| Plan: | Hoefstraat ong., Heesch |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1721.BPHoefstraatong-vg01 |
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Hoefstraat ong., Heesch" van de gemeente Bernheze.
De gemeente Bernheze wil de mogelijkheden voor CPO (collectief particulier opdrachtgeverschap) vergroten en zoekt binnen de gemeente naar geschikte locaties. Eén locatie die hiervoor aangewezen is, is de locatie Hoefstraat in Heesch. Op deze locatie worden vier CPO-woningen ontwikkeld in de vorm van patiowoningen. In de huidige situatie bestaat de locatie uit een groen parkachtig terrein. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het dan ook niet toegestaan om hier woningen te bouwen, derhalve is een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De grond is kadastraal bekend gemeente Bernheze, sectie B, nummer 7078. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 3.052 m².
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "De kommen van Bernheze", vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juni 2011. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven. Hierna worden de relevante bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen toegelicht.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Het plangebied ligt binnen de bestemming 'Groen', waarin groenvoorzieningen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen zijn toegestaan.
Voorts geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' om bescherming van archeologisch waarden te waarborgen waarbij een vrijstelling is opgenomen voor werkzaamheden met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m² en minder diep dan 40 centimeter.
Omdat de vier CPO-woningen niet zijn toegestaan binnen de bestemming 'Groen' is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied.
Onderstaande afbeelding geeft de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.
DIRECTE OMGEVING EN PLANGEBIED
Aan de oostkant van Heesch ligt de wijk De Hoef. Deze groene wijk ligt tussen twee ontsluitingswegen (Graafsebaan en Nistelrodeseweg) in. Tussen deze ontsluitingswegen en dwars door de wijk heen loopt de Hoefstraat. De noordzijde van de Hoefstraat is doodlopend gemaakt voor auto's en is voor auto's alleen te bereiken vanaf de Graafsebaan. Ten noorden van het plangebied ligt een voetpad dat de Hoefstraat met de Acacialaan verbindt.
Binnen het plangebied komt geen bebouwing voor. De Hoefstraat en Acaciastraat worden gekenmerkt door grote vrijstaande woningen en enkele twee-onder-een-kapwoningen. Ten zuiden van het plangebied ligt de tennisvereniging 'De Hoef' en de BSO Sportieve Buitenschoolse opvang. Ten noorden van het plangebied ligt een klein bosje en houtwal.
In de directe omgeving van het plangebied liggen houtwallen, bosschages en ruime (voor)tuinen. Aan de zuidkant van liggen de tennisbanen die omringd zijn door bomen en begroeiing. Het plangebied bestaat uit een paardenweide, dat af en toe wordt gebruikt. Het plangebied wordt omringd door bomen en aan noordkant ligt een houtwal. De bomen rondom het plangebied bestaan uit diverse inheemse bomen.
In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. De ruimtelijke structuur is nader uitgewerkt in de inrichtingsschets, zoals weergegeven op onderstaande afbeelding en in bijlage 1. Te onderscheiden zijn: bebouwing functies, groen en water en ontsluiting en parkeren.
Onderhavig plan voorziet in de nieuwbouw van vier patiowoningen. De woningen zijn gesitueerd met de voorzijde aan een nieuwe zijstraat van de Hoefstraat en liggen tussen de bomen ten noorden van de tennisbanen en de houtwal ten noorden van het plangebied. Elke patiowoning heeft aan de voorzijde een entree met carport en aan de achterzijde een eigen buitenruimte. De woningen liggen met de achterzijde naar de tennisbanen.
INDICATIEVE INRICHTINGSSCHETS
De perceeloppervlakte van elk perceel bedraagt 325 m². Het maximum bebouwingspercentage voor de percelen bedraagt 65%. De oppervlakte van de patiowoningen mag hiermee per perceel maximaal ca. 212 m2 bedragen. De nu voorgestelde woningen hebben een oppervlakte van ca. 200 m². Elke CPO-woning bestaat uit één laag met een beperkte opbouw van maximaal 80 m2 met een maximale bouwhoogte van 5 meter.
