direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Handelsweg 3 Susteren
Status: vastgesteld
Plantype: TAM-omgevingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het 'Bedrijventerrein Wolfskoul' te Susteren ligt aan de Handelsweg 3 een bedrijfswoning. Het voornemen bestaat om deze bedrijfswoning om te vormen tot een reguliere woning met tuin en bijbehorende bouwwerken. De gewenste oppervlakte voor de functie 'Wonen - Stedelijk' en tevens bouwvlak voor deze functie, wordt hierbij groter dan de huidige oppervlakte met de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. De (bestemming) functie 'Bedrijventerrein - Wolfskoul' dient hiervoor gewijzigd te worden naar de functie 'Wonen - Stedelijk'.

Initiatiefnemer heeft dit voornemen kenbaar gemaakt bij de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt - Susteren heeft bij brief d.d. 25 september 2024 onder voorwaarden principemedewerking toegezegd voor de beoogde ontwikkeling. De betreffende brief is bijgevoegd als bijlage 1.

Het voornemen is op basis van het 'Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren' niet rechtstreeks toegestaan. Het herbestemmen van een bedrijfswoning gelegen op een bedrijventerrein tot een reguliere woning past in beginsel niet binnen het gemeentelijk beleid. In de meeste gevallen wordt hieraan geen medewerking verleend. Er moet immers ook vestigingsruimte blijven voor bedrijven.

De woning Handelsweg 3 ligt echter aan de rand van het bedrijventerrein, tegen de bestaande woonomgeving aan. Door deze ligging is er slechts aan één kant van de woning sprake van bedrijvigheid. Hierdoor kan, met het nemen van geluidmaatregelen (geluidwerende muur, niet geluidgevoelige gevels, etc.) een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning en bijbehorende tuin worden gegarandeerd, zonder dat omliggende bedrijven worden beperkt in hun mogelijkheiden. Derhalve is door de gemeente beoordeeld dat het initiatief mogelijk is en de gemeente hiervoor af wil wijken van de lokale wet- en regelgeving.

Om het voornemen mogelijk te maken is voorliggende wijziging van het Omgevingsplan opgesteld. Hiermee wordt voorzien in een actueel juridisch-planologisch kader waarmee het omvormen van de bedrijfswoning naar een reguliere woning mogelijk wordt gemaakt.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Handelsweg 3 te Susteren, geheel ten zuidenwesten en in de rand van het 'Bedrijventerrein Wolfskoul' en op korte afstand ten noorden van van de bestaande woningen binnen de kern Susteren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0001.png"

Topografische kaart met ligging plangebied in het midden, rood omcirkeld en aangeduid met rode pijl.

Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Susteren, sectie B nr's 3372 en 3528. In onderstaande afbeeldingen wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven op een kadastrale ondergrond.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0002.png"

Uitsnede kadastrale kaart met begrenzing plangebied in het rood.

1.3 Omgevingsplan/vigerende plannen

Ter plaatse van de Handelsweg 3 te Susteren is het 'Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren' (hierna: het Omgevingsplan) van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 in werking getreden en bestaat uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit ruimtelijke regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen en rijksregels over activiteiten (de 'bruidsschat').

Ter plaatse van het plangebied geldt de juridische regeling van het bestemmingsplan 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren' (vastgesteld d.d. 11-12-2024 en inmiddels onherroepelijk).

1.3.1 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren'

Op 11 december 2024 is het 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren' vastgesteld. Het 'Initieel Omgevingsplan Echt- Susteren' heeft betrekking op bijna het gehele grondgebied van de gemeente Echt-Susteren. Voorzien wordt in één bestemmingsplan voor de gemeente Echt-Susteren, waarin alle vigerende en onherroepelijke bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en verleende omgevingsvergunningen zijn samengevoegd. Het samenvoegen van de bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen, heeft beleidsneutraal plaatsgevonden. De aanleiding van dit initieel omgevingsplan voor de gemeente was om goed voorbereid te zijn op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Op grond van het Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Bedrijventerrein - Wolfskoul' met daarbinnen opgenomen een bouwvlak en functieaanduidingen 'bedrijf van categorie 2' en 'bedrijfswoning'. Voorts zijn de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermings- gebied' en 'milieuzone - boringsvrije zone Roerdalslenk II' van toepassing. Naast de bestemming 'Bedrijventerrein - Wolfskoul' is de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3' van toepassing.

Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein- Wolfskoul' is een reguliere woonfunctie niet toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0003.png"

Uitsnede verbeelding 'Initieel Omgevingsplan Echt - Susteren' met aanduiding plangebied.

Zoals aangegeven betreft dit initieel omgevingsplan een beleidsneutrale samenvoeging van de vigerende bestemmingsplannen e.d..

Onderhavig omgevingsplan sluit met betrekking tot de van toepassing zijnde regels zoveel mogelijk aan bij de regels zoals opgenomen in het 'Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren'.

Voorliggend plan voorziet voor het plangebied in het wijzigen van de bestemming/functie 'Bedrijventerrein-Wolfskoul' naar 'Wonen - Stedelijk' ten behoeve van het omvormen van de bedrijfswoning naar reguliere woning met tuin en bijbehorende bouwwerken. Op basis van het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, wordt door middel van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan in een passend juridisch-planologisch toetsingskader voorzien.

1.4 Leeswijzer

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een plankaart en een motivering (inclusief bijlagen). Deze motivering dient als motivering bij de te volgen procedure en bestaat uit 7 hoofdstukken.

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en de toekomstige situatie voor het plangebied. In hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid plaats. In hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen gemotiveerd. In hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.

Hoofdstuk 2 Het planvoornemen

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein Wolfskoul en omvat de huidige bedrijfswoning met tuin, bijbehorende bouwwerken, oprit en een gedeelte van het verhard terreingedeelte grenzend aan de noordwestzijde van de tuin.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0004.png"

Luchtfoto Handelsweg 3 te Susteren met aanduiding plangebied.

De bestaande situatie wordt weergegeven aan de hand van onderstaande obliekfoto's.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0005.png"

Obliekfoto's woning Handelsweg 3 Susteren (Bron Slagboom en Peeters).

