Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Beulakerweg 127b te Giethoorn
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1708.GHNBeulakerw127bOP-VA01

Regels

 
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebruikswijziging op de locatie van TAM-omgevingsplan Beulakerweg 127b - Giethoorn en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22e) van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct voor het artikelnummer ‘22e' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22e’gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
 
Artikel 1 Toepassing begripsbepalingen
 
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 2 daarvan is afgeweken.
Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen
 
2.1 TAM-omgevingsplan
het TAM-omgevingsplan 'Beulakerweg 127b Giethoorn' met identificatienummer NL.IMRO.1708GHNBeulakerw127bOP-VA01 van de gemeente Steenwijkerland.
 
2.2 omgevingsplan:
het omgevingsplan van de gemeente Steenwijkerland;
 
2.3 aan huis verbonden bedrijf:
het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten;
 
2.4 aan huis verbonden beroep:
dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten;
 
2.5 aanbouw/uitbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw, maar er functioneel onderdeel van uitmaakt;
 
2.6 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
 
2.7 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
2.8 aaneengebouwde woning:
een woning die onderdeel uitmaakt van een blok van meer dan twee aaneengebouwde woningen, niet zijnde gestapelde woningen;
 
2.9 archeologisch deskundige:
de provinciaal, gemeentelijk of regionaal archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologie;
 
2.10 archeologische waarde:
de aan een gebied toegekende waarden in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden;
 
2.11 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
2.12 bebouwingspercentage:
het percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd;
 
2.13 bed and breakfast:
het aanbieden van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen bestaande gebouwen gericht op kortdurend verblijf, niet zijnde de uitoefening van een hotel, pension of ander bedrijf. Hieronder wordt niet verstaan overnachten, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;
 
2.14 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen, dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. Aan huis verbonden beroepen en bedrijven niet daaronder begrepen;
 
2.15 bedrijfsmatig:
via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmatig zijn gelijk te stellen;
 
2.16 beeldkwaliteit:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten;
 
2.17 begane grond:
het gedeelte van een gebouw dat gelijk is aan het natuurlijk oppervlak van het terrein, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging. Is er sprake van hoogteverschillen in het terrein, dan geldt: de hoogte van het hoogst gelegen aansluitende maaiveld of de gemiddelde hoogte;
 
2.18 bestaand:
de op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare bebouwing of het op legale wijze gerealiseerde of realiseerbare gebruik ten tijde van de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan 'Beulakerweg 127b Giethoorn';
 
2.19 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
2.20 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
2.21 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
 
2.23 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
2.24 bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback;
 
2.25 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
2.26 bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel;
 
2.27 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
2.29 buitenopslag/open opslag:
het opslaan, of opgeslagen houden van voorwerpen, stoffen of producten en andere materialen op de onbebouwde gronden van de bedrijfspercelen, daaronder mede begrepen de uitstraling ten verkoop, verhuur en dergelijke;
 
2.30 overkappingen:
een bouwwerk met ten minste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden;
 
2.31 cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat in de loop van de geschiedenis is ontstaan door het gebruik dat de mens van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt;
 
2.32 dak:
een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk;
 
2.33 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop, te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren, van goederen aan diegenen die, die goederen kopen respectievelijk huren, voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
2.34 eerste bouwlaag:
bouwlaag ter plaatse van de begane grond;
 
2.35 erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht en ruimtelijke opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;
 
2.36 erfafscheiding:
afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst;
 
2.37 erker:
een ondergeschikte uitbouw op de begane grond van de woning, die strekt ter vergroting van het woongenot. Een erker is gelegen aan de verblijfsruimte en zorgt voor een verbijzondering van de voorgevel zonder de architectuur wezenlijk aan te tasten. Een erker heeft een diepte van maximaal 1,00 meter en is aan drie zijden geheel of gedeeltelijk voorzien van glas;
 
2.38 evenement:
een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden;
 