INDICATIEVE 3D VISUALISATIES, IMPRESSIE VAN HET BOUWPLAN
Om de groene uitstraling door de bestaande (grote) bomen van de locatie te behouden zijn de woningen geclusterd en is rondom het cluster een voldoende brede groene zone met de bomen en houtwal opgenomen. In deze groene zone wordt ook de waterberging voor de woningen opgenomen. De bebouwing is binnen de boomkronen gesitueerd zodat het merendeel van bomen behouden kan blijven. De bomen aan de achterzijde van de woningen vormen een natuurlijke barrière tussen de woningen en de tennisbanen. De groene zone met bomen rondom de paden aan de noordzijde van het plangebied blijft ook gehandhaafd.
De verkeersaantrekkende werking voor een vrijstaande woning bedraagt gemiddeld 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal op basis van de omgevingskenmerken matig stedelijk en rest bebouwde kom. Voor onderhavig plan betekent dat een toename van 33 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Deze toename kan zonder meer via de bestaande wegen worden afgewikkeld.
DE VOORKANT VAN DE WONINGEN MET CARPORT
Conform de 'Parkeernota gemeente Bernheze' moet elke woning voorzien in 2 parkeerplaatsen op het eigen terrein, dit is in de regels vastgelegd met een voorwaardelijke verplichting. Iedere woning bevat een carport waar plek is voor twee parkeerplaatsen. Het initiatief voldoet daarmee aan de parkeernota. De nieuwe woningen worden door middel van een nieuwe straat met de Hoefstraat verbonden.
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet in een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.
Conclusie
Het plan voldoet aan het Barro.
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Onderhavig plan voorziet in de toevoeging van vier woningen. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.
De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014 bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van het provinciale bestuur op de ontwikkeling van Noord-Brabant.
Het plangebied ligt binnen de kern Heesch dat onderdeel is van het 'stedelijk concentratiegebied'. Conform het structuurvisiebeleid wordt in het stedelijk concentratiegebied (met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking) het grootste gedeelte van de verstedelijkingsopgave opgevangen. Daarbij is zuinig ruimtegebruik aan de orde: functiemenging, herstructurering en inbreiding vóór stedelijke uitbreidingen.
Het plan omvat het toevoegen van vier woningen in de vorm van inbreiding. De lokale behoefte is aangetoond in het gemeentelijke woningbouwprogramma, zie paragraaf 4.3.2.
Conclusie
Het plan past binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010, partiële herziening 2014.
De Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie per 31 juli 2018) stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
De Verordening maakt onderscheid in structuren en aanduidingen. De Verordening kent vier structuren, die tezamen provinciedekkend zijn. Daarin is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden. Afhankelijk van de waarden in of kenmerken van een gebied kunnen er één of meerdere aanduidingen gelden. De Verordening bevat voorts algemene regels ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit.
Structuren
Het plangebied ligt binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het doel is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Op provinciale schaal betekent dit dat het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling; uiteraard binnen de grenzen van wetgeving en de regionale afspraken. Wel is in artikel 3.1 een aantal bepalingen opgenomen over zorgvuldig ruimtegebruik en de verantwoording die de provincie daarover vraagt aan gemeente. Onderhavig plan voorziet in een woningbouwontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied binnen de grenzen van wetgeving en de regionale afspraken (zie paragraaf 4.3.2). Er wordt tevens voldaan aan artikel 3.1 (dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2.2.3). Het initiatief past daarmee binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'.
Aanduidingen
Er zijn geen relevante aanduidingen ter plaatse van het plangebied die voor onderhavige ontwikkeling van toepassing zijn.
Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat de Verordening algemene regels (opgenomen in artikel 3). Daarbij wordt onderscheid gemaakt in de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Algemeen geldt dat een project moet bijdragen aan de zorg voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit en voldoet aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik omdat er sprake is van een inbreidingslocatie. Om te zorgen voor behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit worden de nieuwe woningen dusdanig ingepast dat deze aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving.