Het plangebied ligt ten zuidenwesten en in de rand van het 'Bedrijventerrein Wolfskoul' en op korte afstand ten noorden van de regulieren woningen behorende tot de kern Susteren. Het plangebied wordt omgeven door reguliere woningen aan de zuidwestzijde en het bedrijventerrein aan de noordwest-, noord-, oost- en zuidoostzijde. Binnen het bedrijventerrein ligt direct ten zuidoosten van het plangebied een kantoorpand en verder zijn binnen het bedrijventerrein enkele bedrijfswoningen gelegen. Het plangebied ligt in de zone met een aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2' dat aan de noordzijde aansluit op de zone met aanduiding 'bedrijf tot en met de categorie 3.1'. Het plangebied ligt aan de bocht in de Handelsweg die aan de noordoost- en noordwestzijde grenst aan het plangebied. In onderstaande afbeelding wordt de ligging van het plangebied t.o.v. de omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0006.png"

Luchtfoto plangebied en omgeving.

2.2 Beoogde situatie

Het voornemen bestaat om de aanwezige bedrijfswoning om te vormen tot een reguliere woning met tuin en bijbehorende bouwwerken. Hiertoe dient de bestemming/functie 'Bedrijventerrein- Wolfskoul' gewijzigd te worden naar de functie 'Wonen - Stedelijk'. De gronden die in de toekomstige situatie voor de reguliere woonfunctie zullen worden gebruikt (woonhuis met bijbehorende tuingronden) vormen het plangebied van voorliggend TAM-omgevingsplan waaraan de functie 'Wonen - Stedelijk' wordt toegekend. Een en ander zal worden gerealiseerd binnen de regels van het TAM-omgevingsplan.

In onderstaande afbeeldingen wordt het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0007.png"

Huidige situatie ter plaatse van het plangebied met de nieuwe erfgrens.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0008.png"

Nieuwe situatie plangebied t.b.v. de gewenste wijzing functie 'Bedrijventerrein - Wolfskoul' naar functie 'Wonen - Stedelijk'.

De bestaande woning zelf wordt inpandig verbouwd maar niet vergroot. In het dakvlak aan de achterzijde wordt voorzien in een dakkapel en in de linker zijgevel en de voorgevel worden als gevolg van de interne verbouwing van de begane grond enkele nieuwe ramen aangebracht om voldoende lichtinval te garanderen. In de achtergevel van de woning wordt een bestaande raampartij vervangen door een schuifpui.

De nieuwe situatie wordt in onderstaande afbeedlingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0009.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0011.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0012.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0013.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0014.png"

2.3 Ruimtelijke-visuele effecten

Voorliggend plan ziet op het omvormen van een bedrijfswoning naar een reguliere woning, waarbij tevens het woonoppervlak zal worden vergroot t.b.v. enkele bijbehorende bouwwerken en tuin. Qua visuele effecten is sprake van kleine veranderingen aan de woning als gevolg van de realisatie van een dakkapel en het aanbrengen van enkele ramen en een schuifpui in de gevels ter hoogte van de begane grond. Deze aanpassingen dragen bij aan een opwaardering en uitstraling van de woning. De bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd als een soort afscheiding tussen het bedrijventerrein en de tuin bij de woning, waarbij de gevels richting de bedrijfsgebouwen en het bedrijventerrein geheel dicht zijn. Door de situering van de bijbehorende bouwwerken aan de zijde van de bedrijfsgebouwen/het bedrijventerrein wordt het aanzicht vanaf de Handelsweg niet beïnvloed door een direct aan de weg gelegen bouwmassa. De groenvoorzieningen van de deels nieuwe tuin zijn om die reden dan ook juist gesitueerd aan de zijde van Handelsweg. Al met al draagt het plan bij aan het opwaarderen van de locatie en de uitstraling van de woning. Derhalve kan geconcludeerd worden dat de ruimtelijke-visuele effecten passend zijn in de omgeving.

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijksbeleid en instructieregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw.

Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • duurzaam economisch groeipotentieel;
  • sterke en gezonde steden en regio's;
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes, die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven:

  • 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • 3. afwentelen wordt voorkomen.

In de NOVI zijn de volgende belangrijkste keuzes opgenomen:

  • 1. een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zodanig wordt ingericht dat het land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast;
  • 2. de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie dient oog te zijn voor omgevingskwaliteit;
  • 3. de overgang naar een circulaire economie, waarbij Nederland tegelijk goed kan blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat kan bieden;
  • 4. de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland, waarmee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden;
  • 5. het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden;
  • 6. het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewerkt aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.

Ter uitvoering van de in de NOVI gemaakte keuzes is een Uitvoeringsagenda opgesteld. Daarin staat hoe samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering zal moeten worden gegeven aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling. Daarnaast wordt gebiedsgericht gewerkt met Omgevingsagenda's en NOVI-gebieden.

Toetsing

Onderhavig voornemen betreft een, op nationaal niveau gezien, zeer kleinschalige lokale ontwikkeling waarbij geen specifieke nationale belangen zoals genoemd in de NOVI in het geding zijn.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur:

  • het Omgevingsbesluit (Ob;
  • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);
  • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);
  • Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.

Voor de volgende onderwerpen gelden er rijksinstructieregels:

  • waarborgen van veiligheid (§ 5.1.2 Bkl);
  • beschermen van waterbelangen (§ 5.1.3 Bkl);
  • beschermen van gezondheid en milieu, waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit (§ 5.1.4 Bkl);
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5 Bkl);
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden (§ 5.1.6 Bkl);
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën (§ 5.1.7 Bkl);
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (§ 5.1.8 Bkl).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

Toetsing

In hoofdstuk 4 van voorliggende motivering worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze instructieregels in hoofdstuk 4 bij het betreffende aspect behandeld. Hieruit volgt dat voldaan wordt aan de instructieregels opgenomen in het Bkl.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Op grond van artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame nieuwe stedelijke ontwikkeling betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het plan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging of afwijking van de regels van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Zo is bij woningbouw vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling, die ladderplichtig is. Voorts is een ontwikkeling waarbij sprake is van een ruimtebeslag en/of vloeroppervlak van meer dan 500 m2 in beginsel sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

Toetsing

Onderhavige ontwikkeling ziet op het omvormen van de bedrijfswoning tot een reguliere burgerwoning. Er is geen sprake van een ontwikkeling met een oppervlak van meer dan 500 m2. Van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling is dan ook geen sprake, waardoor verdere toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking niet aan de orde is.

