direct naar inhoud van Regels
Plan: Paasloo - Uitbreiding camping Krolsbergen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.PSLKrolsbergen-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan 'Paasloo - Uitbreiding camping Krolsbergen' met identificatienummer NL.IMRO.1708.PSLKrolsbergen-VA01 van de gemeente Steenwijkerland.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen) als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.PSLKrolsbergen-VA01 ;

1.3 aanbouw/uitbouw:

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt.

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 aan huis verbonden bedrijf:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.

1.7 aan huis verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.

1.8 achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw.

1.9 agrarisch:

het bedrijfsmatig telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.10 ambacht(elijk):

het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, ver-/bewerken, herstellen of installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, ver- of bewerkt, ondergeschikt aan de woonfunctie. Wanneer deze activiteit in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen plaatsvindt, dient de omvang van de activiteit zodanig te zijn dat de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.

1.11 archeologische deskundige:

de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie.

1.12 archeologisch monument:

terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd archeologisch monument.

1.13 archeologische verwachting:

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten.

1.14 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden.

1.15 architectonische waarde:

de aan een bouwwerk toegekende waarde in verband met de vormgeving, het materiaalgebruik en/of detaillering.

1.16 automatenhal/speelhal:

een gebouw of een gedeelte van een gebouw welk is bestemd en/of wordt gebruikt om het publiek gelegenheid te geven om spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen.

1.17 bebouwde kom in verband met archeologie:

voor het bepalen van de bebouwde kom als genoemd in artikel Waarde - Archeologie 1 en artikel Waarde - Archeologie 2 wordt aangesloten bij de bebouwde kom volgens de Wegenwet.

1.18 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.19 bebouwingspercentage:

een in de verbeelding of regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.20 bed & breakfast:

het aanbieden van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen bestaande gebouwen gericht op kortdurend verblijf, niet zijnde de uitoefening van een hotel, pension of ander bedrijf. Hieronder wordt niet verstaan het overnachten, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.

1.21 bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan huis verbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen.

1.22 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

1.23 bedrijfsmatig:

via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen.

1.24 bedrijfsvloeroppervlak:

het vloeroppervlak van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.

1.25 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, slechts bedoeld voor één huishouden waarvan de huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw en/of terrein.

1.26 beeldkwaliteit:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten.

1.27 begane grond:

het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte daarvan.

1.28 bestaand:

situatie ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.29 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.30 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.31 bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.32 bijgebouw:

een vrijstaand of aangebouwd gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.33 botenhuis:

een gebouw ten behoeve van het aanleggen, afmeren en de stalling van boten.

1.34 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.35 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.36 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback.

1.37 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.38 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel.

1.39 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.40 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.41 brug:

een vaste (of beweegbare) verbinding voor het verkeer tussen twee punten die door water gescheiden zijn.

1.42 buitenopslag/open opslag:

het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstalling ten verkoop, verhuur en dergelijke.

1.43 coffeeshop:

een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of gebruik elders.

1.44 consument verzorgend ambacht/consument verzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten:

het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het aan huis verbonden beroep, gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteit zodanig is dat als deze in een woning en daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.

1.45 cultuurgrond:

gronden die in cultuur zijn gebracht, waaronder grasland-, akkerbouw- en tuinbouwgrond alsmede grond ten behoeve van de rietteelt.

1.46 cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat ontstaan is door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.

1.47 cultuurlandschappelijke waarden:

waarden die ontstaan zijn door het gebruik van de gronden door de mens in de loop van de geschiedenis.

1.48 dagrecreatie:

het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats zonder overnachtingsmogelijkheden.

1.49 dak:

een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk.

1.50 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.51 dienstverlening:

bedrijf of instelling voor het bedrijfsmatig verrichten van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder in ieder geval zijn begrepen een kapperszaak, schoonheidsinstituut, fotostudio, uitzendbureau, stomerij, wasserette, apotheek, reisbureau en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf, een horecabedrijf, een centrum voor fysiotherapie, een fitnesscentrum, een seksinrichting en een coffeeshop.

1.52 eerste bouwlaag:

bouwlaag ter plaatse van de begane grond.

1.53 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.54 erfafscheiding:

afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst.

1.55 erker:

een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voor- of zijgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas.

1.56 evenement:

een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden.

1.57 facilitair gebouw:

gebouw ten behoeve van de verblijfsrecreatie dat niet gericht is op nachtverblijf maar wordt gebruikt voor de facilitaire voorzieningen van het verblijfsrecreatieterrein.

1.58 facilitaire voorzieningen:

voorzieningen die onderdeel uitmaken van de exploitatie van het verblijfsrecreatieterrein ter ondersteuning van de verblijfrecreatie, zoals sanitaire voorzieningen, inpandig zwembad, opslagruimte, stalling van vaartuigen, dierenverblijven, entree, receptie, welness, en kantoorruimte. Onder deze voorzieningen worden ook begrepen detailhandel en horeca van categorie 1, 2 en 3, voor zover deze detailhandel- en horecafuncties ondergeschikt en inherent zijn aan de verblijfsrecreatieve functie.

1.59 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.60 gevellijn:

de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart.

1.61 groepsaccommodatie:

een gebouw dat periodiek dient voor recreatief nachtverblijf, waarbij wordt overnacht in gemeenschappelijke slaapzalen en/of kamers.

1.62 hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.63 horeca:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies.

1.64 horeca van categorie 1:

een horecabedrijf dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt.

1.65 horeca van categorie 2:

een inrichting die is gericht op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen of kunnen worden genuttigd. Daaronder worden begrepen: cafetaria / snackbar, fastfood en broodjeszaak, lunchroom, ijssalon / ijswinkel, koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant.

1.66 horeca van categorie 3:

een inrichting die is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd, alsmede de gelegenheid biedt tot dansen. Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar.

1.67 horeca van categorie 4:

een inrichting die is gericht op het verstrekken van recreatief nachtverblijf met de daarbij behorende voorzieningen. Daaronder wordt begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers.

1.68 industrieel bedrijf:

een bedrijf, dat is gericht op het geheel of overwegend machinaal verkopen van grondstoffen en/of vervaardigen van producten (nijverheids- en productietechnische bedrijven).

