsluiting en parkeren en groen.

3.1.1 Bebouwing en functies

Onderhavig plan voorziet in een vrijstaande woning. De grootte van het bouwvlak komt overeen met het vastgestelde bouwvlak uit het bestemmingsplan "Het Runneke". Omwille van een goede stedenbouwkundige inpassing is het bouwvlak ten opzichte van het 'vastgestelde' bouwvlak in noordelijke richting verplaatst.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0006.jpg"

INRICHTINGSSCHETS

Het nieuwe bouwvlak ligt op een afstand van circa 30 meter van de weg Kleinwijk en op een afstand van 10 meter van het zuidelijk zijdelingse perceel Kleinwijk 39. De maximale goothoogte en maximale nokhoogte zijn respectievelijk 3 en 7 meter hoog. Zo sluit de nieuwe woning aan op het bouwritme en past het in het straatbeeld.

Doordat het bouwvlak in noordelijke richting is verplaatst, blijft er nauwlijks ruimte over tussen bouwvlak en perceelsgrens (grens bestemming 'Wonen') zoals vastgesteld in het bestemmingsplan "Het Runneke". Om de vrijstaande woning aan de noordkant ook vrij te houden van de perceelsgrens, is de woonbestemming aan deze zijde 3 meter uit het bouwvlak gelegd. Ten opzichte van het bestemmingsplan "Het Runneke" betekent dat, dat de noordelijke grens van de bestemming 'Wonen' in onderhavig plan met 2 meter naar het noorden is verlegd.

3.1.2 Groen

Het ritme van groene voortuinen wordt doorgezet in onderhavig plan. De bebouwing komt op enige afstand van Het Runneke af te liggen waardoor er een groene voortuin ontstaat. Het profiel van Het Runneke kent een smalle onverharde weg met twee brede groene bermen. De voortuin sluit aan op de groene berm. Ten behoeve van de waterberging is er op het perceel (in de tuin) een indicatieve bergingsvoorziening in de vorm van een natuurvijver getekend. Tussen Het Runneke en de weg Kleinwijk ligt een stuk groen met bomen en struiken. Dit zorgt voor een natuurlijke afscherming van onderhavig plan en Kleinwijk 39 met de Noorderbaan.

3.1.3 Verkeer en parkeren

Ontsluiting
De ontsluiting van de nieuwe woning geschied via Het Runneke, een onverharde weg ter hoogte van onderhavig plan. Vanaf Het Runneke is er direct een verbinding met de weg Kleinwijk, een wijkontlsuitingsweg, die aansluit op de Noorderbaan. De verkeersaantrekkende werking van één woning bedraagt gemiddeld 8 motorvoertuigen per etmaal. De beperkte toename kan zonder meer via de bestaande wegen worden afgewikkeld.

Parkeren
Voor de gemeente Bernheze geldt de 'Parkeernormennota Gemeente Bernheze'. De parkeerbehoefte moet op eigen terrein worden opgevangen. Iedere bouwaanvraag (aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) moet voldoen aan de parkeernormen. Voor onderhavig plan geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaats. Op de inrichtingsschets zijn 2 parkeerplaatsen ingetekend. Het plangebied biedt voldoende ruimte om aan de gestelde parkeernormen te voldoen.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.

Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.

Conclusie
Het Barro is niet van toepassing op het plan.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' (verder: de Ladder) is juridisch verankerd in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Ingevolge de Ladder moet een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' in de toelichting gemotiveerd worden met behulp van drie opeenvolgende stappen. De stappen betreffen:

  • 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Het doel van de Ladder is tweeledig: het voorkomen van onnodige uitbreiding van het stedelijk gebied en het tegengaan van leegstand. Overigens wordt opgemerkt dat momenteel aan een wijziging van het Bro ten aanzien van de Ladder wordt gewerkt, die naar verwachting in 2017 zal worden ingevoerd.

Stedelijke ontwikkeling

Het begrip stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Onder andere stedelijke voorzieningen wordt verstaan: accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. In het Bro is echter geen ondergrens opgenomen. Op basis van jurisprudentie, lijkt er toch een (situatieafhankelijke) ondergrens voor de verschillende functies te zijn.