2.40 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
2.41 gevellijn:
de bouwgrens die (nagenoeg) gelijk loopt aan de as van de weg of het water waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg grenzende perceelsgrens, ofwel de gevellijn als aangeduid op de kaart;
 
2.43 horeca:
het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies;
 
2.44 houtopstand:
één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg;
 
2.45 huishouden:
een persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn:
  • voor onbepaalde tijd samenleven;
  • eenieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken;
  • eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer;
  • personen worden niet door een instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats;
2.46 kampeermiddel:
een middel ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder wordt begrepen een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren;
 
2.47 karakteristieke beplanting:
beeldbepalende en/of waardevolle beplanting welke kenmerkend is voor en past bij de omgeving;
 
2.48 landschappelijke waarde:
de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur;
 
2.49 maaiveld:
bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, zonder enige kunstmatige verhoging c.q. verlaging;
 
2.51 nevenactiviteit:
een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge deze beheersverordening toegestane hoofdfunctie op een perceel;
 
2.52 normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken. Daaronder worden mede verstaan werken of werkzaamheden die deel uitmaken van de activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van een beheersplan, zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming;
 
2.53 nutsvoorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
 
2.54 oever:
de langs een vaarweg aanwezige natuurlijke oever of aangebrachte oevervoorziening met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke verankering;
 
2.55 ondergeschikte functie:
een functie dit qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie, maar indien dat in de bestemmingsomschrijving niet expliciet is aangegeven aan die functie niet ten dienste hoeft te staan c.q. daar functioneel mee verbonden hoeft te zijn;
 
2.56 ondergronds bouwwerk:
een bouwwerk waarvan de bovenkant vloer is gelegen beneden peil;
 
2.57 onderkomens:
voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief verblijf;
 
2.58 opslag:
het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard;
 
2.59 opslag:
het bewaren van goederen, materialen en stoffen, al dan niet in combinatie met de productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard;
 
2.60 parkeervoorzieningen:
een al dan niet overdekte c.q. ondergrondse stallingsgelegenheid ten behoeve van gemotoriseerd verkeer: 
  1. openbare parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel openbaar toegankelijk zijn;
  2. particuliere parkeerplaatsen: parkeerplaatsen die in beginsel niet openbaar toegankelijk zijn, zoals bijvoorbeeld parkeerplaatsen op eigen terrein;
 
2.61 parkeren:
het gedurende een aaneengesloten periode plaatsen van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen;
 
2.62 patiowoning:
een eengezinswoning met een geheel of gedeeltelijk omsloten binnenplaats of binnentuin, gevormd door de gevels van belendende, dan wel op het eigen bouwperceel aanwezige bebouwing;
 
2.63 peil:
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil (N.A.P.) of het ter plaatse geldende waterpeil;
 
2.64 prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
 
2.65 recreatief medegebruik:
het medegebruik van gronden voor recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, ruitersport en kanovaren, sportvisserijen, alsmede route-ondersteunende voorzieningen, zoals picknick-, uitzicht-, rust- en informatieplaatsen, voor zover de overige functies van de gronden dit toelaten;
 
2.66 recreatief nachtverblijf:
het verblijf dat plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie;
 
2.67 recreatieve bewoning:
de bewoning door derden, niet zijnde de eigenaar van de woning, voor verblijfsrecreatieve doeleinden;
 
2.68 ruimtelijke kwaliteit:
de kwaliteit van de ruimte als bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van die ruimte;
 
2.69 seksinrichting:
de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waar in bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
2.70 sociale veiligheid:
een ruimtelijke situatie die overzichtelijk, herkenbaar en sociaal controleerbaar is;
 
2.71 stedenbouwkundig beeld:
het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte;
 
2.72 terras:
een plek van een horecagelegenheid waar men buiten kan zitten;
 
2.73 twee-aaneengebouwde woning:
een grondgebonden woning die onderdeel uitmaakt van een blok van twee woningen, waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd;
 