3.1.4 Conclusie Rijksbeleid

Gelet op vorenstaande is onderhavig planvoornemen niet in strijd met het beleid en de regelgeving op Rijksniveau.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI)

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De POVI is een zelfbindend document en bindt daarmee enkel de provincie Limburg. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Limburg wilt bereiken.

In algemene zin is de Omgevingsvisie een strategische en lange termijn visie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. In de visie worden onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed omschreven. Daarnaast worden tevens de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving - indachtig de Omgevingswet - in de Omgevingsvisie meegenomen.

Daar waar de provincie van mening is dat het noodzakelijk is om bindende regels te stellen voor de uitwerking van onderdelen van het beleid in de POVI, gebeurt dit in de omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening Limburg (Ovl) staan de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.

De Omgevingsverordening Limburg bevat twee soorten regels:

  • Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven.
  • Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen.

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar maatwerk en dient er rekening gehouden te worden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Indien er een afweging wordt gemaakt wordt dat gedaan op basis van de volgende principes:

  • Streven naar inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • Kenmerken en identiteit van geen gebied staat centraal;
  • Meer stad, meer land;
  • Zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden.

Op basis van de POVI wordt onderscheid gemaakt tussen thematische visies en gebiedsgerichte visies hetgeen is onderverdeeld in 'zoneringen'. De uitwerking in de thema's zijn verankerd in de Omgevingsverordening waar in navolgende paragraaf nader op wordt ingegaan.

3.2.2 Omgevingsverordening (instructieregels provincie)

Zoals aangegeven in paragraaf 3.2.1 kan de provincie middels de omgevingsverordening regels stellen met betrekking tot de uitoefening van taken of bevoegdheden aan gemeenten (instructieregels). Bij de Omgevingsverordening Limburg (OvL) behoren een aantal thematische kaarten. Deze kaarten zijn digitaal raadpleegbaar, waarbij op perceelniveau kan worden beoordeeld welke provinciale regels uit de OvL van toepassing zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0015.png"

Gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ter plaatse van het plangebied.

Bij onderhavig planvoornemen zijn de volgende provinciale regels van toepassing:

  • Instructieregels bedrijventerreinen / wonen

Onderhavig planvoornemen heeft geen betrekking op het toevoegen van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen. De instructieregels bedrijventerrein zijn derhalve niet van toepassing.

Het voornemen heeft betrekking op het omvormen van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere woning. Er wordt geen nieuwe woning gerealiseerd. De instuctieregels voor 'Wonen' zijn derhalve ook niet van toepassing.

  • Grondwater

In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Limburg zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot grondwater.

Het plangebied ligt binnen het freatisch grondwaterbeschermingsgebied (Roosteren) en in de boringsvrijezone Roerdalslenk II. In afdeling 4.2 van de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen ten behoeve van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater (vanwege de waterwinning) en het beschermen van de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater. Op grond van de instructieregels zijn binnen de zone 'Roerdalslenk II' boringen tot de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei toegestaan, en dient een melding te worden verricht indien een boring dieper dan 30 meter beneden maaiveld plaatsvindt.

Bij voorliggend planvoornemen is geen sprake van aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en er worden geen boringen verricht. Er is derhalve geen sprake is van strijdigheden met de instructieregels voor grondwaterbeschermingsgebieden en de 'Roerdalslenk II'.

  • Omgevingswaarden wateroverlast

Volgens de gebiedsaanwijzingen Omgevingsverordening Limburg ligt het plangebied in een overstromingskansgebied E. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht geldt voor overstromingskansgebied E een gemiddelde overstromingskans van 1:100 per jaar als omgevingswaarde.

De omgevingswaarden bedoeld in het OvL zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. Onderhavig planvoornemen levert geen strijdigheid op met onderhavige provinciale (instructie)regels.

3.2.3 Conclusie provinciaal beleid

Onderhavig planvoornemen levert geen strijd op met de Provinciale Omgevingsvisie en instructieregels. Het planvoornemen is passend binnen de doelstellingen en beleid van de Provincie en er bestaan geen onoverkomelijke belemmeringen met betrekking tot voorliggend planvoornemen.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg

In de structuurvisie Wonen wordt de koers van de regio Midden-Limburg voor de periode tot en met 2025 uiteengezet. Om in te spelen op de ontwikkelingen zet de regio in algemene zin op:

  • meer nadruk op de realisatie van huurwoningen en betaalbare koopwoningen voor kleinere huishoudens en/of specifieke doelgroepen;
  • meer aandacht voor transformatie van bestaand vastgoed naar wonen, voor behoud van de leefbaarheid;
  • meer sturing op toekomst bestendigheid van de woningvoorraad (zowel energetisch als levensloopbestendig).

Onderhavig plan past binnen de structuurvisie, omdat een (bedrijfs)woning wordt getransformeerd naar reguliere woning. Het draagt bij aan behoud van de leefbaarheid in de direct omgeving.

3.3.2 Conclusie regionaal beleid

Onderhavig plan sluit aan bij het beleid van de regio. Omdat sprake is van hergebruik van een bestaande (bedrijfs) woning wordt bestaand vastgoed opgewaardeerd en speelt de planontwikkeling in op de demografische ontwikkeling in de regio.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Echt-Susteren 2012 - 2025

Op 12 december 2012 heeft de gemeenteraad van Echt-Susteren de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025' vastgesteld. Deze visie geeft koers en richting aan de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Echt-Susteren. De structuurvisie gaat ook in op de wijze waarop de gemeente van plan is die voorgenomen ontwikkeling te verwezenlijken.

De gemeente wil het oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen tegengaan. Dit betekent dat er geen ruimte is voor het realiseren van (nieuwe) zelfstandige kantoren, bedrijfswoningen en detailhandel. Dit past beter in het reguliere stedelijke gebied.