Het plan voldoet aan de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant.
De locatie ligt binnen de Structuurvisie Bernheze binnen het structuurvisiegebied 'Dorpen'. De gemeente Bernheze bevat vijf dorpskernen: Heesch, Heeswijk-Dinther, Nistelrode, Vorstenbosch en Loosbroek. Deze dorpen vervullen een belangrijke rol voor het accommoderen van de toekomstige ruimtevraag. Herstructurerings- en intensiveringsprocessen zijn in beginsel overal binnen het bestaand woongebied mogelijk. Uiteraard moet hierbij worden aangesloten op de kwaliteiten en mogelijkheden van dat woongebied. De duidelijke structuur en de variatie van de verschillende dorpen dient behouden en waar mogelijk versterkt te worden. Indien sprake is van verweving van de bebouwing met het omliggende landschap (bijvoorbeeld aan de randen van de dorpen) dient dit karakter te worden behouden en zo mogelijk te worden versterkt.
Onderhavig plan voorziet in een inbreiding binnen bestaand gebied in Heesch. De bestaande bomen rondom het plangebied blijven gehandhaafd en de bebouwing is gesitueerd binnen de boomkronen. De bescheiden hoogte van de woningen past bij de omgeving. Door de lage bebouwing blijft het omliggende groen goed zichtbaar en voor het grootste deel behouden. Het initiatief is daarmee passend binnen het structuurvisiegebied 'Dorpen'.
Conclusie
Het plan past binnen de Structuurvisie Bernheze.
Het gemeentelijke woningbouwbeleid is vastgelegd in de 'Woonvisie 2016-2021' van de gemeente Bernheze. Deze woonvisie is op regionaal niveau tot stand gekomen. In deze visie wordt ingespeeld op de woningvraag, de woningvoorraad en de woonomgeving. Het is zaak voor de gemeente Bernheze om het beleid hierop in te richten.
Voor de periode 2016-2021 zijn in de dorpskern Heesch 395 nieuwe woningen voorzien van verschillende woningtypes. Onder deze woningtypes worden ook locaties gezocht voor vrijstaande woningen. Daarnaast reserveert de gemeente minimaal 5% van het nieuwbouwprogramma voor vrije kavels/CPO. Onderhavig plan voorziet met nieuwe vrijstaande CPO woningen in vier wooneenheden en past derhalve binnen het woningbouwbeleid.
Conclusie
Het plan past binnen de Woonvisie 2016-2021.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Lankelma een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Hoefstraat ong. te Heesch" (26 juni 2018, 1801478). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2. Lankelma concludeert dat in het kader van de Wet bodembescherming geen aanvullende procedures noodzakelijk zijn. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de ontwikkeling op deze locatie.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.
Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een rustige woonwijk. In de omgeving is slechts van beperkte functiemenging sprake en er is weinig verstorend verkeer.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Naast het plangebied ligt tennisvereniging 'De Hoef' en BSO Sportieve Buitenschoolse opvang. Verder zijn geen hinderveroorzakende activiteiten in de omgeving aanwezig.
De tennisbanen kunnen licht- en geluidhinder veroorzaken. De BSO geeft kans op geluidhinder.
Lichthinder
De richtafstand voor tennisbanen met verlichting bedraagt 50 meter. Daarmee liggen de woningen binnen de richtafstand. Om de mogelijke lichthinder van de tennisbanen inzichtelijk te maken heeft DGMR een lichthinderonderzoek uitgevoerd: rapport "Lichthinderonderzoek ten behoeve van woningbouwplan Hoefstraat in Heesch" (15 maart 2018, M.2018.0065.00.N001). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd.
DGMR concludeert dat de verticale verlichtingssterkte en de lichtsterkte per armatuur als gevolg van de huidige verlichtingsinstallatie niet voldoet aan de grenswaarde van de HSVV ter plaatste van het woningbouwplan. Hierdoor ontstaat overschrijding als gevolg van direct zicht vanaf het plangebied op het armatuur.