Het initiatief omvat het bouwen van één woning binnen bestaand stedelijk gebied. Projecten die minder dan negen woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4720) niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Daarmee zijn stap 2 en 3 niet aan de orde.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening en aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.1.4 Overig nationaal beleid

Het overige nationale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Brabant is vastgelegd in de nota's:

  • Structuurvisie Ruimtelijke Ordening;
  • Verordening ruimte Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.

4.2.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014 in werking getreden. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van het provinciale bestuur op de ontwikkeling van Noord-Brabant.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de plankaart. Onderhavig plangebied is aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0007.jpg"

UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE RUIMTELIJKE ORDENING

Analyse

Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'kernen in het landelijk gebied'. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier in principe toegestaan. Voorliggend initiatief past qua aard, schaal en functies in de omgeving en voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de provincie.

Conclusie

Onderhavig plan past in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening.

4.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant

De Verordening ruimte Noord-Brabant stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

De Verordening ruimte Noord-Brabant maakt onderscheid in structuren en aanduidingen. De structuren zijn provinciedekkend. Afhankelijk van de waarden in of kenmerken van een gebied gelden er één of meerdere aanduidingen.

Het plangebied ligt binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, kern in landelijk gebied'.

Voor het plan zijn de volgende artikelen van toepassing:

  • artikel 3 - bevordering ruimtelijke kwaliteit;
  • artikel 4 - bestaand stedelijk gebied;

Artikel 3.1 zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat sprake is van behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en dat toepassing wordt gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het plan betreft het mogelijk maken van een vrijstaande woning binnen bestaand stedelijk gebied op gronden die in de bestaande situatie de bestemming 'Agrarisch' hebben. Onderhavig plan voorziet in het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van de naaste omgeving door het aansluiten op het aanwezige bouwritme van het bestaande bebouwingslint en door middel van een goede inpassing in het huidige straatbeeld. Door de ligging in bestaand stedelijk gebied is toepassing gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik zoals beschreven in De Ladder.

Artikel 4.3 - Nieuwbouw van woningen

De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop de nieuwe woningen passen binnen de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. De verantwoording staat in paragraaf 4.3.2 Woningbouwbeleid beschreven.

Conclusie
Het plan voldoet aan de regels van de provinciale Verordening ruimte Noord-Brabant .

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie

Door de gemeente Bernheze is op 11 februari 2010 de Structuurvisie Bernheze vastgesteld. In de Structuurvisie Bernheze wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de totale gemeente als een samenhangend geheel weergegeven. Een structuurvisie is een langetermijnvisie op hoofdlijnen en vormt het kader voor de beoordeling en afweging van nieuwe ruimtelijke plannen maar ook een toetsing van de voortgang van lopende plannen.

De Structuurvisie Bernheze is opgebouwd uit twee delen, het Ruimtelijk Casco dat een visie op hoofdlijnen geeft voor het complete gemeentelijke gebied en het Uitvoeringsprogramma, met een overzicht van de ruimtelijke opgaven en de uitwerking van deze opgaven. Het Uitvoeringsprogramma wordt periodiek bijgesteld aan de dan geldende actualiteiten.

Het plangebied valt volgens de kaart Ruimtelijk Casco binnen de dorpskern. Voorliggend plan betreft dus het toevoegen van een woning binnen de dorpskern. Herstructurerings- en intensiveringsprocessen zijn in beginsel overal binnen het bestaand woongebied mogelijk, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de kwaliteiten van dat gebied. Indien sprake is van verweving van de bebouwing met het omliggende landschap (bijvoorbeeld aan de randen van de dorpen) dient dit karakter te worden behouden en zo mogelijk worden verstrekt. Tijdens de planvorming is met alle belangen en kwaliteiten in de omgeving rekening gehouden.

Conclusie
Het plan past binnen de kaders van de Structuurvisie Bernheze.

4.3.2 Woningbouwbeleid

Het gemeentelijke woningbouwbeleid is vastgelegd in de 'Woonvisie 2016-2021' van de gemeente Bernheze. In deze visie wordt ingespeeld op de woningvraag, de woningvoorraad en de woonomgeving. Het is zaak voor de gemeente Bernheze om het beleid hierop in te richten.

