direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Natuurbegraafplaats Heidewold
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

In het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland, aan de Woldweg, bevinden zich enkele percelen die in eigendom zijn van vereniging Het Heideveld. De percelen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 44 hectare, zijn in de huidige situatie onbebouwd en ingericht als grasland, natuurland en bos.

Initiatiefnemer is voornemens om de percelen om te vormen naar natuur, waarbij 10 tot 15 hectare wordt ingericht als natuurbegraafplaats. Ter compensatie worden bospercelen omgevormd naar een gemengd loofbos en weiland naar kruidenrijk grasland met coulissen beplanting.

Voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met de geldende beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014”. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening vereist. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. In dit bestemmingsplan zal worden aangetoond dat het gewenste plan vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt ten noordoosten van de kern Steenwijkerwold, aan de Woldweg. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Steenwijkerwold, sectie B, perceel 1338, 1340 en deels Sectie G nummer 697. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied in Steenwijkerwold en ten opzichte van de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0001.png"  
Afbeelding 1.1 Ligging plangebied (Bron: Provincie Overijssel)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan “Natuurbegraafplaats Heidewold” bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-ON01) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen).

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied ligt binnen de grenzen van de beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014”. Deze beheersverordening is vastgesteld op 9 december 2014 door de gemeenteraad van de gemeente Steenwijkerland. Het perceel is bestemd als 'Bos' en 'Agrarisch met waarden'. Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch met waarden' geldt de aanduiding 'Ecologische waarde'. Voor het overige geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'.

Hierna is een uitsnede van de verbeelding van de beheersverordening 'Buitengebied Steenwijkerland' opgenomen. De rode contour geeft de gronden aan die onderdeel uitmaken van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Uitsnede beheersverordening “Buitengebied Steenwijkerland 2014” (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)  
1.4.2 Beschrijving bestemmingen en aanduidingen

Bos

Gronden met de bestemming 'Bos' zijn bestemd voor instandhouding en ontwikkeling van aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische, en ecologische waarden. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor bosexploitatie, recreatief medegebruik en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Op de voor 'Bos' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Agrarisch met waarden

Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig- en hobbymatig gebruik, bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijke waarden, instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties en instandhouding, versterking en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en/of ecologische waarden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde'.

Op de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van bestaande gebouwen, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal de bestaande bouwhoogte bedraagt.

Waarde – Archeologie 2

Gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende waarden, mede bestemd voor het behoud van de archeologische monumenten en waarden die daar aanwezig kunnen zijn.

1.4.3 Strijdigheid

Een natuurbegraafplaats past niet binnen de functieomschrijving van de geldende bestemming. Dit geldt tevens voor een ontvangstgebouw ten behoeve van de natuurbegraafplaats. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied gegeven.

Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Steenwijkerland beschreven.

In hoofdstuk 5 passeren de relevante milieuaspecten de revue en in hoofdstuk 6 wordt in gegaan op het aspect water.

In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project.

Hoofdstuk 9 gaat in op vooroverleg en de inspraak.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planvoornemen

2.1 Huidige situatie plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Woldweg, in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland, circa 2 kilometer ten oosten van de kern Steenwijkerwold. Het plangebied is gelegen op de grens van het heideontginningslandschap en kampontginningslandschap wat duidelijk terug te zien is in de omgeving. Ten zuiden van het plangebied is er sprake van een kleinschalige blokverkaveling. Ten noorden is een meer halfopen landschap met rechte kavelpatronen waarneembaar.

De hoofdfuncties in de omgeving betreffen natuur/bos en agrarische bedrijvigheid. Vooral ten noordoosten van het plangebied komen veel natuurgronden voor. Aan de overige zijden zijn verspreid liggende agrarische bedrijven en woonhuizen aanwezig. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door enkele recreatieterreinen. Voor het overige wordt het plangebied begrensd door agrarische cultuurgronden met enkele woonhuizen en agrarische bedrijven.