1.69 jachthaven:

afmeergelegenheid en ligplaats ten behoeve van pleziervaartuigen, daaronder tevens begrepen recreatief nachtverblijf.

1.70 kampeermiddel:
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is. Eén en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
1.71 kampeerterrein:

terrein of plaats voor verblijfsrecreatie waarop gelegenheid wordt gegeven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

1.72 kantine:

een drink- en eetgelegenheid die zich bevindt bij bedrijven, scholen, sportvoorzieningen of andere instanties en die ondergeschikt is aan en uitsluitend ten dienste staat van de hoofdfunctie.

1.73 kantoor:

een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard.

1.74 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:

de in Bijlage 1 (Bedrijvenlijst ontleend aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.

1.75 kanovijver:

water dat is bedoeld voor recreatief gebruik waarin de gelegenheid worden geboden om zich met een spierkracht aangedreven vaartuig voort te bewegen.

1.76 landschappelijke waarde:

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

1.77 landschapselement:

landschapselementen vormen een verzamelbegrip voor bijna alle individuele (biotische) onderdelen met een oppervlakte of een volume, die het landschap mee opbouwen en er een inhoud en identiteit aan geven. Hun ontstaan of voortbestaan is haast altijd op de een of andere manier te danken aan menselijke activiteiten.

1.78 maaiveld:

bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging.

1.79 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

1.80 maatvoeringsvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge een maatvoeringssymbool in het betreffende vlak bepaalde afmetingen, percentages, oppervlakten, hellingshoeken en/of aantallen, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn toegelaten.

1.81 mantelzorg:

zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt gegeven aan een hulpbehoevende door één of meerdere leden van diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening direct voortvloeit uit de sociale relatie.

1.82 milieubelasting:

de beïnvloeding van de fysieke omgeving door het veroorzaken van lawaai, stank, hinder en/of door de uitworp van schadelijk (afval-)stoffen daarin.

1.83 milieucategorie:

een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de Bijlage 1 en/of Bijlage 2 bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten.

1.84 monumenten:

alle bouwwerken conform artikel 6 Monumentenwet, alsmede gemeentelijke monumenten.

1.85 natuurbeheer:

zorg voor onderhoud van het natuurlandschap.

1.86 natuurlijke waarde:

de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.87 nevenactiviteit:

een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een perceel.

1.88 nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

1.89 oever:

de langs een vaarweg aanwezige natuurlijke oever of aangebrachte oevervoorziening met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke verankering.

1.90 omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.91 onderbouw/kelder:

een gedeelte van een gebouw, dat is gelegen binnen de buitenwerkse gevelvlakken en wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven het peil is gelegen.

1.92 ondergeschikte functie:

een functie die qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie, maar indien dat in de bestemmingsomschrijving niet expliciet is aangegeven aan die functie niet ten dienste hoeft te staan c.q. daar niet functioneel mee verbonden hoeft te zijn.

1.93 openbare nutsvoorziening:

een gebouw of bouwwerk dat ten dienste staat van het openbaar energietransport dan wel de telecommunicatie, zoals een schakelkast, een elektriciteitshuisje en een verdeelstation.

1.94 opslag:

het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.

1.95 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde met een dak, dat niet of slechts aan één zijde is voorzien van een (bestaande) wand.

1.96 parkeervoorzieningen:

een al dan niet overdekte c.q. ondergrondse stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer:

  • a. openbare parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel openbaar toegankelijk zijn;
  • b. particuliere parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel niet openbaar toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld parkeerplaatsen op eigen terrein.
1.97 parkeren:

het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

1.98 plas-dras zone

een geleidelijke natuurlijke overgang tussen water en land.

1.99 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (NAP) of het ter plaatse geldende waterpeil.
1.100 permanente bewoning:

bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een gebouw, dan wel een gedeelte daarvan, als hoofdverblijf.

1.101 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.102 recreant:

persoon die op een kampeerterrein, recreatieterrein 1 of recreatieterrein 2 gebruik maakt van de mogelijkheid tot verblijfsrecreatie.

1.103 recreatie:

activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding.

1.104 recreatieterrein 1:

terrein of plaats voor verblijfsrecreatie waarop gelegenheid wordt gegeven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en/of recreatieverblijven type 1 ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

1.105 recreatieterrein 2:

terrein of plaats voor verblijfsrecreatie waarop gelegenheid wordt gegeven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en/of recreatieverblijven type 1 en type 2 ten behoeve van recreatief nachtverblijf.

1.106 recreatief nachtverblijf (type 1):

een stacaravan, chalet, trekkershut of ander recreatief verblijf met maximaal 1 bouwlaag op een terrein, die naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken en uitsluitend is bestemd voor recreatief nachtverblijf.

1.107 recreatief nachtverblijf (type 2):

een permanent ter plaatse aanwezig gebouw met maximaal 2 bouwlagen, geen woonkeet en geen caravan of een ander bouwsel op wielen zijnde, en uitsluitend is bestemd voor recreatief nachtverblijf.

1.108 recreatief medegebruik:

het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten.

1.109 recreatief nachtverblijf:

verblijf door recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.

1.110 recreatieve bewoning:

de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie waarbij elders hoofdverblijf wordt gehouden.

1.111 relatie

een verbindingslijn in de verbeelding van het plan die één of meerdere bij elkaar behorende bestemmingen met elkaar verbindt, waardoor er sprake is van één bedrijf, één woning, één voorziening, etc..

1.112 ruimtelijke kwaliteit:

de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte.

1.113 seksinrichting:

de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.114 staat van bedrijfsactiviteiten:

de lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering, zoals die lijst is opgenomen in de Bijlage 1 en/of Bijlage 2 behorende bij deze regels.

1.115 stedenbouwkundig beeld:

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte.

1.116 straatmeubilair:

de op of bij de weg behorende bouwwerken, zoals verkeersgeleiders, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, parkeermeters, stadsplattegronden, oplaadpunten voor elektrische auto's, zitbanken, bloem- en plantenbakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, kunstobjecten, draagconstructies voor reclame alsmede telefooncellen, abri's en andere, hiermee gelijk te stellen bouwwerken.