Voor de periode 2016-2021 zijn in de dorpskern Nistelrode 185 nieuwe woningen voorzien van verschillende woningtypes. Onder deze woningtypes worden ook locaties gezocht voor vrijstaande koopwoningen. Onderhavig plan voorziet in één vrijstaande woning, derhalve past het initiatief binnen het woningbouwbeleid.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

Omdat de burgerwoning niet de aanleiding was tot het vernietigen van het vaststellingsbesluit, zijn de onderzoeken en de verantwoording uit het bestemmingsplan "Het Runneke" te hergebruiken voor onderhavig plan.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Om de bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Amitec uit Uden een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is ten behoeve van het bestemmingsplan ''Het Runneke'' uitgevoerd in december 2012 en derhalve nog actueel. Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2.

De conclusie van het onderzoek is hieronder integraal opgenomen:

"De hypothese “onverdacht terrein” kan ondanks de in het grondwater (P1) aangetroffen streefwaardeoverschrijding voor de parameters barium, cadmium, chroom, lood en zink, toch aangenomen worden. In het grondwater van Noord-Brabant komen zware metalen van nature voor in verhoogde concentraties voor.Formeel gezien kan de bodem van de onderzoekslocatie niet als multifunctioneel worden beschouwd.

De gemeten concentraties zijn echter van dien aard dat er volgens de Wet bodembescherming geen nader bodemonderzoek noodzakelijk is. De gemeten concentraties vormen geen gevaar voor de volksgezondheid.

Indien grond van deze locatie wordt afgevoerd, is bij hergebruik elders het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Voor toepassing van de grond elders dient toestemming te worden verkregen van het bevoegd gezag en kan onderzoek conform Besluit bodemkwaliteit (partijkeuring) gevraagd worden."

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.

5.1.2.2 Analyse

Omgevingstype

Het plangebied is te typeren als een gemengd gebied. Dat is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. De woningen aan de weg Kleinwijk liggen te midden van een bedrijventerrein en aan een ontsluitingsweg, derhalve is er sprake van een gemengd gebied.

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object (bouwvlak) binnen het plangebied.

bedrijf   SBI-code   categorie   richtafstand *   werkelijke afstand  
Bedrijvenweg 14, 14a en 16   -   tot 3,2   50 m   53 m  
Het Runneke 10   255   4,1   100 m   131 m  

* gereduceerde richtafstand i.v.m. gemengd gebied

Er liggen geen milieugevoelige onderdelen van het plan binnen de richtafstanden van de omliggende bedrijven. Het plan vormt geen belemmering voor de omliggende bedrijven.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

5.1.3.2 Analyse

Het plan omvat een nieuw kwetsbaar object. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Uit deze risicokaart volgt dat er geen bronnen van gevaar in de omgeving van het plangebied zijn.

De autosnelweg A50 is opgenomen in het de regeling Basisnet (Bijlage 1, Tabel Basisnet Weg). Conform deze tabel heeft de weg geen 10-6 /jr plaatsgebonden risicocontour en heeft de weg geen plasbrandaandachtsgebied. Een autosnelweg heeft daarentegen wel een onderzoekszone voor het zogenaamde invloedsgebied. Met een afstand van 500 meter ligt onderhavig plangebied echter buiten de 200 meter zone voor het invloedsgebied.

5.1.3.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Analyse

Belangen omliggende veehouderijen

Of sprake is van een belemmering van intensieve veehouderijen hangt af van de ligging van de geldende geurcontour ten opzichte van onderhavig plan. In de directe omgeving liggen geen intensieve veehouderijen.

Verder is gebleken dat, voor zover van belang, vergroting van de geurbelasting niet mogelijk is vanwege de belemmering door bestaande geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderijen. Van een extra belemmering is geen sprake. Hieruit wordt geconcludeerd dat de omliggende veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad.

Goed woon- en leefklimaat

De gemeente Bernheze heeft in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij, in 2013 een eigen geurbeleid vastgesteld 'Actualisatie gemeentelijk geurbeleid'. Daarin is opgenomen dat de achtergrondbelasting binnen het plangebied niet meer mag bedragen dan 8 Ou/m³. Bijlage 2 behorend bij het beleid is de kaart 'Beoordeling leefklimaat o.b.v. achtergrond- en voorgrondbelasting'. Hierop is af te lezen de beoordeling van het leefklimaat op basis van de indicatieve belasting t.a.v. geurhinder voor onderhavig plan te typeren is als 'goed'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0008.jpg"

UITSNEDE KAART 'BEOORDELING LEEFKLIMAAT O.B.V. ACHTERGROND- EN VOORGRONDBELASTING'

5.1.4.3 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.1.5.2 Analyse

Het plan omvat de nieuwbouw van een woning. De woning is een geluidgevoelig object. De nieuwe woning ligt binnen de onderzoekszone van de Noorderbaan en de weg Kleinwijk. Adviesbureau Amitec uit Uden heeft in december 2016 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 3. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wel wordt overschreden, maar de maximaal te ontheffen waarde van 63 dB niet.

