direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Kallenkote, Gruttoweg 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding tot het plan

Aan de Gruttoweg 1 is een voormalige agrarische bedrijfslocatie aanwezig. De huidige eigenaar en tevens initiatiefnemer is actief binnen de agrarische sector en combineert dit onder andere met zorg. Het voornemen is om de locatie Gruttoweg 1 om te vormen naar een woon-zorg locatie waar een aantal bewoners permanent zullen verblijven.

Ter plaatse van het perceel Gruttoweg 1 is de beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 vigerend, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 9 december 2014. Het perceel heeft de bestemming 'Wonen - Buitengebied'. Voor een deel is de aanduiding 'Bijgebouwen' van toepassing en voor een deel de bestemming 'Tuin'. De gewenste zorgfunctie past niet in de regels bij deze bestemming.

De beheersverordening biedt geen mogelijkheid voor afwijking of wijziging van de regels om de zorgfunctie toe te kunnen staan. Om het initiatief mogelijk te maken is dit bestemmingsplan opgesteld. In dit plan wordt een actueel juridisch - planologisch kader geboden waar binnen deze ontwikkeling past en tevens wordt aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging projectgebied

Het plangebied is gelegen aan de Gruttoweg 1 te Kallenkote. De locatie is gelegen op ongeveer 2,5 kilometer van de kern Steenwijk. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland en kenmerkt zich door de laagveenontginningen uit het verleden.

Op de onderstaande afbeelding 1 is de locatie aangegeven. Op het linker plaatje is de ligging van het projectgebied ten noordwesten van Steenwijk te zien. Het rechter plaatje is een ingezoomde luchtfoto van de voormalige bedrijfslocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging projectgebied ter plaatse van de rode cirkel (links) en de ingezoomde luchtfoto (rechts)

1.3 Vigerende beheersverordening

De beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014, vastgesteld door de gemeenteraad van Steenwijkerland op 9 december 2014. In deze beheersverordening is de voor het buitengebied bestaande planologische situatie vastgelegd. Deze verordening is een wijziging van de door de gemeenteraad op 18 juni 2013 vastgestelde beheersverordening. Na vaststelling van deze laatste verordening is gebleken dat een aantal percelen/situaties niet goed waren opgenomen in deze beheersverordening. Dit is met de vaststelling van de Beheersverordening Buitengebied Steenwijkerland 2014 hersteld.

Het bestemmingsvlak wonen op de verbeelding van de Beheersverordening heeft een omvang van circa 1,4 hectare. Zie voor de ligging van het bestemmingsvlak afbeelding 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0002.png"

Afbeelding 2.1: Uitsnede verbeelding beheersverordening

De locatie heeft de bestemming 'Wonen - Buitengebied' met (deels) de aanduiding 'bijgebouwen' en 'Bouwvlak'. Ingevolge artikel 32.1.1 onder a. zijn de voor 'Wonen - Buitengebied' aangewezen gronden bestemd voor 'Wonen' en is een woning alleen toegestaan binnen het bouwvlak en bijbebouwen alleen ter plaatse van de aanduiding bijgebouwen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de bestaande situatie en de beoogde ontwikkeling, waarbij ook de stedenbouwkundige randvoorwaarden en de landschappelijke inpassing aan bod zullen komen. Hoofdstuk 3 gaat in op het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. In hoofdstuk 4 zijn de resultaten van de relevante milieuonderzoeken opgenomen. De juridische vormgeving is als hoofdstuk 5 opgenomen. In hoofdstuk 6 wordt ten slotte ingegaan op de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is op de locatie Gruttoweg 1 sprake van een 'woonbestemming' met voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, opslagen en erfverharding. De agrarische bedrijfsactiviteiten in de vorm van de voormalige melkveehouderij zijn beëindigd. Er is nu alleen nog een toestemming verleend voor het houden van vrouwelijk jongvee binnen de bestaande stal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0004.png"

Afbeelding 2.1: voor- en zijaanzicht huidige situatie

Binnen de projectlocatie zijn in de huidige situatie de volgende gebouwen aanwezig:

  • 1. Ligboxenstal voor melkvee;
  • 2. Werktuigberging;
  • 3. (voormalige) Bedrijfswoning;
  • 4. Mestzak.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0005.png"

Afbeelding 2.2: luchtfoto huidige situatie

Naast deze gebouwen is er in totaal is er 6.416 m2 erfverharding aanwezig. De locatie is aan drie zijden omgeven door hoog opgaande beplanting. Hierdoor worden de meeste gebouwen en bouwwerken aan het zicht ontrokken en voegt het erf zich prima in het landschap van laagveenontginning.

Laagveenontginning

Het plangebied behoort tot het laagveengebied van de kop van Overijssel. Voordat de eerste bebouwing ontstond, was deze omgeving een nat en moerassig gebied aan de voet van het hoger gelegen Drents Plateau. De eerste bebouwing in deze streek verrijst steeds nabij natuurlijke afwateringen op de door verstuivingen en afzettingen verhoogde gronden. Deels door vervening, deels door alleen ontwatering. Kenmerkende zonering van intensief gebruik langs de bewoonde randen en extensief gebruik naar het achterland. Boerderijen zijn gevestigd langs vaarten en wegen. Polder Mastenbroek en polder van Staphorst en Rouveen zijn de nationaal bekende iconen van het Overijsselse laagveenontginningslandschap. Het landschap presenteert zich in diverse verschijningsvormen. Enerzijds het kleinschalige slagenlandschap van Staphorst en Rouveen, met zijn langgerekte uitwaaierende kavels en houtwallen (els, berk, eik). Anderzijds is de rationeel verkavelde en ingerichte polder Mastenbroek met zijn lineaire poldergrid en boerderijlinten ook onderdeel van dit landschap. Daarnaast zijn er open veenweidegebieden, natuurlijke gebieden en open water. Ook de bijbehorende bebouwingsstructuur en typologie verschilt sterk van elkaar: in het slagenlandschap linten van bebouwing, vanwaar uit de verkaveling zich opstrekt en in polder Mastenbroek de boerderijen op terpen langs het lineaire grid. Op delen van de laagveenrestanten is door menselijk handelen een ‘kraggenlandschap’ ontstaan herkenbaar aan de afwisseling van sloten, open water en land.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0006.png"

Afbeelding 2.2: laagveenontginningslandschappen in Overijssel (Bron: provincie Overijssel).

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer heeft het plan opgevat om van de voormalige veehouderijlocatie aan de Gruttoweg 1 een woon-zorg locatie te maken. Hierbij is het de bedoeling de bestaande gebouwen van de voormalige veehouderij te saneren en hier een nieuw gebouw voor in de plaats te realiseren. De voormalige bedrijfswoning zal naast deze nieuwe functie in eigendom blijven bij de huidige eigenaar als reguliere woning.

Het nieuwe woon-zorg gebouw zal plaats bieden aan 13 bewoners. Op afbeelding 2.3 is een impressie te zien van het toekomstige gebouw. De bewoners zullen een groot deel van de dag naar dagbesteding gaan in de omgeving van de locatie. Bewoners zullen dit per fiets gaan doen of het vervoer zal plaatsvinden met taxi of auto. Er wordt 24-uurs zorg verleend aan de bewoners door permanente aanwezigheid van in ieder geval één zorgmedewerker.

Het beoogde ontwerp van het gebouw sluit aan bij de traditionele bouwvorm in het landelijk gebied van één bouwlaag met kap. Uitvoering in een gedekte kleur met hout elementen zorgt voor een rustige uitstraling van het gebouw.

In paragraaf 3.2.2 wordt uitgebreider ingegaan op het initiatief in relatie tot de kwaliteitsimpuls groene omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0008.png" Afbeelding 2.3: impressie nieuw te realiseren woon-zorg gebouw (Bron: Rombou)

2.3 Landschappelijke inpassing

De gemeente Steenwijkerland kent een grote variatie aan landschapstypen. Kenmerkend zijn de contrasten in het landschap door de afwisseling in bodemgesteldheid, open en besloten delen, droge en nattere delen en reliëf.