2.74 verblijfsrecreatie:
het totaal van mogelijkheden en voorzieningen om te recreëren op een bepaalde plaats, waarbij recreatief nachtverblijf centraal staat;
 
2.75 verdieping:
een bouwlaag die is gelegen boven de eerste bouwlaag welke is gelegen op de begane grond;
 
2.76 verkeersveiligheid:
de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers;
 
2.77 verkoopvloeroppervlakte:
de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel, niet zijnde de netto-vloeroppervlakte;
 
2.78 voorgevel:
gevel van een gebouw die is gelegen aan de zijde van de weg of het water en die ruimtelijk opzicht de voorkant van het gebouw vormt;
 
2.79 watervoorzieningen:
voorzieningen die nodig zijn voor een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen en inlaten;
 
2.80 weg:
een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en daarbij behorende parkeerplaatsen;
 
2.81 wonen:
het houden van verblijf, het huren of het gehuisvest zijn in een woning als bedoeld in 2.82;
 
2.82 woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden;
 
2.83 woningsplitsing:
het bouwkundig en functioneel splitsen van een bestaande woning in twee of meer zelfstandige woningen ten behoeve van de vestiging van meer dan één huishouden.
 
Artikel 3 Toepassingsbereik
 
  1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met de regels in dit hoofdstuk;
  3. De regels in dit hoofdstuk (H22e) TAM-omgevingsplan 'Beulakerweg 127b Giethoorn' met identificatienummer zijn van toepassing op de locatie Beulakerweg 127b waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.1708GHNBeulakerw127bOP-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
 
Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in 4.1 tot en met 4.8.
 
4.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:
tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is;
 
4.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
4.3 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
4.4 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
4.5 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
4.6 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand;
 
4.7 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
4.8 de ondergeschikte bouwdelen:
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 m.
 
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
2 Functies en activiteiten
 
Artikel 6 Tuin
 
6.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Tuin’.
 
6.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Tuin' heeft de volgende functies:
  1. tuinen behorende bij op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen;
met de daarbij behorende:
  1. erven;
  2. watervoorzieningen;
  3. ontsluitings- en parkeervoorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
 
6.3.1 Algemeen
Op de voor de functie 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, ten dienste van de functie ‘tuin’, danwel de aangrenzende functie ‘wonen, met dien verstande dat:
  1. Erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte voor de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 1,00 meter bedraagt;
  2. Vlaggenmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 6,00 meter bedraagt;
  3. Erkers, luifels, balkons en dergelijke, mits:
    1. de diepte gemeten vanaf de bouwgrens van de woning niet meer dan 1,00 meter bedraagt;
    2. de breedte niet meer bedraagt dan 2/3e van de breedte van de woning;
    3. de goothoogte maximaal gelijk is aan de hoogte van de eerste verdiepingsvloer + 0,30 meter.
 
Artikel 7 Water
 
7.1 Gebruiksregels
 
7.1.1 Toegestaan gebruik
In het voor 'Water' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten toegestaan:
  1. sloten, vaarten, grachten en ander oppervlaktewater;
  2. verkeer te water;
  3. de aanleg en/of instandhouding van waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals watergangen, waterberging met de bijbehorende bermen en taluds;
  4. watervoorzieningen;
  5. de exploitatie en verhuur van rondvaartboten en de verhuur van pleziervaartuigen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - rondvaart- en botenverhuur';
  6. behoud en ontwikkeling van ecologische waarden in relatie tot de waterhuishoudkundige voorzieningen.
7.1.2 Verboden gebruik
In het voor 'Water' aangewezen gebied zijn de volgende functies en gebruiksactiviteiten verboden:
  1. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een jachthaven;
  2. het gebruik van de faciliteiten genoemd in lid 7.1 onder e gedurende de winterperiode.
7.2 Beoordelingsregels voor het bouwen
 