Het is echter mogelijk om deze overschrijding weg te nemen door de verlichting beter afstellen (meer op het veld richten) en het plaatsten van andere kappen op het armatuur.
Met deze te nemen maatregelen is er geen belemmering voor de ontwikkeling.
Geluidhinder
Akoestische onderzoek
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de tennisbanen van de naastgelegen tennisvereniging 'De Hoef' en BSO Het Beertje. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft DGMR Industrie, Verkeer en Milieu een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Akoestische onderzoek Hoefstraat, Heesch" (15 maart 2018, M.2018.0065.00.R001). Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 bijgevoegd.
Hierna zijn de conclusies opgenomen:
De tennisvereniging en de BSO kunnen niet gelijktijdig maximaal in gebruik zijn. Daarom zijn de twee niet cumulatief beschouwd. Als toetsingskader is de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering gebruikt. Daarbij is zowel gekeken naar de geluidsbelasting op de grens van het plangebied, als bij de momenteel geplande woningen.
Tennisvereniging
De tennisvereniging voldoet zowel op de grens van het plangebied als bij de geprojecteerde woningen niet aan de toetswaarden uit stap 3. De overschrijdingen worden met name veroorzaakt door het stemgeluid van tennissers en bezoekers.
Het blijkt dat maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren niet haalbaar zijn. Volgens de VNG-publicatie betekent dit dat inpassing doorgaans niet mogelijk is.
Buitenschoolse Opvang
Voor de BSO geldt eveneens dat zowel op de grens van het plangebied als bij de geprojecteerde woningen niet aan de toetswaarden uit stap 3 kan worden voldaan. De overschrijdingen worden veroorzaakt door het geluid van ballen tegen de voetbalkooi en het stemgeluid van spelende kinderen. Het is mogelijk de geluidsbelasting als gevolg van de voetbalkooi te reduceren door deze te vervangen. Daarna zorgt enkel het stemgeluid van spelende kinderen bij de geprojecteerde woningen nog voor een overschrijding van de toetswaarden. Dit betekent ook voor de BSO dat inpassing doorgaans niet mogelijk is.
Aanvullende verantwoording
Ondanks dat uit het onderzoek naar voren komt dat de geluidsbelasting op de gevels hoger is dan gewenst zijn er wel mogelijkheden een goed - woon en leefklimaat te realiseren. Hierna is de verantwoording opgenomen waarom woningbouw op deze loactie toch aanvaardbaar is.
Voor de afweging is het van belang dat de omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering kunnen worden belemmerd en dat er bij de nieuwe woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de rapportage blijkt dat er 'hoge' geluidsniveaus worden berekend ten gevolge van de activiteiten bij de tennisvereniging en bij de BSO. Hierbij zijn ook geluidsbronnen meegenomen, in het kader van de goede ruimtelijke ordening, die uitgesloten zijn van beoordeling in het Activiteitenbesluit. Indien deze geluidsbronnen niet worden meegenomen kan er voldaan worden aan de geluidsgrenswaarden bij de geprojecteerde woningen. Hieruit blijkt dat de BSO en tennisvereniging niet worden belemmerd door de realisatie van de nieuwe woningen.
Resteert een afweging of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij wordt het binnengeluidsniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (35 dB(A) dag-, 30 dB(A) avond- en 25 dB(A) nachtperiode) en 55 dB(A) etmaalwaarde voor het maximale geluidsniveau betrokken. Dat is geborgd.
Tennisvereniging:
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van de tennisvereniging 50 dB(A) in de avondperiode bedraagt. De eis voor het binnengeluidsniveau is 30 dB(A), dus de geluidswering van de gevel van de nieuwe woning moet minimaal 20 dB(A) bedragen. Dit komt overeen met de minimale vereiste van de gevelwering conform het Bouwbesluit.