Met als basis de ondergrond, komen binnen de gemeente Steenwijkerland drie grote landschappelijke eenheden voor, te weten het zandlandschap, het veenlandschap en het (zee)kleilandschap. Binnen deze hoofdindeling is een aantal landschapstypen ontstaan. Het plangebied ligt in het laagveenontginningsgebied. In paragraaf 3.2.1 wordt de ligging in dit gebied verder beschreven.

Voor het initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Deze inpassing is bijgevoegd als Bijlage 1. In deze paragraaf worden de opzet van de erfinrichting en de beplanting verder beschreven.

Opzet landschappelijke inpassing

Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing zijn de wensen van initiatiefnemer en verschillende overkoepelende aspecten (maatschappelijk, energie, klimaat, biodiversiteit), gecombineerd in een integraal plan.

De basis voor de uitwerking van het erfinrichting en beplantingsplan wordt gevormd door het programma van eisen voor de huisvesting. Hierbij is het van groot belang dat de bewoners voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen en zich op hun gemak voelen. Dit is vertaald naar een praktisch en functioneel plan waarin zowel de wensen van initiatiefnemer als de verschillende overkoepelende aspecten (maatschappelijk, energie, klimaat, biodiversiteit), met oog voor mens en natuur gecombineerd zijn.

Zoals bekend is naast het erf van de voormalige veehouderij nog een woning gelegen van derden. Deze woning is meegenomen in de nieuwe erfopzet om het nieuwe erf de uitstraling van een eenheid te geven. De beide gebruiksfuncties vormen ogenschijnlijk één agrarisch bedrijf maar hebben in de praktijk geen functionele relatie met elkaar. Door de positionering van de nieuwe bijgebouwen en de tuin tussen de bijgebouwen en het nieuwe woonzorggebouw wordt enige afstand tussen de beide gebruiksfuncties gecreëerd.

De afstand tussen de bestaande woning en het nieuwe woonzorggebouw is zorgvuldig afgewogen en minimaal benodigd om de nodige privéruimte te bewerkstelligen, waarmee het goede woon- en leefklimaat blijft gewaarborgd.

Daarnaast ontstaat op deze manier ruimte om de woonzorglocatie op een praktische manier te ontsluiten. Door gebruik te maken van een lus is het voor het af- en aanrijdend verkeer niet nodig achteruit te manoeuvreren, wat de doorstroming en veiligheid ten gunste komt.

Het bijgebouw van de woonzorglocatie vormt hier tevens een extra scheiding naar de privéruimte van de bestaande woning. Het parkeren en een groot deel van de verkeersbewegingen wordt zo aan het zicht onttrokken en ook de geluidsoverdracht zal minder zijn.

De afstand van het hoofdgebouw tot de randen van het erf is rondom ongeveer gelijk, waarmee een rustige verhouding ontstaat en ook voldoende lichtinval in de appartementen mogelijk is. Het totaal draagt bij aan de voor de bewoners benodigde rust en ruimte.

Ook de architectuur van de nieuwbouw speelt een belangrijke rol in de toevoeging van kwaliteit op het erf. De architectuur van de gebouwen richt zich namelijk op de bouwvorm die kenmerkend is voor het buitengebied. Voor het hoofdgebouw wordt een eenvoudig lineair volume als dat van de huidige ligboxstal ontworpen. De bijgebouwen krijgen de vorm van een kapschuur. Er wordt gebruik gemaakt van een beperkt aantal eenvoudige materialen gecombineerd met rustige gedekte kleuren. Op deze manier wordt in zijn totaliteit een gebiedseigen erf met een karakteristieke uitstraling gecreëerd.

Door de ontwikkeling zal ten opzichte van de huidige situatie een groot deel van de bestaande verouderde bebouwing en erfverharding verdwijnen. Het totale verhard oppervlak (bebouwing + terreinverharding) zal ten opzichte van de huidige situatie dalen van 6.416 m2\ naar 2.888 m2, een afname van 3.528 m2 (55%).

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0009.png"

Afbeelding 2.4: landschappelijke inpassing

Opzet erfbeplanting

Om de nieuwe bebouwing in te passen wordt de aan de zuidwestzijde van het perceel gelegen in verval geraakte houtwal grondig gesnoeid en ingeboet. De aan de noordoostzijde gelegen recent aangelegde houtwal wordt op een zelfde manier aangepakt.

Ter hoogte van de verblijfsruimten van het woonzorggebouw worden bomenrijen langs het perceel aangeplant. Hiermee wordt de bebouwing van buitenaf aan het zicht onttrokken en verkrijgen de bewoners, tussen de bomen door, uitzicht op het landschap. Op de hoeken aan de achterzijde van het perceel wordt een houtwal aangelegd waarin geen overstaanders worden opgenomen. Door de beplanting hier vaker te verjongen kan deze lager worden gehouden dan de voorgenoemde houtwallen.

Daarnaast worden op het erf diverse landschapselementen toegevoegd. Het gebruik van verschillende (fruit) bomen en struiken in combinatie met het toevoegen van kruidenrijk grasland en een waterelement in de vorm van een poel zal leiden tot een toename van de biodiversiteit op het erf. De aanleg van de poel en de afname van verharding zorgt voor een erf waar regenwater gemakkelijk kan infiltreren in de bodem.

Deze ruime tuin biedt de bewoners bovenal een plek om te kunnen wandelen en waar de rust van het buitengebied kan worden ervaren.

2.4 Verkeer en parkeren

Voor de ontsluiting van het perceel wordt een nieuwe ontsluiting aangelegd op de Gruttoweg. Zo worden de verkeersbewegingen voor de bestaande woning en het woon-zorg initiatief van elkaar gescheiden. Dit is verder van geen betekenis voor de bestaande wegenstructuur van de Gruttoweg.

De bewoners zelf hebben geen beschikking over motorisch vervoer. Om het vervoeren van de bewoners soepel te laten verlopen wordt een 'rondje' aangelegd met een 8-tal parkeerplaatsen. Zo kan tijdens de drukke periodes het verkeer snel worden afgewikkeld en is er voldoende ruimte voor het parkeren.

In bijlage 1 van de parkeernota Steenwijkerland 2015 is omschreven welke minimaal aantal parkeerplaatsen per functie gerealiseerd moet worden. In dit geval betreft het de hoofdgroep 'Gezondheidszorg en (Sociale) voorziening (diverse normen). Het woonzorg complex staat niet tussen de genoemde functies maar is qua aard en omvang vergelijkbaar met een 'penentiare inrichting per 10 cellen'. In het geval van het planvoornemen gaat het om 13 woningen (30% meer). Voor het buitengebied geldt voor 13 bewoners dan 3,4 * 1,33 = 4,6 parkeerplaatsen. Zoals hier boven is aangegeven wordt met 8 te realiseren parkeerplaatsen ruimschoots aan de norm voldaan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (NOVI),

Het Rijk bereidt momenteel de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) voor, waarin nationale belangen en opgaven inzake onze leefomgeving zijn vertaald in strategische keuzes. In de basis hebben deze een nationaal karakter, maar de NOVI voorziet aanvullend in gebiedsgericht maatwerk. hoewel de NOVI formeel nog geen status heeft en daarmee geen formele zeggingskracht over dit planvoornemen, is het wel zinvol om dit beleidskader in dit verband te schetsen, met een focus op de beoogde ontwikkeling van het landelijk gebied.

Samengevat zijn binnen de NOVI de opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk vertaald in vier integrale prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkelingen van het landelijk gebied

Dit projectvoornemen is dusdanig gering dat het niet te scharen valt onder één van de vier integrale prioriteiten van de NOVI. Wél draagt het bedrijf van initiatiefnemers bij aan de energietransitie gezien de 1.100 zonnepanelen die zijn geplaatst en het pilotproject met de accu's. Om deze reden kan het projectvoornemen als toekomstbestendig worden gezien met betrekking tot de toekomstige vaststelling van de Omgevingswet.