Het herbestemmen van een bedrijfswoning gelegen op een bedrijventerrein tot een reguliere woning past in beginsel niet binnen het gemeentelijk beleid. In de meeste gevallen wordt hieraan geen medewerking verleend. Er moet immers ook vestigingsruimte blijven voor bedrijven. Onderhavige bedrijfswoning ligt echter aan de rand van het bedrijventerrein, tegen de rand van de bestaande woonomgeving/het stedelijk gebied aan. Door deze ligging is er slechts aan één kant van de woning sprake van bedrijvigheid. Hierdoor kan, met het nemen van geluidmaatregelen (geluidwerende muur, niet geluidgevoelige gevels, etc.) een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning en bijbehorende tuin worden gegarandeerd, zonder dat omliggende bedrijven worden beperkt in hun mogelijkheiden. Het omvormen van onderhavige bedrijfswoning naar een reguliere woning is dan ook een logische invulling. Hiertoe dient de bestemming/functie 'Bedrijventerrein- Wolfskoul' ter plaatse van het plangebied gewijzigd te worden naar de functie 'Wonen - Stedelijk'. De gronden die in de nieuwe situatie voor de reguliere woonfunctie zullen worden gebruikt (woonhuis met bijbehorende tuingronden) vormen het plangebied van voorliggend TAM-omgevingsplan waaraan de functie 'Wonen - Stedelijk' wordt toegekend. Een en ander zal worden gerealiseerd binnen de regels van het TAM-omgevingsplan.

3.4.2 Conclusie gemeentelijk beleid

Gelet op het vorenstaande uiteenzetting van het gemeentelijke beleid wordt geconcludeerd dat, gelet op de ligging van het plangebied, onderhavige planontwikkeling ondanks de strijdigheid met het gemeentelijk beleid middels voorliggend TAM-omgvingsplan mogelijk wordt gemaakt.

Hoofdstuk 4 Aspecten van de fysieke leefomgeving

Bij de realisering van onderhavig planvoornemen moet rekening worden gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op de onderzochte omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt elk aspect in een paragraaf beschreven en onderbouwd.

4.1 Bodemkwaliteit

4.1.1 Algemeen

Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten.

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel bezien dient te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

4.1.2 Beoordeling

Bij onderhavige planontwikkeling is ter plaatse van het plangebied sprake van een planologische functiewijziging van de functie 'Bedrijventerrein-Wolfskoul' naar de functie 'Wonen - Stedelijk' ten behoeven van het omvormen van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning met tuin en bijbehorende bouwwerken. In verband hiermee en vanwege de aanwezigheid van een voormalige vloeistofdichte tankplaats binnen het plangebied is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Door Aelmans Milieu is in januari/februari 2025 een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd. De rapportage hiervan is bijgevoegd als bijlage 2.

Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan:

Stol met asfalt

Uit de bevindingen en de resultaten van het onderzoek blijkt, dat de stollaag (fundatielaag) onder het asfalt veelal als diffuus c.q. sterk verontreinigd is met PAK en plaatselijk zelfs met minerale olie. Voornoemde verontreinigingen zijn ons inziens toe te schrijven aan de bijmengingen met asfaltresten.

Daar voornoemde verontreinigingen zich bevindingen in een bodemlaag gelegen onder een aaneengesloten verhardingslaag (asfalt) vormen deze "sterke" verontreinigingen geen directe belemmeringen voor de beoogde wijzigingsprocedure, zolang de asfaltverharding intact blijft.

Indien echter binnen dit gebied graafwerkzaamheden c.q. een herinrichting van de locatie gaat plaatsvinden dient men aanvullend werkzaamheden uit te voeren en zal voornoemde bodemlaag worden gesaneerd.

Voor wat betreft de overige aangetroffen "lichte" overschrijdingen vormen deze geen directe belemmeringen voor de beoogde wijzigingen en een beoogd gebruik als zijnde woondoeleinden.

Grond en grondwater

De hypothese "diffuus-verdacht met verdachte deellocaties" wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd.

Asbest

Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuigelijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek kan de hypothese "onverdacht" met betrekking tot asbest wordt niet bevestigd.

Uit de resultaten van het onderzocht asbestmonster blijkt, dat alhier een lichte overschrijdingen wordt aangetroffen (17 mg/kg ds). Daar deze concentraties ruim onder de normwaarde van 50 mg/kg ds ligt is er geen aanleiding om een aanvullend asbestonderzoek uit te voeren.

Dit bodemonderzoek is gebaseerd op een steekproefregime. Eventueel aanwezige andere dan voornoemde bronnen van verontreiniging kunnen derhalve niet worden uitgesloten.

Gevolgen bodemonderzoek m.b.t. het planvoornemen

Als gevolg van het planvoornemen vinden er ter plaatse van de onderzochte locatie graafwerkzaamheden plaats. Er dient ter plaatse van de onderzochte locatie dus bodemsanering plaats te vinden van de bovenlaag. De bodemsanering zal worden uitgevoerd conform BRAL SIKB 7000 en protocol 7005. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform CROW 400 'werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water' en worden begeleid door een deskundig leidinggevende projecten (DLP). Conform BRL 6000 zal bij de uitvoering van de sanering een milieukundige begeleider aanwezig zijn.

Voorafgaand aan de sanering zullen de noodzakelijke melding DSO, het MKB-plan (incl. tekenwerk) en het veiligheidsplan (V&G-uitvoeringsfase) geregeld worden, zodat de sanering conform de voorschriften/regels uitgevoerd kan worden. Gelet op de oppervlakte van de bodemsanering, ca. 260 m2, is een archeologisch onderzoek niet nodig. Zie ook paragraaf 4.7.1 in deze motivering.

De bodemsanering dient uitgevoerd te worden voordat de woning voor regulier wonen in gebruik wordt genomen. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen en vastgelegd in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan, artikel 6.6.3.

4.1.3 Conclusie

Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan, mits de bodemsanering wordt uitgevoerd conform de voorschriften/regels en zoals is vastgelegd in artikel 6.6.3 van onderhavig TAM-omgevingsplan.