1.117 terras:

een plek van een horecagelegenheid waar men buiten kan zitten.

1.118 vaartuig:

alle soorten van varende en drijvende voorwerpen welke gebezigd kunnen worden e/of ingericht zijn voor vervoer te water van personen en /of goederen waaronder mede vaartuigen dienende tot beoefening van de watersport of in gebruik ten behoeve van de sportvisserij, evenals vaartuigen dienende tot uitvoering van werkzaamheden onder in of boven water zoals baggermolens, zandbakken,vlotten en drijvende inrichtingen, elevators, dokken, sleepboten, duwboten en daarmee gelijk te stellen vaartuigen alsmede woonschepen.

1.119 verbeelding:

de weergave van de inhoud van een bestemmingsplan conform het gestelde in de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening 2008. Onder het begrip 'verbeelding' wordt zowel de analoge wijze als de digitale wijze verstaan.

1.120 verblijfsrecreatie:

het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats waarbij recreatief nachtverblijf centraal staat.

1.121 verblijfsrecreatieve eenheid:

een kampeermiddel of een recreatief nachtverblijf type 1.

1.122 verdieping:

een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag, welke is gelegen ter plaatse van de begane grond.

1.123 verkeersveiligheid:

de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers.

1.124 verkoopvloeroppervlakte:

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel, niet zijnde de netto-vloeroppervlakte.

1.125 voorgevel:

gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water en die in ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt.

1.126 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.

1.127 weg:

een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen.

1.128 wellness:

activiteiten gericht op het lichamelijk welzijn van de mens in de breedste zin van het woord.

1.129 woning:

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.130 woningsplitsing:

het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen.

1.131 zwemvijver:

water dat is bedoeld voor recreatief gebruik waarin de gelegenheid wordt geboden om te zwemmen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

2.2 het bebouwingspercentage:

het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de verbeelding bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.6 de hoogte van een windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

2.7 de horizontale diepte van een bouwwerk:

de lengte van een bouwwerk, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.

2.8 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.9 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.

2.10 de ondergeschikte bouwdelen:

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 meter.

2.11 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

2.12 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.13 de oppervlakte van een overkapping

de oppervlakte van het dakvlak van de overkapping.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bos

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding en ontwikkeling van aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden;
  • b. instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige ecologische waarden ter plaatse van de functieaanduiding 'ecologische waarde';
  • c. dagrecreatie ter plaatse van de functieaanduiding ' dagrecreatie';
  • d. vijver ter plaatse van de functieaanduiding 'vijver';
  • e. recreatief medegebruik;
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
3.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 14.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Bos' aangewezen gronden mogen géén gebouwen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Op de voor 'Bos' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van de in artikel 3.1 genoemde bestemming;
  • b. een vijver ter plaatse van de functieaanduiding 'vijver'
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 1,50 meter;
3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Bos' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen, verharden of verwijderen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontginnen, bodem verlagen, afgraven of ophogen met meer dan 0,30 meter en/of egaliseren van de bodem;
  • c. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen en/of oppervlaktewater;
  • d. het draineren van gronden en het winnen van water of het anderszins verlagen van de grondwaterstand;
  • e. het verwijderen van bomen/beplanting.
3.3.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 3.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
3.3.3 Toelaatbaarheid

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.3.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in artikel 3.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemeen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. structurele beplantingen;

b. hoogopgaande, visueel afschermende en met groenvoorzieningen beplante wal ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - houtwal'

c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

1. paden

4.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 14.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd:

4.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Vergunningsplicht

Het is verboden in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. het verwijderen, vellen en/of rooien van beplanting ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - houtwal';
  • b. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van bosstroken en/of grasbanen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - houtwal';
  • c. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstanden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - houtwal';
  • d. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - houtwal';
4.3.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 4.3.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
4.3.3 Toepassingscriteria

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.3.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 4.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 5 Recreatie - Recreatieterrein 1

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemeen

De voor 'Recreatie - Recreatieterrein 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verblijfsrecreatie in kampeermiddelen’;
  • b. verblijfsrecreatie in recreatieve nachtverblijven type 1;
  • c. behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige ecologische waarde ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde';

met daaraan ondergeschikt:

  • 1. wegen en paden uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde' ;
  • 2. speelterreinen, sport- en spelvoorzieningen uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde' ;
  • 3. groenvoorzieningen;
  • 4. parkeervoorzieningen uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde' ;
  • 5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 14

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op de voor 'Recreatie - Recreatieterrein 1' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. recreatieve nachtverblijven type 1 en de daarbij behorende bijgebouwen uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde' ;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

met inachtneming van de volgende regels (artikel 5.2.2 tot en met 5.2.4).

5.2.2 Recreatieve nachtverblijven type 1

Voor het bouwen recreatieve nachtverblijven type 1 gelden de volgende regels:

  • a. een recreatief nachtverblijf type 1 mag uitsluitend worden gebouwd binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde';
  • b. het aantal recreatieve nachtverblijven type 1 binnen een bestemmingsvlak leidt niet tot overschrijding van het volgens artikel 5.5.3 toegestane maximale aantal verblijfsrecreatieve eenheden uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'ecologisch waarde':
  • c. de oppervlakte van een recreatief nachtverblijf type 1 bedraagt, inclusief de bij dit verblijf behorende bijgebouwen, maximaal 70 m2;
  • d. een recreatief nachtverblijf type 1 bestaat maximaal uit één bouwlaag;
  • e. de bouwhoogte van een recreatief nachtverblijf type 1 bedraagt maximaal 4,25 m;
  • f. een recreatief nachtverblijf type 1 wordt uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • g. de onderlinge afstand tussen een recreatief nachtverblijf type 1 en:
    • 1. een ander recreatief nachtverblijf type 1 en een daarbij behorend bijgebouw bedraagt minimaal 5,00 meter, tenzij de oppervlakte van het recreatieve nachtverblijf type 1 minder dan 40 m2 bedraagt. In dat geval bedraagt de onderlinge afstand minimaal 3,00 meter;
5.2.3 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij een recreatief nachtverblijf type 1 gelden de volgende regels: een bijgebouw wordt uitsluitend gebouwd binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak;

    • 1. de oppervlakte van een bijgebouw bedraagt maximaal 6 m2;
    • 2. de bouwhoogte van een bijgebouw bedraagt maximaal 3,00 meter;
    • 3. per recreatief nachtverblijf is maximaal één vrijstaand bijgebouw toegestaan;
    • 4. de onderlinge afstand tussen een bijgebouw en:
      • een ander recreatief nachtverblijf type 1 en een daarbij behorend bijgebouw bedraagt minimaal 5,00 meter, tenzij de oppervlakte van het recreatieve nachtverblijf type 1 minder dan 40 m2 bedraagt. In dat geval bedraagt de onderlinge afstand minimaal 3,00 meter;
5.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende regels:
    • 1. per recreatief nachtverblijf type 1 is maximaal één overkapping toegestaan met in acht name van de volgende regels:
      • de hoogte van een overkapping bedraagt maximaal 3,00 meter;
      • de oppervlakte van een overkapping bedraagt maximaal 20 m2;
      • de overkapping wordt uitsluitend aangebouwd aan het recreatieve nachtverblijf;
      • de afstand tussen de overkapping en een ander recreatief nachtverblijf bedraagt minimaal 3 m;
    • 2. voor het overige is de bouw van overkappingen niet toegestaan;
  • b. de hoogte van sport- en speeltoestellen, lichtmasten, vlaggenmasten en slagbomen bedraagt maximaal 6,00 meter;
  • c. de hoogte van erf- of terreinafscheidingen:
    • 1. op gronden die liggen buiten een bouwvlak bedraagt maximaal 1,00 meter;
    • 2. op gronden die liggen binnen een bouwvlak bedraagt maximaal 2,00 meter;
  • d. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 2,00 meter.
5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van recreatieve nachtverblijven type 1

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 5.2.2, onder b, voor het bouwen van een recreatief nachtverblijf type 1 waarbij het maximum aantal verblijfsrecreatieve eenheden wordt overschreden mits de oppervlakte van dit verblijf minimaal 55 m2 bedraagt;
  • b. artikel 5.2.2, onder e, voor een hogere bouwhoogte van een recreatief nachtverblijf type 1 tot maximaal 5,00 m.
5.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van terreinafscheidingen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.4, sub j. onderdeel 1. voor een terreinafscheiding van een kampeerterrein tot een hoogte van 2,00 meter mits de terreinafscheiding in een geheel open constructie wordt uitgevoerd.

5.3.3 Afwegingskader

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 tot en met artikel 5.3.2 mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

  • a. het stedenbouwkundig beeld;
  • b. de instandhouding van omliggende waarden;
  • c. een woonsituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
5.4 Nadere eisen
5.4.1 Onderwerpen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering, de oppervlakte en de hoogte van bebouwing;
  • b. het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan;
  • c. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing.
5.4.2 Toepassingscriteria

De in artikel 5.4.1 genoemde onderwerpen voor het stellen van nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:

  • a. het stedenbouwkundig beeld;
  • b. de landschappelijke inpassing;
  • c. een goede parkeerbalans;
  • d. de verkeerssituatie;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;
  • h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • i. instandhouding van omliggende waarden.
5.5 Specifieke gebruiksregels
5.5.1 Voorwaardelijke verplichting

De voor 'Recreatie-Recreatieterrein 1' aangewezen gronden mogen niet voor de in artikel 5.1.1 onder a en b bedoelde functies worden gebruikt indien uiterlijk binnen een termijn van 24 maanden na inwerking treding van het bestemmingsplan:

  • a. op de met de bestemming 'Bos' bestemde gronden geen vijver is aangelegd en in stand wordt gehouden overeenkomstig het in bijlage 4 bij deze regels opgenomen inrichtingsplan, en;
  • b. op de met de bestemming 'Groen' bestemde gronden geen structurele beplanting is aangebracht en in stand wordt gehouden overeenkomstig het in bijlage2 bij deze regels opgenomen beplaningsplan.
5.5.2 Afstand kampeermiddel - bebouwing

De afstand tussen de standplaats van een kampeermiddel en:

  • a. een bijgebouw bedraagt minimaal 3,00 meter;
  • b. een bouwwerk, geen gebouw zijnde bedraagt minimaal 3,00 meter.
5.5.3 Maximum aantal verblijfsrecreatieve eenheden

Ten aanzien van het aantal toegestane verblijfsrecreatieve eenheden gelden de volgende regels:

  • a. het totale aantal verblijfsrecreatieve eenheden binnen een bestemmingsvlak bedraagt maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal verblijfsrecreatieve eenheden' aangeduide aantal;
5.5.4 Parkeren - voorwaardelijke verplichting

Een recreatieterrein mag niet worden gebruikt behoeve van de in artikel 5.1 onder a, b, en c bedoelde functies zonder dat voldoende parkeerplaatsen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden conform de volgende regels:

  • a. de parkeerplaatsen worden uitsluitend gesitueerd op het betreffende recreatieterrein zelf;
  • b. het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de volgende normen:
    • 1. per standplaats voor een kampeermiddel is minimaal 1,2 parkeerplaats aanwezig;
    • 2. per recreatief nachtverblijf type 1 is minimaal 1,2 parkeerplaats aanwezig;
5.5.5 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het plaatsen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens van derden, behalve de voer- en vaartuigen van de in de kampeermiddelen en recreatieve nachtverblijven verblijvende recreanten;
  • b. bedrijven, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.1.1;
  • c. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik;
  • d. permanente bewoning, anders dan in de bedrijfswoning;
  • e. mantelzorg;
  • f. recreatief nachtverblijf, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.1.1;
  • g. een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de bedrijfswoning en/of in de vrijstaande bijgebouwen;
  • h. detailhandel;
  • i. horecadoeleinden.
5.5.6 Afwijken van de gebruiksregels voor het minimum aantal parkeerplaatsen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5.5.4 ten behoeve van de aanwezigheid een kleiner aantal parkeerplaatsen dan 1,2 parkeerplaats per kampeermiddel en 1,2 parkeerplaats per recreatief nachtverblijf type 1 indien daarvoor op het recreatieterrein onvoldoende fysieke ruimte aanwezig is mits:

  • a. het aantal parkeerplaatsen niet lager is dan 0,8 parkeerplaats per kampeermiddel en/of recreatief nachtverblijf type 1;
  • b. op andere wijze in de nodige resterende parkeerruimte wordt voorzien uitgaande van de hiervoor genoemde parkeerplaatsnorm van 1,2 parkeerplaats per kampeermiddel en/of recreatief nachtverblijf type 1.
5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.6.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Recreatie - Recreatieterrein 1’ aangewezen gronden zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  • c. het ontginnen, bodemverlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem.
5.6.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 5.6.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. het aanleggen of verharden van wegen en paden met een breedte van minder dan 3,50 meter breed;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
5.6.3 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.6.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 5.1.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 6 Recreatie - Recreatieterrein 2

6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1 Algemeen

De voor 'Recreatie - Recreatieterrein 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verblijfsrecreatie in kampeermiddelen;
  • b. verblijfsrecreatie in recreatieve nachtverblijven type 1;
  • c. verblijfsrecreatie in recreatieve nachtverblijven type 2;
  • d. de bij de verblijfsrecreatie horende facilitaire voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’;
  • e. bedrijfswoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’;


met daaraan ondergeschikt:

  • 1. wegen en paden;
  • 2. speelterreinen, sport- en spelvoorzieningen;
  • 3. groenvoorzieningen;
  • 4. parkeervoorzieningen;
  • 5. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 14.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen

Op de voor 'Recreatie - Recreatieterrein 2' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. recreatieve nachtverblijven type 1 en de daarbij behorende bijgebouwen;
  • b. recreatieve nachtverblijven type 2;
  • c. facilitaire gebouwen ten behoeve van de in artikel 6.1 genoemde bestemming;
  • d. bedrijfswoningen en de daarbij behorende bijgebouwen;
  • e. bouwwerken, geen gebouw zijnde;

met in achtneming van de volgende regels (artikel 6.2.2 tot en met 6.2.7).

6.2.2 Recreatieve nachtverblijven type 1

Voor het bouwen van recreatieve nachtverblijven type 1 gelden de volgende regels:

  • a. een recreatief nachtverblijf type 1 mag uitsluitend worden gebouwd binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
  • b. het aantal recreatieve nachtverblijven type 1 binnen een bestemmingsvlak leidt niet tot overschrijding van het volgens artikel 6.5.2 toegestane maximale aantal verblijfsrecreatieve eenheden;
  • c. de oppervlakte van een recreatief nachtverblijf type 1 bedraagt, inclusief de bij dit verblijf behorende bijgebouwen als bedoeld in artikel 6.2.6, maximaal 70 m2;
  • d. een recreatief nachtverblijf type 1 bestaat maximaal uit één bouwlaag;
  • e. de bouwhoogte van een recreatief nachtverblijf type 1 bedraagt maximaal 4,25 m;
  • f. een recreatief nachtverblijf type 1 wordt uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • g. de onderlinge afstand tussen een recreatief nachtverblijf type 1 en:
    • 1. een ander recreatief nachtverblijf type 1 en een daarbij behorend bijgebouw bedraagt minimaal 5,00 meter, tenzij de oppervlakte van het recreatieve nachtverblijf type 1 minder dan 40 m2 bedraagt. In dat geval bedraagt de onderlinge afstand minimaal 3,00 meter;
    • 2. een ander gebouw als bedoeld in artikel 6.2.4 tot en met 6.2.5 bedraagt minimaal 5,00 meter;
    • 3. een bijgebouw behorende bij een bedrijfswoning bedraagt minimaal 5,00 meter.
6.2.3 Recreatieve nachtverblijven type 2

Voor het bouwen van recreatieve nachtverblijven type 2 gelden de volgende regels:

  • a. een recreatief nachtverblijf type 2 mag uitsluitend worden gebouwd binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak’;
  • b. per bouwvlak bedraagt het aantal recreatieve nachtverblijven type 2 niet meer dan het ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal recreatieverblijf type 2‘ aangeduide aantal;
  • c. een recreatief nachtverblijf type 2 wordt uitsluitend vrijstaand gebouwd;
  • d. de inhoud van een recreatief nachtverblijf type 2 bedraagt, inclusief eventuele inpandige berging, maximaal 300 m3;
  • e. de goothoogte van een recreatief nachtverblijf type 2 bedraagt maximaal 3,00 meter;
  • f. de bouwhoogte van een recreatief nachtverblijf type 2 bedraagt maximaal 6,50 meter;
  • g. de onderlinge afstand tussen een recreatief nachtverblijf type 2 en:
    • 1. een ander recreatief nachtverblijf type 1 of type 2 bedraagt minimaal 10,00 meter;
    • 2. een ander gebouw als bedoeld in artikel 6.2.4 tot en met 6.2.5 bedraagt minimaal 10,00 meter;
    • 3. een bijgebouw bedraagt minimaal 5,00 meter.
6.2.4 Facilitaire gebouwen

Voor het bouwen van facilitaire gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. een facilitair gebouw mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’;
  • b. de binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’ vallende gronden mogen tot maximaal 100 % met facilitaire gebouwen worden bebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’ het aangeduide maximum bebouwingspercentage geldt. In dat geval mag de oppervlakte aan facilitaire gebouwen binnen de betreffende aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’, inclusief de oppervlakte van de onder artikel 6.2.5 bedoelde bedrijfswoning, niet meer bedragen dan dat lagere percentage.
  • c. de goothoogte van een facilitair gebouw bedraagt maximaal 4,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt;
  • d. de bouwhoogte van een facilitair gebouw bedraagt maximaal 7,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' de aangeduide maximale bouwhoogte geldt;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder lid a mag een facilitair gebouw dat uitsluitend is bestemd voor sanitaire voorzieningen ook worden gebouwd:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – sanitair’ met inachtneming van de onder lid c. en d. aangegeven bouw- en goothoogte ;
    • 2. binnen een bouwvlak, mits:
      • de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4,25 m;
      • de oppervlakte niet meer bedraagt dan 70 m2;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder lid a mag een facilitair gebouw dat uitsluitend is bestemd voor opslag ook worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ met inachtneming van de onder lid c. en d. aangegeven bouw- en goothoogte.
6.2.5 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd binnen de aanduiding ‘bedrijfswoning en binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’;
  • b. per aanduiding ‘bedrijfswoning’ en aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’, is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  • c. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³ of maximaal de bestaande inhoud indien deze groter is;
  • d. indien binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’ op de verbeelding een bebouwingspercentage is aangegeven is dit percentage ook van toepassing op de bouw van een bedrijfswoning. De oppervlakte van de bedrijfswoning mag, inclusief de oppervlakte van de onder artikel 6.2.4 bedoelde facilitaire gebouwen, niet meer bedragen dan dat percentage;
  • e. de goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 5,50 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt;
  • f. de bouwhoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 10,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' de aangeduide maximale bouwhoogte geldt;
  • g. de bedrijfswoning wordt met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt.
6.2.6 Bijgebouwen

Voor het bouwen van bijgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:
    • 1. een bijgebouw wordt uitsluitend gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’;
    • 2. de afstand van een bijgebouw tot de bedrijfswoning bedraagt maximaal 40 meter;
    • 3. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een bedrijfswoning, bedraagt maximaal 50 m²;
    • 4. de dakhelling van een dak van een bijgebouw bedraagt maximaal 60°;
    • 5. de goothoogte van een bijgebouw bedraagt maximaal 3,50 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' de aangeduide maximale goothoogte geldt;
    • 6. de bouwhoogte van een bijgebouw bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van de bedrijfswoning;
  • b. voor het bouwen van bijgebouwen behorende bij een recreatief nachtverblijf type 1 gelden de volgende regels:
    • 1. een bijgebouw wordt uitsluitend gebouwd binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak;
    • 2. de oppervlakte van een bijgebouw bedraagt maximaal 6 m2;
    • 3. de bouwhoogte van een bijgebouw bedraagt maximaal 3,00 meter;
    • 4. per recreatief nachtverblijf is maximaal één vrijstaand bijgebouw toegestaan;
    • 5. de onderlinge afstand tussen een bijgebouw en:
      • een ander recreatief nachtverblijf type 1 en een bij een daarbij behorend bijgebouw bedraagt minimaal 5,00 meter; tenzij de oppervlakte van het recreatieve nachtverblijf type 1 minder dan 40 m2 bedraagt. In dat geval bedraagt de onderlinge afstand minimaal 3,00 meter;
      • een bedrijfswoning of een ander, bij een bedrijfswoning horend bijgebouw bedraagt minimaal 5,00 meter;
      • een ander gebouw als bedoeld in artikel 6.2.3 tot en met 6.2.4 bedraagt minimaal 5,00 meter.
6.2.7 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. Voor het bouwen van zwembaden gelden de volgende regels:
    • 1. zwembaden mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aanduiding ‘zwembad’;
    • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1. is de bouw van een zwembad buiten de aanduiding ‘zwembad” toegestaan onder de voorwaarden dat:
      • het zwembad wordt gebouwd binnen een bouwvlak;
      • de oppervlakte van het zwembad maximaal 50 m2 bedraagt dan wel maximaal de bestaande oppervlakte indien deze groter is;
    • 3. de hoogte van een zwembad bedraagt maximaal 1,50 meter;
  • b. de hoogte van een steiger bedraagt maximaal 1,00 meter;
  • c. voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende regels:
    • 1. per recreatief nachtverblijf type 1 en recreatief nachtverblijf type 2 is maximaal één overkapping toegestaan met in acht name van de volgende regels:
      • de hoogte van een overkapping bedraagt maximaal 3,00 meter;
      • de oppervlakte van een overkapping bedraagt maximaal 20 m2;
      • de overkapping wordt uitsluitend aangebouwd aan het recreatieve nachtverblijf;
      • de afstand tussen de overkapping en een ander recreatief nachtverblijf bedraagt minimaal 3,00 meter;
    • 2. bij een bedrijfswoning is de bouw van overkappingen toegestaan met in acht name van de volgende regels:
      • een overkapping wordt op een afstand van minimaal 1 m vanaf de voorgevel van de bedrijfswoning gebouwd;
      • de hoogte van een overkapping bedraagt niet meer dan 3,00 meter;
      • de oppervlakte van bij een bedrijfswoning aanwezige overkappingen bedraagt niet meer dan 20 m2;
    • 3. voor het overige is de bouw van overkappingen niet toegestaan;
  • d. de hoogte van sport- en speeltoestellen, lichtmasten, vlaggenmasten en slagbomen bedraagt maximaal 6,00 meter;
  • e. de hoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1,00 meter;
  • f. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 2,00 meter.
6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van facilitaire gebouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 6.2.4, onder c, voor een hogere goothoogte van een facilitair gebouw tot maximaal 6,00 meter;
  • b. artikel 6.2.4, onder d, voor een hogere bouwhoogte van een facilitair gebouw tot maximaal 8,00 meter.
  • c. artikel 6.2.4, onder e, onderdeel 2 voor een hogere bouwhoogte van een facilitair gebouw voor sanitaire voorzieningen buiten de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – sanitair’ tot maximaal 5,00 meter.
6.3.2 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van recreatieve nachtverblijven type 1

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 6.2.2, onder b, voor het bouwen van een recreatief nachtverblijf type 1 waarbij het maximum aantal toegestane verblijfscreatieve eenheden wordt overschreden mits de oppervlakte van dit verblijf minimaal 55 m2 bedraagt;
  • b. artikel 6.2.2, onder d, voor een hogere bouwhoogte van een recreatief nachtverblijf type 1 tot maximaal 5,00 m.
6.3.3 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van recreatieverblijven type 1

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.2, onder a, voor de bouw van recreatieverblijven type 1 ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – facilitaire voorzieningen’.

6.3.4 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van zwembaden

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.7, sub a, onderdeel 2, voor een het bouwen van een zwembad met een oppervlakte van maximaal 100 m2

6.3.5 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van terreinafscheidingen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.7 onder e, voor een terreinafscheiding van een kampeerterrein tot een hoogte van 2,00 meter mits de terreinafscheiding in een geheel open constructie wordt uitgevoerd.

6.3.6 Afwegingskader

Bij het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1tot en met artikel 6.3.5 mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

  • a. het stedenbouwkundig beeld;
  • b. de instandhouding van omliggende waarden;
  • c. een woonsituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
6.4 Nadere eisen
6.4.1 Onderwerpen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering, de oppervlakte en de hoogte van bebouwing;
  • b. het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan;
  • c. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing.
6.4.2 Toepassingscriteria

De in artikel 6.4.1 genoemde onderwerpen voor het stellen van nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:

  • a. het stedenbouwkundig beeld;
  • b. de landschappelijke inpassing;
  • c. een goede parkeerbalans;
  • d. de verkeerssituatie;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • h. instandhouding van omliggende waarden.
6.5 Specifieke gebruiksregels
6.5.1 Afstand kampeermiddel - bebouwing

De afstand tussen de standplaats van een kampeermiddel en:

  • a. een gebouw als bedoeld in artikel 6.2.1 tot en met 6.2.5 bedraagt minimaal 10,00 meter;
  • b. een bijgebouw bedraagt minimaal 3,00 meter;
  • c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde bedraagt minimaal 3,00 meter.
6.5.2 Maximum aantal verblijfsrecreatieve eenheden

Ten aanzien van het aantal toegestane verblijfsrecreatieve eenheden gelden de volgende regels:

  • a. het totale aantal verblijfsrecreatieve eenheden binnen een bestemmingsvlak bedraagt maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal verblijfsrecreatieve eenheden' aangeduide aantal;
  • b. ter plaatse van de aanduiding relatie worden de betreffende bestemmingsvlakken met betrekking tot de onder a bedoelde aanduiding aangemerkt als één bestemmingsvlak.
6.5.3 Parkeren - voorwaardelijke verplichting

Een recreatieterrein mag niet worden gebruikt behoeve van de in artikel 6.1 onder a, b, c en d bedoelde functies zonder dat voldoende parkeerplaatsen zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden conform de volgende regels:

  • a. de parkeerplaatsen worden uitsluitend gesitueerd op het betreffende recreatieterrein zelf;
  • b. het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de volgende normen:
  • 1. per standplaats voor een kampeermiddel is minimaal 1,2 parkeerplaats aanwezig;
  • 2. per recreatief nachtverblijf type 1 en type 2 is minimaal 1,2 parkeerplaats aanwezig;
  • 3. per slaapkamer dan wel per vier bedden in een groepsaccommodatie is minimaal 1,2 parkeerplaats aanwezig.
6.5.4 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het plaatsen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens van derden, behalve de voer- en vaartuigen van de in de kampeermiddelen en recreatieve nachtverblijven verblijvende recreanten;
  • b. bedrijven, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1.1;
  • c. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik;
  • d. permanente bewoning, anders dan in de bedrijfswoning;
  • e. mantelzorg;
  • f. recreatief nachtverblijf, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1.1;
  • g. een aan huis verbonden beroep of bedrijf in de bedrijfswoning en/of in de vrijstaande bijgebouwen, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.5.5;
  • h. detailhandel, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1.1 en 6.5.5;
  • i. horecadoeleinden, anders dan overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1.1;
6.5.5 Aan huis verbonden beroepen

Een aan huis verbonden beroep, als opgenomen in het overzicht aan huis verbonden beroepen (Bijlage 1 bij deze regels), is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. een aan huis verbonden beroep uitsluitend wordt uitgeoefend in de bedrijfswoning of in de bijgebouwen;
  • b. maximaal in totaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de bijgebouwen wordt gebruikt voor aan huis verbonden beroep(en);
  • c. de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning niet wezenlijk wordt aangetast;
  • d. er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens één persoon tevens de bewoner van de woning is;
  • e. er is ten hoogste één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 centimeter;
  • f. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor de omgeving;
  • g. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien op eigen terrein, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast;
  • h. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt.
a Afwijken van de gebruiksregels
6.5.6 Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg in vrijstaande bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.5.4, ten behoeve van mantelzorg in een bedrijfswoning of in bestaande vrijstaande bijgebouwen, met dien verstande dat:

  • a. voor mantelzorg in de woning de volgende regels gelden:
    • 1. het oppervlak van de mantelzorgvoorziening in de woning bedraagt maximaal 75 m²;
    • 2. de tijdelijkheid in voldoende mate vaststaat;
  • b. voor mantelzorg in bestaande vrijstaande bijgebouwen de volgende regels gelden;
    • 1. het oppervlak van de mantelzorgvoorziening in bestaande vrijstaande bijgebouwen bedraagt maximaal 50 m²;
    • 2. het vrijstaande bijgebouw binnen een afstand van 40 meter van de woning dient te zijn gesitueerd;
    • 3. realisatie van de afhankelijke woonruimte binnen de woning inclusief de aangebouwde bijgebouwen niet mogelijk is;
    • 4. het uiterlijk van het bijgebouw mag niet worden aangepast;
    • 5. de mantelzorgvoorziening qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning;
    • 6. de tijdelijkheid in voldoende mate vaststaat;
    • 7. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
      • de verkeersveiligheid;
      • het woon- en leefklimaat;
      • de milieusituatie;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
a Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.5.7 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Recreatie - Recreatieterrein 2’ aangewezen gronden

zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de

volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten

uitvoeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen of verwijderen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het graven, verbreden, uitdiepen, dempen en/of verleggen van watergangen;
  • c. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem.
6.5.8 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 6.5.7is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. het aanleggen of verharden van wegen en paden met een breedte van minder dan 3,50 meter breed;
  • d. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
6.5.9 Toelaatbaarheid

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.5.7zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 6.1.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 7 Recreatie - Sport

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemeen

De voor 'Recreatie - Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het uitoefenen van recratieve sportactiviteiten;
  • b. een plasdras zone ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen-plasdras zone';

met daaraan ondergeschikt:

    • 1. groenvoorzieningen;
    • 2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.
7.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 14.

7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Op de voor 'Recreatie - Sport' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

a. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten behoeve van de in artikel 7.1 genoemde bestemming;

met inachtneming van de volgende regels ( 7.2.2).

7.2.2 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het overige gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt maximaal 6,00 meter, met uitzondering van:
    • 1. erfafscheidingen met een open constructie, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,50 meter bedraagt;
    • 2. lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 8,00 meter bedraagt;
    • 3. ballenvangers, waarvan de bouwhoogte maximaal 10,00 meter bedraagt.
7.3 Nadere eisen
7.3.1 Onderwerpen

Burgemeester en wethouders kunnen, met toepassing van de procedure als bedoeld in artikel 13.1, nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • a. de situering, de oppervlakte en de hoogte van de bebouwing;
  • b. het aantal parkeerplaatsen en de situering daarvan;
  • c. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing.
7.3.2 Toepassingscriteria

De in artikel 7.3.1 genoemde onderwerpen voor het stellen van nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld ten behoeve van:

  • a. het stedenbouwkundig beeld;
  • b. de landschappelijke inpassing;
  • c. een goede parkeerbalans;
  • d. de verkeerssituatie;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de sociale veiligheid;
  • g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • h. instandhouding van omliggende waarden.
7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Voorwaardelijke verplichting

De voor 'Recreatie-sport' aangewezen gronden mogen niet voor de in artikel 7.1.1 onder a bedoelde functie worden gebruikt indien uiterlijk binnen 24 maanden na inwerkingtreding van het bestemmingsplan op deze gronden geen plas-draszone is aangelegd en in stand wordt gehouden overeenkomstig het in bijlage 3 bij deze regels opgenomen inrichtingsplan.

7.4.2 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, anders dan bedoeld in artikel 7.1;
  • b. buitenopslag, behalve als dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte tijdelijke gebruik;
  • c. detailhandel;
  • d. horeca, anders dan bedoeld in artikel 7.1, onder 1;
  • e. gebouwen voor (recreatieve) bewoning.
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Recreatie - Sport' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. het aanbrengen van halfverhardingen ten behoeve van evenementen.
7.5.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 7.5.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
7.5.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 7.5.1 kan alleen worden verleend indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 7.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 8 Water

8.1 Bestemmingsomschrijving
8.1.1 Algemeen

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de aanleg en/of instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals watergangen, waterbergingen met de bijbehorende bermen en taluds;
  • b. behoud en ontwikkeling van ecologische waarden in relatie tot de waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.1.2 Dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 14.

8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen

Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen;

  • a. geen gebouwen worden gebouwd;
  • b. geen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd;
8.3 Specifieke gebruiksregels
8.3.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden voor en/of als:

  • a. het aanbrengen van oeverbeschoeiiing en kademuren
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Water' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. het dempen van oppervlaktewater;
  • b. het vergraven van oevers;
  • c. het verleggen van watergangen
  • d. het aanbrengen van oeverbeschoeiing/kademuren
8.4.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 8.4.1 is niet van toepassing op:

  • a. normale onderhoudswerkzaamheden;
  • b. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
8.4.3 Toetsingscriteria

De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 8.4.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 8.1.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

8.4.4 Advies

Alvorens de vergunning te verlenen, wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 2

9.1 Bestemmingsomschrijving
9.1.1 Algemeen

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

9.1.2 Bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 14.

9.2 Bouwregels
9.2.1 Onderzoek ten behoeve van verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen
  • a. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken:
      • met een oppervlakte groter dan 250 m² wanneer deze zich bevindt binnen de bebouwde kom, dan wel,
      • met een oppervlakte groter dan 2.500 m² wanneer deze zich bevindt buiten de bebouwde kom,
    • 1. dient door de aanvrager een aanvullend en/of definitief archeologisch rapport te worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders:
      • de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
      • in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
      • in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.2.2 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien uit het in artikel 9.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  • b. het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  • c. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

voorzover de ingreep:

    • 1. dieper gaat dan 50 centimeter beneden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 250 m² beslaat, wanneer deze zich bevindt binnen de bebouwde kom;
    • 2. dieper gaat dan 50 centimeter benden het maaiveld en een grotere oppervlakte dan 2.500 m² beslaat, wanneer deze zich bevindt buiten de bebouwde kom.
9.3.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 9.3.1 is niet van toepassing, indien:

  • a. door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  • b. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • c. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
  • d. de werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
9.3.3 Toepassingscriteria

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 9.3.1 kan alleen worden verleend indien mede op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.

9.3.4 Onderzoeksplicht

De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3 die betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie 2' dient een rapport te overleggen waarin naar het oordeel van burgemeester en wethouders:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgelegd, en;
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd, dan wel:
  • c. in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.3.5 Voorschriften omgevingsvergunning

Indien uit het in artikel 9.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene bouwregels

11.1 Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'bouwvlak';
  • b. de oppervlakte van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan de toegestane oppervlakte van bouwwerken boven peil;
  • c. de ondergrondse bouwdiepte mag maximaal 4,00 meter onder peil bedragen;
  • d. de regels van de betreffende bestemmingen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

12.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • b. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  • c. straatprostitutie.

Artikel 13 Algemene procedureregels

13.1 Procedure nadere eisen

Bij het stellen van nadere eisen, worden in ieder geval de volgende procedureregels in acht genomen:

  • a. het ontwerp-besluit ligt, met de daarop betrekking hebbende stukken, gedurende twee weken voor belanghebbenden ter inzage;
  • b. burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren bekend in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen die in de gemeente worden verspreid of op een andere geschikte wijze;
  • c. in deze kennisgeving wordt vermeld dat belanghebbenden gedurende de termijn van terinzagelegging schriftelijk zienswijzen omtrent de aanvraag of het ontwerpbesluit kunnen indienen bij burgemeester en wethouders;
  • d. indien tegen het ontwerpbesluit zienswijzen naar voren zijn gebracht, wordt het besluit met redenen omkleed;
  • e. burgemeester en wethouders delen aan hen die hun zienswijzen naar voren hebben gebracht de beslissing daaromtrent mede.

Artikel 14 Overige regels

14.1 Voorrang dubbelbestemming

In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming gaat het belang van de dubbelbestemming voor.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 16 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan 'Paasloo - Uitbreiding Krolsbergen'.