Ladder van duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waardoor een nieuwe Laddersystematiek geldt. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en efficiënt ruimtegebruik. Hierbij moet de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling worden aangetoond.

Om een ontwikkeling naar behoren te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

Bij het beschrijven van de behoefte moet worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar deze ontwikkeling (de komende tien jaar, dit is de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

De “Ladder voor duurzame verstedelijking” is van toepassing bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Over de definitie "nieuwe stedelijke ontwikkeling' zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken gedaan.

In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden.

In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat ontwikkelingen en regelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren of verplaatsen, zoals de Ruimte voor ruimte regelingen, niet gezien worden als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder.

Toets

Het planvoornemen betreft de realisatie van een woon-zorg gebouw voor het huisvesten van 13 bewoners die onder permanent zorg toezicht staan van een beheerder.

In deze specifieke situatie is sprake van een voormalig agrarische bedrijfslocatie waar inmiddels een woonbestemming aan is toegekend. Met de voorgenomen functiewijziging worden de bestaande opstallen en erfverharding gesloopt en verwijderd. Dit leidt tot een afname van 3.528 m2 van bebouwing en verharding ten opzichte van de bestaande situatie (6.416 m2).

Gelet op deze functiewijziging in combinatie met substantieel minder ruimtebeslag van de nieuwe (zorg) functie kan gesteld worden dat hier naar aard en omvang geen sprake is van een nieuwe (andere) stedelijke ontwikkeling.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

De omgevingsvisie Overijssel is de provinciale integrale visie voor de fysieke leefomgeving. In de visie worden de ambities en doelstellingen aangegeven die van provinciaal belang zijn.

De Omgevingsverordening bevat regels die gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen in acht moeten nemen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomst vaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuze waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief);
  • versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit.
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur door multifunctioneel en complementair ruimtegebruik (zowel boven- als ondergronds), hergebruik en herbestemming van vrijkomend vastgoed (in stedelijk en landelijk gebied) en het concentreren van ontwikkelingen rond bestaande infrastructuurknooppunten;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kan aan de hand van deze drie stappen bepaalt worden of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan.

Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. De onderstaande figuur geeft dit schematisch weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0010.png"

Hierna worden de lagen nader toegelicht.

Of - generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuze om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuze om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoren locaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen.

In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. Een deel van deze beleidskeuzes geldt voor heel Overijssel, een deel voor specifieke gebieden in Overijssel.

Waar - ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheid de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voordat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

Hoe - gebiedskenmerken

Tenslotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn dan ook in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemer kan zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

Toetsing

Generieke beleidskeuzes (of)

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening Overijssel 2021. In de paragraaf 3.3.2 Omgevingsverordening' wordt nader op deze beleidskeuzes ingegaan.

Ontwikkelingsperspectieven (Waar)

Het projectgebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief 'Agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap'.

Omdat het hier niet gaat om een agrarische onderneming wordt verder ingezoomd op de 'thematische beleidskeuzes' die van toepassing zijn, in dit geval vrijkomende agrarische bebouwing (10.2.3.3)

10.2.3.3 Vrijkomende Agrarische Bebouwing

Strekking van het beleid:

Gemeenten maken gebiedsgerichte beleidskeuzes over de locaties en functies waar herontwikkeling van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk is. De afwegingen voor die beleidskeuzes zijn gebaseerd op het aanbod van kavels, de marktvraag, meerwaarde voor de omgeving, cultuurhistorische waarden en het belang van vitale gemeenschappen. Wij vragen gemeenten in hun omgevingsvisie gebiedsgerichte keuzes te maken met een koppeling naar het gemeentelijk beleid voor wonen en bedrijventerreinen.

Bij de bouw van nieuwe panden in het agrarisch gebied is het belangrijk om al tijdens de bouw na te denken over toekomstige sloop, bijvoorbeeld door demontabel te bouwen of dit mee te nemen als voorwaarde bij de vergunning

Toelichting:

Door bedrijfsbeëindiging en schaalvergroting ontstaat er de komende jaren een groot overaanbod van vrijkomende bedrijfsgebouwen, verspreid over het landelijk gebied. Met name de verouderde bedrijfsgebouwen van na 1970 zijn een reden tot zorg, want voor deze gebouwen is nauwelijks een markt of vervolgfunctie. Wij vragen gemeentes om gebiedsgericht keuzes te maken voor herontwikkeling van die locaties.

Leegstaande gebouwen zijn primair de verantwoordelijkheid van de ondernemers. Gebouwen die zonder vervolgfunctie leeg blijven staan zal de eigenaar zelf moeten beheren of slopen. De provincie ondersteunt initiatieven die gericht zijn op vereenvoudigen en versnellen van sloop en asbestsanering van bedrijfsgebouwen zonder perspectief op een vervolgfunctie.

Ook bij dit initiatief is sprake van een locatie met leegstaande verouderde gebouwen. Door deze te slopen en een nieuwe vervolgfunctie toe te kennen in de vorm van een zorgfunctie in combinatie met een zorgvuldige inpassing kan hier een nieuwe invulling aan gegeven worden. De gemeente heeft dit ook meegenomen in de beleidsnotitie Buitengebied. toetsing aan dit beleid is opgenomen in paragraaf 3.3.3. Het plan in in overeenstemming met het ontwikkelingsperspectief en de thematische beleidskeuzes.

Gebiedskenmerken (4 lagen benadering) (Hoe)

De aanwezige gebiedskenmerken zijn onderscheiden in vier lagen:

  • 1. Natuurlijke laag (in en op de bodem)- Laagveengebieden
  • 2. Laag van het agrarisch cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem) - Laagveenontginning
  • 3. Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur) - informele trage netwerk / verspreide bebouwing
  • 4. Laag van de beleving - Donkerte

Iedere laag wordt door de provincie in de Catalogus Gebiedskenmerken verder uitgewerkt.

Natuurlijke laag - Laagveengebieden

In de natuurlijke laag zijn de laagveenmoerassen in de zoetwaterdelta van IJssel, Vecht en Zwarte Water nationaal en internationaal gezien bijzonder. Ambitie is de Wieden en Weerribben als grootste laagveenmoeras van Europa, aan elkaar verbinden via een brede overgangszone en ontwikkelen als een groot aaneengesloten (half) natuurlijk vaar- en recreatielandschap, met hoge biodiversiteit, met aanliggende kernen als poorten naar de natuur. Ook in de overige veenweidelandschappen is een hoog waterpeil van belang om inklinking tegen te gaan. Het open karakter is zowel ruimtelijk waardevol, als voor weidevogels en ganzen.

Het voorliggende project belemmerd het plan, om de Wieden en Weerribben als grootste laagveenmoeras van Europa aan elkaar te verbinden, niet. Ook heeft het project geen effect op het waterpeil van de veenweidelandschappen.

Laag van het agrarische cultuurlandschap - Laagveengebieden

Voor wat betreft het agrarisch cultuurlandschap is sprake van een ‘ laagveenontginningen’.

De norm in dit gebied is dat:

  • De laagveenrestanten een beschermende bestemmingsregeling krijgen, gericht op instandhouding van de ­waterkwaliteit en de natuurkwaliteit;
  • De overige delen van de laagveengebieden een beschermende bestemmingsregeling krijgen, gericht op behoud van het veenpakket en het waterpeil is hier niet lager dan voor graslandgebruik noodzakelijk is.

De ambitie is de cultuurhistorische kwaliteiten van het laagveenlandschap zoveel als mogelijk in stand te houden en beleefbaar te maken. De grote open ruimtes, het patroon van sloten met beplantingen, de vochtige bloemrijke weides met weidevogels geven dit landschap grote belevingswaarde. De grondgebonden landbouw is de drager van deze kwaliteiten, echter een nieuw perspectief op een gebiedsgerichte bedrijfsvoering - eventueel in combinatie met andere functies - is voor de toekomst van deze gebieden zeer wenselijk.