4.2 Geluid

4.2.1 Algemeen

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De aanvaardbaarheid van de geluidbelasting betreft in de Omgevingswet een afweging die de gemeente zelf moet maken. Gemeenten dienen dus voor elke locatie in de gemeente gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels op te nemen in het omgevingsplan.

Landelijk gezien bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geluidregels voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden de regels via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl.

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). De bruidsschat en voorliggend wijzigingsbesluit vormen (na vaststelling) samen de regels van het Omgevingsplan. Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.

Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl) van een weg, spoorweg of industrieterrein.

4.2.2 Beoordeling

Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze motivering. Onderstaand wordt kort ingegaan op het onderzoek en de conclusies van dit onderzoek.

Onderhavig onderzoek brengt de in de omgeving optredende geluidniveaus ten gevolge van de omliggende bedrijven in de toekomstige situatie in kaart, waarbij rekening gehouden wordt met de representatieve maximale planologische geluidruimte, en toetst deze aan de geldende geluidnormen.

Naast het bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dient ook nader gekeken te worden of het huidige bedrijf, dat afgesplitst wordt van de bedrijfswoning, niet in zijn geluidruimte beperkt zal worden. Hiervoor wordt gekeken naar de geldende normen uit het Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren.

Het beschermingsniveau van de woning voor omliggende bedrijven wijzigt niet. Het is namelijk al een geluidgevoelig gebouw op een bedrijventerrein en dit blijft het in de nieuwe situatie ook. Voor deze bedrijven maakt het qua geluidruimte dus niet uit of dit een bedrijfswoning is (voor een ander bedrijf) of een burgerwoning. Beide worden getoetst als zijnde een geluidgevoelig gebouw (van derden), waarmee dezelfde normen van toepassing zijn.

Uit de resultaten van de berekeningen, die in het kader van het akoestisch onderzoek rond het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, gelegen aan Handelsweg 3 te Susteren zijn uitgevoerd, kunnen de onderstaande conclusies worden getrokken:

Ruimtelijke procedure

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0016.png"

Geluidruimte bedrijfslocaties

De geluidbelasting die maximaal ontstaat op de woning bij een representatieve maximale invulling van de planologische ruimte bedraagt 54 dB(A) etmaalwaarde voor het bedrijf gelegen op kavel 3523. Voor de overige bedrijven geldt dat de geluidruimte niet zal veranderen ten opzichte van de bestaande situatie. Daarmee wordt voor het bedrijf gelegen op kavel 3523 voldaan aan de normen zoals gesteld in Artikel 22.63 lid 2 van het Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren (zie eveneens tabel 3 in bijgevoegde rapportage van onderzoek) en is er dus geen sprake van beperking van de geluidruimte.

Met betrekking tot de conclusies uit dit akoestisch onderzoek wordt vermeld dat er wel een aantal maatregelen nodig zijn om enerzijds een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen te garanderen en anderzijds om te voorkomen dat omliggende bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

Het gaat hierbij om de volgende maatregelen:

  • 1. de realisering van een geluidscherm/afscheidingsmuur met een hoogte van 3 meter;
  • 2. de garage van de woning aanwijzen als een niet geluidgevoelige ruimte;
  • 3. de achtergevel van de woning op 5 meter (bovenverdieping) aanwijzen als een niet-geluigevoelige gevel, dus met een niet te openen raam en een geluidwerend ventilatierooster;
  • 4. de linnenkamer op de verdieping aanwijzen als een niet-geluidgevoelige ruimte;
  • 5. de zijgevel van de woning, ter plaatse van de badkamer, aanwijzen als een niet-geluidgevoelige gevel.

Deze maatregelen zijn in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan vastgelegd in artikel 6.6.3 'Voorwaardelijke verplichting' en waar in dit artikel vermeld, ook op de plankaart.

Eindconclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien van de in dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. De onderzochte situatie wordt aanvaardbaar geacht.

4.2.3 Conclusie

Vanuit het aspect geluid is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven worden niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Activiteiten en milieuzonering

4.3.1 Algemeen

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan.

In onderhavige situatie heeft de gemeente Echt-Susteren een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd.

Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling. Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

4.3.2 Beoordeling

De woning zelf vormt geen milieubelastende activiteit. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een menging van verschillende functies. Het plangebied grenst aan de zuid-zuidwestzijde aan woonbestemmingen. Aan de noord-, oost en zuidoostzijde van het plangebied is het bedrijventerrein Wolfskoul gelegen.

Vanuit de ligging ten opzichte van de woonfuncties bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Op het bedrijventerrein zijn op grond van het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan bedrijven toegestaan variërend van milieucategorie 2 tot en met 3.2. De bijbehorende richtafstanden tot milieugevoelige functies als woningen, zoals opgenomen in het betreffende bestemmingsplan, variëren van 30 meter voor milieucategorie 2 tot 100 meter voor milieucategorie 3.2.

Het bedrijventerrein is destijds gezoneerd vanuit de reeds bestaande woningen ten zuiden van het bedrijventerrein. Direct grenzend aan het plangebied zijn uitsluitend bedrijven van milieucategorie 2 toegestaan. Binnen een afstand van ca. 9 meter tot 58 meter zijn uitsluitend bedrijven van milieucategorie 3.1 toegestaan en buiten de ca. 58 meter vanaf de bestaande woningen zijn bedrijven van milieucategorie 3.2 toegestaan.

Verder is van belang dat enkel het gebruik van de bedrijfswoning wordt gewijzigd naar een burgerwoning. Dit betekent dat omliggende bedrijven met betrekking tot de aspecten geur, stof en gevaar ook al in de bestaande situatie rekening moeten houden met de aanwezigheid van bestaande bedrijfswoningen. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. De rechten van de ter plaatse gevestigde bedrijven worden door onderhavig planvoornemen niet beperkt. Voor de woning kan gelet op de ligging ten opzichte van het bedrijventerrein en bovenstaande uiteenzetting, ervan uitgegaan worden dat de milieubelastende activiteiten op het bedrijventerrein geen onaanvaardbare effecten tot gevolg hebben.