Maatregelen aan de bron (geluidsluw asfalt) of in de overdrachtssfeer (geluidscherm) om de geluidsbelasting te reduceren zijn financieel niet mogelijk of landschappelijk niet gewenst. Er zal daarom een hogere waarde procedure doorlopen worden, waarmee ontheffing wordt verkregen voor deze hogere geluidsbelastingen.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.

Onderhavig plan omvat 1 woning en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:

  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie NO2;
  • 40 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM10;
  • 25 µg/m3 jaargemiddelde concentratie PM2,5;
  • 35 overschrijdingsdagen per jaar van de gemiddelde concentratie PM10.

Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie tot en met het jaar 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10 en NO2 wordt voldaan. Onderstaande afbeeldingen geven de resultaten van de monitoringstool voor de stoffen PM10 en NO2 voor het jaar 2030 weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0009.jpg"

CONCENTRATIES NO2 EN PM10 VOOR HET JAAR 2030

Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Milieueffectrapportage
5.1.7.1 Inleiding

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.

5.1.7.2 Analyse

Het plan valt onder de activiteit D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Omdat de omvang van het plan ruimschoots onder de drempelwaarde van 100 hectare of meer dan 2000 woningen voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten ligt en gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.

5.1.7.3 Conclusie

Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

5.2.1.2 Analyse

De gemeente Bernheze heeft voor haar grondgebied de Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze, met bijbehorende beleidskaart vastgesteld. De volgende afbeelding is een uitsnede uit deze kaart. Uit de kaart volgt dat het plangebied in een zone met hoge archeologische verwachting ligt. Hier geldt een onderzoeksplicht bij een verstoring groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0010.jpg"

UITSNEDE ARCHEOLOGISCHE BELEIDSKAART

In het kader van het bestemmingsplan "Het Runneke" heeft onderzoeks- en adviesbureau BAAC in februari 2013 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onderhavig plan ligt binnen de onderzoekszone van dit onderzoek. Het rapport is bijgevoegd als bijlage 4. Uit het onderzoek volgt dat er geen intacte archeologische vindplaatsen meer worden verwacht. Een vervolgonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan en de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' vervalt voor onderhavig plangebied.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.2.2.2 Analyse

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1721.BPKleinwijkong-vg01_0011.jpg"

UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART NOORD-BRABANT

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De gele lijnen op de afbeelding zijn aanduidingen voor 'historische geografie'. De Heescheweg en de weg Kleinwijk hebben dus cultuurhistorische waarden, maar liggen buiten het plangebied. Het plan tast dus geen waardevolle elementen aan.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming.

De daarin opgenomen bescherming omvat die onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Hiervoor geldt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

In de PAS is rekening gehouden met een autonome economische groei van 2,5% per jaar. De bouw van een woning behoort tot de autonome groei. Een nadere toetsing aan de PAS is niet nodig. Het plan heeft geen negatief effect op natuurgebieden.

Soortenbescherming
Onderzoeksbureau Staro heeft heeft in januari 2013 een quickscan flora en fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied zoals voorgenomen in het bestemmingsplan "Het Runneke". Er is in dit onderzoek getoetst aan de destijds geldende natuurwetgeving, waaronder de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Beide wetten zijn echter opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2017.

Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan "Het Runneke" in maart 2015, is het onderzochte plangebied onveranderd gebleven. Door het in stand blijven van de natuurwaarden en de geringe impact van onderhavig plan op deze natuurwaarden zijn de conclusies van de quickscan nog steeds van toepassing. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in het als bijlage 5 opgenomen rapport.

De belangrijkste conclusies van het onderzoek zijn dat:

  • het plangebied niet in een beschermd gebied ligt;
  • de in het rapport beschreven aanbevelingen voor vogels in acht genomen dienen te worden;
  • altijd rekening dient te worden gehouden met de zorgplicht.

