Type plan: wijzigingsplan
Naam van het plan: Dorpsstraat 84 Loosbroek
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1721.BPDorpsstraat84-vg01
1 Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen
 
1.1 plan
het wijzigingsplan ‘Dorpsstraat 84 Loosbroek’ met identificatienummer NL.IMRO.1721.BPDorpsstraat84-vg01 van de gemeente Bernheze;
 
1.2 wijzigingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels;
 
1.3 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
1.4 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
1.5 aan huis gebonden beroep
een dienstverlenend beroep, dat in of bij de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning de woonfunctie behoud en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is;
 
1.6 agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt;
 
1.7 agrarisch grondgebruik
de aanwending van open grond ten behoeve van het agrarisch bedrijf;
 
1.8 bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
1.9 bestaand
bebouwing en gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
 
1.10 bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak;
 
1.11 bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
1.12 bijgebouw
een gebouw, dat in bouwkundig en visueel opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;
 
1.13 bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
 
1.14 bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
1.15 bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
1.16 bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
1.17 carport
een overdekte stallingsgelegenheid voor auto’s, met niet meer dan twee gesloten wanden;
 
1.18 detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
1.19 gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
1.20 gebruik
het gebruiken, doen en laten gebruiken;
 
1.21 hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende en toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkste is;
 
1.22 mantelzorg
zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie, bijvoorbeeld door gezinsleden, buren of vrienden;
 
1.23 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
1.24 pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;
 
1.25 peil
a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met maximaal 20 centimeter;
b. in andere gevallen: de hoogte van de weg ter plaatse van de toegang tot het gebouw vermeerderd met 2 centimeter per meter afstand van het gebouw tot die weg (hemelsbreed gemeten);
c. deze bepaling geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: hiervoor wordt de hoogte gemeten vanaf het aansluitende maaiveld.
 
1.26 ruimtelijke uitstraling
de waarneembare invloed van landschappelijke, stedenbouwkundige, waterhuishoudkundige en cultuurhistorische aard op de omgeving;
 
1.27 schuilgelegenheid
een gebouw dat bedoeld is voor het bieden van beschutting en schuilruimte voor vee;
 
1.28 tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders
het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden, met een maximum van 8 maanden per jaar, op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten;
 
1.29 voorgevellijn
een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning of een hoofdgebouw en bouwvlak waarop de woning of het hoofdgebouw zich bevindt en die doorloopt tot de perceelsgrens;
 
1.30 woning
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.
 
Artikel 2 Wijze van meten
 
2.1 de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
2.2 de inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.4 de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.5 afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens
De kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsgrens van het bouwperceel.
 
2.6 afstand tussen gebouwen
De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen.
 
2 Bestemmingsregels
Artikel 3 Agrarisch
 
3.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
1. agrarisch grondgebruik;
2. een burgerwoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’;
3. verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
4. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen;
5. groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen;
6. behoud van landschapselementen.
 
3.2 Bouwregels
 
Op de voor Agrarisch aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
 
3.2.1 Algemeen
1. Ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ maximaal het aangeduide aantal woningen is toegestaan ten behoeve van woningsplitsing;
2. Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep is toegestaan, mits:
a. de functie ondergeschikt is aan de hoofdfunctie;
b. er maximaal 100 m2 van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
c. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
3. Inrichtingen ex artikel 2.4 IVbM zijn niet toegestaan;
4. De oprichting van windturbines is niet toegestaan;
5. Buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak zijn toegestaan:
a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en
b. (vrijstaande) bijgebouwen.
 
3.2.2 Wonen
Voor het oprichten van hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, gelden de volgende eisen:
1. woningen, inclusief bijgebouwen
 
inhoud hoofdgebouw
minimaal 450 m3 en maximaal 750 m3 (inclusief aangebouwde bijgebouwen)
goothoogte hoofdgebouw
zoals aangeduid ter plaatse van ‘maximale bouwhoogte (m), maximale goothoogte (m)’
bouwhoogte hoofdgebouw
zoals aangeduid ter plaatse van ‘maximale bouwhoogte (m), maximale goothoogte (m)’
afstand bijgebouwen ten opzichte van de voorgevelrooilijn
minimaal 2 meter
afstand bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens
minimaal 3 meter
gezamenlijke oppervlakte vrijstaande bijgebouwen
maximaal 200 m2
goothoogte bijgebouwen
maximaal 3 meter
bouwhoogte bijgebouwen
maximaal 6 meter
afstand woning tot de vrijstaande
minimaal 3 meter en maximaal 20 meter
bijgebouwen
 
 
2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde
 
 
bouwhoogte
gezamenlijke oppervlakte
aantal
erfafscheidingen
maximaal 2 meter, vóór de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter
  
carport/overkapping
maximaal 3 meter
maximaal 30 m2
maximaal 2
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde
maximaal 3 meter
  
  
3. ondergrondse bouwwerken tot een bouwdiepte van maximaal 3 meter zijn toegestaan daar waar bovengronds gebouwen zijn of gelijktijdig worden gebouwd.
 
3.3 Nadere eisen
 
1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing, ten behoeve van:
a. Het straat en bebouwingsbeeld;
b. De milieusituatie;
c. De verkeersveiligheid;
d. De gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
e. De externe veiligheid.
2. deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op de verbetering van landschappelijke en/of stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.
 