De nieuwbouw wordt landschappelijk ingepast, waarbij de structuur en schaal van het laagveenlandschap wordt gerespecteerd.

Stedelijke laag - verspreide bebouwing

In de 'stedelijke' laag is ook aandacht voor verspreide bebouwing in het buitengebied. Agrarische erven hebben namelijk van oudsher een sterke binding met het landschap. Bij de transformatie van deze erven vervalt vaak deze vanzelfsprekende samenhang. Nieuwe functies bepalen het aangezicht. De ambitie is om binnen de robuuste erfensembles die vrijkomen ruimte te creëren voor andere functies, mits dit bijdraagt aan lokale / regionale sociaal-economische ontwikkeling. Door voort te bouwen op de karakteristieken en kwaliteiten van de vaak eeuwenoude erven, wordt dit als unieke kans gezien om echt Overijsselse woon/werk, recreatie- en zorgmilieus te ontwikkelen. Norm voor de ontwikkeling van nieuwe erven dat dit bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit overeenkomstig de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO).

Het nieuwe erf behoud dezelfde omvang en is dus even robuust aanwezig in het landschap als nu het geval is. De toets aan het KGO komt aan de orde in paragraaf 3.2.2.

Laag van de beleving

In de laag van de beleving wordt het projectgebied aangemerkt als "Donkerte". Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige ‘donkere’ gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze ‘s nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de ‘lichte’ gebieden.

Het planvoornemen betreft de sloop van bestaande gebouwen en de realisatie van een zorggebouw. De verlichting vanuit dit nieuwe gebouw naar omgeving is minimaal. In de avond en nacht brand er praktisch geen licht omdat bewoners dan slapen. Verder brand de buitenverlichting buiten het gebouw gewoonlijk niet. Alleen bij af- en aanrijdend verkeer of beweging zullen sensoren (tijdelijk) de lichten ontsteken.

Conclusie

De functiewijziging en bouw van het nieuwe woon-zorg gebouw wordt landschappelijk ingepast. Hierbij zijn de aanwezige natuurlijke kwaliteiten in acht genomen.

De planlocatie ligt in een gebied waar op grond van de Omgevingsvisie ruimte is voor functiewijziging binnen de bestaande contouren van het erf.

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskeuzes en uitgangspunten van de provincie Overijssel welke zijn vertaald in de omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor de onderwerpen waarvoor de provincie hecht aan de juridische borging van de doorwerking van het Omgevingsvisiebeleid.

In dit geval zijn bij de afweging onder andere de artikelen 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) en 2.1.6. (KGO) van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Dit wordt in onderstaande tekst nader toegelicht.

2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit

Lid 1

In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

Lid 2

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.

Lid 3

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

Lid 5

In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toetsing

Ten behoeve van de inpassing van de nieuwe bebouwing is een erfinrinchtingsplan opgesteld. De landschappelijke inpassing is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken (zie ook paragraaf 3.2.1). Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit op het erf versterkt en dat passend is binnen het ontwikkelingsperspectief. Daarnaast is in paragraaf 3.2.1 beschreven hoe invulling is gegeven aan het 'Uitvoeringsmodel' en de van toepassing zijnde 'Gebiedskenmerken'. Het initiatief is in overeenstemming met artikel 2.1.5 van de omgevingsverordening.

2.1.6 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO)

De kern van KGO is dat nieuwe ontwikkelingen (voor zover niet strijdig zijn met het generieke ruimtelijke beleid voor Overijssel) worden toegestaan als de geboden ontwikkelruimte in balans is met de investering in ruimtelijke kwaliteit. Het financiële voordeel dat een ontwikkelaar heeft bij de opwaardering van zijn grond als gevolg van de bestemmingswijziging, moet worden ingezet voor investeringen in ruimtelijke kwaliteit.

Onder het toepassingsbereik van de kwaliteitsimpuls vallen ook die gevallen van hergebruik van vrijkomende agrarische bouwpercelen waarbij de nieuwe functie vraagt om ingrijpende aanpassing van de bestaande bebouwing en de bestaande erfinrichting. In die gevallen is de inpassing van de functie op basis van de gebiedskenmerken onvoldoende en wordt een extra investering verwacht in de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Daarnaast geldt dat bepaalde functies op zich al aanleiding kunnen zijn voor de toepassing van de kwaliteitsimpuls, omdat deze als minder passend moeten worden beschouwd gelet op de ligging in de Groene Omgeving (vanwege de verkeersaantrekkende werking, het industriële karakter en dergelijke).

Op grond van artikel 2.1.6 van de Omgevingsverordening zijn grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving uitsluitend toegestaan indien hier sociaal-economische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Naast deze basisinspanning kan het zijn dat er aanvullende kwaliteitsprestaties nodig zijn. Voor het bepalen van de mate van aanvullende kwaliteitsprestaties gelden drie variabelen:

  • 1. Is de ontwikkeling ‘gebiedseigen’ of ‘gebiedsvreemd?’;
  • 2. Wat is de schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving?; en
  • 3. Dient het initiatief een eigen belang, of ook maatschappelijke belangen?

Maatschappelijk belang

De zorg die verleend gaat worden richt zich specifiek op mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking die voor langere tijd op de locatie kunnen blijven wonen. Zo willen initiatiefnemers een stabiele woongroep opzetten. Hier hebben de bewoners veel baat bij.

Deze locatie aan de Gruttoweg heeft voor deze specifieke doelgroep nog een grote meerwaarde. Door deze locatie te kiezen hebben de bewoners de mogelijkheid om te wonen en werken op twee verschillende locaties. Groot voordeel hiervan is dat het sociale netwerk van de bewoners op deze manier wordt vergroot. Een maatschappelijk zeer relevant aspect gezien het feit dat de sociale kring van mensen met de zorgvraag waar het hier om gaat vaak erg klein is.

De bewoners zullen een groot deel van de week naar dagbesteding gaan in de omgeving van de locatie. In de huidige situatie vindt dagbesteding van initiatiefnemer plaats op drie verschillende locaties in de omgeving van de Gruttoweg (Kallenkote - twee locaties, en Wapserveen).

Als de bewoners voor deze locaties kiezen blijft afstand tussen woonplek en dagbesteding (relatief) klein. Niet alleen voor de bewoners maar ook voor het aanbieden van zorg is dit een groot pluspunt. De lijnen tussen het zorg en wonen blijft op deze manier kort. Zo kan optimale zorg worden geboden aan de bewoners.

Bewoners bij wie het verantwoord is kunnen gemakkelijk met de fiets naar de dagbestedingslocaties gaan. In overige gevallen kunnen bewoners met de auto en/of taxibusjes makkelijk worden vervoerd naar de betreffende dagbesteding. Hier is met het ontwerp van de nieuwe erfindeling ook rekening mee gehouden.

Een ander aspect is de kracht van een locatie in het buitengebied. De rust en regelmaat die hier heerst en ervaren wordt is niet te vergelijken met een locatie binnen de bebouwde kom. Deze rust en regelmaat is voor de specifieke doelgroep die geselecteerd gaat worden een enorm pluspunt. Gelet op de vaak complexe zorgvraag en het feit dat hier voor een leven lang mee omgegaan moet worden is een rustige plek, zonder veel externe prikkels, de meest optimale locatie.

Erfopzet

Ten opzichte van de huidige situatie zal een groot deel van de bestaande verouderde bebouwing en erfverharding verdwijnen. Het totale verhard oppervlak (bebouwing + terreinverharding) zal ten opzichte van de huidige situatie dalen van 6.416 m2 naar 2.888 m2, een afname van 3.528 m2 (55%).

Zoals bekend is naast het erf van de voormalige veehouderij nog een woning gelegen van derden. Deze woning is meegenomen in de nieuwe erfopzet om het nieuwe erf de uitstraling van een eenheid te geven.