7.2.1 Gebouwen en overkappingen
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.
 
7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. uitsluitend de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden gebouwd:
    1. bruggen;
    2. verkeerstekens;
    3. aanlegsteigers;
  2. voor de bouw van bruggen gelden de volgende regels:
    1. De breedte van het loopvlak van een brug bedraagt maximaal 1,20 meter;
    2. De doorvaarthoogte bedraagt minimaal 2,25 meter;
    3. De bouwhoogte bedraagt maximaal 3,00 meter; of die bestaande hoogte indien deze meer dan drie meter bedraagt.
  3. De bouwhoogte van verkeerstekens bedraagt maximaal drie meter;
  4. De bouwhoogte van aanlegsteigers bedraagt ten hoogste één meter.
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
7.3.1 Vergunningplicht
  1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:
    1. het verleggen van watergangen.
    2. het graven, vergraven en dempen van oevers, vaarten, sloten en andere watergangen en oppervlaktewater.
  2. Het bepaalde in lid a is niet van toepassing op:
    1. normale onderhoudswerkzaamheden;
    2. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
    3. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-Omgevingsplan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd.
7.3.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.3.1 kan alleen worden verleend met inachtneming van de volgende beoordelingsregels:
  1. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de ecologische waarden in relatie tot de waterhuishoudkundige voorzieningen, dan wel mogen de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind;
  2. bij de beoordeling van het bepaalde onder a wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
Artikel 8 Wonen - 1
 
8.1 Toepassingsbereik
 
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie die op de verbeelding zijn aangewezen als Wonen-1.
 
8.2 Functieomschrijving
Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen - 1' heeft de volgende functies:
  1. wonen in een woning;
met de daarbij behorende:
  1. tuinen en erven;
  2. ontsluitings- en parkeervoorzieningen;
  3. watervoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
 
8.3.1 Algemeen
Op de gronden met de functie 'Wonen-1' mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd:
  1. woningen, uitsluitend binnen de aanduiding 'bouwvlak';
  2. bijbehorende bouwwerken uitsluitend binnen de functie ‘Wonen-1’;
  3. bouwwerken geen gebouw zijnde, uitgezonderd vlaggenmasten en erfafscheidingen, uitsluitend binnen de functie ‘Wonen-1’.
8.3.2 Woningen
  1. Per bouwvlak is maximaal 1 woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ maximaal het aangeduide aantal woningen is toegestaan;
  2. Woningen mogen alleen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’;
  3. De voorgevels worden geplaatst in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens of evenwijdig aan de voorgevelrooilijn van bestaande omliggende bebouwing;
  4. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  5. De inhoud van een woning bedraagt maximaal 600m3, of de bestaande legale maximale inhoud indien deze groter is;
  6. De goothoogte van een woning bedraagt maximaal 4,00 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goothoogte’ de aangeduide maximale goothoogte geldt;
  7. De bouwhoogte van een woning bedraagt de maximaal 7,5 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximale bouwhoogte’ de aangeduide maximale bouwhoogte geldt;
  8. De woningen worden voorzien met een kap met een dakhelling van minimaal 30* en maximaal 60* graden;
8.3.3. Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken behorende bij de woning gelden de volgende bepalingen:
  1. Bijbehorende bouwwerken dienen in het achtererfgebied te worden gebouwd;
  2. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, met uitzondering van overkappingen, bedraagt maximaal:
    Oppervlakte bestaand achtererfgebied
    Toegestane oppervlakte bijbehorende bouwwerken
    Achtererfgebied tot 350m2
    50m2
    350m2 - 700m2
    70m2
    700m2 - 1000m2
    80m2
    1000m2
    100m2
  3. Maximaal 60% van het achtererf mag bebouwd worden;
  4. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 meter;
  5. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 80% van de bouwhoogte van de woning;
  6. bijbehorende bouwwerken worden met een kap van minimaal 20% en maximaal 60% afgedekt of met een plat dak uitgevoerd.
8.3.4 Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:
  1. bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen uitsluitend in het achtererfgebied worden gebouwd, met uitzondering van erfafscheidingen en vlaggenmasten;
  2. Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, niet specifiek hieronder gedefinieerd geldt dat de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
  3. De hoogte van een vlaggenmast mag maximaal 6,00 meter bedragen;
  4. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 2,00 meter bedragen, met uitzondering van de erfafscheidingen die zich in het voorerfgebied bevinden, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,00 meter mag bedragen;
  5. Een carport wordt op een afstand van minimaal 1,00 meter achter de voorgevelrooilijn van de woning gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van een carport maximaal 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van een carport maximaal 20 m² bedraagt.
8.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
 
8.4.1. Bewoning van een woning door meer dan één huishouden
Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning een woning te bewonen met meer dan één huishouden.
 
8.4.2 Groter oppervlakte van bijbehorende bouwwerken na sanering
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grotere oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken te realiseren dan gesteld in 8.3.3.
 
8.4.3. Vergroten van de inhoud van de woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een grotere inhoud te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 8.3.2.
 
8.4.4. Vergroten van de goothoogte van de woning
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een woning met een hogere goothoogte te realiseren dan het maximum dat gesteld is in 8.3.2.
 
8.4.5. Woningsplitsing
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bestaande woning te splitsen naar meerdere wooneenheden.
 
8.4.5. Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit uit te oefenen.
 
8.4.6. Complementaire daghoreca
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning complementaire daghoreca als ondergeschikte nevenactiviteit uit te oefenen.
 
8.4.7. Bed & Breakfast
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een gelegenheid ten behoeve van het verlenen van bed & breakfast aan te bieden.
 
8.4.8. Paardenbak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een paardenbak te realiseren.
 
8.5 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
 
8.5.1. Bewoning van een woning door meer dan één huishouden
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. De verkeersveiligheid;
  2. Het woon- en leefklimaat;
  3. De milieusituatie;
  4. De gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  5. Er dient sprake te zijn van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
8.5.2. Groter oppervlakte van bijbehorende bouwwerken na sanering
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. Er dient sprake te zijn van sloop en maximaal 75% van de gesloopte bebouwing mag terug worden gebouwd;
  2. Na sanering mag het perceel voor maximaal 60% zijn bebouwd.
8.5.3. Vergroten van de inhoud van een woning en gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. Ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ dient de karakteristieke hoofdvorm van de woning behouden te blijven;
  2. Het gedeeltelijk bouwen buiten het bouwvlak betrekking heeft op de uitbreiding van een woning binnen het bouwvlak;
  3. De inhoud van de woning maximaal 750m3 mag bedragen;
  4. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing.
8.5.4. Vergroten van de goothoogte van de woning
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
  1. De goothoogte van de woning niet hoger is dan 5,50 meter.
8.5.5. Woningsplitsing
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. De te splitsen woning heeft ten minste een inhoud van 600m3;
  2. Na splitsing heeft elke woning ten minste een inhoud van 250m3;
  3. De woningsplitsing vanuit stedenbouwkundigoogpunt aanvaardbaar is;
  4. De inhoud en oppervlakte van de woning inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen niet mag worden vergroot.
8.5.6. Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. De ruimtes welke worden gebruikt ten behoeve van ondergeschikte detailhandel bevinden zich op de begane grond van de woning of een bijbehorend bouwwerk;
  2. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 8.5.6., 8.5.7, 8.5.8 en 8.6.1.;
  3. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarvan minstens één de bewoner is;
  4. De oppervlakte van productiegebonden detailhandel mag maximaal 10% van het brutovloeroppervlakte, tot een maximum van 150m2 bedragen;
  5. Etalages zijn niet toegestaan;
  6. Er is ten hoogste één reclame-uiting toegestaan, van maximaal 20x30 cm;
  7. Verkoop van producten met veiligheidsrisico niet zijn toegestaan;
  8. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Steenwijkerland;
  9. Er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking.
8.5.7. Complementaire daghoreca als ondergeschikte nevenactiviteit
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat;
  1. De ruimtes welke toegankelijk zijn voor bezoekers bevinden zich op de begane grond van de woning of een bijbehorend bouwwerk;
  2. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld in 8.5.6., 8.5.7, 8.5.8 en 8.6.1.;
  3. De totale oppervlakte van de daghoreca beslaat, inclusief terras, maximaal 100m2
  4. Minimaal 1 bewoner dient werkzaam te zijn in het horecabedrijf;
  5. Er is ten hoogste één reclame-uiting toegestaan, van maximaal 20x30 cm;
  6. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Steenwijkerland.
8.5.8. Bed & breakfast
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. Er maximaal 10 slaapplaatsen per bouwperceel gerealiseerd mogen worden, ten behoeve van gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen;
  2. De slaapplaatsen dienen te worden gerealiseerd in het hoofdgebouw;
  3. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een nevenactiviteit, zoals bedoeld 8.5.6., 8.5.7, 8.5.8 en 8.6.1.;
  4. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, conform de Nota parkeernormen Steenwijkerland.
8.5.9. Paardenbak
Een omgevingsvergunning kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. De volledige paardenbak dient te worden gerealiseerd binnen een straal van 70 meter, gemeten vanaf het aangrenzende en bij de functie behorende hoofdgebouw;
  2. De paardenbak dient op minimaal 50 meter afstand van de woning van derden te worden aangelegd;
  3. De paardenbak heeft een maximale afmeting van 20 x 40 meter;
  4. De paardenbak dient in het achtererf gerealiseerd te worden;
  5. Er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing;
  6. De bouwhoogte van de paardenbak is maximaal 1,50 meter, met dien verstande dat de lichtmasten ten hoogste 5,50 meter mogen bedragen;
  7. De plaatsing van lichtmasten bij de paardenbak is uitsluitend toegestaan indien dit geen lichthinder tot gevolg heeft.
8.6 Specifieke functieregels
 
8.6.1. Beroep of bedrijf aan huis
Een beroep of bedrijf aan huis bij de bedrijfswoning, zoals benoemd in bijlage 1 bij de regels, is toegestaan, mits;
  1. Een aan huis verbonden beroep of bedrijf wordt uitsluitend uitgeoefend in de bedrijfswoning of de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken;
  2. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt gebruikt voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf;
  3. De verschijningsvorm als woning mag niet wezenlijk worden aangetast;
  4. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waarbij minstens 1 persoon tevens de bewoner van de woning is;
  5. Er is maximaal één reclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20x30 cm;
  6. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte, overeenkomstig met de Nota parkeernormen Steenwijkerland, of diens rechtsopvolger;
  7. Er geen detailhandel plaatsvindt, behoudens beperkte verkoop van aan het betreffende beroep/bedrijf aan huis gerelateerde producten. Met dien verstande dat maximaal 10% van de vloeroppervlakte waar een beroep/bedrijf aan huis uitgeoefend mag worden gebruikt mag worden voor detailhandel;
  8. Er geen buitenopslag plaatsvindt;
  9. Er geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  10. Er geen onevenredige aantasting plaats vindt van het woon- en leefklimaat.
 
Artikel 9 Waarde - Archeologie 2
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 2’
 
9.2 Functieomschrijving
De voor 'Waarde – Archeologie-2 ' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functie(s), mede aangewezen voor de bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.
 
9.3 Omgevingsvergunning voor het bouwen op een locatie met de waarde Archeologie 2
 
9.3.1. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
Ter plaatse van gronden met de ‘waarde – Archeologie 2’ is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, indien;
  1. De oppervlakte groter is dan 250m2 en de locatie is gelegen binnen de bebouwde kom;
  2. De oppervlakte groter is dan 2500m2 en de locatie is gelegen buiten de bebouwde kom.
9.3.2. Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
9.3.3. Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het bouwen
De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien en voor zover uit het archeologisch rapport blijkt dat:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.3.4. Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het bouwen
Indien uit het in 9.3.2. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
9.4.1. Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 9.4.2., zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 9.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;
  1. Over een oppervlakte groter dan 250m2 binnen de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld;
  2. Over een oppervlakte groter dan 2500m2 buiten de bebouwde kom en voor zover het dieper gaat dan 50 cm beneden het maaiveld.
Voor zover het gaat over;
  1. Het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. Het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting;
  3. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
9.4.2. Uitzondering vergunningplichtige gevallen
Het bepaalde in lid 9.4.1 is niet van toepassing bij werkzaamheden indien:
  1. Door middel van een aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn;
  2. Het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  3. Werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing mogen worden uitgevoerd.
  4. De werken en werkzaamheden worden verricht in het kader van een aanvullend of definitief archeologisch onderzoek.
9.4.3. Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning
Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
  1. Een aanvullend en/of een definitief archeologisch rapport waarin, naar oordeel van het bevoegd gezag, de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld.
9.4.4. Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien en voor zover:
  1. De archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld en;
  2. In voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard of gedocumenteerd, dan wel:
  3. In voldoende mate is aangegeven dat de archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, dan wel niet (meer) aanwezig zijn.
9.4.5. Aanvullende beoordelingsregel omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Indien uit het in 9.3.2. genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de onderstaande voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. De verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
Artikel 10 Leiding - Riool
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die op de verbeelding zijn aangewezen als ‘Leiding-Riool’
 
10.2 Functieomschrijving
De voor ‘Leiding-Riool’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende functie(s), mede bedoeld voor een rioolleiding en de daarbij behorende voorzieningen, met de hartlijn van de leiding ter plaatse van de figuur 'hartlijn leiding - riool'.
 
10.3 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
 
10.3.1 Gebouwen
Op de voor ‘Leiding-Riool’ aangewezen gronden mogen géén gebouwen worden gebouwd.
 
10.3.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Op de voor ‘Leiding-Riool’ aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd, bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
  1. die noodzakelijk zijn voor de aanleg en instandhouding van de in 9.2 bedoelde leiding(en) met een oppervlakte van maximaal 15 m2;
  2. met een bouwhoogte van maximaal 2,00 meter.
10.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen
 
10.3.1 het bouwen van gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouw zijnde
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouw zijnde op de voor ‘Leiding-Riool’ aangewezen gronden te bouwen.
 
10.3.2 overige werkzaamheden
Het is verboden op of in de voor ‘Leiding-Riool’ aangewezen gronden zonder of in afwijking van een verleende omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren en/of te laten uitvoeren:
  1. aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  2. het ontginnen, woelen, mengen, diepploegen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem en/of het aanleggen van drainage en/of het uitvoeren van overige grondbewerkingen;
  3. het aanbrengen en rooien van hoogopgaande en/of diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  4. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem;
  5. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan de in artikel 9.1 bedoelde leiding(en);
  6. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen en andere wateren.
  7. Het verbod is niet van toepassing op:
    1. normale onderhoudswerkzaamheden;
    2. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd.
10.4 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
 
10.4.1 het bouwen van gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouw zijnde
Een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het bouwen van gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouw zijnde met dien verstande dat:
  1. het doelmatig functioneren van de in artikel 10.2 bedoelde leiding niet wordt aangetast en de veiligheid van deze leiding niet wordt geschaad;
  2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder;
  3. bebouwing mogelijk is op grond van de onderliggende functie;
  4. geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
10.4.2 Overige werkzaamheden
Een omgevingsvergunning voor overige werkzaamheden zoals genoemd in 10.3.2 kan worden verleend met dien verstande dat:
  1. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen het doelmatig functioneren van de in artikel 9.1 bedoelde leiding(en) niet wordt aangetast;
  2. daarover vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten
 
12.1 Meetverschillen
De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend voor het afwijken van de aangeduide bouwgrenzen indien een meetverschil of onnauwkeurigheid ten opzichte van de feitelijke situatie daartoe aanleiding geeft, mits de afwijking maximaal 3,00 meter bedraagt.
 
12.2 Kleine bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen
De omgevingsvergunning in de zin van artikel 22.26 wordt ook verleend op locaties die zijn aangewezen als 'Tuin' en 'Wonen' voor het bouwen van kleine, niet voor bewoning bedoelde bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, pinautomaten, afval- en glascontainers en dergelijke, indien: 
  1. de oppervlakte maximaal 15 m2 bedraagt;
  2. de goothoogte maximaal 3,00 m bedraagt;
  3. de bouwhoogte maximaal 6,00 m bedraagt.
 
Artikel 13 Verboden gebruiksactiviteiten
 
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:
  1. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf;
  2. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf, voor zover daarvoor door de burgemeester geen gedoogtoestemming is verleend;
  3. straatprostitutie;
  4. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens, tenzij de betreffende bestemming daarin wel uitdrukkelijk voorziet.
 
Artikel 14 Regels met betrekking tot evenementen
 
14.1 Aanwijzing vergunningplicht
 
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van evenementen die met een zekere regelmaat plaatsvinden en een planologische relevantie hebben vanwege de duur van de activiteit, waaronder het opbouwen en afbreken en/of vanwege de omvang van de activiteit, waaronder het aantal deelnemers/toeschouwers.
 
14.2 Beoordelingscriteria
 
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 wordt verleend indien:
  1. de evenementen zijn toegestaan overeenkomstig de bepalingen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV);
  2. het evenement maximaal 15 dagen aaneengesloten duurt, inclusief het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement;
  3. een locatie niet meer dan 3 maal per jaar voor een evenement wordt gebruikt;
  4. er geen horeca ter plaatse plaatsvindt, anders dan inherent aan het toegestane evenement;
  5. er geen detailhandel ter plaatse plaatsvindt, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement, met uitzondering van vlooien- en/of rommelmarkten;
  6. er geen recreatief nachtverblijf ter plaatse plaatsvindt;
  7. in de parkeerbehoefte in voldoende mate wordt voorzien;
  8. aan de van toepassing zijnde milieuwet- en regelgeving wordt voldaan;
  9. het evenement niet leidt tot onevenredige aantasting van de kernkwaliteiten van bestaande natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden niet worden geschaad;
  10. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. de verkeersveiligheid;
    2. de milieusituatie;
    3. het woon- en leefklimaat;
    4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
 
Artikel 15 Regels met betrekking tot parkeren
 
15.1 Aanvullende beoordelingsregels voor vergunningplichtige bouwactiviteiten
  1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 geldt voor het bouwen en/of uitbreiden van gebouwen tevens de volgende beoordelingsregel:
    1. bij de aanvraag is aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor bewoners/gebruikers en indien van toepassing werknemers en bezoekers - volgens de normering zoals is opgenomen in het parkeerbeleid. Deze parkeergelegenheid moet zijn aangebracht in, op of onder het gebouw dan wel op of onder het bijbehorend bouwperceel.
  2. Gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a dienen na de realisering in stand te worden gehouden.
 
Artikel 16 Overige regels
 
16.1 Voorrangsregels
 
16.1.1 Voorrang dubbelfunctie
In het geval van strijdigheid van belangen tussen een functie en een dubbelfunctie gaat het belang van de dubbelfunctie voor.
 
16.1.2 Onderlinge relatie dubbelfunctie
Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelfuncties geldt dat dubbelfuncties gericht op het instandhouden of ontwikkelen van het groene karakter en het voorkomen van bebouwing voorgaan boven dubbelfuncties met bebouwing. In concreto wordt in afnemende mate prioriteit verleend aan de dubbelfunctie:
  1. Waarde - Archeologie 2.
 
4 Overgangs- en slotregels
Artikel 17 Overgangsrecht
 
17.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan 'Beulakerweg 127b Giethoorn' aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
17.6 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan 'Beulakerweg 127b Giethoorn' met identificatienummer NL.IMRO.1708GHNBeulakerw127bOP-VA01 van de gemeente Steenwijkerland, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan 'Beulakerweg 127b Giethoorn' met identificatienummer NL.IMRO.1708GHNBeulakerw127bOP-VA01 van de gemeente Steenwijkerland strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.