3.4 Afwijken van de bouwregels
 
3.4.1 Algemeen
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van:
1. Het bepaalde in artikel 3.2.2 onder 2 ten aanzien van het bouwen van een niet overdekt zwembad (buiten het bouwvlak) met een oppervlakte van maximaal 100 m2, mits:
a. de bedrijfsvoering en ontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig wordt beperkt;
b. er sprake is van landschappelijke inpassing;
c. de ontwikkeling geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, ecologie en archeologie oplevert.
2. het bepaalde in artikel 3.2.2 onder 1 voor het oprichten van schuilgelegenheden ten behoeve van het hobbymatig houden van vee tot een maximum van 15 m2, onder de voorwaarden dat:
a. de oprichting van schuilgelegenheden niet mogelijk is binnen het bestaande bouwvlak;
b. de hoogte maximaal 2,5 meter mag bedragen;
c. het desbetreffende perceel een aaneengesloten oppervlakte heeft van tenminste 2.500 m2;
d. er geen onevenredige aantasting van de open structuur van de omgeving is.
3. het bepaalde in artikel 3.2.2 onder 1 ten aanzien van een kleinere afstand van bijgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens onder de voorwaarden dat:
a. dit uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
b. hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
 
3.4.2 Aanvullend afwegingskader
Een onder 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
1. het straat en bebouwingsbeeld;
2. de milieusituatie;
3. de verkeersveiligheid;
4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
5. de sociale veiligheid;
6. de externe veiligheid.
 
3.5 Specifieke gebruiksregels
 
Tot een met de bestemming strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1 Wabo, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 3.1, meer in het bijzonder:
1. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van bewoning door seizoensarbeiders of permanente bewoning;
2. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats;
3. het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel behoudens detailhandel als bedoeld in artikel 3.2.1 onder 2 sub c;
4. het gebruik van de gebouwen voor de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders;
5. het gebruik van bijgebouwen ten behoeve van bewoning;
6. het gebruik van de gronden voor beoefening van lawaaisporten.
 
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
 
3.6.1 Afwijken ten behoeve van mantelzorg
Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.5 onder 5 en toestaan dat bijgebouwen tot een maximum oppervlak van 100 m2 gebruikt worden ten behoeve van mantelzorg onder de voorwaarden dat:
1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg;
2. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeentewege verkregen erkende instelling;
3. belangen van derden (natuur, veiligheid en milieu) niet worden geschaad;
4. parkeren op eigen terrein zal plaatsvinden;
5. er geen zelfstandige woonruimte ontstaat;
6. er een privaatrechtelijke overeenkomst (met boetebeding) is afgesloten om controle en beëindiging van het tijdelijke gebruik als woonruimte veilig te stellen.
 
3.6.2 Aanvullend afwegingskader
Een onder 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
1. het straat en bebouwingsbeeld;
2. de milieusituatie;
3. de verkeersveiligheid;
4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
 
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
 
3.7.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:
1. nadere aanduidingen met betrekking tot de functie van de verbeelding verwijderen;
2. bestemmingsgrenzen met maximaal 5 meter verschuiven.
 
3.7.2 Afwegingskader
Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in artikel 3.7.1 genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:
1. de mate waarin de waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
2. de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de omliggende gronden worden geschaad;
3. de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische, de waterhuishoudkundige, de archeologische, de ecologische, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige  inpasbaarheid is aangetoond.
 
Artikel 4 Waarde - Archeologie
 
4.1 Bestemmingsomschrijving
 
De voor Waarde – Archeologie aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.
 
4.2 Bouwregels
 
4.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende
mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.
 
4.2.2 Voorwaarden
Indien uit het in artikel 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen of kunnen worden verstoord, kan de vergunningverlener één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor bouwen:
1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan de door de vergunningverlener bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
4.2.3 Bouwverbod
Indien uit het in artikel 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 4.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
 
4.3 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
 
4.3.1 Verbod
Het is verboden zonder, of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 4.2.1 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:
1. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;
2. het bodemverlagen of afgraven van gronden;
3. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 centimeter vanaf maaiveld;
4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
5. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
6. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies.
 
4.3.2 Verlening
Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.
 
4.3.3 Uitzondering omgevingsvergunning
Het in artikel 4.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing, indien:
1. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
2. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 250 m2 en niet dieper dan 40 centimeter vanaf het maaiveld;
3. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;
4. de werken en werkzaamheden
a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
5. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht.
 
3 Algemene regels
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
 
Artikel 6 Overige regels
 
6.1 Uitsluitende aanvullende werking bouwverordening
 
De voorschriften van de bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing, behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:
a. de richtlijnen voor het verlenen van ontheffing voor stedenbouwkundige bepalingen;
b. de bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer;
c. de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten;
d. het bouwen bij hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen;
e. de parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden;
f. de ruimte tussen bouwwerken.
 
6.2 Wettelijke regelingen
 
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan worden verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van inwerkingtreding van dit plan.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 7 Overgangsrecht
 
7.1 Overgangsrecht voor bouwwerken
 
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar en omvang niet wordt vergroot,
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
7.2 Overgangsrecht gebruik
 
1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
2. Het is verboden het met het wijzigingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende wijzigingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
Artikel 8 Slotregel
 
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het wijzigingsplan ‘Dorpsstraat 84, Loosbroek’.