Kwaliteitsinvestering

Extra kwaliteit wordt op verschillende manieren toegevoegd aan het erf. De bestaande verouderde bebouwing en erfverharding wordt verwijderd. Hier voor in de plaats komt een nieuw en modern zorggebouw en worden diverse landschapselementen toegevoegd zoals een poel (125 m2), boomgaarden, voedselbosjes, kruidenrijk grasland en wordt de bestaande houtwal op een aantal plekken versterkt. Dit opgenomen en weergegeven in de landschappelijk inpassing (Bijlage 1) en toegelicht in paragraaf 2.2

Ook de architectuur van de nieuwbouw speelt een rol in toevoeging van kwaliteit op het erf. De architectuur van de gebouwen richt zich namelijk op de bouwvorm die kenmerkend is voor het buitengebied. Voor het hoofdgebouw wordt een eenvoudig lineair volume als dat van de huidige ligboxstal ontworpen. Het bijgebouw krijgt de vorm van een kapschuur. Zie voorbeeld in paragraaf 2.2.

Er wordt gebruik gemaakt van een beperkt aantal eenvoudige materialen gecombineerd met rustige gedekte kleuren. Op deze manier wordt in zijn totaliteit een gebiedseigen erf gecreëerd.

Integrale benadering

Met dit planvoornemen komen verschillende overkoepelende aspecten (maatschappelijk, energie, klimaat, biodiversiteit) samen in een integraal plan. Zoals hierboven is omschreven moeten bewoners voldoende ruimte nodig hebben om te kunnen bewegen en zich op hun gemak voelen. Essentieel hiervoor is de ruim opgezette tuin met diverse elementen zoals de poel en voedselbosjes waar rustig gewandeld kan worden en bewoners de rust van het buitengebied kunnen ervaren.

Het gebruik van verschillende (fruit) bomen en struiken in combinatie met het toevoegen van een waterelement in de vorm van een poel zal dit leiden tot veel meer biodiversiteit op het erf dan nu het geval is. Het toevoegen van de poel en afname van verharding zorgt voor een erf waar een toename van regenwater gemakkelijk een plek kan vinden door infiltratie in de bodem of naar de poel. Het woongebouw wordt energieneutraal uitgevoerd. Doormiddel van zonnepanelen kan het gebouw in ieder geval in haar eigen energiebehoefte voorzien.

Uit bovenstaande volgt dat er sprake is van een kleinschalige gebiedseigen ontwikkeling en erfopzet, waarbij ook het maatschappelijk belang een belangrijke rol speelt. Aanvullende kwaliteitsprestaties zijn in dit geval niet aan de orde.

3.2.3 Conclusie

Het plan van initiatiefnemer is vooraf besproken met de provincie Overijssel en akkoord bevonden. Het planvoornemen is in overeenstemming met het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie en -verordening Overijssel.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030

De gemeente Steenwijkerland heeft de Strategische Toekomstvisie Steenwijkerland 2030 (2009) ontwikkeld. Deze visie bevat een integrale visie op de ontwikkeling van de gehele gemeente tot 2030. De visie gaat uit van het koesteren en versterken van bestaande kwaliteiten. Daarbij gaat het om de kwaliteiten van de landschappen, de stad en de overige kernen en de potenties van het gebied. In de visie wordt gesteld dat Steenwijkerland een streekfunctie voor wonen, werken en voorzieningen heeft.

De visie gaat uit van het koesteren en versterken van bestaande kwaliteiten. Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Toekomstvisie is dat de kwaliteit van Steenwijkerland leidend is voor de toekomstige ontwikkelingen.

Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland. Binnen dit uitgangspunt is de ontwikkelingsruimte voor wonen, werken en recreëren onderzocht. Gebleken is dat er voldoende ruimte beschikbaar is om te kunnen voorzien in de behoeften van de toekomstige bewoner, werknemer en recreant. De toekomstvisie biedt eveneens perspectief voor de plattelandseconomie.

De zorgsector is een grote werkgever in Steenwijkerland. Juist in relatie tot de ontwikkeling van het groene karakter en toerisme zijn er mogelijkheden voor ondernemerschap in de zorg. Die initiatieven en dat ondernemerschap wil Steenwijkerland ondersteunen.

Conclusie

Voor het plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in de toekomstvisie. Het project is in elk geval niet strijdig met deze visie.

3.3.2 Omgevingsvisie Steenwijkerland 2017

De gemeente Steenwijkerland wil met de omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit wordt hierbij gezien als de integrale kwaliteit van ruimtes. Het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes er uitzien maar ook waartoe en hoe ze functioneren, gebruikt worden en hoe de functies van ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving.

In de omgevingsvisie worden enkele opgaven voor het landelijk gebied geschetst. Eén van deze opgaven gaat in op transformatie van erven zoals met dit planvoornemen aan de hand is. De gemeente wil hierbij ruimhartig nieuwe functies toestaan met respect voor de belevingswaarde van het landelijk gebied. Transformatie van erven wordt hierbij als maatwerk gezien en gaat gepaard met een kwaliteitsimpuls. Onderdeel van deze kwaliteitsimpuls kan het saneren van overtollige bebouwing zijn.

Dit planvoornemen is een goed voorbeeld van een transformatie van een bestaand erf waar met maatwerk en een kwaliteitsimpuls in de vorm van een landschappelijke inpassing en het saneren van overtollige gebouwen met respect wordt omgegaan met het landelijk gebied.

Conclusie

Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten voor het landelijk gebied zoals opgenomen in de Omgevingsvisie 2017.

3.3.3 Beleidsnotitie Bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland

De uitgangspunten voor het nieuwe bestemmingsplan 'Buitengebied' van gemeente Steenwijkerland zijn uitgewerkt in de 'Beleidsnotitie bestemmingsplan Buitengebied Steenwijkerland'. Deze is vastgesteld door de gemeenteraad op 27 maart 2012 en geeft weer waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij de verdere ontwikkeling van haar buitengebied. Het voornaamste doel van de notitie is het verschaffen van helderheid over uitgangspunten van gebruiks- en bouwmogelijkheden in het buitengebied. De gemeente was voornemens om voor het buitengebied een nieuw bestemmingsplan op te stellen. In een later stadium, na vaststelling van de beleidsnotitie, is er voor gekozen het planologisch kader in het buitengebied te actualiseren met de (geldende) Buitengebied. Voor de beleidsnotitie verandert dit niet veel, deze behoudt bestaansrecht als gemeentelijk beleidskader voor nieuwe initiatieven.

Het landelijke gebied is de laatste jaren volop in verandering. Er is een afname van agrarische bedrijven, waardoor er steeds meer (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen leeg komen te staan. Afbraak daarvan betekent kapitaalvernietiging en brengt daar bovenop sloopkosten met zich mee. Hoewel er diverse stimulerende regelingen bestaan met betrekking tot sloop, zoals bijvoorbeeld ‘Rood voor Rood’, komen er ook steeds meer initiatieven die zien op niet-agrarisch (her)gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, bijvoorbeeld door kleinere ondernemers als timmerbedrijven of installateurs die de gebouwen gebruiken voor opslag. Ook verhuur aan particulieren ten behoeve van de stalling van bijvoorbeeld caravans en boten komt regelmatig voor. Op het gebied van recreatie dienen zich ook initiatieven aan voor niet-agrarisch hergebruik van agrarische bedrijven. Bijvoorbeeld voor activiteiten op het gebied van wellness of verblijfsrecreatie in de vorm van groepsaccommodaties.

In de notitie wordt specifiek aandacht besteedt aan vrijkomende agrarische bebouwing. Doel is om bij omschakeling van voormalig agrarisch naar een andere functie een ruimtelijke kwaliteitsverbetering te realiseren. De kwaliteitsverbetering kan ook sloop en/of vervanging zijn. Vervanging van bestaande gebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd.

De volgende specifieke randvoorwaarden zijn van toepassing waar bij elke randvoorwaarden de doorkijk naar het planvoornemen wordt gemaakt.

  • Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede landschappelijk inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB.