Met betrekking tot het aspect geluid wordt verwezen naar paragraaf 4.2 waarin is toegelicht dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.3.3 Conclusie

Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er op basis van de bovengenoemde uitgangspunten sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Algemeen

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.
4.4.2 Beoordeling

In artikel 5.54 'standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit' is voor woningen aangegeven dat ontwikkelingen met ten hoogte 1.500 woningen en met één ontsluitingsweg, niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. In het voorliggende geval is sprake van het omvormen van één bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Er is voor onderhavig planvoornemen derhalve sprake van NIBM.

4.4.3 Conclusie

Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5 Omgevingsveiligheid

4.5.1 Wettelijk kader

Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan.

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl. In het algemeen wordt onderscheidt gemaakt tussen:

  • 1. risicovolle activiteiten (Besluit activiteit leefomgeving).
  • 2. aandachtsgebieden (Besluit kwaliteit leefomgeving).

In het Bkl worden activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten:

  • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven;
  • het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • buisleidingen met gevaarlijke stoffen (indien opgenomen in het bal);
  • windturbines (indien opgenomen in het Bal);

Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd.

Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is voor de volledigheid de aanvaardbaarheid beoordeeld (er wordt immers geen woning toegevoegd met onderhavig plan). De resultaten daarvan worden hierna beschreven.

4.5.2 Risicobronnen/risicovolle activiteiten

Voor het in beeld brengen van mogelijke veiligheidsrisico's is het Register Externe Veiligheid (REV) online geraadpleegd. Aan de hand van de daaruit te raadplegen kaarten 'Veilige omgeving' in de 'Atlas leefomgeving' blijkt dat de woning binnen het plangebied nog net is gelegen in een gifwolkaandachtsgebied van het spoortraject Roermond - Sittard. Verder zijn in binnen een afstand van ca. 880 meter geen andere aandachtsgebieden en/of veiligheidszones/-contouren van risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0017.png"

Uitsnede Atlas Leefomgeving - Register Externe Veiligheid, 2024, met aanduiding plangebied afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0018.png" .

Een gifwolkaandachtsgebied (GAG) is begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aangegeven periode.

Een gifwolkaandachtsgebied wordt voorlopig begrensd op een afstand van 300 m vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit. Aangewezen omgevingsdiensten dienen middels een berekening aan te tonen wat de werkelijke grens van het gifwolkaandachtsgebied is.

Binnen het aandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans dat 10 personen of meer per jaar overlijden als rechtstreeks gevolg van een incident binnen een aandachtsgebied. Gewaarborgd dient te worden dat maatregelen getroffen zijn ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die personen aanwezig zijn beperkt is.

4.5.3 Beoordeling

Uit de bovengenoemde inventarisatie blijkt het plangebied alleen binnen een gifwolkaandachtsgebied ligt. Er dient nagegaan te worden of er een verhoogd groepsrisico is, de zogenaamde “groepsrisicoverantwoording”. Onderhavig planvoornemen ziet op het omvormen van een bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Er wordt geen woning toegevoegd en het aantal personen neemt niet toe. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd groepsrisico.

4.5.4 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. Vanuit het kader van omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6 Gezondheid

4.6.1 Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem.

4.6.2 Beoordeling

De genoemde aspecten zijn in de diverse voorgaande paragrafen nader gemotiveerd. Volledigheidshalve wordt hier dan ook verwezen naar de betreffende paragrafen. Uit de nadere motivering blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als gevolg van onderhavig initiatief geen sprake van een onevenredige verslechtering van de fysieke leefomgeving.

4.6.3 Conclusie

Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.

4.7.1 Archeologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

Voor het plangebied geldt de functie 'Waarde - Archeologie 3'. De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; dan wel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

Voor de gronden met de functie 'Waarde - Archeologie 3' geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld.

Het planvoornemen heeft betrekking op het omvormen van een bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning waarbij de oppervlakte t.b.v. de functie 'Wonen - Stedelijk' met bouwvlak zodanig worden vastgelegd dat daarin bijbehorende bouwwerken gerealiseerd kunnen worden. De oppervlakte van bodemverstoring als gevolg van de te realiseren bijbehorende bouwwerken en de bodemsanering blijft ver onder de 500 m2. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet nodig.

4.7.2 Cultuurhistorie

Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn op basis van de Erfgoedkaart Limburg geen elementen, panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde, waarop onderhavig planvoornemen een negatieve invloed zou kunnen uitoefenen. Op de cultuurhistorische waardenkaart is wel te zien dat er ter plaatse van de woning en langs de Handelsweg over het bedrijventerrein een pad van voor 1842 heeft gelopen, maar dat door het bedrijventerrein dus geheel verdwenen is. Het plangebied heeft derhalve dan ook geen aanduiding voor aanwezigheid van cultuurhistorische waarden.

4.7.3 Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie bestaan er geen bezwaren voor het beoogde planvoornemen.

4.8 Natuur

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen dier- en plantensoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

4.8.1 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: ‘Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • er soorten aanwezig zijn en
  • indien aanwezig, welke soorten dat zijn.

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Onderhavig plangebied is grotendeels verhard, zie onderstaande afbeelding. Daar waar groen aanwezig is (strook tuin langs de weg) vinden geen activiteiten plaats die tot mogelijke verstoring van mogelijk aanwezige beschermde soorten zal leiden. Door de aanwezigheid van overwegend verhard oppervlak binnen het plangebied, maar ook het intensieve gebruik van de locatie, kan de aanwezigheid van beschermde soorten uitgesloten worden. Een ecologisch onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten is derhalve niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijden de zorgplicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1711.TAMHandelsweg3-VG01_0019.png"

Plangebied met overwegend verhard oppervlak (beton- en asfaltverharding.

4.8.2 Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het niet voor verzuringgevoelig gebied 'Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop'. Dit Natura 2000-gebied ligt op ca. 3.800 meter ten noordoosten van onderhavig plangebied. Naar het westen toe ligt op ruim 4.000 meter het Natura 2000-gebied 'Grensmaas' dat eveneens niet voor verzuring gevoelig is. Iets verder naar het westen ligt op ca. 4.100 meter het Belgische gebied 'Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek'.

