direct naar inhoud van Regels
Plan: Windpark Industrieterrein Moerdijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1709.WindparkMoerdijk-BP40

Regels

Deel uitmakende van het moederplan "industrieterrein Moerdijk 1993".

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Het bepaalde in het moederplan is onverminderd van toepassing behoudens de in deze herziening opgenomen regels.

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

de 8e herziening van het bestemmingsplan industrieterrein Moerdijk 1993 van de gemeente Moerdijk met bijbehorende regels en bijlagen, voor zover gelegen binnen het plangebied zoals bedoeld in lid 1.3.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

1.3 herziening:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het plan Windpark Industrieterrein Moerdijk met identificatienummer NL.IMRO.1709.WindparkMoerdijk-BP40 van de gemeente Moerdijk met bijbehorende regels en bijlagen.

1.4 moederplan:

het bestemmingsplan industrieterrein Moerdijk 1993 van de gemeente Moerdijk, vastgesteld door de gemeenteraad op d.d. 26 oktober 1993 met alle bijbehorende vastgestelde herzieningen.

1.5 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.7 aanduidingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak waarop een aanduiding betrekking heeft.

1.8 aansluitend afgewerkte maaiveld:

de gemiddelde hoogte van de gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, omringende grond: bij hellende terreinen: het hoogste punt van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, omringende grond.

1.9 afgraven en ophogen van de bodem:

het verrichten van handelingen, waardoor de hoogteligging van een terrein of de bodem van een water (al dan niet tijdelijk) wordt verlaagd. Hieronder wordt niet begrepen:

  • a. de werkzaamheden, die in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering worden verricht zoals (diep)ploegen en frezen;
  • b. het maken van ondiepe (circa 1 meter) en weder te dichten sleuven en gaten voor het leggen van buizen, drainagebuizen en kabels;
  • c. het reguliere onderhoud aan watergangen (baggerwerkzaamheden).
1.10 antenne-installatie:

een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

1.11 antennedrager:

een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.12 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.13 bebouwingsgrens:

de op de kaart, blijkens de daarop voorkomende verklaring, als zodanig aangegeven lijn, die door gebouwen niet mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze regels zijn toegestaan.

1.14 beperkt kwetsbaar object:

beperkt kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.15 beperkt zelfredzame personen:

groepen personen die door jeugdige leeftijd of een permanente beperking in geval van een calamiteit niet in staat zijn zonder hulp van buitenaf persoonlijk letsel te voorkomen door zichzelf in veiligheid te brengen (vluchten) en bescherming te zoeken (schuilen).

1.16 bestaand (in relatie tot bebouwing):

bebouwing aanwezig ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan.

1.17 bestaand (in relatie tot gebruik):

gebruik dat bestaat ten tijde van het in werking treden van het bestemmingsplan.

1.18 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.19 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.20 bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

1.21 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.22 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.23 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.24 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel.

1.25 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.26 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.27 duurzame beëindiging:

van duurzame beëindiging is sprake als het windpark zijn technische en economische levensduur heeft behaald.

1.28 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.29 kabel:

een kabel is een geheel van geleiders welke voorzien is van één ommanteling en bestemd is voor transport van energie of data.

1.30 kwetsbaar object:

kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 sub l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.31 maaiveld:

de gemiddelde hoogte van het terrein ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan.

1.32 nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van openbaar vervoer, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.33 opstelplaats:

een verharde plek ten behoeve van het bouwen van en het onderhoud aan een windturbine.

1.34 overig bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.35 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

1.36 peil:
  • voor gebouwen binnen een afstand van 5 meter van een weg: de hoogte van kruin van die weg;
  • in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
1.37 perceelsgrens:

een kadastrale grens van een bouwperceel.

1.38 plaatsgebonden risico:

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting.

1.39 plaatsgebonden risicocontour:
  • a. de risicocontour 10-5/jaar waar een bepaalde effectkans van één op een 100.000 is op een incident met één of meer dodelijke slachtoffers.
  • b. e risicocontour 10-6/jaar waar een bepaalde effectkans van één op een miljoen is op een incident met één of meer dodelijke slachtoffers.
1.40 risicovolle inrichting:
  • a. een inrichting bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
  • b. propaantanks met een waterinhoud tot 13 m³.
1.41 rotor:

het samenstelsel van drie rotorbladen (ook wel wieken genoemd) en hub (ook wel de neus genoemd) van een windturbine.

1.42 schakelkasten en transformatoren:

bouwwerken behorende bij een windturbine ten behoeve van het transporteren van opgewekte elektriciteit en het op spanning houden van de interne parkbekabeling van het windturbinepark als geheel.