Het plangebied heeft een omvang van circa 44 hectare en is onbebouwd. De gronden zijn in de huidige situatie in gebruik als natuurgronden en bos. Het bos bestaat uit een productiebos met voornamelijk lariks, douglas en fijnspar. Tussen de percelen lopen singels van eiken, ook zijn er beuken, berken en hemlocksparren aanwezig. Midden in het plangebied ligt een smalle strook als heideveld, waar enkele jaren geleden veel opslag van berken en andere bomen zijn verwijderd. De huidige vegetatie is jonge heide met enkele grove dennen. Bijzonder is de aanwezigheid van een poel/ven waar rondom heen vuursteenresten zijn gevonden als indicatie van een jager/verzamelaar kamp uit de Steentijd.

In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van het plangebied opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0003.png"  
Afbeelding 2.1 Luchtfoto plangebied (Bron: PDOK)  

2.2 Planvoornemen

Het voornemen bestaat om circa 44 hectare bospercelen en agrarische percelen om te vormen tot natuur met een gemengd loofbos met op enkele plekken kruidenrijk grasland, waarbij circa 10-15 hectare wordt ingericht als natuurbegraafplaats.

Bij een natuurbegraafplaats is, in tegenstelling tot een reguliere begraafplaats, geen blijvende grafbedekking (grafstenen) aanwezig. De graven gaan onzichtbaar op in de natuur. Er is sprake van meer ruimte tussen de graven en er zijn geen hekken/afrasteringen of speciaal vervaardigde grafstenen aanwezig. De graven worden soms gemarkeerd met een afbreekbare houten schijf met gravering van een naam etc.. Dit type begraafplaats draagt bij aan een toenemende behoefte vanuit de maatschappij voor een verduurzaming van de samenleving. Geen onnodige belasting van het milieu, maar weer worden opgenomen door de natuur.

De ingang van de natuurbegraafplaats wordt gesitueerd aan de Prins Willem Alexanderlaan, waarbij het parkeren in het noordwestelijk deel van het plangebied plaatsvindt langs een onverhard pad. Binnen de 10 tot 15 hectare natuurbegraafplaats worden gefaseerd 250 tot 500 graven per hectare uitgegeven. Ter compensatie worden bospercelen omgevormd naar een gemengd loofbos en weiland naar kruidenrijk grasland met coulissen beplanting. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Met de uitgifte van de graven loopt een proces van natuurcompensatie synchroon: per 250 uitgegeven graven wordt er in de directe omgeving 1 hectare natuur gecompenseerd. Hiervoor zijn gronden beschikbaar en gereserveerd.

Binnen het plangebied wordt één gebouw gerealiseerd. Dit gebouw zal worden gebruikt als schaftuimte bij onderhoudswerkzaamheden en als ontvangstruimte voor de uitgifte van graven. Het gebouw mag maximaal een omvang van 70 m² hebben. Het gebouw is nabij de ingang van de natuurbegraafplaats gesitueerd. Daarnaast worden er wandelpaden aangelegd zodat het gebied recreatief toegankelijk wordt.

In afbeelding 2.2 is een verbeelding van de gewenste ontwikkeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0004.png"  
Afbeelding 2.2 Impressie van de gewenste natuurbegraafplaats aan de Woldweg (Bron: Limes advies)  

Beeldkwaliteitsplan

Voor de voorgenomen ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld door Ada Wille Landschaps- en begraafplaatsarchitectuur en Limes Landschapsadvies. Hierna wordt kort ingegaan op de beeldkwaliteitseisen die worden gesteld voor de natuurbegraafplaats. Voor het volledige beeldkwaliteitsplan wordt verwezen naar Bijlage 1 van deze toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0005.png"  
Afbeelding 2.3 Uitsnede beeldkwaliteitsplan gewenste ontwikkeling (Bron: Limes advies)  