Gelet op deze grote afstanden en het planvoornemen dat in de gebruiksfase niet leidt tot een toename van voertuigbewegingen en/of andere bronnen met NOx-emissie en waar bij de verbouwactiviteiten in en aan de woning, alsook bij de grondwerkzaamheden en de realisatie van bijbehorende bouwwerken slechts sprake is van geringe inzet van werktuigen en bouwverkeer op jaarbasis, kan met zekerheid gesteld worden dat deze activiteiten niet zullen leiden tot een depositietoename op de Nederlandse en Buitenlandse Natura 2000-gebieden. Een Aeriusberekening van de realisatiefase en de gebruiksfase als gevolg van het planvoornemen is derhalve niet nodig. Ook zijn er vanwege de grote afstanden tot de Natura 2000-gebieden geen verstorende effecten te verwachten door bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen.

Voor de uitgebreide motivering waarom geen Aeriusberekening en vergunning Natura 2000-activiteit noodzakelijk is en waarvan bovenstaand een samenvatting is, zie bijlage 5 van onderhavige motivering.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.

Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Onderhavig planvoornemen heeft dan ook geen gevolgen op het Natuurnetwerk Nederland.

4.8.3 Conclusie

Gelet op vorenstaande is vanuit het aspect Natuur geen sprake van een belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.9 Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

4.9.1 Verkeersstructuur

Het voornemen is gericht op het omvormen van een bestaande bedrijfswoning tot een reguliere burgerwoning met tuin en bijbehorende bouwwerken. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied zal in vergelijking met de huidige situatie hetzelfde blijven. Ter plekke van onderhavig locatie worden geen wijzigingen aangebracht aan de bestaande verkeersstructuur. Gelet op de bedrijventerreinfunctie van de directe omgeving, zijn de wegen daarnaast ingericht voor een optimale afwikkeling van het verkeer. Problemen in de doorstroming-, afwikkeling worden in dit kader niet verwacht.

4.9.2 Parkeren

Onderhavig plan dient te voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Gelet op het planvoornemen neemt de parkeerbehoefte niet toe en zijn er geen extra parkeerplaatsen noodzakelijk. Gelet op de reeds aanwezige parkeermogelijkheden ter plekke wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.

4.9.3 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.10 Water en watersystemen

4.10.1 Wettelijk kader

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke Rijksbelangen gelden aanvullende instructieregels:

  • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid kust (5.39 - 5.40 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 - 5.47 Bkl);
  • IJsselmeergebied (5.48 - 5.49 Bkl).

Het wettelijk kader rondom het aspect water en watersystemen is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen op de waterhuishouding die als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. In het kader van de watertoets dient derhalve advies te worden gevraagd bij de betrokken waterbeheerder.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water zoals:

  • Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027.
  • Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027.
  • Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027.
  • Provinciaal beleid.

Onderhavig planvoornemen voorziet primair in een functiewijziging. Dientengevolge is geen sprake van een waterschapsbelang en wordt verder ook niet ingegaan op bovenstaande beleidsstukken.

Gelet op de aanwezigheid van overwegend verhard oppervlak binnen het plangebied is er als gevolg van het planvoornemen netto geen sprake van uitbreiding van verhard oppervlak.

Ten aanzien van de afvoer van afval- en hemelwater van de bestaande verharde oppervlakten (daken en verhardingen) vinden geen veranderingen plaats ten opzichte van de bestaande situatie. De nieuwe bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd op de plaats waar nu verhard oppervlak aanwezig is. Het hemelwater van deze bijbehorende bouwwerken wordt via een hemelwaterriolering afgevoerd en aangesloten op de bestaande infiltratievoorziening Bleux.

Het huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Echt-Susteren. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van huishudelijk afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.

4.10.2 Conclusie

Het aspect water en watersystemen vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.11 Duurzaamheid, klimaatadaptatie

4.11.1 Inleiding

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer zijn gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoetkomt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien, in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

4.11.2 Duurzaamheid

Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen.

Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

  • Verbeteren energieprestatie: Zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van bijna energie neutrale gebouwen (BENG) opgenomen.
  • Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen.
  • Natuurinclusief bouwen.


Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig).

Onderhavig initiatief heeft betrekking op het omvormen van de bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning met bijbehorende bouwweken en tuin. De woning wordt hierbij intern verbouwd waarbij gebruik wordt gemaakt van duurzame materialen en rekening wordt gehouden met de recyclebaarheid van de materialen. Dit geldt ook voor de nieuw te realiseren bijbehorende bouwwerken. In het kader van de verduurzaming van de woning wordt bij de interne verbouwing van de woning waar mogelijk en nodig de bestaande isolatie verbeterd / vervangen door hoogwaardiger isolatiemateriaal en waar nodig zal nog isolatie worden aangebracht. In het kader van duurzaamheid is de woning inmiddels ook al voorzien van zonnepanelen en zal deze ook nog worden voorzien / is deze inmiddels voorzien van een warmtepomp t.b.v. verwarming en warm tapwater.

4.11.3 Klimaatadaptatie

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien worden in de toekomst (integraal) opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze doelstellingen wordt daarna weer uitgewerkt in programma's.

In de omgevingsverordening Limburg (Artikel 3.5, lid 1) wordt ten aanzien van klimaatadaptatie voorgeschreven dat de motivering bij een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering. De beschrijving bevat de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

Onderhavige ontwikkeling ziet op het omvormen van de bestaande bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning met bijbehorende bouwwerken en tuin. Er wordt geen nieuwe woning en dus ook geen nieuwe woonfunctie toegevoegd. Voorliggend project voorziet derhalve ook niet in het mogelijk maken van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling daar op onderhavige locatie reeds een woning is toegestaan. De voorliggende afwijkingen van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan betreffen geen activiteiten op grond waarvan Artikel 3.5 (OvL) van toepassing is. Verdere toetsing aan het aspect klimaatadaptie is gelet op het vorenstaande niet van toepassing.

4.11.4 Conclusie

Gelet op vorenstaande wordt in het kader van duurzaamheid en klimaatadaptatie voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

Het voorliggende TAM-omgevingsplan bestaat uit de plankaart, regels en onderhavige motivering. De plankaart en regels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

5.1 Plankaart

Op de plankaart heeft de grond binnen het plangebied een functie gekregen. Binnen een functie kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. De juridische betekenis hiervan is beschreven in de regels. Bepaalde gegevens hebben geen juridische betekenis. Deze zijn uitsluitend op de plankaart opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid, zoals kadastrale en topografische gegevens.