Het maximale geluidsniveau bedraagt 72 dB(A) in de avondperiode. Het binnengeluidsniveau van 50 dB(A) kan worden behaald met een geluidswering van minimaal 22 dB(A). Dit is 2 dB hoger dan het minimaal vereiste vanuit het Bouwbesluit maar niet bijzonder hoog gelet op de huidige bouwstijlen, energievereisten en daarmee gepaard gaande geluidswering van de gevel. Normaliter wordt bij nieuwbouw van woningen een geluidswering van 25 dB(A) eenvoudig gehaald.
BSO
Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van de BSO bedraagt 51 dB(A) in de dagperiode. Uitgaande van de minimaal vereiste geluidswering van de gevel van 20 dB kan er voldaan worden aan het binnengeluidsniveau van 35 dB(A).
Het maximale geluidsniveau bedraagt 79 dB(A) in de dagperiode. De binnenwaarde van 55 dB(A) kan behaald worden indien een geluidswering van de gevel van 24 dB wordt gerealiseerd. Normaliter wordt bij nieuwbouw van woningen een geluidswering van 25 dB(A) eenvoudig gehaald.
Conclusie:
Bouwkundig kunnen er voorzieningen/maatregelen getroffen worden aan de gevels van de nieuw te realiseren woningen waarmee het binnengeluidsniveau in de woningen kan worden geborgd. Dit is vastgelegd in de voorwaardelijke verplichting in artikel 5.5.2. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woningen. Echter moet niet de geluidsbelasting buiten de woningen uit het oog verloren worden gelet op mogelijk te ondervinden geluidshinder. De toekomstige bewoners zijn hier actief, helder en transparant over geïnformeerd. Ook het stedenbouwkundig ontwerp houdt rekening met de akoestiek. Hierdoor is woningbouw op deze locatie te realiseren.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
Het project omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Het initiatief ligt niet in de directe omgeving van inrichtingen. Het plangebied ligt daarentegen wel binnen het invloedsgebied van autosnelweg A59 (transportroute met gevaarlijke stoffen) en gasleidingen van de Gasunie. Met een afstand van 330 meter tot de A59 en 540 m tot de buisleidingen ligt het plangebied binnen het invloedsgebied verantwoording groepsrisico. Er dient derhalve een beperkte verantwoording op het groepsrisico gegeven te worden.
Het project omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied. De toekomstige bewoners zijn zelfredzame personen. De toename van het aantal personen is dermate laag dat het geen significante toename voor het groepsrisico tot gevolg heeft. Daarnaast zorgt de bebouwing en beplanting in de omgeving voor een afschermde werking indien er een ongeval plaatsvindt. Er is geen relevante toename van het groepsrisico. Met de naastliggende Hoefstraat is er een vluchtroute in westelijke richting van beide risicovolle inrichten af.
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
Binnen een straal van ongeveer 1,5 kilometer komen twee intensieve veehouderijen voor, op ongeveer 700 meter en op meer dan 1.300 meter afstand. Vanwege deze grote afstand is er geen belemmering van deze bedrijven. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de van de autosnelweg A59 en de Graafsebaan. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft DPA Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Nieuwbouw patiowoningen aan de Hoefstraat te Heesch; akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" (25 juni 2018, 04468-42090-02). Het onderzoeksrapport is als bijlage 5 bijgevoegd. De omliggende 30 km/u wegen (niet-gezoneerd volgens de Wet geluidhinder) zijn eveneens meegenomen in het akoestisch onderzoek ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
DPA Cauberg Huygen concludeert dat ten gevolge van het wegverkeer op de autosnelweg A59 en de Graafsebaan overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Ten gevolge van wegverkeer op de omliggende 30 km/u wegen bedraagt de geluidbelasting maximaal 50 dB. In het kader van een goede ruimtelijke ordening vormen deze wegen geen belemmering voor het bouwplan.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat 4 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
Goed woon- en leefklimaat
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2016, 2020 en 2030 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor PM10, PM2,5 en NO2 wordt voldaan. Uit de monitoringstool volgt dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief.
Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor bij de uitbreiding van veehouderijen of een ontwikkeling van milieugevoelige functies in de omgeving van veehouderijen. Het betreft specifiek de aspecten endotoxinen en geitenhouderijen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor is fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 EU/m³ voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.
Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen relevante (intensieve) veehouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.
GEITENHOUDERIJEN IN EN IN OMGEVING BERNHEZE
Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling en behoort daarmee niet tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen. Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.
Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
De gemeente Bernheze beschikt over een gemeentelijke archeologische beleidskaart. Volgens deze kaart ligt het plangebied in een zone aangeduid met een hoge archeologische verwachting. Deze hoge archeologische verwachting is verwerkt in het vigerende bestemmingsplan ‘De Kommen van Bernheze’ tot een dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 3’. Dit betekent dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en groter dan 2.500 m² archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Onderhavig plangebied overschrijdt deze oppervlakte, maar het werkelijke bebouwde/verstorende oppervlak zal kleiner zijn (maximaal 2000 m2). Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Wel zal tijdens het bouwrijp maken van het terrein archeologische begeleiding aanwezig zijn.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart.
UITSNEDE CULTUURHISTORISCHE WAARDENKAART NOORD-BRABANT
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De Graafsebaan is wel aangeduid als historische geografie als lijn van hoge waarde. Het initiatief heeft echter geen invloed op deze structuur. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende:
Natura2000, belangrijk weidevogelgebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 14,1 km tot de planlocatie is een Natura2000-gebied gelegen en de planlocatie ligt op een afstand van meer dan 0,4 km tot het Natuurnetwerk Nederland.
Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om de stikstofdepositie. Hiervoor geldt de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).
In de PAS is rekening gehouden met een autonome economische groei van 2,5% per jaar. De bouw van vier woningen behoort tot de autonome groei. Het transport en de bouwwerkzaamheden gedurende de ontwikkeling kunnen leiden tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). De ervaring leert dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare/jaar blijft. Bovendien gelet op de nabijgelegen autosnelwegen zal de toename van (vracht)verkeersbewegingen verwaarloosbaar zijn. Een nadere toetsing aan de PAS is niet nodig. Het plan heeft geen negatief effect op natuurgebieden.
Soortenbescherming
Het initiatief betreft het verwijderen van de vegetatie en het bouwen van vier woningen. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Dit kan leiden tot negatieve effecten voor beschermde soorten. Om deze invloed inzichtelijk te maken heeft Blom Ecologie een oriënterend onderzoek uitgevoerd: rapport ''Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Hoefstrat te Heesch'', (23 juni 2018, BE/2018/305/R). Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 bijgevoegd.
Blom Ecologie concludeert dat de werkzaamheden en de toekomstige situatie niet leiden tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen en algemene zoogdieren, amfibieën en broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging.
Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming
Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor de ontwikkeling.
Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
Bodemopbouw
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,35 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend.
Infiltratiecapaciteit
Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek (zie paragraaf 5.1) blijkt dat ter plaatse sprake is van een zandbodem. De waterdoorlatendheid is daarmee redelijk.
Binnen het plangebied is geen oppervlakte water aanwezig.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is een waterstand van 1,1 m-mv gemeten.
Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de huidige en nieuwe situatie per perceel. De toename van het verhard oppervlak staat in de vierde kolom in vierkante meters (m²).
Per woning wordt maximaal 195 m2 hoofdgebouw mogelijk gemaakt. Voor de verharding wordt er voor de percelen 50% van het hoofdgebouw extra gerekend voor de verdere verharding op het perceel. De totale verharding per perceel bedraagt (195 + 195/2 =) 292,5 m2. De nieuwe weg heeft een oppervlak van 442 m2. Voor de verharding per perceel wordt gerekend met 110,5 m2.
| omschrijving | bestaand | nieuw | toename m² |
| verharding per perceel | 0 m² | 292,5 m² | 292,5 m² |
| verharding weg per perceel | 0 m² | 110,5 m² | 110,5 m² |
| totaal | 403 m² | 403 m² |
De totale toename van de verharding is 403 m² per perceel.