Bij de inrichting van de natuurbegraafplaats wordt gewerkt met materialen die de sfeer en ambiance van de natuurbegraafplaats versterken. Denk daarbij aan:

  • entree/poort: houten markering
  • ontvangstgebouw: boshut
  • parkeerplaatsen: halfverhard/grasparkeerstrook met groenvakken
  • paden: bospaden, onverhard
  • informatieborden/bewegwijzering
  • markering van het graf: onbehandelde houten naamschijf
  • begrenzing natuurbegraafplaats: takkenrillen van snoeihout


Alles kan zoveel mogelijk van lokaal geoogst hout gemaakt worden, wellicht i.s.m. een sociale werkplaats.

Verspreid door het bos kunnen enkele bestaande open plekken ingericht worden als ceremonieplek: eenvoudige houten banken rondom een centrale plek waar de kist geplaatst kan worden voor een afscheidsceremonie.

2.3 Verkeer en parkeren

2.3.1 Algemeen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie.

Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte.

2.3.2 Situatie plangebied

In dit geval gaat het om de uitbreiding van een natuurbegraafplaats. Voor wat betreft de functie 'begraafplaats' gelden geen verschillen in verkeersgeneratie en parkeerbehoefte per stedelijkheidsgraad en ligging. Er gelden dus enkel vaste normen voor parkeren en verkeersgeneratie.

Parkeren

Voor een begraafplaats geldt een parkeernorm van gemiddeld 31,6 parkeerplaatsen per (deels) gelijktijdige plechtigheid). De kans dat er twee plechtigheden gelijktijdig plaatsvinden is klein. Echter moet wel in de parkeerbehoefte worden voorzien, mocht dit voorkomen.

Het parkeerterrein (weergegeven in afbeelding 3.1) heeft een zodanige omvang dat er meer dan voldoende ruimte aanwezig is om te kunnen voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het parkeeraspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

 Verkeersgeneratie

Voor een begraafplaats geldt dat een plechtigheid circa 44,4 verkeersbewegingen met zich meebrengt.

Er zijn geen verkeerstellingen van de Prins Willem Alexanderlaan gedaan. De verkeerstellingen van wegen in de omgeving van het initiatief laten geen (over) belasting van de wegen zien. De verkeerstellingen liggen ruim onder het aantal verkeersbewegingen die de wegenstructuur aan moet kunnen. De verkeerstructuur in het gebied zal de toename van het aantal verkeersbewegingen door dit initiatief aan kunnen. Het is niet de verwachting dat er verkeerproblemen ontstaan door dit initiatief.

Geconcludeerd kan worden dat de omliggende wegen rond de natuurbegraafplaats van voldoende omvang zijn om deze extra verkeersgeneratie af te wikkelen.

2.3.3 Conclusie

Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeer en parkeren geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover relevant, de rijks-, provinciale- en gemeentelijke beleidsnota's. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor het plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

3.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

3.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties
3.1.2 Wet op de lijkbezorging

De wet op de lijkbezorging regelt de lijkbezorging in ruime zin, zoals de locatie en beheer van een bijzondere begraafplaats. De wet geeft aan dat een bijzondere begraafplaats kan worden aangelegd en in stand kan worden gehouden door een privaatrechtelijke rechtspersoon.

De wet regelt voorts dat de gemeenteraad bevoegd gezag is in het aanwijzen van de locatie van de begraafplaats. De wet schrijft voor dat een register wordt bijgehouden met de begraven lijken en een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven zijn. Het 'Besluit op de lijkbezorging' (3 mei 1991) regelt onder meer de wijze van begraven en de inrichting van het graf. Zo regelt dit besluit dat bij het begraven geen gebruik mag worden gemaakt van kunststof of metalen omhulsel.