1.43 toetsingskader defensieradar:

het Toetsingskader defensieradar van het Ministerie van Defensie waarmee wordt bepaald of de verstoring van het radarbeeld als gevolg van de oprichting van windturbines aanvaardbaar is of niet.

1.44 vloeroppervlakte:

de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond.

1.45 windmeetmast:

installatie om windsnelheden op ashoogte van een windturbine te meten.

1.46 windturbine:

een bouwwerk ter opwekking van energie door benutting van windkracht, met uitzondering van bemalingsinstallaties ten behoeve van de waterhuishouding.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 afstand tussen windturbines

de afstand tussen windturbines onderling wordt gemeten vanuit het hart van de mast van de windturbine.

2.2 ashoogte van een windturbine

vanaf peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

2.3 bouwhoogte van een bouwwerk, geen windturbine zijnde

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de van de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 rotordiameter van een windturbine

de diameter van de cirkel die de rotorbladen (wieken) van de windturbine beslaan.

2.8 tiphoogte van een windturbine

vanaf peil tot aan het bovenste verticaal staande rotorblad.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Het bepaalde in het moederplan is onverminderd van toepassing behoudens de in deze herziening opgenomen regels.

Artikel 3 Bedrijf - Windturbine

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf - Windturbine' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de opwekking van elektrische energie door middel van windturbines;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals nutsvoorzieningen, transformatoren, schakelkasten, onderhoudswegen, hekwerken, kabels- en leidingen, groen en water.
3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

3.2.1 Aantal windturbines
  • a. het aantal windturbines bedraagt maximaal 1 per bouwvlak.
3.2.2 Maatvoering windturbines
  • a. de minimale ashoogte van een windturbine bedraagt ten minste 90 m;
  • b. de maximale ashoogte van een windturbine bedraagt ten hoogste 130 m;
  • c. de rotordiameter van een windturbine bedraagt ten minste 90 m;
  • d. de rotordiameter van een windturbine bedraagt ten hoogste 132 m;
  • e. de tiphoogte van een windturbine bedraagt ten minste 135 m, waarbij het bepaalde in lid 3.2.5 in acht moet worden genomen;
  • f. de tiphoogte van een windturbine bedraagt ten hoogste 180 m, waarbij het bepaalde in lid 3.2.5 in acht moet worden genomen;
  • g. een windturbine heeft 3 rotorbladen;
  • h. de rotordiameter, de bouwhoogte en de vormgeving van de afzonderlijke windturbines dienen gelijk te zijn.
3.2.3 Onderlinge afstand tussen windturbines
  • a. de afstand tussen de windturbines onderling bedraagt minimaal drie keer de rotordiameter.
3.2.4 Overige bouwwerken
  • a. het aantal schakelkasten dan wel transformatoren bedraagt ten hoogste 1 per windturbine;
  • b. de oppervlakte van schakelkasten en transformatoren bedraagt ten hoogste 25 m2;
  • c. de bouwhoogte van schakelkasten en transformatoren bedraagt ten hoogste 3,5 m;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 m;.
3.2.5 Toetsingskader defensieradar

Op de gronden is het Toetsingskader defensieradar van het Ministerie van Defensie van toepassing, waarbij het volgende in acht genomen moet worden:

  • a. windturbines met een tiphoogte van meer dan 113 m boven NAP zijn vanwege de ligging binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Woensdrecht niet toegestaan;
  • b. uitsluitend indien de initiatiefnemer door middel van onderzoek aantoont, dat de verstoring van het radarbeeld aanvaardbaar is en na goedkeuring van het Ministerie van Defensie, is het bepaalde onder 'a' niet van toepassing.
  • c. windturbines waarvoor na toetsing, verzorgd door de initiatiefnemer, aan het Toetsingskader defensieradar geen positief advies is ontvangen van het Ministerie van Defensie zijn niet toegestaan.
3.2.6 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.2.5 voor het bouwen van windturbines met inachtneming van de volgende regels:

  • a. aangetoond is dat door dat type windturbine op basis van het Toetsingskader defensieradar geen onaanvaardbare radarverstoring plaatsvindt;
  • b. alvorens omgevingsvergunning te verlenen wint het bevoegd gezag positief advies over radarverstoring in bij het Ministerie van Defensie.
3.3 Specifieke gebruiksregels