De gevraagde kwaliteitsverbetering vindt plaats door het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan. In paragraaf 2.2 en paragraaf 3.2.2 is dit nader gemotiveerd.

  • Voor de vestiging van de nieuwe functie in de vorm van lichte bedrijvigheid wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit.

Uit het ingediende (bedrijfs)plan volgt dat voor het initiatief nieuwe bebouwing in de vorm van de groepszorg woningen voor 13 bewoners, zorgbegeleiding en overige ruimten (woonkamer/woonkeuken) komt. Daarnaast wordt er nog een schuur/berging gerealiseerd. De oppervlakte van deze gebouwen is vastgelegd met een bouwvlak op de verbeelding.

  • Voor de vestiging van de nieuwe functie in de vorm van lichte bedrijvigheid zal overtollige voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt, waarbij ook aandacht wordt geschonken aan het toekomstperspectief.

Voor vestiging van de nieuwe zorgfunctie zal alle overtollige voormalige agrarische bebouwing (en verharding) worden gesloopt en/of weggehaald. Het toekomstperspectief is zeker door continue vraag naar zorg.

  • Vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie lichte bedrijvigheid is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing.

In de huidige situatie is er een oppervlakte van 3.266 m2 aanwezig aan bebouwing. In de gewenste situatie is er 1.388 m2 benodigd. Dit is circa 42% van de gesloopte bebouwing. Er wordt ruimschoots aan de norm van 75% voldaan.

  • De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond.

De uitvoerbaarheid van het plan wordt in de hoofdstukken 4 en 5 verder toegelicht. Hier komen alle relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod en wordt ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. De conclusie is dat het plan in zijn geheel uitvoerbaar is.

  • Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf.

De parkeerbehoefte wordt ook meegenomen in de uitwerking van het plan. Dit is omschreven in paragraag 2.4. De toets aan de parkeernota Steenwijkerland laat zien dat er voldoende parkeergelegenheid is op eigen erf en tevens voldoende ruimte voor aan- en afrijdend verkeer.

  • Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd.

Uit de beoordeling van de relevante milieu- en omgevingsaspecten in hoofdstuk 4 blijkt dat er sprake is van een goed woon en leefklimaat ter plaatse.

  • Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Eveneens uit hoofdstuk 4 volgt dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

  • Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking.

Bij dit planvoornemen is geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende werking zoals is beschreven in hoofdstuk 4.

Conclusie

Door de sloop van alle voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de landschappelijke inpassing van het erf conform de beleidsnotitie wordt ingezet op een sterke kwaliteitsverbetering van het erf. Verder voldoet de functiewijziging aan de maximale bebouwingsoppervlakte en wordt rekening gehouden met de omgeving. Het planvoornemen voldoet hiermee aan de uitgangspunten en randvoorwaarden van de beleidsnotitie.

3.3.4 Welstandsnota

De gemeente Steenwijkerland wil zorgvuldig omgaan met de bebouwing in de gemeente. Zij wil ook haar inwoners inspireren en stimuleren zorgvuldig om te gaan met verbouwingen aan hun gebouwde eigendommen. De welstandsnota, vastgesteld 3 april 2004, biedt de inwoner en de aanvrager van een bouwaanvraag inzicht en verheldering over de beoordeling van (zijn of haar) bouwplannen.

In de welstandsnota wordt beschreven hoe de gemeente om wil gaan met de gebouwde omgeving en op welke aspecten en criteria de welstandscommissie zich daarbij baseert. Als laatste, maar zeker niet als minste, biedt deze welstandsnota voor de welstandscommissie een beoordelingskader.

De gemeente is in gebieden ingedeeld en per gebied ziet u de criteria waarop de welstandscommissie haar adviezen baseert. Deze criteria worden voorafgegaan door een beschrijving van het gebied en de algemene beleidskeuzes die door de gemeente voor het gebied zijn vastgesteld.

In de Welstandsnota gemeente Steenwijkerland, valt het perceel Gruttoweg 1 binnen het deelgebied 'Inpoldering / herverkaveling'. Het project dient hieraan te voldoen. Een toetskader (artikel 2.10 Wabo) is dat het bouwplan dient te voldoen aan de redelijke eisen van welstand, zoals opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota.

Conclusie

Het concrete bouwplan zal te zijner tijd getoetst worden aan redelijke eisen van welstand, die voor dit gebied gelden. De welstandscommissie zal dan beoordelen of het bouwplan in het licht van de welstandsnota acceptabel is.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Per paragraaf wordt ingegaan op het geldende beleid en wetgeving voor de verschillende aspecten en op de wijze waarop dit van invloed is op het voorliggende project.

4.1 M.e.r.-beoordeling

In kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Indien er belangrijk nadelige gevolgen en/of bijzondere omstandigheden worden geconstateerd moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0011.png"

Afbeelding 4.1: schema drempels milieueffect rapportage.

Toets

Het voorliggende project voorziet in het bouwen een woon-zorg gebouw voor 13 bewoners en zorg begeleiding. Hiermee wordt geen drempelwaarde als genoemd in kolom C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. overschreden. UIt de toets aan de milieu- en omgevingsaspecten in dit hoofdstuk volgt dat e als gevolg van dit project geen belangrijke nadelige gevolgen optreden voor het milieu. Ook doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die het maken van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

Conclusie

Voor het plan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in een ruimtelijke plan de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit project gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

Toetsing

Woningen in de omgeving

De locatie van initiatiefnemer ligt in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Het betreft een landelijk gebied met hier en daar een woonfunctie. Dit sluit aan bij het omgevingstype 'rustig buitengebied.'

De dichtstbijzijnde woning van derden ligt direct naast de maatschappelijke functie aan de Gruttoweg 1. De afstand tot deze woning is circa 20 meter tot de erfgrens van de nieuwe ontwikkeling.

De nieuwe maatschappelijke woon-zorg functie wordt niet specifiek benoemd in de richtafstanden tabel van de VNG uitgave bedrijven en milieuzonering (2009). Hiervoor kan redelijkerwijs worden aangesloten bij de in de VNG-brochure vermelde activiteiten: ‘Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven’ (SBI-2008 8621, 8622 en 8623, met richtafstanden voor geur van 0 meter, stof van 0 meter, geluid van 10 meter en gevaar van 0 meter) en ‘Verpleeghuizen’ (SBI-2008 871, met richtafstanden voor geur van 0 meter, stof van 0 meter, geluid van 30 meter en gevaar van 0 meter). De meest nabijgelegen woning van derden (Gruttoweg 1) is gelegen op een afstand van 20. Daarmee wordt, gelet op de range van 10 – 30 meter voor de richttafstand voor geluid, niet voldaan aan deze richtafstand voor het aspect geluid. Om dit kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek komt aan bod in paragraaf 4.5. Uit het onderzoek volgt dat er geen hinder ontstaat vanuit het aspect geluid en dat er sprake is van een geschikt woon- en leefklimaat voor woningen in de omgeving.

Bedrijven in de omgeving

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt ten opzichte van de huidige planologische situatie geen andere milieugevoeligere functie mogelijk gemaakt die de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven in de omgeving zou kunnen belemmeren. Voor de volledigheid wordt is nog wel beoordeeld wat de afstand tot bedrijvingheid in de omgeving is. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf is gesitueerd aan de Westeinde 226 op een afstand van 850 meter. De afstand t.o.v. agrarische en andere bedrijven in de omgeving voldoet ruimschoots aan de richtafstand voor alle vormen van (agrarische) bedrijvigheid. Een nadere toetsing van het effect van het project op de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven kan daarom achterwege blijven.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het project niet in de weg.

4.3 Bodem

Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd.

De onderzoeksplicht is van toepassing bij bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, bijvoorbeeld om te werken, onderwijs te geven of te genieten. Uit de toelichting op de Woningwet blijkt dat met bovenstaande omschrijving wordt bedoeld 'enige tijd' oftewel een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk) dag. Het gaat daarbij niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan een dag) verblijven van dezelfde mensen in een gebouw.