Voor de inrichting van een graf wordt aangegeven dat er zich minimaal 65 centimeter grond boven op de kist of het omhulsel moet bevinden. De afstand tussen de kisten bedraagt minimaal 30 centimeter. Tevens zal de kist of het omhulsel zich 30 centimeter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand moeten begeven.

3.1.3 Inspectierichtlijn Lijkbezorging

De 'Inspectierichtlijn Lijkbezorging, Handreiking voor inrichting, technisch beheer en onderhoud van begraafplaatsen, crematoria en opbaargelegenheden' van het ministerie VROM geeft aanvullende richtlijnen ten aanzien van de locatie en inrichting van begraafplaatsen. Het betreft een richtlijn en geen wettelijk voorschrift. Volgens de richtlijn is het zaak via het spoor van de ruimtelijke ordening er voor te zorgen dat begraafplaatsen en naastgelegen bestemmingen in harmonie zijn, dat wil zeggen elkaar zo min mogelijk negatief beïnvloeden.

3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR (voorganger NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

3.1.5 Toetsing van het initiatief aan het Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de NOVI. Voor het overige wordt rekening gehouden met de 'Wet op de lijkbezorging' en 'Besluit op de lijkbezorging'.

Wat betreft de “Ladder voor duurzame verstedelijking” wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Hierbij moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden:

  • a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte;
  • b. indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Wat is een stedelijke ontwikkeling

De definitie voor een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1, lid 1, Bro) luidt als volgt:

  • Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Er is geen ondergrens bepaald voor wat een 'stedelijke ontwikkeling' is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving.

Ontwikkelingsspecifiek
Gezien de aard van de functie en het gegeven dat een gedeelte van de planontwikkeling voorziet in de realisatie van een natuurbegraafplaats met een groen karakter en het toevoegen van groene functies alsook natuur- en landschapswaarden is er geen sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' - en hoeft de Ladder voor Duurzame Verstedelijking niet doorlopen te worden voor deze functie. Dit volgt onder meer uit een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, waarbij is uitgesproken dat de aanleg van een (natuur)begraafplaats niet aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (Afdeling d.d.1 augustus 2018/ECLI:NL:RBNHO:2016:9707). De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:448). In deze uitspraak heeft de afdeling geoordeeld dat uit de nota van toelichting van de ladder blijkt dat de regeling is gericht op het tegengaan van leegstand. De aanleg van een (natuur)begraafplaats, waarbij zoals in dit geval geen sprake is van (grootschalige) bebouwing waarbij het risico op leegstand kan worden vergroot, kan daarom niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. De te bouwen bebouwing is immers bedoeld voor beheer en onderhoud van de begraafplaats.

Er is hiermee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

3.1.6 Conclusie toetsing aan het rijksbeleid

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel.

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

  • 4. Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.
  • 5. Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
  • 6. Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen, waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt. In dit uitvoeringsmodel staan de volgende stappen centraal:

  • 7. Of – generieke beleidskeuzes
  • 8. Waar – ontwikkelingsperspectieven
  • 9. Hoe – gebiedskenmerken

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In afbeelding 3.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0006.png"  
Afbeelding 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

Of - Generieke beleidskeuzes (normstellend)

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

Waar - Ontwikkelingsperspectieven (richtinggevend)

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. De Omgevingsvisie onderscheid zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

Hoe - Gebiedskenmerken (normstellend, richtinggevend of inspirerend)

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

3.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of – generieke beleidskeuzes' zijn artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) 2.7.3 en 2.7.4 (NatuurNetwerk Nederland) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt op beide artikelen nader ingegaan.