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het toepassen van een windturbinetype waardoor de PR 10-6 contour buiten de veiligheidszone - windturbine - 2 komt te liggen.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. scheiding van bedrijventerrein en woongebieden;
  • b. ecologische en landschappelijke doeleinden;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. voet- en fietspaden;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - windmeetmast' tevens voor een windmeetmast.
4.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van gebouwen voor nutsvoorzieningen mag niet meer bedragen dan 20 m2;
  • b. de hoogte van de windmeetmast mag niet meer bedragen dan 130 m;
  • c. het fundatieoppervlak van de windmeetmast mag niet meer dan 100 m2 bedragen en dient geheel binnen het aanduidingsvlak te worden gerealiseerd.
4.3 Specifieke gebruiksregels

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan gebruik van gronden en opstallen voor:

  • a. het plaatsen en geplaatst houden van onderkomens;
  • b. parkeerterrein;
  • c. de uitoefening van enige tak van handel en bedrijf, zulks met uitzondering van een krachtens de bestemming toegelaten bedrijf.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Het bepaalde in het moederplan is onverminderd van toepassing behoudens de in deze herziening opgenomen regels.

Artikel 5 Algemene aanduidingsregels

5.1 overige zone - ecologische verbindingszone
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone' zijn de gronden mede bestemd voor verwezenlijking, het behoud, herstel, beheer of de duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en voor verwezenlijking, het behoud, herstel, beheer of de duurzame ontwikkeling van watersystemen.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone' is het in het kader van de verwezenlijking, het behoud, het beheer en herstel van ecologische waarden en watersystemen verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanleggen of verharden van wegen en paden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m2;
    • 2. het ophogen van gronden.
  • c. Het onder b. vervatte verbod geldt niet voor:
    • 1. werken of werkzaamheden die op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan in uitvoering waren;
    • 2. werken of werkzaamheden die het normale, op de bestemming gerichte, onderhoud en beheer betreffen.
  • d. De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zoals genomen in lid b kan slechts worden verleend, indien de belangen van het watersysteem zoals onder a. genoemd niet onevenredig worden geschaad.
5.2 overige zone - windturbine

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - windturbine' zijn de gronden mede bestemd voor:

  • a. het overdraaien van de rotor van een windturbine;
  • b. bij de windturbine behorende voorzieningen waaronder opstelplaatsen ten behoeve van de bouw en het onderhoud van windturbines, schakelkasten, transformatoren, kabels en leidingen op- en afritten en onderhoudswegen.
5.3 veiligheidszone - windturbine - 1
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine - 1' mogen, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemming(en), geen kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden gebouwd;
  • b. De maximale bouwhoogte van bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine - 1' mag in afwijking van hetgeen bepaald in hoofdstuk 2 niet meer bedragen dan 20 meter met uitzondering van de windturbines.
5.4 veiligheidszone - windturbine - 2

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine - 2' mogen, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemming(en), geen kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden gebouwd.

Artikel 6 Algemene wijzigingsregels

6.1 Veiligheidzones windturbines
  • a. Het bevoegd gezag kan de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine - 1' wijzigen, met dien verstande dat:
    • 1. deze niet wordt vergroot;
    • 2. deze na realisatie van de windturbine(s) wordt afgestemd op de PR 10-5 contour van de gerealiseerde windturbine(s);
    • 3. de belangen van de windturbines niet onevenredig worden geschaad. In dat kader wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de eigenaar van de windturbines
  • b. Het bevoegd gezag kan de aanduiding 'veiligheidszone - windturbine - 2' wijzigen, met dien verstande dat:
    • 1. deze niet wordt vergroot;
    • 2. deze na realisatie van de windturbine(s) wordt afgestemd op de PR 10-6 contour van de gerealiseerde windturbine(s);
    • 3. de belangen van de windturbines niet onevenredig worden geschaad. In dat kader wordt door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de eigenaar van de windturbines.
6.2 Wijzigingsbevoegdheid bestemming Bedrijf - Windturbine

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het vervangen van de bestemming 'Bedrijf - Windturbine' door de bestemming 'Groen' en het gelijktijdig laten vervallen van het bouwvlak en de volgende aanduidingen:

  • 'overige zone - windturbine';
  • 'veiligheidszone - windturbine - 1';
  • 'veiligheidszone - windturbine - 2';

indien de desbetreffende functie ter plaatse duurzaam beëindigd is.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 7 Overgangsrecht

7.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
7.2 Afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 7.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 7.1 met maximaal 10 %.

7.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 7.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

7.4 Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

7.5 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 7.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

7.6 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 7.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

7.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 7.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 8 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Windpark Industrieterrein Moerdijk'.