Toetsing

De toekomstige functie maakt permanente bewoning van het terrein mogelijk. In dit kader is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie: Bijlage 2). Uit dit onderzoek volgt dat er bij één boring een verhoogd asbestgehalte is aangetroffen naast een bestaande stal.

Op deze plek zal een sanering uitgevoerd moeten worden en een BUS melding worden gedaan. Op het overige deel van het terrein zijn geen verontreinigingen aangetroffen.

Conclusie

Het aspect 'bodem' levert geen belemmeringen op bij de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Toetsing

Vaste afstanden

Op grond van de Wgv geldt voor veehouderijen met dieren zonder vastgestelde geuremissiefactor een vaste afstand tussen de geuremissiepunten van de betreffende dierstallen en de woningen van het plangebied. Vanwege de ligging van de nieuwe woningen buiten de bebouwde kom Wgv, bedraagt de aan te houden afstand in eerste instantie 50 meter. Op grond van de gemeentelijke geurverordening geldt echter een afwijkende minimale afstand van 25 meter. Het meest nabijgelegen bedrijf waar bedrijfsmatig landbouwhuisdieren worden gehouden, betreft waarschijnlijk (het bedrijf is gelegen binnen de provincie Drenthe en van dergelijke bedrijven hebben wij geen toegang tot gegevens van het veebestand) het grondgebonden bedrijf aan het Westeinde 185 Wapserveen, waarvan het bedrijfsperceel op circa 700 meter van het plangebied is gelegen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste vaste afstand.

Geurnormen

Gelet op het geringe geurbelastingpotentieel door nabijgelegen veehouderijen en de afstand tussen het plangebied en deze veehouderijen, kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat aan de (individuele) geurnorm van 8 ouE/m3 wordt voldaan. Daarnaast zal naar verwachting ook door cumulatieve geurbelasting door veehouderijen sprake zijn van een geschikt goed woon- en leefklimaat voor het plangebied.

Huidige bestemming

In de huidige planologische situatie is er al sprake van een woonbestemming voor het gehele plangebied. De gedeeltelijke omschakeling naar een maatschappelijke bestemming leidt er niet toe dat er qua geur gevoeligheid een andere ontstaat.

Conclusie

Het aspect geur staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

4.5 Geluid

Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat indien in het projectgebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (railen weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.

Toets

In verband met de ligging van een (geluid) gevoelige woonfunctie op korte afstand van de nieuwe maatschappelijke functie (woon - zorg) is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Sain milieuadvies (zie Bijlage 4).

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Lar,LT

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet in de representatieve bedrijfssituatie aan de normstelling die volgt uit stap 2 van het stappenplan uit de VNG-publicatie. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gewenste ontwikkeling is vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar.

Maximaal geluidsniveau LAmax

Het maximale geluidsniveau voldoet, na het treffen van maatregelen, aan de normstelling die volgt uit de vervolgstap 3 van het stappenplan uit de VNG-publicatie. Deze normstelling is in overeenstemming met de bij vergunningverlening gebruikelijke normstelling. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gewenste ontwikkeling is vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar.

Indirecte hinder

De geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet aan de voorkeursgrenswaarde volgens de Circulaire 'Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.' van 29 februari 1996. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gewenste ontwikkeling is vanuit akoestisch oogpunt inpasbaar.

Conclusie

Het aspect geluid geeft geen beperkingen voor de uitvoering van het project.

4.6 Luchtkwaliteit

De eisen waaraan de luchtkwaliteit moet voldoen zijn opgenomen in titel 5.2 (luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer. Hierin is opgenomen dat een project doorgang kan vinden indien aan minimaal één van de volgende eisen wordt voldaan:

  • Het project resulteert niet in een overschrijding van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer;
  • Het project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Saldering moet plaatsvinden in een gebied dat een functionele of geografische relatie heeft met het plangebied. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren;
  • Het project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is sinds 1 augustus 2009 in werking. In het NSL is het begrip NIBM gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteit)’ zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM;


De onder het eerste punt genoemde grenswaarden in de Wet milieubeheer geven een niveau van de buitenluchtkwaliteit dat op een aangegeven tijdstip moet zijn bereikt.

Toets

Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de bouw van woon - zorg complex. De ontwikkeling zal toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie tot gevolg hebben. Hierbij wordt uitgegaan van gemiddeld 20 extra vervoersbewegingen per dag, met 10% vrachtverkeer.

Uit de 'Niet in betekenende mate-tool' van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, blijkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Formele toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer kan daarom achterwege blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0012.png"

Tabel 4.1: uitkomst Nibm tool

Van de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN - GDN) is af te leiden dat er ter plaatse van het plangebied een jaargemiddelde concentratie fijnstof van 13 µg/m3 (PM10) aanwezig is. De concentratie fijn stof voldoet daarmee ruimschoots aan de grenswaarde van 40 µg/m3. In de directe omgeving zijn geen relevante bronnen voor luchtverontreiniging aanwezig waardoor een andere (hogere) waarden voor fijnstof concentratie hier uitgesloten zijn.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet aan de weg.

4.7 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid ('Indeling Leidraad maatramp') zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot:

  • inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
  • Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient te worden onderzocht:

Of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico.

Of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

Toets

Hoe moet worden omgegaan met risico’s voor mensen in de omgeving van risicobronnen is in verschillende wet- en regelgeving opgenomen. Zie hiervoor de onderstaande opsomming.

  • Besluit en Regeling externe veiligheid inrichtingen;
  • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen;
  • Besluit en Regeling externe veiligheid Transportroutes;
  • Besluit risico’s zware ongevallen;
  • Vuurwerkbesluit;
  • Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik;
  • Besluit ruimte;
  • Activiteitenbesluit.

Toets

Er zijn op de risicokaart van de provincie Overijssel geen locaties in de nabijheid van het perceel aangetroffen die een belemmeringen zoude kunnen opleveren voor de gewenste bestemmingswijziging.

Het vervoer van gevaarlijke stoffen vindt plaats op geruime afstand van het plangebied, namelijk via de spoorlijn en de rijksweg. In zuidwestelijke richting is de rijksweg A32/N32 Meppel - Heerenveen – Leeuwarden gelegen, op een afstand van ca. 2,5 km van het plangebied. De spoorlijn intercity Zwolle-Leeuwarden ligt op een afstand van 3,7 km van het plangebied, eveneens in zuidwestelijke richting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0013.png"

Afbeelding 4.2: uitsnede risicokaart

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie

Op grond van de Erfgoedwet moet in ruimtelijke plannen rekening gehouden worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek.

Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt daarom rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.

Toets

Binnen het plangebied is geen sprake van archeologische verwachtingswaarden vastgelegd in de vorm van dubbelbestemmingen of aanduidingen. Nader archeologisch onderzoek is in dit geval niet noodzakelijk.

Cultuurhistorie

Wat cultuurhistorische waarden zijn is beschreven in de Memorie van Toelichting bij het Bro. Artikel 3.1.6 zegt het volgende:

"Bij cultuurhistorische waarden gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken".

Toets

Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden in de vorm van de dubbelbestemming en/of aanduidingen. Tevens is geen sprake van de afbreuk aan waarden van de omgeving, omdat er sprake is van een ontwikkeling binnen de contouren van een bestaand erf. De ligging in het laagveenontginningsgebied is beschreven in 3.2. Met de gekozen landschappelijke inpassing wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het laagveenontginningsgebied.

Conclusie

Het plangebied bevat geen archeologische indicatoren die bescherming vereisen. Verder heeft het plan geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden. De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan uitvoering van het plan niet in de weg.

4.9 Ecologie

De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreffen.

Gebiedsbescherming

Bij de gebiedsbescherming spelen de volgende aspecten:

  • Natura 2000-gebieden (vogel- en habitatrichtlijngebieden): de Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN): Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. De NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur;
  • Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) zijn zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Deze gebieden kunnen nadelige invloed ondervinden als de uitstoot van ammoniak op de gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom de gebieden aangewezen als buffer, om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken.