Bescherming van houtopstanden

Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap AA en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau

Het Nationaal Waterplan
Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

5.3.2.2 Provinciaal niveau (Noord-Brabant)

Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021
Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

5.3.2.3 Gemeente Bernheze

Gemeentelijk Rioleringsplan en Gemeentelijk Waterplan

Het beleid van de gemeente Bernheze voor wat betreft de waterhuishouding sluit aan op het landelijke en provinciale beleid. Tot dit doel is mede het Gemeentelijk Rioleringsplan alsmede het Gemeentelijk Waterplan opgesteld. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) zijn doelstellingen en maatregelen in de waterketen opgenomen, waartoe de gemeente wettelijk verplicht is. In een waterplan worden extra, niet wettelijk verplichte maatregelen opgenomen, die nodig zijn om de gewenste inrichting en functioneren van water in de gemeente Bernheze te kunnen bereiken. De gemeente Bernheze heeft hiertoe een integraal waterplan vastgesteld. Centrale doelstelling van dit waterplan is: "Het ontwikkelen van een integrale visie in de omgang met water in de breedste zin van het woord". Het integrale aspect betekent dat het gehele systeem van grond- en oppervlaktewater centraal staat, inclusief aan- en afvoer van water. De keten van drinkwater, riolering en afvalwaterzuivering wordt in de visie betrokken daar waar deze het watersysteem beïnvloedt. Voor de hierna beschreven onderzoekslocatie is de informatie en maatregelen vanuit het waterbeheerplan "Werken met water, voor nu en later", het Gemeentelijk Rioleringsplan alsmede het Gemeentelijk Waterplan gebruikt bij het opstellen van de waterparagraaf.

5.3.2.4 Waterschap Aa en Maas

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Aa en Maas. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2016-2021
    Dit plan maakt inzichtelijk wat het waterschap de komende jaren gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede of mensen en dieren in Noordoost-Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.

  • Brabant Keur
    Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.
    Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
    • 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
    • 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
      benodigde compensatie (in m³) =
      toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)  
    • 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Om de infiltratiecapaciteit van de bodem te bepalen heeft Amitec uit Uden een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 2 toegevoegd.

Bodemopbouw
Het bodemprofiel is beschreven in het onderzoeksrapport. De bovenste meter van de ondergrond wordt daarin beschreven als: zand, matig fijn, matig siltig, matig humeus.

Infiltratiecapaciteit
Uit het onderzoek volgt dat de waterdoorlatendheid van de bodem (k-waarde) 0,3 m/dag is. Daarmee is sprake van een matige waterdoorlatendheid.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door een watergang. Verder is er geen oppervlaktewater in het plangebied aanwezig.

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 0,60-0,80 m -mv (bron: Wateratlas Provincie). De tijdens het bodemonderzoek gemeten grondwaterstand in de peilbuizen bedroeg respectievelijk 2,0 en 2,3 m-mv.

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.

5.3.4 Hemelwater
5.3.4.1 Verhard oppervlak

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een onverhard terrein. Het toevoegen van de vrijstaande woning betekent een toename van het verhard oppervlak. Het verhard oppervlak van de woning en bijgebouwen tezamen bedraagt maximaal 236 m². Met de aanleg van een eventueel terras en parkeerplaatsen is de totale toename van het verhard oppervlak ongeveer 400 m².

5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit

Het waterschap stelt geen verdere eisen voor de verwerking van het hemelwater bij ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak van minder dan 2.000 m², hiervoor geldt dan het gemeentelijk beleid. De gemeente Bernheze conformeert zich ten aanzien van de omgang met hemelwater in principe aan het beleid van het waterschap maar stelt dat een ontwikkeling ten aller tijde hydrologisch neutraal dient plaats te vinden (HNO).

De benodigde bergingscapaciteit is berekend uitgaande van een bui van 60 mm (eis waterschap Aa en Maas). Onderhavig plan resulteert in een toename van het verharde oppervlak van 400 m². Voor onderhavig plan betekent dat een watervolume van 400 m² x 0,06 m¹ = 24 m³ geborgen/geïnfiltreerd dient te worden.

5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening

Bij het ontwerp van de bergingsvoorziening zijn achtereenvolgens de volgende afwegingsstappen gehanteerd:

  • 1. hergebruik;
  • 2. infiltratie;
  • 3. buffering;
  • 4. afvoer.