Voor de berekening van de bergingscapaciteit wordt de rekenregel uit de Brabant Keur gehanteerd, voor het ontwerp betekent dat: toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). In het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1,0.
403 m² x 1,0 x 0,06 m = 24,2 m³ per perceel
De totale benodigde compensatie (in m³) per perceel bedraagt = 24,2 m³.
Doordat het huidige maaiveld lager ligt dan de omliggende terreinen geeft buffering en infiltratie in een opgehoogd terrein mogelijke overlast voor de omgeving. Eventuele mogelijkheden werken sterk kostenverhogend en zijn lastig inpasbaar. Binnen het plangebied wordt daarom wel een gescheiden stelsel aangelegd, maar wordt deze in de Hoefstraat aangesloten op het gemengde stelsel. Uit de dynamische rioolberekening blijkt dat dit geen overlast veroorzaakt. De benodigde compenserende berging (24,2 m3) wordt in het nabij gelegen Langven gecompenseerd. Dit ven maakt onderdeel uit van het oppervlaktewatersysteem waarop de riooloverstort van De Hoef op loost.
In de openbare weg ten oosten van het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel. Het afvalwater wordt via dwa-riolering onder de nieuwe straat afgevoerd naar dit riool.
Voor het initiatief is een compenserende voorziening vereist, omdat er een toename van verharding plaatsvindt. Hiervoor is onvoldoende ruimte beschikbaar om dit zonder overlast voor de omgeving te realiseren. Deze wordt daarom in het nabij gelegen Langven gerealiseerd.
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft twee aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond: is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd: zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.
De ontwikkeling betreft het toevoegen van vier CPO woningen. Omdat het een CPO-ontwikkeling betreft, wordt er gebouwd voor een specifieke groep zijn. De toekomstige eigenaren zijn al vanaf het begin van de ontwikkeling bij het proces betrokken. Daarmee is de behoefte aangetoond.
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).
Omdat de gemeente eigenaar is van de grond kan de gemeente de door haar gemaakte kosten in de verkoopprijs van bouwrijpe kavels verdisconteren. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
Gemeentelijke grondexploitatie
Uit de gemeentelijke grondexploitatie volgt dat voldoende middelen aanwezig zijn om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels.
De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De indeling van de planregels is als volgt.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Hoofdstuk 4 Overgangsregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen (artikel
1
)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel
2
)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Groen en Verkeer (artikel 3 en 4 )
Deze bestemmingen regelen het openbare gebied, de wegen, plantsoenen, waterpartijen en watergangen.
Wonen (artikel 5)
De bestemming Wonen is toegekend aan de woningen in het plangebied met de daarbij behorende tuinen en erven. Er wordt gebruik gemaakt van het woningtype vrijstaand. Aan huis verbonden beroepen zijn ook toegestaan.
In de bouwregels wordt een onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouw, bijgebouwen en carports/overkappingen.
Deze begrippen worden nader omschreven in artikel 1 Begrippen. Het hoofdgebouw en de bijgebouwen moet worden gebouwd binnen het bouwvlak. Ook zijn diverse hoogte- en oppervlaktematen voorgeschreven. Deze regeling sluit aan bij eerder ontwikkelde standaard erfbebouwingsregeling van de gemeente Bernheze.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 6)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene bouwregels (artikel 7)
Dit artikel bevat regels ten aanzien van afwijkende bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen. Dit artikel bevat tevens de verplichting tot het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing is opgenomen naar het relevante beleidsdocument.
Algemene gebruiksregels (artikel 8)
In dit artikel is nader omschreven welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig met het bestemmingsplan worden aangemerkt, waaronder het gebruik van bouwwerken en terreinen zonder voldoende parkeergelegenheid.
Algemene afwijkingsregels (artikel 9)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages, mits dit noodzakelijk is vanuit constructieve vereisten, architectonisch belang of oogpunt van duurzaamheid, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 10)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.
Slotregel (artikel 11)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.