Toets

Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom heeft Natuurbank Overijssel de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld gebracht. Het complete rapport is als Bijlage 5 aan deze onderbouwing toegevoegd. In deze paragraaf zijn de bevindingen van het onderzoek samengevat.

Gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt op minimaal 2,86 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0014.png"

Afbeelding 4.3: Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene, blauwe en gele kleur op de kaart aangeduid. Met de groengestippelde kleur worden gronden aangeduid die tot de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten NNN’ (bron: geo.overijssel.nl).

Omdat het plangebied ruim buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland omdat de bescherming van het NNN geen externe werking kent.

Natura 2000

Het plangebied ligt op minimaal 2,72 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Holtingerveld. Er ligt nog een ander Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied maar deze ligt op grotere afstand. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0015.png"

Afbeelding 4.4: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de blauwe en lichtgroene kleur aangeduid (bron: geo.overijssel.nl)

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten

Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden.

Beoordeling stikstof (gebruiksfase)

In het plangebied zullen in de gewenste situatie alleen de bestaande bedrijfswoning in de vorm van een cv installatie en het verkeer zorgen voor relevante stikstofemissies (Nox). Er is een AERIUS berekening (zie Bijlage 6) gemaakt van de beoogde situatie (worst case) om aan te tonen dat er geen toename van depositie ontstaat. De beoogde situatie gaat uit van 20 extra verkeersbewegingen per dag waarvan 10% middelzwaar vrachtverkeer en een cv ketel in de bestaande woning.

Uit de AERIUS berekening van de beoogde situatie volgt dat er geen (toename van) depositie plaatsvindt op de (bijna) stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden in de omgeving.

Beoordeling stikstof (sloop- en aanlegfase)

Op 2 november 2022 is door de Raad van State deeluitspraak gedaan inzake de bouwvrijstelling die volgde uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. In deze uitspraak oordeelde de Raad van State dat de sloop- en aanlegfase van een project apart beoordeeld dient te worden. De beoordeling van de sloop- en aanlegfase is berekend met AERIUS (zie Bijlage 7). Uit deze berekening volgt dat er in de sloop- en aanlegfase geen significant negatieve effecten plaatsvinden op de betreffende Natura 2000-gebieden.

Soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de bebouwing gesloopt wordt en beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten.

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de voorkomende soorten niet af.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:

  • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels;
  • Geen beschermde zoogdieren en amfibieën doden.

Conclusie

De planning is om werkzaamheden af te stemmen op de voortplantingsperiode van vogels. Tevens zal bij aanvang van graafwerkzaamheden eventueel aanwezige grondgebonden zoogdieren en/of amfibieën worden opgepakt of verjaagd naar omringend terrein.

Rekening houdend met het voorgaande is het project uitvoerbaar voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming.

4.10 Water

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren. De Watertoets is de waarborg dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige systematische aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.

Watertoets

Op 1 juli 2022 is de watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 8). Op basis van de uitgevoerde watertoets blijkt dat het plangebied in het beheersgebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta ligt.

De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure moet worden doorlopen.

De maatregelen die moeten worden getroffen ten aanzien van de watertoets staan hieronder weergegeven. Deze uitgangspunten zullen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van dit plan.

Effect op waterhuishouding

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.KALgruttoweg1BP-VA01_0016.png"

Afbeelding 4.5: Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied

Het planvoornemen heeft geen direct effect op de bestaande waterhuishouding in de omgeving. In de basis wordt een afname van erfverharding doorgevoerd. Vanuit de landschappelijke inpassing worden enkele elementen toegevoegd zoals een wadi/poel en nieuwe sloot die een positief effect hebben op de waterhuishouding.

Conclusie

Het aspect water staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

4.11 Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen boven- of ondergronds geen hoofdleidingen. Straalpaden en laagvliegroutes voor straaljagers zijn ook niet aanwezig.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen 

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

5.2 Juridische vormgeving

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012. Voor de inhoudelijke systematiek is aangesloten op de 'Beheersverordening Buitengebied 2014' van de gemeente Steenwijkerland.

Hieronder wordt de opbouw en dergelijke kort toegelicht.

5.2.1 Inleidende regels

Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen en de wijze van meten.

5.2.2 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Hieronder worden de gehanteerde bestemmingen kort toegelicht.

Artikel 3 Maatschappelijk

Binnen het deel van het plangebied met de bestemming maatschappelijk kunnen de gronden worden gebruikt ten behoeve van de zorginstelling. Hiervoor is ook de aanduiding zorginstelling opgenomen voor deze bestemming. De gebouwen kunnen alleen binnen het daarvoor opgenomen bouwvlak worden gerealiseerd. Zo is de maximale oppervlakte en situering van het woon-zorg gebouw en bijgebouw vastgelegd conform de landschappelijke inpassing. De uitvoering en instandhouding van deze lanschappelijke inpassing is tevens vastgelegd in de regels met een voorwaardelijke verplichting.

Artikel 4 Tuin

Het deel van het plangebied waar de bestemming 'Tuin' van toepassing is wordt vrijgehouden van gebouwen. Zo wordt de openheid voor de woning gegarandeerd.

Artikel 5 Wonen

De bestaande (voormalige) bedrijfswoning, thans in gebruik als woning, en het bijbehorende erf behoudt de woonbestemming. De woning is gesitueerd in het bouwvlak. Bijgebouwen mogen gerealiseerd worden conform de regels. De woonbestemming van het erf is afgestemd op de nieuwe perceelsindeling waar beide bestemmingen (wonen en maatschappelijk) van elkaar worden gescheiden.

5.2.3 Algemene regels

Bij de bestemming aanvullende regels opgenomen met betrekking tot bouwen. Daarnaast bevat dit hoofdstuk algemene gebruiksregels en afwijkingsregels.

5.2.4 Overgangsrecht en slotregels

In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Bij de uitvoering van een voornemen kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij de eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Bij het tweede gaat het erom hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Omtrent de wettelijke verplichting inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een plan, wordt in deze paragraaf ingegaan op de economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen.

Het plan wordt gefinancierd door de initiatiefnemer, de gemeentelijke kosten aan het plan zijn gedekt middels de te heffen leges. De kosten voor het opstellen van de documenten ten behoeve van de omgevingsvergunning zijn voor de initiatiefnemer. Ook zal er een beperkt deel van het erf gesaneerd moeten worden in verband met de aangetroffen asbest verontreiniging. Gelet op de verwachte kleinschalige omvang van deze sanering kan initiatiefnemer zorg dragen voor de financiële afwikkeling hiervan. Initiatiefnemer het plan kan zelf financieren en is daarom economisch uitvoerbaar.

Met de initiatiefnemer zal een planschade overeenkomst gesloten worden waarin onder andere het verhaal van eventuele planschade is geregeld.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3 Procedure

Het plan wordt naar een aantal instanties verzonden in het kader van het vooroverleg. De resultaten van dit overleg zullen worden opgenomen in een bijlage. Daarbij zal worden aangegeven of het overleg heeft geleid tot aanpassing van het plan.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt daarna gedurende zes weken ter inzage gelegd op grond van artikel 3.1 Wro. Gedurende deze termijn heeft iedereen mondeling of schriftelijk de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Ontvangen zienswijzen zullen worden beoordeeld en beantwoord. De zienswijzen kunnen eventueel leiden tot aanpassing van het bestemmingsplan. De resultaten van de ter inzage legging worden opgenomen in een bijlage bij het plan.

Vervolgens wordt het bestemmingsplan, al dan niet gewijzigd naar aanleiding van zienswijzen, vastgesteld door de gemeenteraad en 6 weken ter visie gelegd. Belanghebbenden kunnen dan beroep indienen bij de Raad van State.

6.4 Informeren omgeving

De initiatiefnemers hebben omwonenden persoonlijk geïnformeerd over het plan voor het bouwen van het woon-zorg gebouw. Dit is vastgelegd in een participatieverslag dat is bijgevoegd als Bijlage 9.