direct naar inhoud van 3.2 Milieuaspecten
Plan: Vollenhove, Noordwal west herziening 2010
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.VLHnwwest2010HZ01-VA01

3.2 Milieuaspecten

3.2.1 Hinder van bedrijvigheid

Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied komen geen bedrijven of andere bestemmingen voor die hinder op kunnen leveren voor de te realiseren woningen.

3.2.2 Verkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder kennen wegen een geluidszone. De bouw van geluidgevoelige objecten binnen deze geluidszone vereist akoestisch onderzoek om toekomstige bewoners voldoende tegen verkeerslawaai te beschermen. Op basis van artikel 74 kennen wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur geen geluidszone en zijn derhalve uitgezonderd van de onderzoeksplicht.

Het plangebied is gelegen buiten de geluidszones van de provinciale wegen rondom Vollenhove. De omliggende en interne wegen van het plan kennen een snelheidsregime van 30 km/uur. Er is vanuit de Wet geluidhinder derhalve geen verplichting tot akoestisch onderzoek. Op grond van de relatief lage verkeersintensiteiten op de omliggende en interne wegen en de daarmee te verwachten relatief lage geluidsbelastingen is er sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het plan.

Vanuit akoestisch perspectief (Wet geluidhinder) bestaat er geen bezwaar tegen vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.2.3 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:

  • a. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde die behoort bij hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, of
  • b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of
  • d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Ruimtelijk-economische besluiten die "niet in betekenende mate" bijdragen aan de concentraties in de buitenlucht van stoffen waarvoor bijlage 2 van de Wet milieubeheer een grenswaarde bevat, worden niet langer, zoals voorheen, individueel getoetst aan die grenswaarden. Als gevolg daarvan kunnen tal van kleinere projecten doorgang vinden, ook in situaties waar nog niet aan de grenswaarden wordt voldaan. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).

Bij besluitvorming is het dus van belang om te bepalen of een initiatief "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate" (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Het begrip "niet in betekenende mate" is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Vooralsnog geldt dat:

  • voor woningbouwlocaties met minder dan 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden;
  • voor infrastructuur dat bij minder dan 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie) ook geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden;
  • voor kantoorlocaties is dat bij minder dan 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, of 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Omdat in het voorliggende bestemmingsplan de bouw van maximaal 31 woningen mogelijk wordt gemaakt, kan gesteld worden dat deze ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Ten aanzien van het aspect 'luchtkwaliteit' bestaat dan ook geen bezwaar tegen vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.

3.2.4 Bodem

Voor het gehele plangebied "Noordwal West" is in de afgelopen jaren onderzocht of de bodem ter plekke milieukundig geschikt is voor de voorgenomen functies. In de toelichtingen van de vigerende bestemmingsplannen "Noordwal West" en "Noordwal West, fase 3b en 4" is reeds geconcludeerd dat de bodem geschikt is voor de realisatie van de woonwijk.

Aangezien zich binnen de voorliggende plangebieden sindsdien geen ontwikkelingen hebben voorgedaan die kunnen duiden op vervuiling van de bodem, kan worden geconcludeerd dat voorliggend bestemmingsplan vanuit het omgevingsaspect "bodem" vastgesteld kan worden door de gemeenteraad.