5.2 Regels

Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Roerdalen van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Echt - Susteren.

Voor onderhavig TAM-omgevingsplan is het 'Initieel omgevingsplan Echt – Susteren' als basis gebruikt.

De regels van het TAM-omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken, namelijk 'Algemene bepalingen' (hoofdstuk 1), 'Functies en activiteiten' (hoofdstuk 2), 'Algemene regels' (hoofdstuk 3) en 'Overgangsregels' (hoofdstuk 4). Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.

5.2.1 Algemene bepalingen (Hoofdstuk 1)

De algemene bepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-omgevingsplan. Deze algemene bepalingen omvatten de begripsbepalingen, het toepassingsbereik en de meet- en rekenbepalingen.

5.2.2 Functies en activiteiten (Hoofdstuk 2)

Wonen - Stedelijk

Bij voorliggend TAM-omgevingsplan is de functie 'Wonen - Stedelijk' vastgelegd. Binnen deze functie is 1 woning toegestaan en is vastgelegd dat ter plaatse een reguliere woning is toegestaan welke bewoond mag worden door burgers.

Waarde - Archeologie 3

Voor het plangebied geldt de functie 'Waarde - Archeologie 3'. De als zodanig aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, dan wel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Middels deze regeling zijn de archeologische belangen in voldoende mate geborgd.

5.2.3 Algemene regels (Hoofdstuk 3)

De algemene regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van het TAM-omgevingsplan. In dit hoofdstuk zijn algemene bouwregels opgenomen evenals een uiteenzetting van binnenplanse omgevingsplanactiviteiten waarmee kan worden afgeweken van deze algemene bouwregels. Verder zijn in dit hoofdstuk opgenomen de ter plaatse geldende aanduidingen (artikel 10), de algemene afwijkingsregels met betrekking tot op te richten bebouwing (artikel 11) en de overige regels (artikel 12). Tot slot is in artikel 13 van de regels 'Werking wettelijke regelingen' opgenomen dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit omgevingsplan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het Tam-omgevingsplan.

5.2.4 Overgangsregels (Hoofdstuk 4)

In hoofdstuk 4 van het TAM-omgevingsplan zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bouwwerken respectievelijk gebruik.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Participatie

Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.

Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.

Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

6.1.1 Omgevingsdialoog

Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. Welke mate van participatie dient te worden toegepast is afhankelijk van de zwaarte van het initiatief.

De gemeente Echt -Susteren heeft in hun 'Brief principemedewerking Handelsweg 3 Susteren' d.d. 25 september 2024 aangegeven dat initiatiefnemer een omgevingsdialoog dient te voeren met belanghebbenden (omwonenden en eigenaren van omliggende bedrijfspercelen).

In het kader van participatie is door initiatiefnemer een omgevingsdialoog gevoerd. Daarvoor heeft initiatiefnemer een formulier 'Omgevingsdialoog' opgesteld met daarin aangegeven de locatie, een omschrijving van het plan, ruimte voor naam plaats en adresgegevens en ruimte voor opmerkingen, zie bijlage 4. Vervolgens heeft inititatiefnemer de volgende adressen bezocht en aan de hand van de bouwtekeningen het planvoornemen aan de eigenaren/bewoners toegelicht:

  • Blok International, Handelsweg 3a;
  • Auto Poets Specialist, Handelsweg 1A;
  • LAS Pro Rent, Handelsweg 1b;
  • Bleux Selfstorage, Oude Rijksweg Noord 54;
  • Handelsweg 2;
  • Autoglasherstel Snijkers, Handelsweg 4

Alle belanghebbenden hebben het formulier ingevuld en ondertekend en aangegeven het een goed/mooi plan te vinden.

Onder de belanghebbenden is er dus draagvlak voor het plan. Gelet op de aard, omvang en locatie van het voornemen zijn de effecten op de directe omgeving marginaal. Voor de resultaten van de uitgevoerde omgevingsdialoog, zie bijlage 4.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

6.2.2 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers. Indien sprake is van een ontwikkeling op de eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaal-plichtige activiteiten. Dat zijn:

  • Aangewezen bouwactiviteiten;
  • Aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen.

Dit kostenverhaal kan privaatrechtelijk of publiekrechtelijk worden geregeld. Het privaatrechtelijk kostenverhaal heeft de voorkeur boven het publiekrechtelijk kostenverhaal. Bij privaatrechtelijk kostenverhaal sluiten de gemeente en de initiatiefnemer van de bouwactiviteit een overeenkomst. Deze overeenkomst wordt gesloten voor dat de gemeente besluit tot wijziging van de functie van de grond.

Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op een planologische functiewijziging van het plangebied naar 'Wonen - Stedelijk' t.b.v. reguliere wonen in de bestaande woning.

Ten behoeve van voorliggend planvoornemen wordt een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Echt-Susteren en initiatiefnemer afgesloten waarin het verhaal van kosten is verzekerd. Financiële consequenties ten gevolgen van onderhavig planvoornemen zullen uitsluitend door initiatiefnemer worden gedragen. Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemer, heeft onderhavig plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën.

6.2.3 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

  • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
  • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:

  • het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
  • een omgevingsvergunning,
  • een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
  • rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:

  • het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
  • het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
  • De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

Met betrekking tot onderhavig planvoornemen zal In het kader van nadeelcompensatie een nadeelcompensatieovereenkomst worden afgesloten tussen gemeente Echt-Susteren en de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 7 Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een Omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit.

  • 1. Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
  • 2. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen.
  • 3. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit.
  • 4. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.
  • 5. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het ontwerp van het TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22c Handelsweg 3 Susteren' heeft op grond van artikel 3.11 van de Algemene wet bestuursrecht vanaf 19 september 2025 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn vijf zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen hebben niet geleid tot (ambtshalve) wijzigingen in het TAM-omgevingsplan.

Het TAM-omgevingsplan 'Hoofdstuk 22c Handelsweg 3 Susteren' wordt conform artikel 3, sub a. van het Delegatiebesluit Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren 2022 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.