Voor onderhavig plan betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. In de toekomstige bergings- c.q. infiltratievoorziening dient in ieder geval 24 m³ geborgen te kunnen worden. Binnen de locatie (circa 1.300 m²) is voldoende ruimte aanwezig om deze benodigde waterberging te kunnen realiseren. Op de inrichtingsschets is ter indicatie een natuurvijver opgenomen als bergingsvoorziening. Met een diepte van 2 meter voldoet een dergelijke vijver aan de bergingseis van 24 m³.

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de de weg Kleinwijk geloosd worden.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

Wanneer met een bestemmingsplan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1

Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet

ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien

het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In voorliggend geval worden de kosten verhaald via de leges. Daarnaast zal een planschadeverhaalsovereenkomst worden gesloten met de initiatiefnemer.

Gemeentelijke grondexploitatie

De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's

van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de

initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend

ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

6.2 Conclusie

Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.

Hoofdstuk 7 Juridische aspecten

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.

Het bestemmingsplan bestaat uit:

  • de toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding.

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake afwijkingen.

De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

7.2 Planregels

De indeling van de planregels is als volgt.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Agrarisch (artikel 3)

De agrarische gronden die rond de woning liggen, zijn bestemd als ‘Agrarisch’. De gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en mogen niet met gebouwen worden bebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn nadere regels opgenomen.

Tuin (artikel 4)

De voortuinen bij de woningen zijn bestemd als ‘Tuin’. Binnen deze bestemming is een regeling voor het bouwen van bijgebouwen opgenomen, waarbij onder meer geldt dat bijgebouwen vanaf 4 meter achter de voorgevel mogen worden gebouwd. Verder zijn er regelingen opgenomen voor het bouwen van carports, ondergeschikte onderdelen van woningen (erkers/aanbouwen), overkappingen boven de voordeur en bouwwerken,

geen gebouwen zijnde.

Wonen (artikel 5)

De bestemming ‘Wonen’ is toegekend aan de woningen, geen bedrijfswoningen zijnde, in het plangebied met de daarbij behorende achtertuinen en erven. Er wordt gebruik gemaakt van het woningtype vrijstaand. Aan huis verbonden beroepen zijn rechtstreeks toegestaan, aan huis verbonden bedrijven zijn mogelijk via afwijking. Ook voor mantelzorg kan een omgevingsvergunning voor het afwijken worden verleend.

In de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouw, bijgebouwen en overkappingen/carports. Deze begrippen zijn nader omschreven in artikel 1 van de regels. Het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bijgebouwen mogen ook daarbuiten staan, maar moeten wel voldoen aan diverse situeringseisen. Ook zijn verschillende hoogte- en oppervlaktematen voorgeschreven.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel (artikel 6)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Algemene bouwregels (artikel 7)
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.

Algemene gebruiksregels (artikel 8)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.

Algemene afwijkingsregels (artikel 9)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.

Overige regels (artikel 10)
In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van de uitsluiting van de aanvullende werking van de Bouwverordening.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 11)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.

Slotregel (artikel 12)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 8 Procedure

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 2. Vaststelling door gemeenteraad
  • 3. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

8.1 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Op grond van artikel 3.8 Wro heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 21 december 2017 tot en met 31 januari 2018 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is er één zienswijze ontvangen en ontvankelijk verklaard. Het verslag van de terinzagelegging en de beantwoording van de ingekomen zienswijzen is opgenomen als bijlage 6.

8.2 Vaststelling door gemeenteraad

Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad van Bernheze het bestemmingsplan 'Kleinwijk ong. te Nistelrode' gewijzigd vastgesteld. Het vaststellingsbesluit is bijgevoegd. De wijzgingen zijn:

Verbeelding:

Er wordt aan de zuidelijke grens van het plangebied een strook opgenomen als bestemming ‘Tuin’ met een aanduiding waarin bijgebouwen en carports uitgesloten worden.

Regels:

Artikel 4.1 wordt:

De voor ‘Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. tuinen, met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeer- en groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ zijn “bijgebouwen”, “carports”, “overkappingen”, “bouwwerken, geen gebouw zijnde” en “erfafscheidingen” uitgesloten en dienen de gronden niet te worden beschouwd als erf, onder andere zoals in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan.

8.3 Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan

Op grond van artikel 3.8 Wro komt het gewijzigde vastgestelde bestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen.