direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Marijenkampen 16
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het plan

Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van de "Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014" van gemeente Steenwijkerland ten behoeve van vergroting van het agrarisch bouwvlak naar 1,5 hectare.

De initiatiefnemer is voornemens de bestaande melkrundveehouderij uit te breiden middels een nieuwe ligboxenstal, jongveestal, werktuigenberging en een viertal sleufsilo's voor de opslag van ruwvoer. Daarnaast wordt de bestaande paardenbak verplaatst.

De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk voor een efficiënte bedrijfsvoering, nu en in de toekomst. Het is van belang dat het bedrijfserf optimaal ingedeeld wordt waarbij de ruwvoeropslag, de werktuigenberging, de ligboxenstallen en de jongveestal op de juiste positie op het erf worden geplaatst.

In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht en is ook een situatietekening van de beoogde situatie opgenomen.

De beoogde bouwactiviteiten passen niet binnen het huidige agrarisch bouwvlak en daarmee past de voorgenomen ontwikkeling niet binnen de bepalingen uit de geldende beheersverordening. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

De planlocatie is gelegen aan de Marijenkampen 16 te Marijenkampen en ligt ten noorden van Steenwijkerwold in het landelijk gebied van gemeente Steenwijkerland. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Steenwijkerland, sectie M, nummer 60.

In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.


afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0001.png"

Uitsnede topografische kaart locatie.
Bron: PDOK Viewer

1.3 Vigerende beheersverordening

Ter plaatse is het bepaalde uit de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" van de gemeente Steenwijkerland, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 9 december 2014, onverkort van toepassing.

Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de enkelbestemmingen 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' onverkort van toepassing. Daarnaast ligt over de locatie een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensief veehouderij neventak. Het huidige agrarisch bouwvlak heeft een omvang van 9800 m².

Op de gronden buiten het agrarische bouwvlak is de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0002.png"
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.

In de geldende beheersverordening is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk de beheersverordening gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd).

De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer.
  • Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente.
  • Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven.
  • Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
  • Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Gebiedsprofiel

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Steenwijkerland. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit het typerende Kampenlandschap aan de zuidwestelijke zijde van het stuwwallandschap tussen Oldemarkt en de Eese. De verkavelingsstructuur betreft een onregelmatige verkaveling met een kleinschalige opzet. De onderlinge kavels worden veelal gescheiden door houtwallen.

Voor een uitgebreide omschrijving van het landschap en de ontstaansgeschiedenis daarvan wordt verwezen naar de inhoud van het advies "Landschappelijke inpassing Marijenkampen 16 in Marijenkampen" van Buro Greet Bierema in bijlage 2.

2.1.2 Ruimtelijke structuur

Op de locatie is momenteel een melkrundveehouderij gevestigd. Ter plaatse worden in de huidige situatie 130 melkkoeien en 94 jongvee gehouden (bijlage 10). Het bedrijf beschikt over een melding Besluit landbouw en milieubeheer (2009) voor het houden van 165 melkkoeien (RAV A1.6.2), 126 jongvee (RAV A3.100), 5 vleesstieren (RAV A6.100) en 4 paarden (RAV K1.100).

Op 3 september 2012 is voor het melkrundveebedrijf op de planlocatie een Natuurbeschermingswetvergunning 1998 verleend. De volgende dieraantallen zijn vergund:

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0003.png"

Zoals nader toegelicht in paragraaf 4.2.1 Wet natuurbescherming is er binnen de huidige Natuurbeschermingswetvergunning voldoende ruimte om de ontwikkeling stikstofneutraal uit te voeren. Om aan te tonen dat de gewenste ontwikkeling mogelijk is, is er een verschilberekening met Aerius gemaakt. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling naar 210 stuks melkkoeien en 80 stuks jongvee neutraal kan plaatsvinden.

In onderstaande figuur is de huidige situatie weergeven. Centraal op het erf gelegen zijn de twee gekoppelde ligboxenstallen waarin de melkkoeien gehouden worden. Het jongvee wordt momenteel gehuisvest in meerdere gebouwen die deels sterk verouderd zijn en niet meer voldoen aan de eisen voor huisvesting en welzijn van deze diercategorie.

Voor de ruwvoeropslag zijn twee kuilplaten en een viertal sleufsilo's ingebruik. Achter de bestaande ligboxenstal is tevens een paardenbak gevestigd.

Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 9.800 m² groot.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0004.png"
Luchtfoto huidige situatie
Bron: PDOK Viewer

2.2 Gewenste situatie

2.2.1 Ruimtelijke structuur

Na vergroting van het bouwvlak is de initiatiefnemer voornemens ter plaatse de volgende gebouwen en andere bedrijfsonderdelen te realiseren (zes fasen):

  • 1. Nieuwbouw van een werktuigenberging cq. voeropslag.
  • 2. Nieuwbouw jongveestal.
  • 3. Sloop en verwijdering van enkele oude opstallen en tweetal kuilplaten.
  • 4. Nieuwbouw ligboxenstal.
  • 5. Aanleg extra ruwvoeropslag in de vorm van sleufsilo's.
  • 6. Verplaatsen van de paardenbak.

Genoemde ontwikkeling wordt noodzakelijk geacht voor een efficiënte en optimale bedrijfseconomische bedrijfsvoering voor komende jaren. De argumenten hiervoor zijn de volgende:

De matige kwaliteit van de huidige jongveehuisvesting en de huisvesting van jongvee in meerdere oude gebouwen staan een optimale opfok van jongvee in de weg en is bovendien qua verzorging zeer inefficiënt. De klimaatbeheersing in deze oude bedrijfsgebouwen is verre van optimaal en kan leiden tot gezondheidsproblemen bij het jongvee. Het ontwerp van de nieuw te bouwen jongveestal komt tegemoet aan de jongste welzijns- en klimaateisen voor deze diercategorie terwijl er qua veeverzorging zeer efficiënt gewerkt kan worden.

Voor een efficiënte bedrijfsvoering, nu en in de toekomst, is het van belang dat het bedrijf optimaal wordt ingedeeld waarbij de ruwvoeropslag, de werktuigenberging, de ligboxenstallen en de jongveestal op de juiste positie op het erf worden geplaatst. Daarmee worden korte interne logistieke routes mogelijk gemaakt.

In de toekomstige bedrijfsopzet is het erf ten zuiden van de ligboxenstal ingericht ten behoeve van de centrale opslag van ruwvoer. Op het bedrijf wordt gevoerd met een voermengwagen welke gevuld wordt vanuit de ruwvoeropslagen en eventueel aangevuld met enkelvoudige voerproducten welke opgeslagen worden in de nieuw te bouwen werktuigenberging. Ook de machines en werktuigen welke t.a.v. het voeren dagelijks gebruikt worden bevinden zich in de nieuw te bouwen werktuigenberging welke aan de zijde van de ruwvoeropslag voorzien wordt van twee brede toegangen. Hierdoor zijn de interne transportroutes van machines en werktuigen binnen het bedrijf tot een minimum te beperken.

De volgende stap in de bedrijfsontwikkeling is uitbreiding van het melkrundvee door een nieuwe ligboxenstal te realiseren aan de oostijde van het erf. In de bestaande situatie worden de koeien gemolken met drie melkrobots. Tijdens de aanschaf van deze robots is al rekening gehouden met een toekomstige uitbreiding van de veestapel. Met deze melkrobots kunnen meer koeien gemolken worden dan de huidige 130 melkkoeien. Uitbreiding van het aantal melkkoeien kan relatief eenvoudig en goedkoop omdat er geen uitbreiding van het aantal melkrobots nodig is (alleen stalruimte).

Voor een volgende stap in de bedrijfsontwikkeling ligt het voor de hand dat de jongveestal op termijn verlengd wordt.

Door de ruwvoeropslagen bij elkaar te groeperen op het erf, kunnen twee bestaande ruwvoeropslagen verwijderd worden.

De huidige paardenbak welke in de zuidwesthoek van het erf is gelegen is al verplaatst naar een positie achter de nieuw te bouwen ligboxenstal voor melkkoeien. Deze verplaatsing is vooral ingegeven door een betere landschappelijke inpassing van het complete bedrijf en voorkomen van verrommeling van het voorerf.

In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0005.png"


Situatietekening gewenste situatie.
Bron: DLV Advies.

Het voornemen is om de bouwactiviteiten gefaseerd uit te voeren in de eerder genoemde zes fases.De verwachting is dat binnen 5 jaar fase 1 - 3 worden gerealiseerd en vervolgens fase 4 - 6. Uitbreiding van de bedrijfsomvang zal uiteraard alleen volgens de geldende landelijke en EU regelgeving plaats kunnen vinden. Deze regelgeving is constant in beweging waardoor de voorwaarden voor bedrijfsontwikkeling van jaar tot jaar aangepast kunnen worden. Bij elke stap in bedrijfsomvang zal voldaan moeten worden aan de dan geldende wet- en regelgeving. In zijn totaal wil de initiatiefnemer doorgroeien naar 210 stuks melkkoeien en 80 stuks jongvee.

Het bouwvlak ter plaatse is niet groot genoeg om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Het bouwvlak wordt daarom vergroot tot 1,5 hectare.

Van belang is nog te vermelden dat huidige beheersverordening reeds een beperking stelt van maximaal 400 melkkoeien. Het nieuwe bestemmingsplan maakt daarom niet meer dieraantallen mogelijk dan reeds volgens de huidige beheersverordening is toegestaan. Deze beperking is weer opgenomen in de planregels.

Zoals nader toegelicht in paragraaf 4.2.1 Wet natuurbescherming is er binnen de huidige Natuurbeschermingswetvergunning voldoende ruimte om de ontwikkeling stikstofneutraal uit te voeren. Om aan te tonen dat de gewenste ontwikkeling mogelijk is, is er een verschilberekening met Aerius gemaakt. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling naar 210 stuks melkkoeien en 80 stuks jongvee neutraal kan plaatsvinden. Op het moment dat de initiatiefnemer wil beginnen met fase 2 dient hij een gewijzigde Wet natuurbeschermingsvergunning aan te vragen. Uit de berekening in Bijlage 5 Aerius-verschilberekening blijkt dat dit stikstofneutraal kan plaatsvinden en dat daarom de vergunning verleend zal worden.

2.2.2 Landschappelijke inpassing

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, indien mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een analyse gemaakt van het landschap ter plaatse en is er een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0006.png"

Tekening landschappelijke inpassing.
Bron: Bureau Greet Bierema

Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor wordt toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing.

Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen.
Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.

Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven.

Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen.

Het besluit bepaalt tevens:

"Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit."

Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren.

Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt.

Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren.
Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen.

Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking

Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd:

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

Provinciale staten van de provincie Overijssel hebben op 13 november 2019 de 'Geconsolideerde Omgevingsvisie vanaf 2017' geconsolideerd. De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel.

3.2.1.1 Duurzaamheid

Door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is. Efficiënter en zorgvuldiger omgaan met energie (duurzame energiehuishouding), grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen staan daarbij centraal. Dit uit zich onder andere in een toenemende aandacht voor gezond voedsel, dierenwelzijn en zorg voor het milieu. Voor de agrarische sector ziet de provincie één belangrijke opgave:

“Transitie naar een duurzame agrarische bedrijfsvoering, met – in antwoord op de veranderde eisen van consumenten en direct omwonenden – bijzondere aandacht voor volksgezondheid, dierenwelzijn en zorg voor het milieu (onder andere door ketenoptimalisatie). Dit biedt kansen om de concurrentiepositie van de agro- en foodsector – en daarmee de toegevoegde waarde voor de regionale economie – te versterken."

De provincie hanteert de volgende definitie van duurzaamheid: "Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien." Met het vooruitzicht op een veilige, gezonde en aantrekkelijke omgeving voor mensen, dieren en planten – voor nu én in de toekomst – is duurzaamheid voor de provincie dan ook een leidend principe bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel.

De provincie heeft vier duurzame kwaliteitsambities geformuleerd:

  • 1. Een klimaatbestendig Overijssel;
  • 2. Een duurzame energiehuishouding;
  • 3. Kringlopen sluiten, ofwel: toegroeien naar een circulaire economie;
  • 4. Beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.


Om te zorgen dat elk initiatief, groot of klein, bijdraagt aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de leefomgeving, stuurt de provincie via de Omgevingsverordening onder andere aan op een integrale aanpak van opgaven en op toekomstbestendigheid.

3.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit

Ruimtelijke kwaliteit wordt door de provincie gedefinieerd als:

"Datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is."

Ruimtelijke kwaliteit gaat voor de provincie dus niet zozeer over 'mooi', maar vooral over 'goed': functioneel, mooi en toekomstbestendig. Ruimtelijke kwaliteit is geen luxe, maar maatschappelijke noodzaak. Ruimtelijke kwaliteit is van grote betekenis voor het vestigingsklimaat voor bedrijven, bewoners en de toeristische mogelijkheden van een gebied. En daarmee ook voor de werkgelegenheid. Met andere woorden: de inzet op ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan versterking van de sociaaleconomische positie van Overijssel.

Op provinciaal schaalniveau zijn zeven kwaliteitsambities geformuleerd die de koers bepalen van de provinciale sturing op ruimtelijke kwaliteit. De zeven ambities luiden als volgt:

  • 1. Natuur als ruggengraat;
  • 2. Een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel;
  • 3. Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen;
  • 4. Brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur;
  • 5. Zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • 6. Het contrast tussen dynamisch en luwe gebieden versterken;
  • 7. Sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel.

Ruimtelijke kwaliteit wil de provincie realiseren door nieuwe initiatieven in de fysieke leefomgeving te verbinden met de bestaande kwaliteiten van Overijssel. Door deze benadering van ruimtelijke kwaliteit:

  • bevordert de provincie een weloverwogen locatiekeuze, vormgeving en inrichting van initiatieven, passend bij de identiteit van de plek;
  • beoogt de provincie dat ontwikkelingen en projecten in een tijdsperspectief worden geplaatst en ook in de verdere toekomst nog een functie kunnen vervullen;\
  • wil de provincie de bestaande en hoog gewaardeerde verscheidenheid in Overijssel behouden en
  • versterken en zo de belevingswaarde vergroten.


Om ruimtelijke kwaliteit te realiseren zijn drie zaken van belang:

  • een brede gebiedsgerichte blik en aanpak;
  • aandacht voor ruimtelijke kwaliteit in alle fases van het planproces;
  • een creatief, ontwerpend proces.
3.2.1.3 Sociale kwaliteit

De rode draad sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en armoede. In de Omgevingsvisie beperkt de provincie zich tot het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving. Op provinciaal niveau zijn drie kwaliteitsambities geformuleerd die de koers bepalen van de sturing op sociale kwaliteit. Deze kwaliteitsambities luiden als volgt:

  • 1. Het Overijssels 'noaberschap' koesteren;
  • 2. Stimuleren van culturele identiteit;
  • 3. Verbinden van de lokale kennis en energie met de ontwikkeling van provinciaal beleid en de uitvoering van ruimtelijke opgaven.

Sociale kwaliteit realiseert de provincie door:

  • bewoners en 'gebruikers' te betrekken bij de ontwikkeling van haar provinciaal beleid en de uitvoering van projecten;
  • ruimte te bieden aan initiatieven van 'onderop'

Agrarische ondernemers kunnen ruimte voor ontwikkeling verdienen door te investeren in ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit.

3.2.1.4 Het uitvoeringsmodel

In de omgevingsvisie staat het uitvoeringsmodel centraal. In dit model draait het om drie vragen die antwoord geven op of, waar en hoe ontwikkelingen uitgevoerd worden. Bij de eerste vraag zijn generieke beleidskeuzes van belang. Bij de tweede vraag zijn ontwikkelingsperspectieven richtinggevend en bij de derde vraag gaat het om de inpassing in de kenmerken van het gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0007.png"

Rode draden en beleidsambities Omgevingsvisie
Bron: Provincie Overijssel

1. Generieke beleidskeuzes (hoe)

In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn:

  • integraliteit
  • toekomstbestendigheid
  • concentratiebeleid
  • (boven)regionale afstemming
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Samen geven deze beleidskeuzes invulling aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking. Deze Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de stappen die gemeenten in de onderbouwing van nieuwe stedelijke ontwikkelingen op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) moeten doorlopen. Deze Ladder voor duurzame verstedelijking stelt immers ook eisen aan het onderbouwen van de (regionale) behoefte en de regionale afstemming van stedelijke ontwikkelingen. De Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er sprake een locatie in het buitenstedelijk gebied. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing.

2. Ontwikkelingsperspectieven (waar)

In de visie op de ruimte in Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven: drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke Omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

Met de Groene Omgeving bedoelt de provincie het grondgebied buiten de steden, dorpen en hoofdinfrastructuur. In de Groene Omgeving gaat het wat de provincie betreft vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van natuur en landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. De ondergrond speelt hierbij een belangrijke rol; bijvoorbeeld bij de voedselproductie in de landbouw, de (drink)watervoorziening of als mogelijke bron of buffer voor duurzame energie.

‘Groene’ functies hebben prioriteit in de Groene Omgeving. Ontwikkelingen die hier niet primair thuishoren, zoals woningbouw, worden alleen toegestaan als zij een meerwaarde opleveren voor de kwaliteit van landschap, cultuurhistorie, water- en natuuropgaven.

Aanpassing aan de klimaatverandering is bij dit alles een belangrijke overkoepelende opgave. Dat geldt overigens voor alle kwaliteitsambities die de provincie voor de rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit heeft benoemd. Het accent kan daarbij wel verschillen.

Voor de Groene Omgeving gelden de volgende ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • een zichtbaar en beleefbaar mooi landschap
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel
  • voortbouwen aan de kenmerkende structuren van het agrarisch cultuurlandschap
  • natuur als ruggengraat
  • een continu en beleefbaar watersysteem als dragende structuur van Overijssel
  • het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken

In de volgende figuur is te zien dat de locatie ligt in een gebied wat is aangeduid als 'Ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0008.png"

Uitsnede kaart Ontwikkelingsperspectieven (Waar)
Bron: provincie Overijssel

Van de ruimtelijke kwaliteitsambities staat in dit ontwikkelingsperspectief de ambitie Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen voorop. Daarnaast gelden – net als voor alle andere ontwikkelingsperspectieven – de ruimtelijke kwaliteitsambities:

  • zichtbaar en beleefbaar mooi landschap;
  • sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel;
  • continu en beleefbaar watersysteem.

Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

Strekking van beleid

De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, wil de provincie in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen. Het waterbeheer richt zich op optimale condities voor de lokaal aanwezige functies, rekening houdend met de klimaatopgave en de kenmerken van het watersysteem.

Schaalvergroting in de landbouw en opwekking van hernieuwbare energie krijgen ruimte in het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap, onder de voorwaarde van zorgvuldige inpassing in het kleinschalige landschap. Ruimte kan verdiend worden door te investeren in kwaliteitsvoorwaarden. Waardevermeerdering ontstaat door het benutten van de specifieke gebiedskwaliteiten, en van het maatschappelijk draagvlak voor kwaliteitsproductie en -producten. Ook verbreding van economische activiteiten op het erf, bijvoorbeeld met zorg, recreatie of landwinkels, krijgt de ruimte.

Toelichting (waarom?)

Het verbinden van de ontwikkelingsmogelijkheden van economische en maatschappelijke functies met het behoud en de versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke elementen draagt bij aan het behoud van de specifieke kwaliteiten van het kleinschalige mixlandschap in Overijssel.

Uitvoering/instrumenten

In het geval van grootschalige ontwikkelingen of uitbreiding van agrarische bedrijven, verwacht de provincie van de initiatiefnemer het plan te ontwikkelen in samenspraak met de omgeving. Zo ontstaat draagvlak.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een ontwikkeling in de Groene Omgeving in een kleinschalig mixlandschap. Het kleinschalige mixlandschap is geschikt voor de ontwikkeling van de ter plaatse aanwezige melkrundveehouderij. De wijze waarop de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen worden versterkt is vastgelegd in het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2). Het plan is tevens ontwikkeld in samenspraak met de omgeving.Tijdens een informatiebijeenkomst heeft een omgevingsdialoog plaats gevonden. Het verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in bijlage 14

 

3. Gebiedskenmerken

Nieuwe ruimtelijke opgaven wil de provincie verbinden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken verstaat de provincie de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. De provincie maakt onderscheidt in vier lagen:

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen.

In de volgende figuur is te zien dat de locatie in de natuurlijke laag in het gebiedstype 'Stuwwallen' ligt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0009.png"

Uitsnede kaart natuurlijke laag
Bron: provincie Overijssel

De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwallen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen.

De verschillende stuwwallen in de provincie hebben zich in de loop van de tijd allemaal anders ontwikkeld. In de occupatiegeschiedenis zijn sommige stuwwallen betrekkelijk ongemoeid gelaten. Op andere kwamen grote en kleinere escomplexen tot ontwikkeling. De hoge delen werden vaak als extensieve heidevelden in gebruik genomen, later zijn grote delen ervan bebost. De inzijging is afgenomen door oppervlakkige afwatering, waterwinning en het op grote schaal bebossen met naaldhout.

De ambitie voor dit gebied luidt: "De ambitie is het eigen karaker van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken." De provincie stuurt hierop door:

  • Stuwwallen krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf.
  • Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving.
  • Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de ‘natte voet’ van de stuwwal (kwelzone, brongebied) en deze beter zichtbaar maken.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij. Uitbreiding vindt plaats op het bestaande agrarische perceel en leidt niet tot aantasting van het stuwwallenlandschap.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap.

In de volgende figuur is te zien dat de locatie in de laag van het agrarisch cultuurlandschap is gelegen in het 'Oude hoevenlandschap'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0010.png"

Uitsnede kaart agrarisch cultuurlandschap
Bron: provincie Overijssel

 

Het 'Oude hoevenlandschap' is een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Essenlandschap in het klein met samenhangend systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en – voormalige – heidevelden. Ordening vanuit de erven, die de ‘organische’ vormen van landschap volgt. Spinragstructuur vanuit de erven naar de omliggende gronden en tussen de erven.

Ontwikkelingen zijn:

  • Samenhang erven/ essen/ flanken/ heide(ontginningen) / laagtes verdwijnt.
  • Open karakter van de essen wordt bedreigd door toename bebouwing, en grondgebruik bij voorbeeld boomteelt.
  • Vanwege de kleinschaligheid van het hoevenlandschap is dit landschapstype gevoeliger voor verandering dan bij voorbeeld het essenlandschap.
  • Schaalvergroting in de landbouw en toename van burgererven veranderen het karakter van dit kleinschalige werklandschap.

De ambitie voor dit gebied is het kleinschalige, afwisselende oude hoevenlandschap vanuit de verspreid liggende erven een ontwikkelingsimpuls te geven. Deze erven bieden veel ruimte voor landbouw, wonen, werken, recreatie, mits er wordt voortgebouwd aan kenmerkende structuren van het landschap: de open esjes, de routes over de erven, de erf- en landschapsbeplantingen. Binnen deze structuren zijn er vol op mogelijkheden om een functioneel grootschalige landbouw in een kleinschalig landschap te ontwikkelen. De provincie stuurt hierop door:

  • De essen en esjes krijgen een beschermende bestemmingsregeling, gericht op instandhouding van de karakteristieke openheid, de bodemkwaliteit en het reliëf.
  • Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen: de erven met erfbeplanting; open es(je); beekdal; voormalige heidevelden, de mate van openheid en kleinschaligheid.
  • Ontwikkelingen vergroten de toegankelijkheid van erven en erfroutes.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij. Uitbreiding van het agrarisch bedrijf leidt niet tot aantasting van het oude hoevenlandschap omdat de ontwikkeling plaats vindt op het bestaande agrarische perceel. De wijze waarop rekening wordt gehouden met de oude erven, essen en landschapsbeplantingen is vastgelegd in het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2).

Stedelijke laag

De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorwegen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden.

De locatie ligt in stedelijke in het gebiedstype 'Verspreide bebouwing'. De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze ‘eenheid in handelen’ ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broek- en heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende ‘gewone’ burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan.

Bij de transformatie van de erven vervalt vaak de vanzelfsprekende samenhang tussen erf en landschap. Daarbij heeft de oorspronkelijke ‘eenheid in handelen’, waarbij iedereen ongeveer hetzelfde deed, plaats gemaakt voor ‘diversiteit in handelen’: iedereen doet op zijn erf zijn eigen ‘ding’. De erven gaan daardoor binnen de landschappelijke eenheid steeds meer van elkaar verschillen. Nieuwe functies bepalen het aangezicht: of een erf in agrarisch gebruik is (grote stallen, werklijnen naar het landschap), er een aannemer of autobedrijf zit (kaal erf met een grote plaat verharding er omheen) of dat het bijvoorbeeld een woonerf is geworden (kleine erf, dicht in de beplantingen en een paardenweide). Deze verschillen zijn zowel in het landschap - als op luchtfoto’s - heel goed te zien.

De ambitie voor dit gebied is is Levende erven! Opnieuw verbonden met het landschap, gaan de erven een serieus te verkennen alternatief woon/werkmilieu vormen. De erven die vrijkomen worden steeds groter, met zoveel bebouwing en opstallen dat ze voor individuele burgers vaak te groot zullen zijn. Sloop van de stallen is in bepaalde situaties een optie, maar soms worden de erven hierdoor zo klein dat ze als het ware verdampen. Deze robuuste erfensembles kunnen door het bieden van ruimte voor extra (vervangende) bebouwing een alternatief bieden voor - een deel van - de woningbouw en bedrijvenopgave elders, mits dit bijdraagt aan de lokale / regionale sociaal-economische ontwikkeling. Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, ligt hier een kans om unieke, echt Overijsselse woon/werk-, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen: sterk verbonden met de historie, het omliggende landschap en met veel ruimte voor individuele invulling en expressie. Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken als identiteitsdrager van erftransformaties benut. Gebiedsgewijze aanpak van herstel erven en bebouwing volgens het ‘Streekeigen huis en erf’ concept. De provincie stuurt hierop door:

  • De ontwikkeling van nieuwe erven draagt bij aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (zie Omgevingsverordeing Overijssel)
  • Als ontwikkelingen plaats vinden op erven, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de kenmerkende erfstructuur en volumematen, blijft er een duidelijk onderscheid voorkant- achterkant en vindt koppeling van het erf aan landschap plaats. Toegankelijkheid wordt erdoor verbeterd.
  • Reanimatie agrarisch erfgoed wordt verder gestimuleerd.
  • Kwaliteitsadvies bij de transformatie van erven bijvoorbeeld via een ‘ervenconsulent’ van het Oversticht.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij. Uitbreiding van het agrarisch bedrijf leidt niet tot aantasting van de agrarische erven en de binding met het landschap. De ontwikkelingen leiden juiste tot een verbetering van het Oude Hoevenlandschap. De wijze waarop rekening wordt gehouden met de oude erven, essen en landschapsbeplantingen is vastgelegd in het landschappelijk inrichtingsplan (bijlage 2).

Laag van de beleving

In de laag van de beleving komen de natuurlijke, functionele en sociale processen bij elkaar. Dit is de laag die gaat over de beleefbaarheid van ruimtelijke kwaliteit, identiteit en tijdsdiepte, van recreatieve gebruiksmogelijkheden die een belangrijke rol spelen bij de waardering van de leefomgeving. De laag van de beleving is de laag van de verbinding en het netwerk; tussen het stedelijke en het landelijke, de cultuur en de natuur, snel en traag, oud en nieuw, tussen nut en schoonheid. De laag van de beleving benut vooral de kwaliteiten van de andere drie lagen, maar voegt ook eigen kenmerken toe, zoals landgoederen, recreatieparken en recreatieve routes. Het stelt kwaliteiten zoals de natuur, de productielandschappen en de steden in een ander daglicht en maakt ze beleefbaar en tot een belevenis.

De locatie ligt in de laag van de beleving in het gebiedstype 'Donkerte'. Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de ‘buitengebieden’ van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief ‘luwe’ dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk. Ontwikkelingen zijn:

  • Autonoom wordt het steeds lichter doordat het bebouwd oppervlak steeds uitbreidt, door verlichte wegen, uitbreiding van kassencomplexen en door de toename van de woon- en werkfuncties verspreid in het landschap.
  • Steeds meer maatschappelijke aandacht voor vermindering van lichthinder en onnodige uitstraling naar boven.

De ambitie voor dit gebied is dat donkerte een te koesteren kwaliteit wordt. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden. De provincie stuurt hierop door:

  • In de donkere gebieden alleen minimaal noodzakelijke toepassing van kunstlicht. Dit vereist het selectief inzetten en ‘richten’ van kunstlicht.
  • Veel aandacht voor vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen in het buitengebied.
  • Behoud van het rustige en onthaaste karakter van de ‘donkere’ gebieden.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van de ter plaatste aanwezige melkrundveehouderij. In paragraaf "Lichthinder" (paragraaf 4.1.8) wordt ingegaan op welke wijze lichthinder bij ligboxenstallen kan worden voorkomen. Op deze wijze worden de 'donkere' gebieden in Overijssel beschermt.

Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Overijssel.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017

De Geconsoideerde Omgevingsverordening Overijssel is één van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. De Omgevingsverordening is gelijk aan de Omgevingsvisie op 27 februari 2019 geconsolideerd. Het plan is in overeenstemming met de regels uit de verordening en de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskeuzes en uitgangspunten van de provincie Overijssel.

Gesteld kan dus worden dat met de voorgenomen ontwikkeling aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening van provincie Overijssel kan worden voldaan, mits wordt voldaan aan het gestelde in de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving en de Kwaliteitsimpuls Agro & Food.

3.2.3 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Ten behoeve van de instandhouding en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving in de provincie Overijssel is, tezamen met de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening, ook de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) vastgesteld. Hierin staan richtlijnen opgenomen ten aanzien van compensatie van de ruimtelijke impact van ontwikkelingen in de groene omgeving.

Per afzonderlijk geval zal evenwichtig gekeken moeten worden naar de wijze van het evenwicht tussen de ontwikkeling van agrarische bedrijven en de mate van investering in de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij is maatwerk van belang.

Bij elke ontwikkeling hoort een basisinspanning in de vorm van een goede ruimtelijke inpassing (vorm en situering van gebouwen en erfbeplanting), zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en rekening houden met de gebiedskenmerken.

Voor het bepalen van de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestaties zijn een drietal aspecten van belang:

  • Is de ontwikkeling gebiedseigen of gebiedsvreemd?
  • Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving?
  • Vervult het initiatief een eigen belang of ook maatschappelijke belangen?

Voor investeringen op het eigen erf geldt dat die in algemene zin niet als aanvullende kwaliteitsprestatie worden gezien, tenzij een gebiedseigen ontwikkeling al bijdraagt aan de omgevingskwaliteiten.

In de toelichting op de omgevingsverordening is aangegeven dat de kwaliteitsimpuls in elk geval van toepassing is, als er een agrarisch bouwperceel ontstaat dat groter is dan 1,5 ha. Voor het overige laat het provinciebestuur de gemeenten zelf bepalen wat nu precies onder grootschalig kan worden verstaan. De impact van de uitbreiding op de omgeving is bepalend voor de beantwoording van de vraag op een uitbreiding grootschalig is.

Bij agrarische bedrijven die groter zijn dan 1,5 hectare wordt in de toelichting van de verordening gesteld dat deze als "grootschalig" zijn aan te merken.

Voor het toevoegen van nieuwe agrarische bouwpercelen en het uitbreiden van bestaande agrarische bouwpercelen tot 1,5 hectare is een specifieke vorm van het instrument Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing (Kwaliteitsimpuls agro en food).


Met voorgenomen ontwikkeling is sprake van uitbreiding van het agrarisch bouwvlak naar 1,5 hectare. Hierdoor is het ter plaatse aanwezige melkrundveebedrijf niet als een grootschalig bedrijf aan te merken. Voor de ontwikkeling van het bedrijf is de aanvullende investering uit de KGO dus niet van toepassing en is een aanvullende kwaliteitsprestatie, bovenop de landschappelijke inpassing van het bedrijf, dus niet noodzakelijk.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de richtlijnen van de KGO en dat de basisinspanning genoeg toereikend is.

3.2.4 Kwaliteitsimpuls agro en food

De komende jaren zal nog heel veel bestaande agrarische bebouwing haar functie voor de landbouw verliezen. In veel gemeenten geldt dat er te weinig programma is om voor alle vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s) een geschikte vervolgfunctie te vinden. Dit zal leegstand op grote schaal tot gevolg hebben en het risico op verrommeling van de Groene Omgeving. De provincie wil voorkomen dat er onnodig ruimtebeslag wordt gelegd op de Groene Omgeving zodat er ruimte blijft voor agrarische bedrijven die wel toekomstperspectief hebben en groeien in omvang. Daarom is in de Omgevingsverordening een bepaling opgenomen die verplicht om zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande en voormalige agrarische bouwpercelen.

Gelet op de impact van agrarische bedrijfsvoering op de omgeving, gaat de provincie uit van het principe dat ondernemers ruimte voor ontwikkeling moeten verdienen door te investeren in aanvullende kwaliteitsvoorwaarden op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit.

Bij grootschalige uitbreiding en nieuwvestiging wordt verder de eis gesteld dat niet alleen de basisinspanning ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd zoals vereist op grond van artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening.

Met voorgenomen ontwikkeling wordt het bouwvlak echter maximaal 1,5 hectare groot, waardoor het melkrundveebedrijf niet als grootschalige uitbreiding zal worden aangemerkt. De basisinspanning die geleverd wordt, is om die reden voldoende.

Op basis van het voorgaande wordt gesteld dat met de uitvoering van de ontwikkelingen die mogelijk gemaakt worden met dit plan, voldoende rekening gehouden wordt met het beleid zoals geformuleerd in de 'Kwaliteitsimpuls Agro en Food'.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie

Gemeente Steenwijkerland beschikt over een Omgevingsvisie welke zich richt op de fysieke omgeving: de ruimte waarin bewoners, bezoekers, instellingen en ondernemingen van de gemeente zich bevinden en het leefgebied van mensen, planten en dieren. De "Omgevingsvisie Steenwijkerland; Waardevast landschap" is vastgesteld in juni 2017.

De Omgevingsvisie geeft op hoofdlijnen handvatten om de balans te bewaren tussen landschap, economie, (ontwikkelingen in) de landbouw, natuur, recreatie en toerisme om zo in de toekomst een gemeente te blijven met een levendige en aantrekkelijke leefomgeving.

De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit wordt gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving.

De visie draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Deze kwaliteit is niet te meten. Alleen elementen ervan zijn meetbaar (zoals geluidswaarden) of aanwijsbaar (cultureel erfgoed). Een deel van de omgevingskwaliteit kun je slechts ervaren (sfeer, veiligheid). Het is de som der delen die de uiteindelijke kwaliteit bepaalt. Deze nieuwe definitie is betekenisvol: omgevingskwaliteit is het centrale doel van al het ruimtelijk handelen. Dat is een breuk met het verleden waarin het doel vaak economische groei was en deze groei geconfronteerd werd met bijvoorbeeld de randvoorwaarde erfgoed of natuur.

In de omgevingsvisie stelt de gemeente dat het streven is dat de boerenbedrijvigheid op peil blijft. Niet alleen vanwege de primaire werkgelegenheid maar ook omdat boerenbedrijven de kwaliteit en vitaliteit van het buitengebied bepalen. Goed onderhouden erven en stallen bepalen het beeld. Agrariërs spelen een belangrijke rol in natuurbeheer. De gemeente zet in op landschappelijke kwaliteit met en door de landbouw. Daarbij realiseert de gemeente zich dat behoud van werkgelegenheid in de agrarische sector tegen de trend in is. Het kan alleen als er ruimte gegeven wordt aan schaalvergroting, diversificatie, (gedeeltelijke) functieverandering en innovatie binnen de landbouw. Gemeente wil bijdragen aan de kracht van de Nederlandse land- en tuinbouw, ook in verbinding met de omliggende landbouwgebieden in de provincies Flevoland en Friesland.

De agrarische sector is vitaal. In alle sectoren, en zowel op gespecialiseerde als verbrede bedrijven, is schaalvergroting en professionalisering zichtbaar, maar met behoud van de cultuurhistorische waarden van het landschap.

De ontwikkelingen van de agrarische sector kunnen een stevig stempel drukken op het buitengebied. Het gaat om de ontwikkeling van grotere bedrijfsgebouwen, de behoefte aan meer ruimte voor verbreding en om de verandering van de erfinrichting, de inrichting van gebieden (verkaveling) en ontsluiting. Grootschaligheid kan botsen met landschappelijke en recreatieve waarden. Toch moet er ruimte zijn voor de ontwikkeling van de agrarische sector. We willen vanuit waarden (geur, geluid, gezondheid, landschap) agrarische ontwikkelingen ruimte bieden. De verschillende landschapstypen hebben elk hun eigen draagvermogen. Dit draagvermogen bepaalt wat mogelijk is qua schaalvergroting. De mogelijkheid en de voorwaarden om door te groeien, worden gebiedsafhankelijk bepaald.

Er zijn in Steenwijkerland rond de 200 agrarische bestemmingen bekend waarvan de activiteiten zijn beëindigd. Er zijn zo’n 250 woonbestemmingen met grote bijgebouwen. Het is onduidelijk hoeveel bijgebouwen hiervan geen functie hebben of leeg staan. De gemeente wil ruimhartig nieuwe functies toestaan met respect voor de belevingswaarde van het landelijk gebied. Zo worden karakteristieke of cultuurhistorisch waardevolle boerderijen interessant voor allerlei vormen van gebruik.

Beheer en herstel van landschapselementen krijgt veel aandacht. Herstel en onderhoud van landschapselementen in de gemeente is kwetsbaar want afhankelijk van subsidie en vrijwilligheid. Maar deze landschapselementen zijn wel cruciaal voor de ruimtelijke kwaliteit. We zetten in op duurzaam behoud van waardevolle elementen. In onderhavig plan is sprake van een bedrijfsontwikkeling die bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit en een ondernemer die, ook buiten het bedrijfserf, het onderhoud en herstel verzorgt van landschapselementen in de omgeving.

De conclusie van de gemeente ten aanzien van agrarische ontwikkelingen is dat dit alleen mogelijk is in de vorm van maatwerk om daarmee de landschappelijke veelzijdigheid te behouden. Tegelijkertijd moet er ruimte zijn om te ondernemen. Per gebied gaat de gemeente beoordelen wat mogelijk is. Balans en maatwerk zijn daarbij de sleutelwoorden.

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland

Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) van gemeente Steenwijkerland is vastgesteld op 28 februari 2005 en is een samenvoegsel van de landschapsbeleidsplannen van de voormalige gemeenten die zijn samengevoegd tot gemeente Steenwijkerland. Het doel van dit LOP is het geven van een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkelingen van het landelijk gebied, waarbij het dient als instrument waarmee richting kan worden gegeven aan nieuwe ontwikkelingen die zich aandienen, of die zich reeds hebben aangediend.

De gemeente Steenwijkerland bestaat uit drie verschillende landschapstypen op basis van bodemmateriaal:

  • 1. Zandgebieden.
  • 2. Veengebieden.
  • 3. Kleigebieden.

De planlocatie is gelegen in een zandlandschap De bodem van de zandgebieden bestaat uit keileem, een door het ijs afgezette slecht doorlatende laag, met daarop zand. Deze gebieden zijn relatief hoog gelegen en kennen soms markante hoogteverschillen.

In de gemeente Steenwijkerland zijn drie grote zandgebieden te onderscheiden:

  • De rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa.
  • De rug tussen de Steenwijker Aa en de riviertjes afkomstig uit Zuidwest Drenthe.
  • Het Hoge Land van Vollenhove.

De rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa is de grootste. Vroeger kwam op de rug verspreid staande bebouwing voor, nu vinden we er enkele kernen (Steenwijkerwold, Paasloo). Op de rug volgen de wegen de hoogteverschillen, waardoor geen enkele weg recht is, het beeld verandert daarom voortdurend. Door de hoogteverschillen en de verspreid staande beplanting doet het gebied parkachtig aan. Langs de zuidrand liggen enkele grote boerenerven. Op de hogere voormalige heidegronden bestaat de bebouwing deels uit voormalige keuterboerderijtjes.

Op de rug heeft zich het landschapstype "Kampen- en hoevenlandschap (met kleine escomplexen) ontwikkeld. Dit landschapstype heeft zich ontwikkeld op de overgang van hoog naar laag en van droog naar nat. Ze worden gekenmerkt door het naast elkaar voorkomen van onregelmatige blokvormige percelen op de hoger gelegen delen. De vele houtwallen, singels, bosjes en steilranden maken het landschap kleinschalig en gevarieerd. Hier en daar duiken uit de beslotenheid boerderijen op.

De rug tussen de Linde en de Steenwijker Aa maakt deel uit van het deelgebied Rug Steenwijk- Oldemarkt. Het gehele deelgebied is aangewezen als landschapsbeschermingsgebied, in het Landschapsontwikkelingsplan 'Parel'.

De hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de stuwwal hangen sterk samen met de ligging temidden van natte veen- en rivierlandschappen. Dit, tezamen met de aanwezige oude bebouwing, kleinschalige landschapsstructuur van houtwallen, laan- en erfbeplanting maken het deelgebied tot één van de 'parels' van Steenwijkerland. De ruimtelijke samenhang met de omliggende veengebieden is zeer groot en door het open karakter van de flanken is de overgang naar de nattere veen- en kleigebieden merkbaar. Het accent in dit deelgebied ligt dan ook sterk op 'behoud en bescherming' en ontwikkeling mogelijkheden in het vasthouden en bergen van water. De overgangen van de hogere zandgronden naar de lager gelegen veengronden zijn van essentieel belang voor het begrip van het landschap. De overgang nat-droog wordt beter zichtbaar indien het grondgebruik aansluit bij de landschappelijke gegevenheden/potenties. De van oorsprong natte gebieden dienen bij voorkeur een natte functie krijgen (nat grasland, waterretentiegebieden, etc.). De drogere gronden tegen de flank van de stuwwal krijgen bij voorkeur een grondgebruik passend bij het bodemtype (akkerbouw en droge graslanden). Hoog-laag verschillen worden benadrukt als het besloten karakter van de hogere gronden versterkt wordt en het zicht op de lage gebieden gehandhaafd blijft.

Zoals te zien in onderstaande figuur is de planlocatie gelegen in een gebied dat, in het kader van de landschappelijke hoofdstructuur, is aangemerkt als 'halfopen landschap met singels en houtwallen'

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0011.png"

Kaart landschappelijke hoofdstructuur landschapsontwikkelingsplan Steenwijkerland
Bron: Gemeente Steenwijkerland

Met de voorgenomen ontwikkeling zal de openheid van het landschap niet worden aangetast. Tevens zal de blokverkaveling behouden blijven en versterkt door het aanbrengen en herstellen van houtwallen.

Verder worden in het LOP per ontwikkeling knelpunten en kansen gegeven. Voor de landbouw zijn deze als volgt: "De grondgebonden landbouw neemt in Steenwijkerland een belangrijke positie in. Het overgrote deel van het gebied is in gebruik als weiland. In de zandgebieden bestaat de landbouw uit meer extensieve bedrijven met veelal een neventak. In de droogmakerijen komen voornamelijk grote melkveebedrijven voor. De gebieden Weerribben en Wieden kennen een kleinschalige landbouw met lage melkproductie.

Neveninkomsten komen ook uit rietteelt en visserij. De zeekleipolders en de gebieden langs de Linde behoren tot de grotere melkveehouderijbedrijven van Overijssel. Het zoeken naar nieuwe inkomensbronnen kan zowel positieve als negatieve effecten (bijdrage aan eigen identiteit) hebben op het landschap (verrommeling). Hetzelfde geldt voor vrijkomende agrarische bebouwing. Door sloop kan mogelijk een storende invloed op het landschap ongedaan worden gemaakt, anderzijds bestaat het gevaar dat karakteristieke bedrijfsbebouwing zal verdwijnen.


Als knelpunten worden de volgende onderwerpen genoemd:

  • Gevaar van verrommeling van het landschap door hergebruik stallen en ontstaan nevenfuncties.
  • Gevaar verdwijnen van karakteristieke bedrijfsbebouwing door afbreken stallen.


In onderhavig geval is geen sprake van hergebruik van stallen of het uitvoeren van nevenfuncties.
Op de huidige bedrijfslocatie van de initiatiefnemer worden enkele verouderde bedrijfsgebouwen gesaneerd en vervangen door moderne bedrijfsgebouwen die passen bij de overige bedrijfsgebouwen op de locatie.


Als kansen worden de volgende punten genoemd:

  • Stimulering inpassing bestaande en nieuwe stallen door aanbrengen erfbeplantingen.
  • Behoud openheid door versterken positie grondgebonden landbouw in de open gebieden.
  • Financieel stimuleren activiteiten agrariërs op het gebied van natuurbeheer, waterbeheer en recreatie.
  • Financieel stimuleren actief behoud en herstel van landschapselementen door agrariërs.
  • Financieel stimuleren aanleg erfbeplanting en goede ruimtelijke inpassing nieuwe stallen.


De voorgenomen ontwikkeling biedt ruimte aan de genoemde kansen. Om de manier waarop de kansen worden benut in beeld te brengen is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, waarmee tegemoet gekomen kan worden aan de eis te voorzien in een goede landschappelijk inpassing. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf 2.2.2. Met het opstellen van het landschappelijk inrichtingsplan en de uitvoer daarvan wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en wordt ruimte geboden aan de in het LOP gestelde kansen. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit het LOP van gemeente Steenwijkerland.

3.3.3 Welstandsnota

De gemeente Steenwijkerland heeft haar gemeentelijke welstandsbeleid opgenomen in de Welstandsnota. Deze geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn, te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Hiertoe zijn onder andere voor het plangebied van dit bestemmingsplan een aantal welstandscriteria opgesteld, waaraan het bouwplan zal moeten voldoen. Het uitgangspunt is dat het bouwplan een definitief positief welstandsadvies krijgt.

Het plangebied ligt in het welstandsgebied 'Stuwwallenlandschap tussen Oldemarkt en De Eese', deelgebied 'Kampenlandschap'. In dit gebied zijn de oorspronkelijke boerderijen overheersend.
Veel oorspronkelijke boerderijen en bijbehorende erven zijn ook nog gaaf in situering, hoofdvorm en gevelindeling. De bebouwingskarakteristieken van deze gebouwen zijn dan ook bepalend voor het aanzien van dit gebied waarmee het historische karakter van het gebied nog goed afleesbaar is.
Het beleid is er dan ook op gericht het oorspronkelijke karakter van het gebied te bewaren en bij nieuwe ontwikkelingen voorzichtigheid te betrachten. Bij nieuwbouw, vervanging en grote uitbreidingen aan andere bestaande gebouwen dienen de bebouwingskarakteristieken te worden gerespecteerd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling (nieuwbouw, wijziging en uitbreidingen) dient de architectonische kwaliteit minimaal gelijkwaardig te zijn aan de bestaande architectonische kwaliteit. Het ontwerp van de nieuw te bouwen bedrijfsgebouwen zal daarom voorgelegd worden aan de welstandscommissie.

3.3.4 Notitie nieuwe energie 2012

De Notitie Nieuwe Energie gemeente Steenwijkerland is een beleidsnotitie, ontwikkeld om tot 2020 de ambitie en doelstellingen op het gebied van nieuwe energie te bepalen. De notitie beschrijft een strategische routekaart waarin wordt aangegeven waarop de gemeente gaat inzetten met betrekking tot energiebesparing en opwekking van hernieuwbare energie.

Bij de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied zal de toekomstige uitbreiding van de melkveestapel gepaard gaan met uitbreiding van de oppervlakte zonnepanelen om zodoende minimaal 30% van de electriciteitsbehoefte op te wekken met duurzame energiebronnen, zodat sprake is van duurzame energie opwekking in lijn met de doelstellingen uit de notitie.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1 Milieu

4.1.1 Milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven.

Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:

  • 1. Het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen).
  • 2. Het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van melkrundveehouderij. Ten aanzien van een melkrundveehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 100 meter.
  • Stof: 30 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 0 meter.

Het dichtstbijzijnde gevoelig object betreft een burgerwoning aan de Marijenkampen 18 en bevindt zich op een afstand van 8,5 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt niet aan de gestelde richtafstand van 100 meter voldaan.

Voor het aspect geur wordt verwezen naar de op dit moment geldende gemeentelijke geurverordening op basis waarvan een afstandcriterium van 25 meter geldt tussen geuremissiepunt en de gevel van het te beschermen object. Hieraan wordt in de gewenste situatie voldaan. De afstand bedraagt namelijk 40 meter van de gevel van de woning aan de Marijenkampen 18 tot het emissiepunt van de dichtstbijzijnde stal (bestaande ligboxenstal).

Voor wat betreft het aspect geluid is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden behandeld bij het aspect geluid in paragraaf 4.1.4.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.

Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelings- mogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

4.1.2 Geur

De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006.
Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd.

De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.

Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De gemeente Steenwijkerland heeft een eigen geurbeleid vastgelegd in de "Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Steenwijkerland. Volgens de gebiedsindeleing uit deze verordening ligt de planlocatie in het gebiedtype I (buitengebied), zoals aangegeven op de kaart behorende bij deze verordening.
In artikel 2 van de verordening wordt een andere waarde voor de afstand in gebiedstype I aangegeven. Volgens artikel 2 geldt voor geurgevoelige objecten gelegen in gebiedstype 1 een minimale afstand van 25 meter. Het dichtsbij gelegen geurgevoelige object betreft de woning op Marijenkampen 18.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van melkrundveehouderij met een viertal paarden. Voor melkkoeien, jongvee en paarden, zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstand van 25 meter aangehouden dient te worden. In onderstaande figuur is met rood de contour van 25 meter aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0012.png"

Figuur: Uitsnede situatietekening met aanduiding 25 meter contour vanuit woning Marijenkampen 18
Bron: DLV Advies

De afstand van de gevel van (het woongedeelte) van de woonboerderij bedraagt in de huidige situatie minder dan 25 meter. In de gewenste situatie die met dit plan mogelijk wordt gemaakt zal de afstand van de woning op Marijenkampen 18 tot het geuremissiepunt van het meest nabije dierenverblijf minimaal 25 meter bedragen. Binnen de afstandscontour van 25 meter bevinden zich geen gebouwen (emissiepunten) waarin melkkoeien en/of bijbehorend jongvee gehuisvest worden.
Hiermee zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.3 Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).

Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.

4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting

In augustus 2009 heeft InfoMil de "Handreiking bij beoordelen fijn stof bij veehouderijen" gepubliceerd. In mei 2010 is deze vastgesteld en definitief gemaakt. Deze handleiding is bedoeld als ondersteuning voor de gemeente als bevoegd gezag, bij het beoordelen van vergunningaanvragen voor nieuwe vestigingen en uitbreidingen, die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking geeft op basis van rekenvoorbeelden aan wanneer een project als NIBM beschouwd kan worden.

De handreiking geeft grenswaarden ten aanzien van de totale emissie bij afstanden oplopend van 70 tot 160 meter. Bij 70 meter is de NIBM-vuistregelgrens 324.000 g/jaar oplopend tot 1.376.000 g/jaar bij 160 meter. Dit betekent concreet dat op 70 meter elk project met een emissie minder dan 324.000 g/jaar oplopend tot op 160 meter elk project met een emissie minder dan 1.376.000 g/jaar als NIBM is aan te merken. De grenswaarden voor de verschillende afstanden zijn in de volgende tabel weergegeven.

Afstand tot te toetsen plaats   70 m   80 m   90 m   100 m   120 m   140 m   160 m  
Totale emissie in g/jr van uit- breiding / oprichting   324000   387000   473000   581000   817000   1075000   1376000  

Tabel grenswaarden fijn stof op verschillende afstanden.
Bron: ECN.

In de huidige situatie worden 165 melkkoeien en 69 stuks jongvee gehouden. De huidige fijnstofemissie bedraagt:

165 x 118 g/dier/jaar = 19.470 g/jaar.

126 x 38 g/dier/jaar = 4.788 g/jaar.

Totaal: 19.470 + 2.622 = 24.258 g/jaar.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is op termijn een toename van de veestapel van 45 stuks melkkoeien en 11 stuks jongvee. De aangevraagde fijnstofemissie bedraagt:

210 x 118 g/dier/jaar = 24.780 g/jaar.

80 x 38 g/p/jaar = 3.040 g/jaar.

Totaal: 24.780 + 3.040 = 27.820 g/jaar.


Na realisatie van de werktuigenberging cq. voeropslag, de jongveestal en de ligboxenstal bedraagt de fijnstofemissie van het hele bedrijf: 27.820 gr/jaar. De fijnstofbelasting neemt toe met 3.562 gram per jaar.

De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op een afstand van ca. 40 meter; gemeten van gevel van de woning aan de Marijenkampen 18 tot het emissiepunt van de bestaande ligboxenstal. Aangenomen mag worden dat een geringe emissietoename van 12.108 g/jaar op 40 meter ten opzichte van een grenswaarde van 324.000 g/jaar bij 70 meter, aangemerkt kan worden als NIBM. Uitgaande van de aanname dat sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden.

4.1.3.2 Luchtkwaliteit vanuit verkeersbewegingen

Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.

4.1.4 Geluid

De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc..

Daarnaast kent de Wgh de volgende geluidsgevoelige terreinen:

  • Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg.
  • Woonwagenstandplaatsen.

Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen.
De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.

4.1.4.1 (Spoor)Wegverkeerslawaai

Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.

4.1.4.2 Industrielawaai

Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een melkveehouderij met op termijn een toename van het aantal verkeersbewegingen welke mogelijk leiden tot een toename van de geluidsbelasting aan de omgeving. Om te onderzoeken of ter plaatse van omliggende gevoelige objecten de geldende normen uit de Wgh worden overschreden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor het volleidge onderzoek wordt vewezen naar bijlage 3.

Het onderzoek gaat over de nieuwe, aangevraagde bedrijfssituatie. Ten opzichte van de bestaande, vergunde situatie wordt het bedrijf uitgebreid met twee nieuw te bouwen stallen en een werktuigenberging. Ook wordt onder andere de voeropslag aan de straatzijde gesloopt en worden enkele nieuwe sleufsilo's gerealiseerd naast en achter de bestaande sleufsilo's.

Uit vooronderzoek is gebleken, dat het inkuilen van mais en gras in de avondperiode in de huidige situatie niet mogelijk is binnen de geluidsnormen. Door de zuidelijke inrit 25 meter naar het noorden te verplaatsen (zie eerste figuur in bijlage 3), kan de aanvoer van kuilvoer in de avondperiode wel binnen de geluidsnormen plaatsvinden. In het onderzoek is deze maatregel als uitgangspunt gehanteerd.

In het onderzoek zijn het gemiddelde geluidsniveau en het piekgeluidsniveau berekend op de woningen die in de omgeving van het bedrijf liggen. Verder is aandacht besteed aan de geluidsbelasting door het verkeer van en naar het bedrijf. De conclusies uit rapport zij als volgt:

  • Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet in de representatieve bedrijfssituatie in de avond- en nachtperiode aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. In de dagperiode wordt de richtwaarde overschreden door vergunde geluidsbronnen, waarbij wordt voldaan aan de vigerende geluidsnorm. Geluidsreducerende maatregelen zijn praktisch niet mogelijk. Daarom wordt de geluidsbelasting aanvaardbaar en vergunbaar geacht.
  • Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is tijdens de afvoer van drijfmest met sleepslangen
    (3 dagen per jaar) op 1 woning hoger dan in de representatieve bedrijfssituatie. Deze situatie kan beschouwd worden als regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie en op maat vergund worden.
  • Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau is tijdens het inkuilen van voer hoger dan in de representatieve bedrijfssituatie. Deze situatie kan beschouwd worden als incident dat maximaal
    12 keer per jaar voor komt. Volgens het 12-dagencriterium wordt deze situatie aanvaardbaar geacht.
  • Het maximale geluidsniveau voldoet in de onderzochte situaties aan de grenswaarde. Het is praktisch niet mogelijk om aan de richtwaarde te voldoen.
  • De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet in de representatieve bedrijfssituatie in de avond- en nachtperiode aan de voorkeursgrenswaarde. In de dagperiode wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De geluidsbelasting wordt aanvaardbaar en vergunbaar geacht.
  • Tijdens het inkuilen van voer wordt de voorkeursgrenswaarde in zowel de dag- als avondperiode overschreden. Wel wordt voldaan aan de maximale grenswaarde. Omdat maatregelen praktisch niet mogelijk zijn en deze situatie maximaal 12 keer per jaar voorkomt, wordt deze aanvaardbaar en vergunbaar geacht.

De verplaatsing van de nieuwe inrit in noordelijke richting welke als uitgangspunt gehanteerd is in het akoestisch onderzoek zal pas uitgevoerd worden zodra de nieuwbouw van de ligboxenstal voor melkkoeien gerealiseerd wordt. In de huidige situatie hebben de bewoners van de betreffende woning op Marijenkampen 5 verklaard akkoord te gaan met handhaving van de bestaande situatie ten aanzien van de huidige bedrijfsvoering in relatie tot de bestaande inrit.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving.

4.1.5 Woon- en leefklimaat

Wanneer sprake is van het oprichten van gevoelige objecten of wanneer een inrichting wordt opgericht welke mogelijk hinder aan gevoelige objecten in de omgeving veroorzaakt is het van belang te onderzoeken of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een ontwikkeling kan niet plaatsvinden indien het niet aannemelijk is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

4.1.5.1 Woon- en leefklimaat op de locatie

Wanneer bij een ontwikkeling sprake is van het oprichten van gevoelige objecten op het gebied van geur, fijn stof en/of geluid dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten, waarmee verdere toetsing op dit gebied achterwege kan blijven.

4.1.5.2 Woon- en leefklimaat in de omgeving

Als bij een ontwikkeling wordt voorzien in een inrichting welke mogelijk leidt tot milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dan dient te worden aangetoond dat ter plaatse van de betreffende gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Op het gebied van geur, fijn stof en geluid dient nader te worden onderzocht of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geur" (paragraaf 4.1.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving. Ook zal er, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Luchtkwaliteit" (paragraaf 4.1.3) sprake zijn van een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de uitstoot van fijn stof en stikstofoxiden. Ten slotte zal, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Geluid" (paragraaf 4.1.4) geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidshinder aan de omgeving.

Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredig nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat ter plaats van gevoelige objecten in de omgeving en kan worden gesteld dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geborgd.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe Veiligheid heeft betrekking op de veiligheid rondom opslag, gebruik, productie en transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's dienen aanvaardbaar te blijven.

Het externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers.

In de wet is geregeld wanneer de verantwoordingsplicht van toepassing is. Omdat de wettelijke basis per risicobron verschilt, verschillen per risicobron ook de voorwaarden die verantwoording wel of niet verplicht stellen.

4.1.6.1 Risicovolle inrichtingen

Nabij de locatie bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Daarnaast geldt alleen voor bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de verantwoordingsplicht wanneer binnen het invloedsgebied een ruimtelijk besluit genomen wordt. Er is geen sprake van ligging binnen het invloedsgebied van bedrijven welke vallen onder Bevi.

In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0013.png"

Uitsnede Risicokaart.
Bron: risicokaart.nl

4.1.6.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen

Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevt zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.

De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over weg, water of spoor gelegen. De locatie is eveneens niet binnen het invloedsgebied van een (buis)leiding gelegen.

4.1.6.3 Groepsrisico

Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen.

De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Daarnaast neemt de personendichtheid niet toe. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.

4.1.7 Bodem

De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging.

Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.

4.1.8 Lichthinder

In melkveestallen wordt de laatste jaren steeds meer verlichting toegepast. Tezamen met hogere goot- en nokhoogtes en de toepassing van open zijgevels kan dit leiden tot meer lichtuitstoot naar de omgeving. Omwonenden kunnen hier hinder van ondervinden, met name in de avonduren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat een lichtbron effecten kan hebben op de flora en fauna in de omgeving. Om overlast te voorkomen dient daarom lichthinder zoveel mogelijk te worden tegengegaan.

Bij de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied die met dit plan mogelijke gemaakt worden gaat het in eerste instantie om de nieuwbouw van een jongveestal. Voor jongvee is geen lichtregime nodig waarbij lichthinder voor de omgeving zou kunnen ontstaan. Voor de op termijn te realiseren uitbreiding van de ligboxenstal voor melkkoeien zijn voldoende maatregelen beschikbaar om lichthinder tegen te gaan of te voorkomen.

Om lichthinder tegen te gaan zal bij de voorgenomen ontwikkeling zullen in ieder geval de volgende maatregelen aan de orde zijn:

  • Toepassen van specifieke lichtarmaturen die door vorm en spiegeloptiek van de armaturen lichtuistraling tegen gaan.
  • Lichtbronnen hoger ophangen dan de goothoogte.
  • Toepassen van lichtregime (alleen specifieke nachtverlichting tussen 22.00 en 06.00, donkerperiode van 8 uur per nacht voor de melkkoeien).
  • Toepassen van doeken/schermen aan de zijden van de stal van een donkerdere kleur (geen lichtdoorlatend transparant materiaal).
  • Terugbrengen van de lichtsterkte in de stal tijdens de avonduren (bij jongvee).

Hiermee zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige lichthinder aan de omgeving.

4.1.9 Voortoets MER-beoordeling

Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig.

In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt.

Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:

  • 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
    of
  • 2. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.

4.1.9.1 Omvang van het project

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in uitbreiding van een bestaande melkrundveehouderij. Ter plaatste worden na realisatie van het plan 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee gehouden worden.

Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geldt een drempelwaarde voor een toename met 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (RAV-cat. A1, A2 en A3).

Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan.

De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang. Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten.

Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.

4.1.9.2 Plaats van het project

De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) en de paragraaf "Archeologie en cultuurhistorie" (paragraaf 4.3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.

4.1.9.3 Kenmerken van het potentiële effect van het project

De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen "Milieuzonering", "Geur", "Luchtkwaliteit", "Geluid", "Woon- en leefklimaat", "Externe veiligheid" en "Bodem" (paragraaf 4.1.1 t/m 4.1.7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf "Ecologie" (paragraaf 4.2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden.

Een uitzondering hierop vormt de toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling zal geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf "Gebiedsbescherming" (paragraaf 4.2.1.1).

Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten.

4.2 Ecologie

4.2.1 Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang.

De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten.

Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.

4.2.1.1 Gebiedsbescherming

Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (De Weerribben) is gelegen op een afstand van ongeveer 4 kilometer van de locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0014.png"
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden
Bron: provincie Overijssel

Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee vergunning plichting in het kader van de Wet natuurbescherming

Op 3 september 2012 is voor het melkrundveebedrijf op de planlocatie een Natuurbeschermingswetvergunning 1998 verleend. De volgende dieraantallen zijn vergund:

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0015.png"

Met de voorziene nieuwbouw van de jongveestal zal er ten aanzien van de vergunde ammoniakemissie geen sprake zijn van uitbreiding. Ten behoeve van de gewenste huisvesting van een viertal paarden zal het overeenkomstige aantal stuks rundvee (jongvee en/of melkkoeien) minder gehouden worden zodat geen sprake zal zijn van uitbreiding ammoniakemissie.

De voorgenomen nieuwbouw van de ligboxenstal is gepland over 5 - 10 jaar. De huidige Natuurbeschermingswetvergunning heeft voldoende ruimte die benut kan worden binnen het bestemmingsplan. Mocht in de toekomst blijken dat de ruimte binnen de Natuurbeschermingswetvergunning niet meer volstaat dan zal een gewijzigde Natuurbeschermingswetvergunning vergunning worden aangevraagd bij het bevoegd gezag.

Op het moment dat de initiatiefnemer de jongveestal en de uitbreiding van de melkveestal gaat realiseren moet er voorafgaand aan de werkzaamheden de wijzigingsvergunning worden aangevraagd. De werkzaamheden mogen pas worden gestart als de vergunning verleend is.

Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.

4.2.1.2 Houtopstanden

Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.

Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die:

  • buiten de bebouwde kom-boswet liggen;
  • een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
  • rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.1.3 Soortenbescherming

De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben.

  • Vogelrichtlijn:
    Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort).
  • Habitarichtlijn:
    Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Nationaal beschermde soorten:
    Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen.
  • Zorplicht:
    Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren.

Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet Natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd.

Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk schadelijk is voor (leefgebieden van) in het plangebied en in de omgeving mogelijk aanwezige soorten flora en fauna is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Aequator Groen & Ruimte. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij dit plan.

De conclusies luiden als volgt:

  • De bouwwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van vogels aan te vangen om mogelijke overtreding van de Wet Natuurbescherming te voorkomen. In grote lijnen loopt het broedseizoen van half maart tot half juli.
  • Door in voldoende alternatieve nestgelegenheid te voorzien voor huismussen, blijven er nestmogelijkheden bestaan. De werkzaamheden leiden dan hooguit tot verstoring. Geadviseerd wordt om, ter verificatie, een ontheffing aan te vragen.
  • Er dient onderzocht te worden of er in het kleine te slopen huisje (waar zich nu jongvee bevind) verblijfplaatsen van vleermuizen zijn.
  • Het plangebied en de directe omgeving bieden mogelijk een geschikt foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Er is in de omgeving voldoende vergelijkbaar gebied aanwezig, zodat de plannen niet zullen leiden tot een significante aantasting van het foerageergebied.
  • Het plangebied vormt potentieel foerageergebied voor dassen en steenmarters. Er is in de omgeving voldoende alternatief foerageergebied. De plannen conflicteren dan ook voor wat betreft steenmarters niet met de Wet Natuurbescherming.

Het moment van de sloop van het betreffende kleine huisje waar mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn staat nog niet vast. Pas nadat de nieuwe jongveestal in gebruik genomen kan worden zal er in het kader van benodigde sloopmelding tijdig vleermuizenonderzoek verricht worden.

Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

Ten tijde van het opstellen van het flora- en faunaonderzoek in 2017 was onderzoek naar de egel nog niet verplicht. Ten tijde van het ter inzage leggen van het bestemmingsplan is deze verplichting er wel. Daarom heeft het onderzoeksbureau een aanvullende notitie opgesteld. Daaruit blijkt dat er geen functioneel leefgebied aangetast wordt of verblijfplaatsen van egels worden verstoord. Er wordt geen leefgebied doorsneden. Het buitengebied is en blijft voornamelijk graslanden en erven. Het habitat dat voor egels het meest relevant is zijn de houtwallen, slootranden en tuinen. Dit blijft intact. Zie voor de volledige notitie Bijlage 6 Notitie egel.

4.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.

Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur.

Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Het dichtstbijzijnd NNN-gebied is gelegen op een afstand van ongeveer 1.600 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0016.png"

Uitsnede kaart NNN.
Bron: Provincie Overijssel

Gezien de locatie niet in het NNN is gelegen zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op deze gebieden en staat het plan de ontwikkeling van deze gebieden niet in de weg.

4.2.3 Wet ammoniak en veehouderij

Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden. Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.

De Wav-gebieden zijn altijd gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit betekent niet dat alle NNN-gebieden ook zijn aangemerkt als Wav-gebieden, maar wel dat alle Wav-gebieden eveneens zijn aangemerkt als NNN-gebieden en ook als dusdanig zijn opgenomen op de betreffende kaart.

Zoals aangetoond in de paragraaf "Natuurnetwerk Nederland" (paragraaf 4.2.2) is de locatie niet binnen 250 meter van een NNN-gebied gelegen. Hiermee kan de locatie dus ook niet binnen 250 meter van een Wav-gebied gelegen zijn, waarmee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een onevenredige aantasting van de betreffende gebieden.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Archeologie

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.

Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente Steenwijkerland voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'hoge archeologische verwachting'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0017.png"

Uitsnede archeologische beleidskaart voor bewoningskernen en buitengebied.
Bron: Gemeente Steenwijkerland.

Volgens de vigerende beheersverordening geldt ter plaatse de 'Waarde-Archeologie 2'. Ten aanzien van deze gebieden stelt de gemeente in haar beleid dat nader onderzoek nodig is bij ingrepen van meer dan 2500 m² en indien deze zich bevindt buiten de bebouwde kom.

Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een ontwikkeling van meer dan 2500 m² waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

Hiermee kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten zullen worden geschaad.

4.3.2 Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang. Om de cultuurhistorisch waardevolle elementen in beeld te brengen is de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld door de provincie Overijssel.

Volgens de CHW, zoals weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie gelegen in de kop van Overijssel, bestaande uit een zand- en ruilverkavelingslandschap. Dit zijn cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen welke met voorgenomen ontwikkeling niet aangetast zullen worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0018.png"

Kaartfragment cultuurhistorische atlas met aanduiding planlocatie.
Bron: Provincie Overijssel / Het Oversticht

Gezien met de voorgenomen ontwikkeling geen van de cultuurhistorisch waardevolle elementen zal worden aangetast is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle elementen.

4.3.3 Aardkundige waarden

Het doel van het beleid met betrekking tot aardkundige waarden is om de ontstaansgeschiedenis van het aardoppervlak zichtbaar, beleefbaar en begrijpelijk te houden. Om aardkundige waarden te beschermen zijn aardkundig waardevolle gebieden aangewezen.

Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie nie in een aardkundig waardevol gebied gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0019.png"

Uitsnede kaart aardkundig waardevolle gebieden.
Bron: gemeente Steenwijkerland

Gezien de locatie niet in een aardkundig waardevol gebied is gelegen zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van aantasting van aardkundige waarden

4.4 Verkeer en parkeren

4.4.1 Infrastructuur en parkeren

Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Marijenkampen. De locatie is voorzien van twee inritten welke aansluit(en) op de openbare weg. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.

Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.

Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. Hierbij zal rekening worden gehouden met de capaciteit van de ontsluitingsweg, zodat geen situatie ontstaat waarbij meer verkeer over de ontsluitingsweg rijdt dan dat deze kan verwerken. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van aantasting van de bestaande infrastructuur.

In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van het project geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van het project zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van het project, geheel op eigen terrein plaatsvinden.

4.4.2 Verkeersbewegingen

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ontwikkeling van een bestaande melkrundveehouderij waarbij in eerste instantie een werktuigenberging en daarop volgend de vervangende nieuwbouw voor het jongvee gerealiseerd zal worden. Ook zullen nieuwe sleufsilo's aangelegd worden voor de opslag van ruwvoer. Hiervoor zullen de twee bestaande kuiplaten aan de voorzijde van het erf verwijderd worden.

In vergelijking met de huidige situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Het aantal dieren blijft in deze fases van de ontwikkeling gelijk. Het is aannemelijk dat er minder interne verkeersbewegingen plaatsvinden op het erf omdat de ruwvoeropslagen geclusterd worden.

Over 5 tot 10 jaar staat nieuwbouw van de ligboxenstal gepland voor uitbreiding van de melkkoeien met ca. 70 stuks. Hierdoor zal vanaf dat moment de melkproductie toenemen.

Bij uitbreiding van een melkveehouderij in het algemeen zal het aantal verkeersbewegingen niet in onevenredige mate toenemen. Er is meer krachtvoer nodig en er zal meer melk worden afgedragen, maar dit kan in dezelfde vrachtwagen plaatsvinden die dan voller wordt geladen. Er is alleen sprake van een extra levering van overige goederen.

Gezien de ligging van het bedrijf ten opzichte van omliggende bebouwing is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarbij o.a. ook het aspect verkeersbewegingen is beoordeeld (zie bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat in twee van de drie beoordeelde scenario's wordt voldaan aan de voorkeursgeluidsnormen. In één scenario overdag wordt deze norm licht overschreden. De overschrijding vindt alleen plaats op dagen dat er mest wordt afgevoerd. Tijdens het inkuilen van ruwvoer (situatie 3 volgens het akoestisch rapport) wordt de geluidsnorm overdag en 's avonds overschreden. In alle situatie wordt voldaan aan de maximale geluidsnorm. De geluidsbelastingen zijn zodoende aanvaardbaar en vergunbaar.

Naar aanleiding van de resultaten van het akoestisch onderzoek, adviseert het akoestisch bureau om de zuidelijke inrit 25 meter te verplaatsen naar het noorden. Initiatiefnemer gaat deze verplaatsing uitvoeren in combinatie met de realisatie van de laatste fase; de nieuwbouw/uitbreiding van de ligboxenstal voor melkkoeien.

4.5 Wateraspecten

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen en projecten van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan of project een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden.

Op 9 mei 2017 is de digitale watertoets uitgevoerd. Naar aanleiding van de uitkomsten van de watertoets heeft het waterschap Drents Overijsselse Delta aangegeven dat de normale procedure gevolgd dient te worden waarbij het waterschap een watertoetsdocument opsteld. De reactie op de watertoets en het watertoetsdocument is opgenomen in bijlage 7 en 8 en 9.

4.5.1 Bestaande waterhuishouding

Het plan ligt in het stroomgebied de boezem van Noordwest Overijssel. Het peilgebied heeft een maximumpeil van NAP -0.73 m. Opgemerkt wordt dat dit peil de instelhoogte van het kunstwerk is en zodoende voor het laagste deel van het peilvak de drooglegging garandeert. Lokaal kunnen dus (grote) verschillen optreden.

De hoogte van het maaiveld ligt gemiddeld op ongeveer NAP 7.80 m De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit zand en keileem ondergrond. De maximale grondwaterstand ligt op 40 – 80 (Gt VIo) cm onder het maaiveld. Er kunnen, door de aanwezigheid van slecht doorlatende lagen, schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.MARMarijenkamp16BP-VA01_0020.png"

Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied Marijenkampen 16

4.5.2 (Grond) wateroverlast

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van ontwikkeling van een melkrundveehouderij waarbij de bebouwing en verharding toeneemt..

Afkoppeling van het hemelwater zal plaatsvinden middels een gescheiden stelsel. Hierbij zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet op het riool worden afgevoerd, maar middels straatkolken en dakgoten worden afgevoerd naar infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen. Van belang daarbij is dat bij een ruimtelijke ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt ontwikkeld.

Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar de watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang (waterbergingscompensatie). Voor de mate van compensatie hanteert het waterschap de volgende richtlijnen:

Voor middelgrote plannen geldt als regel: 10% van het verharde oppervlak wordt ingezet als wateroppervlak ter compensatie voor de versnelde afvoer van het afstromende regenwater. In dit plan neemt de totale oppervlakte bebouwing en verharding toe met ca. 4.500 m2. Dit houdt in dat een waterbergend oppervlak van ongeveer 450 m2 moet worden aangelegd. Dit zal gerealiseerd worden in de vorm van verbreding van sloten langs de boomwallen die het erf omzomen.


Mogelijk is voor de gewenste waterbergingsvoorziening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een ontheffing op de Keur van het Waterschap en/of een Watervergunning in het kader van de Waterwet noodzakelijk. Mocht een dergelijke vergunning en/of ontheffing nodig zijn dan zal deze te zijner tijd worden aangevraagd.

Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:

  • zoveel mogelijk maatregelen getroffen om het waterverbruik zo gering mogelijk te laten zijn en verontreiniging van het regenwater en oppervlaktewater te voorkomen;
  • duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast;
  • een bergingsvoorziening gerealiseerd.

De locatie is voorzien van riolering, waar het afvalwater van de bedrijfswoning op wordt geloosd. Het bedrijfsafvalwater (afvalwater, reinigingswater stallen en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard) wordt opgevangen in de binnen de inrichting aanwezige mestkelders onder de stallen. De mestkelders beschikken over voldoende capaciteit hiervoor. In de voorgenomen activiteit wordt geen afvalwater geloosd. Al het opgevangen afvalwater wordt tegelijk met de mest afgevoerd en verwerkt.

Het hemelwater afkomstig van de voeropslagen op het bedrijf wordt opgevangen in een aparte voorziening, waarin ook de perssappen worden opgevangen. Hiermee wordt menging van hemelwater dat afstroomt op oppervlakte- en/of grondwater met perssappen voorkomen. Het hemelwater afkomstig van de voeropslag wordt tegelijkertijd met de perssappen afgevoerd en verwerkt.

Hiermee zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige aantasting van de waterhuishouding ter plaatse.

4.5.3 Waterkwaliteit en ecologie

In (stads)wateren wordt gestreefd naar een situatie met helder water en een rijke vegetatiestructuur met zowel in het oevercompartiment als het watercompartiment een aanzienlijke bedekking met ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en Helofyten

De inrichting van het watersysteem moet dusdanig zijn dat een overmatige toevoer van stikstof en/of fosfaat naar het ecosysteem, eutrofiëring (vermesting), wordt voorkomen. Bij de inrichting van het agrarische terrein wordt rekening gehouden met het 'activiteitenbesluit landbouw milieubeheer'. Er wordt gezorgd voor bemestings- en spuitvrije zones langs watergangen

Microverontreiniging wordt voorkomen doordat er geen materialen gebruikt worden die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt. Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan.

Schoon regenwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het stedelijke gebied. Minder schoon en vervuild regenwater, bijvoorbeeld vanuit de vaste mestopslag en of de ruwvoeropslagen geloosd op de drijfmestkelder onder de stal.

4.5.4 Riolering

Verminderen hydraulische belasting RWZI en beperking van (vuilwater) overstort. Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het regenwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van regenwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water.

Alleen schone oppervlaktes mogen worden gescheiden van de afvalwaterstroom. Er wordt een geen vervuild hemelwater geloosd op het oppervlaktewater.

4.5.5 Watervoorziening

Doelstelling t.a.v. de watervoorziening is het voorzien van de bestaande functie van water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Beperken nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water.

Als uitgangspunt ten aanzien van de relatie oppervlaktewater en grondwater geldt: geen onnodig diepe drooglegging en ontwatering. In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig.

Voorts is van belang een flexibel peilbeheer; een flexibel peil wordt toegepast en afgestemd op relatie oppervlaktewater en grondwater en op aanwezigheid van regenwateruitlaten en/of riooloverstorten

4.5.6 Verdroging / Vernatting

Doelstelling ten aanzien van verdroging / vernatting is het beschermen van karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden door de ontwikkeling/bescherming van rijke, gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. In het plangebied is geen sprake van de hiervoor genoemde ecologische waarden.Verdroging als gevolg van functiewijziging is niet aan de orde in dit planen een optimaal peil voor omliggende functies blijft gehandhaafd.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een nieuwe ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het project. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het project. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van projectkosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van projectkosten zeker te stellen.

Op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeente een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Bro zijn deze bouwplannen nader omschreven:

" Artikel 6.2.1

Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor:

  • a. de bouw van een of meer woningen;
  • b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
  • d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m2 bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
  • f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte."

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder sub b van de Wro, waarmee een exploitatieplan zou moeten worden opgesteld. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan, project of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • 2. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Voorliggend plan betreft de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Dit gebeurt op particulier initiatief.
De voor de uitbreiding benodigde grond is in eigendom van de initiatiefnemer. Doordat het plan een particulier initiatief is, heeft de gemeente Steenwijkerland hier verder geen kosten aan. De kosten om het bestemmingsplan aan te passen komen voor rekening van de initiatiefnemer. Zowel in de huidige als in de uiteindelijke bedrijfsomvang en -opzet is sprake van een volwaardige bedrijfsomvang. In bijlage 10 en 11 zijn de resultaten van de berekening van de bedrijfsomvang volgens de rekenmodule van Lei Wageningen University & Research opgenomen. In zowel de bestaande bedrijfsomvang als in de bedrijfsomvang die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt, is sprake van de categorie 'grote bedrijven'. Deze bedrijven zijn van een dusdanige omvang dat voor ongeveer 2,5 tot 5 arbeidsjaareenheden een gemiddelde toegevoegde waarde kan worden gerealiseerd.

De met de daadwerkelijke realisering gaande kosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Eventuele bijkomende kosten komen eveneens voor rekening van de initiatiefnemer.

Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit project een planschade-overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de procedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald, zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Steenwijkerland. Verder zal ook eventuele planschade in de separate overeenkomst worden geregeld.

Hiermee kan worden gesteld dat het project financieel haalbaar wordt geacht.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorliggend plan betreft een herziening van de beheersverordening "Buitengebied Steenwijkerland 2014" van gemeente Steenwijkerland en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De initiatiefnemer heeft een bijeekomst georganiseerd voor de buurt (14 december 2017) om zijn plannen kenkbaar te maken. Van deze bijeenkomst is een verslag opgenomen (bijlage 14) samen met de uitnodiging en de presentielijst (bijlagen 12 en 13). Tijdens deze informatiebijeenkomst zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen die een belemmering vormen voor dit plan. Daarmee kan de voorontwerpfase in de bestemmingsplanprocedure worden overgeslagen.

In maart 2020 heeft de initiatiefnemer opnieuw gesproken met de buurtbewoners van Marijenkampen 5 en 18. De initiatiefnemer heeft de plannen opnieuw mondeling doorgenomen. Uit dat overleg zijn ook geen beperkingen voortgekomen. Hier is geen verslag van gemaakt.

In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.

5.3 Handhaving

Een bestemmingsplan en/of een omgevingsvergunning is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in de omgevingsvergunning ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Steenwijkerland vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.

Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van een ruimtelijk project heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.

Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen

6.1 Doel en reikwijdte

Het bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is bepaald dat twee begrippen centraal staan. Dit zijn:

  • 1. goede ruimtelijke ordening;
  • 2. uitvoerbaarheid.

Als een plan aan deze twee eisen voldoet, voldoet het aan de wet.

Via een bestemmingsplan worden functies aan gronden gegeven. Vanuit de Wro volgt een belangrijk principe, namelijk toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan bepaalt uit te oefenen. Dit houdt in dat:

  • 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en;
  • 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsregels zijn hierbij mede van belang).

Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en kan daarbij regels geven voor:

  • 1. het bebouwen van de gronden;
  • 2. het verrichten van werken (aanleggen).

Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is niet het enige instrument. Andere wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Monumentenwet 1988, de Algemeen Plaatselijke Verordening, de Wet Milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitvoeren van het ruimtelijk beleid. Via overeenkomsten kan de gemeente met betrokken partijen aanvullende afspraken maken voor zover dat niet via het bestemmingsplan geregeld kan worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het zeker stellen dat bepaalde activiteiten ook werkelijk verricht worden om zo het toelatingskarakter van een bestemmingsplan aan te scherpen.

6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit 3 onderdelen. Dit zijn de toelichting, de planregels en de verbeelding (plankaart).

6.2.1 De toelichting

De toelichting wordt opgesteld volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hier staat, in het kort, dat in de toelichting verslag gedaan moet worden van de gemaakte keuzes in het plan. Voor een ontwikkelingsgericht plan vraagt dat een andere motivatie dan voor op beheer gerichte plannen (een plan kan ook zowel ontwikkelingsgericht zijn voor het ene deel en voor een ander deel beheergericht).

Ook moet ingegaan worden op het aspect water, de afstemming met andere overheden (indien nodig), het onderzoek voor zover nodig voor de uitvoerbaarheid en de wijze waarop inspraak is verricht (indien nodig). Als er bij het bestemmingsplan een milieu-effect rapport is gemaakt hoeft niet ingegaan te worden op monumentale en/of andere waarden in het plangebied noch de milieukwaliteit in het gebied, want dat gebeurt in dat geval in het milieu-effect rapport. Via de toelichting wordt zo inzicht gegeven in de twee eisen uit artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Centraal in de toelichting moet staan waarom de functies als opgenomen op de plankaart, met de bijhorende regels, de mogelijkheden bieden en waarom dit past op die locatie.

Bijlagen bij de toelichting:

Bij de toelichting kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan zelf. Omdat ze een onlosmakelijk onderdeel zijn van het bestemmingsplan kan de toelichting zelf kort van tekst blijven omtrent het desbetreffende onderwerp. Hierdoor blijft de toelichting zelf kort en daarmee leesbaar.

Algemene beleidsdocumenten hoeven vanwege het algemeen geldende karakter niet als bijlage opgenomen te worden bij het bestemmingsplan. Denk aan verschillende sectorale beleidsdocumenten als ook structuurvisies. Een toelichting moet, voor zover het beleidsstuk relevant is voor het plan, aangeven wat de relatie is tussen het bestemmingsplan en dat beleidsdocument.

6.2.2 De planregels

De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels:
    In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Deze begrippen zijn soms erg belangrijk voor een goed inzicht in de gebruiksmogelijkheden. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2) bepaald;
  • 2. Bestemmingsregels:
    In dit hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Als er voorlopige bestemmingen, nog uit te werken bestemmingen en/of dubbelbestemmingen zijn, worden die ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving, vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) afwijkingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik. Ten slotte zijn (eventuele) omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen, aangevuld met mogelijke wijzigingsbevoegdheden. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld;
  • 3. Algemene regels:
    In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter die gelden voor het hele plan. Deze moeten daarom altijd goed gelezen worden voordat op basis van de bestemmingregels interpretaties worden verricht. Voorbeelden van algemene regels zijn de anti-dubbeltelregel, algemene procedurebepalingen maar ook regels met betrekking tot mogelijke binnenplanse afwijkingen (een binnenplanse afwijking is, zoals het woord het al zegt, een afwijkingsmogelijkheid van de regels in het bestemmingsplan zelf, dit in tegenstelling tot 'buitenplanse' afwijkingen). In de algemene regels kunnen erg belangrijke bepalingen zijn opgenomen;
  • 4. Overgangs- en slotregels:
    In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

Bijlagen bij de planregels:

Bij de regels kunnen bijlagen opgenomen zijn. Die bijlagen maken een onlosmakelijk onderdeel uit van de regels.

6.2.3 De verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen zoals gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc.. Via de bijhorende regels in de planregels wordt bepaald wat hier wel en niet is toegestaan.

De verbeelding wordt ook wel plankaart genoemd. Dan wordt hetzelfde bedoeld. Belangrijk te weten is dat een digitaal bestand (een '.gml-bestand') leidend is. Dat digitaal bestand bepaalt waar welke bestemming ligt en waar welke aanduidingen etc. Een afgeleide van dat digitale bestand is bijvoorbeeld een '.pdf-bestand' of een papieren (analoge) verbeelding. Bij twijfel over een '.pdf-bestand' of een papieren versie van de verbeelding geeft het digitale bestand de juridische doorslag.

6.3 Voorliggend bestemmingsplan

Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende enkelbestemmingen:

  • 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf 1' met een functieaanduiding 'bouwvlak' ;
  • 'Agrarisch met waarden';

Daarnaast bevat het voorliggende bestemmingsplan de dubbelbestemming"

  • 'Waarde - Archeologie 2';

De voorwaardelijke verplichtingen ten aanzien van investeringen in ruimtelijke kwaliteit worden geborgd in de regels van het bestemmingsplan door het opnemen van specifieke regels daaromtrent in artikel 10 Algemene regels. Het betreft de voorwaardelijke verplichting in verband met:

  • sloop bedrijfsbebouwing;
  • verplaatsen paardenbak;
  • verplaatsen voeropslagen;
  • landschappelijke inpassing.

Dit plan kent verder geen noemenswaardige bijzonderheden. Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.1 van het Besluit omgevingsrecht (Bro).