Artikel 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik)

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving, wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro;

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel

Dit bestemmingsplan voorziet in de omvorming van het plangebied naar natuur met een natuurbegraafplaats. Gelet op de functie natuurbegraafplaats, is het niet wenselijk om bestaande erven of bebouwing te herbenutten. Dit vanwege het feit dat het wenselijk is om enige afstand aan te houden tussen een begraafplaats en een erf. Binnen het plangebied wordt uitsluitend een gebouw van beperkte omvang gerealiseerd (maximaal 70 m²) en halfverhardingen aangelegd. De parkeervoorzieningen en infrastructuur zullen worden uitgevoerd in de vorm van grasbetonblokken. De inrichting van de wandelpaden zal bestaan uit keileem en/of strooisellaag en dus niet in de vorm van reguliere half open of gesloten verharding. Het ruimtebeslag op de groene omgeving is in voorliggend geval dan ook zeer beperkt omdat de gronden grotendeels dienst gaan doen als nieuwe natuur. Het voornemen wordt in overeenstemming geacht met de principes van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik'.

Artikel 2.1.5: Ruimtelijke kwaliteit (leden 1, 2, 3 en 5)

  • 1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.
  • 2. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.
  • 3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.
  • 4. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening Overijssel

De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een natuurbegraafplaats in bestaande natuur. Bij een natuurbegraafplaats is, in tegenstelling tot een reguliere begraafplaats, geen sprake van structuren maar van willekeur. Graven worden op willekeurige plekken verspreid over het gebied gesitueerd. Er is sprake van meer ruimte tussen de graven en er zijn geen hekken/afrasteringen of speciaal vervaardigde grafstenen aanwezig. Hiermee wordt er dan ook geen afbreuk gedaan aan de natuurlijke waarden ter plaatse. Ter compensatie wordt voor elke 250 graven één hectare aan natuur aangelegd rondom het plangebied. Middels voorliggende ontwikkeling wordt het eentonige bos dan ook getransformeerd naar een gemengd loofbos die passend is in de omgeving. Geconcludeerd wordt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Gesteld wordt dat er sprake is van een kwaliteitsimpuls van de ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 2.7.3 Beschermingsregime (leden 2,4 en 5) (NNN)

2. Gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als 'Bestaand' moeten een bestemming krijgen die uitsluitend is gericht op het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden.

3. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die op de kaart als bedoeld in artikel 2.7.2 zijn aangeduid als NNN (voorheen EHS) wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

4. De verplichtingen die voortvloeien uit lid 2 tot en met 4 houden in ieder geval in: behoud van areaal, kwaliteit en samenhang van de betrokken gebieden.

Artikel 2.7.4 Afwijkingsmogelijkheden (NNN)

Lid 5

De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen het NNN af te wijken van het beschermingsregime mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging:

  • a. de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast,
  • b. per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of een vergroting van de oppervlakte van het NNN,
  • c. plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.7.3 en 2.7.4 van de Omgevingsverordening

Het plangebied ligt voor het overgrote deel in het NatuurNetwerk Nederland. In voorliggende ontwikkeling worden de gronden gebruikt ten behoeve van natuur en natuurbegraafplaatsen. Middels voorliggende ontwikkeling worden de wezenlijke kenmerken van het NNN versterkt of verbeterd.

Het voornemen bestaat om circa 44 hectare bospercelen en agrarische percelen om te vormen tot natuur met een gemengd loofbos met op enkele plekken kruidenrijk grasland, waarbij circa 10-15 hectare wordt ingericht als natuurbegraafplaats.

Bij een natuurbegraafplaats is, in tegenstelling tot een reguliere begraafplaats, geen sprake van structuren maar van willekeur. Graven worden op willekeurige plekken verspreid over het gebied gesitueerd. Er is sprake van meer ruimte tussen de graven en er zijn geen hekken/afrasteringen of speciaal vervaardigde grafstenen aanwezig. Ter compensatie worden bospercelen omgevormd naar een gemengd loofbos en weiland naar kruidenrijk grasland met coulissen beplanting. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Met de uitgifte van de graven loopt een proces van natuurcompensatie synchroon: per 250 uitgegeven graven wordt in de directe omgeving 1 hectare natuur aangelegd. Daarnaast vindt er nog één hectare compensatie plaats omdat er een gebouw van maximaal 70 m2 wordt gerealiseerd.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk doet aan het bestaande NatuurNetwerk Nederland maar juist kan bijdragen aan de versterking hiervan.

3.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

In dit geval zijn vooral de ontwikkelingsperspectieven voor de Groene Omgeving van belang. In de Groene Omgeving gaat het vooral om: behoud en versterking van de kwaliteit van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW);
  • agrarisch ondernemen in het grootschalige landschap;
  • wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap.

Het plangebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel het ontwikkelingsperspectief 'Natuurnetwerk Nederland' en 'Zone ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland'. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0007.png"  
Afbeelding 3.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

'Natuurnetwerk Nederland'

Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) staan de kwaliteitsambities 'Natuur als ruggengraat' en 'Continu en Beleefbaar watersysteem' voorop. Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is binnen het natuurnetwerk geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan voldaan kan worden (het 'nee, tenzij'-principe)

Daarbij hanteert de provincie NNN-spelregels. Binnen de gebieden waar de komende jaren natuurrealisatie plaatsvindt, is medegebruik mogelijk. Voorwaarde is wel dat initiatieven actief bijdragen aan realisatie van het robuuste en samenhangende netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit.

'Zone ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland'

Het ontwikkelingsperspectief Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) is opgebouwd uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Zone Ondernemen met Natuur en Water buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het watersysteem. Het plangebied is gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) staan in Overijssel de kwaliteitsambities Natuur als ruggengraat en Continu en Beleefbaar watersysteem voorop (zie paragraaf 4.1.2). Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk. Voor initiatieven die niet passen binnen de doelstelling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is binnen het natuurnetwerk geen ruimte, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang waar niet op een andere manier aan voldaan kan worden (het 'nee, tenzij'-principe). Daarbij hanteren we zogenaamde NNN-spelregels. Binnen de gebieden waar de komende jaren natuurrealisatie plaatsvindt, is medegebruik mogelijk. Voorwaarde is wel dat initiatieven actief bijdragen aan realisatie van het robuuste en samenhangende netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit.

Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven'

Voorliggende ontwikkeling heeft betrekking op het herstellen bestaande natuur en het realiseren van een natuurbegraafplaats binnen het Natuurnetwerk Nederland. Daarbij vinden geen ingrepen plaats met negatieve effecten op het NNN (zoals areaalvermindering of het doorsnijden van structuren). Het betreft een natuurbegraafplaats waarbij slechts kleinschalige bouwontwikkelingen plaatsvinden. Ter compensatie wordt voor elke 250 graven, één hectare natuur ontwikkeld welke de bestaande NNN versterkt.

Geconcludeerd wordt dan ook dat de ontwikkeling in overeenstemming is met het ter plekke geldende ontwikkelingsperspectief.

3.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. In dit geval wordt de stedelijke laag buiten beschouwing gelaten, aangezien deze laag geen relevantie kent voor dit project.

1. De “Natuurlijke laag”

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bij voorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp. Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype “Stuwwallen”.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0008.png"  
Afbeelding 3.3: De “Natuurlijke laag”: Stuwwallen (in cultuur gebracht) (Bron: Provincie Overijssel)  

“Stuwwallen”

De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de 'ingangen' van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. Lagen met diverse bodemsamenstelling zijn scheef gesteld, waardoor er voedselrijker en armere, waterdoorlatende en ondoorlatende lagen direct naast elkaar kunnen liggen. Zo bestaan de Twentse stuwallen voor een groot deel uit tertiaire (zee)klei en keileem. Hierdoor zijn ze overwegend nat en komen er talrijke brongebieden voor.

Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en van de overgang tussen stuwwal en omgeving. Ook dienen ontwikkelingen bij te dragen aan versterking van de potentiële natuurlijke kwaliteiten van de 'natte voet' van de stuwwal (kwelzone, brongebied) en deze beter zichtbaar maken.

Toetsing van het initiatief aan de “Natuurlijke laag”

De oorspronkelijke gebiedskenmerken van de 'Natuurlijke laag' zijn ter plaatse van het plangebied nauwelijks nog waarneembaar. Dit heeft met name te maken met het feit dat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van het productiebos. Met de ontwikkeling naar natuurbegraafplaats wordt met de landschappelijke inpassing aangesloten bij de nog aanwezige kenmerken, zodat er sprake is van een landschappelijke kwaliteitsverbetering. Geconcludeerd wordt dat voldoende rekening is gehouden met de gebiedskenmerken behorend tot de 'Natuurlijke laag'.

2. De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”

In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met het gebiedstype “Jonge Heide- en broekontginninglandschappen”.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0009.png"  
Afbeelding 3.4: De “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”: Jonge Heide- en broekontginninglandschappen (Bron: Provincie Overijssel)  

“Jonge Heide- en broekontginninglandschappen”

De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings' landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat.

Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

Toetsing van het initiatief aan de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap”

Zoals ook bij de toetsing aan de 'Natuurlijke laag' is beschreven, is de opzet van het nieuwe deel van de natuurbegraafplaats gebaseerd op de bestaande landschapsstructuur. De natuurbegraafplaats is passend binnen de ruimtelijke- en functionele structuur van de omgeving, aangezien het natuurlijk wordt ingericht en is gelegen binnen bestaande natuur. Het geheel wordt adequaat landschappelijk ingepast. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar subparagraaf 2.2.

3. De “Laag van de beleving''

Met de natuurlijke laag, de laag van het agrarische cultuurlandschap en de stedelijke laag is het spectrum van de ruimtelijke kwaliteit nog niet compleet. De Laag van de beleving is het domein van de belevenis, de betekenis en identiteit. Het voegt kenmerken toe als landgoederen, recreatieparken, recreatieve routes maar benut ook vooral de kwaliteit van de andere drie lagen. Het maakt ze beleefbaar en tot een belevenis. Het belevenisaspect wordt een steeds belangrijker pijler onder het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. De ambitie is gericht op sterke ruimtelijke identiteiten als motor voor gebiedsontwikkeling. Het gaat er om beleving, betekenis en kwaliteit van de omgeving te versterken en de beleefbaarheid en toegankelijkheid van het landschap te vergroten.

De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Laag van de beleving' aangeduid met 'Donkerte'. In afbeelding 3.5 wordt dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0010.png"  
Afbeelding 3.5: De “Laag van de beleving”: Donkerte (Bron: Provincie Overijssel)  

“Donkerte”

Lichte gebieden geven een beeld van de economische dynamiek van de provincie: de steden en dorpen, de autosnelwegen, de kassengebieden, de attractieparken, de grote bedrijventerreinen en de gebieden met veel bebouwing. De donkere gebieden geven een indicatie van de 'buitengebieden' van Overijssel. De natuurcomplexen en de grote landbouwgebieden. De donkere gebieden zijn de gebieden waar het 's nachts nog echt donker is, waar je de sterrenhemel kunt waarnemen. Het zijn de relatief 'luwe' dun bewoonde gebieden met een lage gebruiksdruk.

Donkerte wordt een te koesteren kwaliteit. De ambitie is de huidige 'donkere' gebieden, ten minste zo donker te houden, maar bij ontwikkelingen ze liever nog wat donkerder te maken. Dit betekent op praktisch niveau terughoudend zijn met verlichting van wegen, bedrijventerreinen e.d. en verkennen waar deze 's nachts uit kan of anders lichtbronnen selectiever richten. Structureel is het vrijwaren van donkere gebieden van verhoging van de dynamiek het perspectief. De ambitie is het rustige en onthaaste karakter te behouden, zodat passages van autosnelwegen en regionale wegen niet leiden tot stedelijke ontwikkeling aan eventuele op- en afritten. Bundeling van stedelijke functies en infrastructuur in de 'lichte' gebieden.

Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van de beleving'

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een natuurbegraafplaats. Een natuurbegraafplaats brengt geen toename van lichtuitstraling met zich mee.

Geconcludeerd wordt dat de 'Laag van de beleving” zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling.

3.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Steenwijkerland - Waardevast landschap
3.3.1.1 Algemeen

De gemeente heeft de Omgevingsvisie Steenwijkerland 'Waardevast landschap' (juni 2017) opgesteld. Het betreft een visie op hoofdlijnen die zich richt op de fysieke leefomgeving en een strategisch kader voor ruimtelijke ontwikkeling is.

De Omgevingsvisie richt zich op de fysieke omgeving: de ruimte waarin bewoners, bezoekers, instellingen en ondernemingen van de gemeente zich bevinden en het leefgebied van mensen, planten en dieren. De gemeente Steenwijkerland wil met de Omgevingsvisie de omgevingskwaliteit van Steenwijkerland naar een hoger plan tillen. Omgevingskwaliteit wordt gedefinieerd als de integrale kwaliteit van ruimtes; het gaat er niet alleen om hoe deze ruimtes eruitzien, maar ook waartoe en op welke manier ze functioneren, hoe ze gebruikt worden en hoe de (functies van de) ruimtes met elkaar samenhangen en bijdragen aan het beter functioneren van de samenleving.

Voorloper van de Omgevingsvisie was de Strategische Toekomstvisie 2030. De strategische toekomstvisie bevatte een integrale (en globale) visie op de ontwikkeling van de hele gemeente tot 2030. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Toekomstvisie was dat de kwaliteit van Steenwijkerland leidend zijn voor de toekomstige ontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de versterking van Steenwijkerland. De Toekomstvisie had als uitgangspunt dat ontwikkelingsruimte wordt geboden voor wonen, werken en recreëren. De Strategische Toekomstvisie is geïntegreerd in de Omgevingsvisie 2017.

Doel van de Omgevingsvisie is de leefbaarheid en de economische kracht van de gemeente te vergroten door de omgevingskwaliteiten van de gemeente te behouden en te versterken. Deze ambitie is er niet een van verre horizonten, maar juist een van realisme en aansluiten bij de identiteit. In samenwerking tussen inwoners, ondernemers en overheid willen we de kansen benutten die Steenwijkerland biedt.

De gemeente Steenwijkerland heeft voor het landelijk gebied en de kernen opgaven opgesteld. IN voorliggend geval zijn de opgaven uit het landelijk gebied van toepassing met in het bijzonder 'Beheer en herstel van landschapselementen krijgt veel aandacht'.

3.3.1.2 Beheer en herstel van landschapselementen krijgt veel aandacht

Herstel en onderhoud van landschapselementen in de gemeente is kwetsbaar want afhankelijk van subsidie en vrijwilligheid. Maar deze landschapselementen zijn wel cruciaal voor de ruimtelijke kwaliteit. De gemeente zet in op duurzaam behoud van waardevolle elementen

3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Steenwijkerland

Voorliggend plan gaat uit van de realisatie van een natuurbegraafplaats in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Het voornemen bestaat om circa 44 hectare bospercelen en agrarische percelen om te vormen tot natuur met een gemengd loofbos met op enkele plekken kruidenrijk grasland, waarbij circa 10-15 hectare wordt ingericht als natuurbegraafplaats.

Binnen de 10 tot 15 hectare natuurbegraafplaats worden gefaseerd 250 tot 500 graven per hectare uitgegeven. Ter compensatie worden bospercelen omgevormd naar een gemengd loofbos en weiland naar kruidenrijk grasland met coulissen beplanting. Dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Met de uitgifte van de graven loopt een proces van natuurcompensatie synchroon: per 250 uitgegeven graven wordt in de directe omgeving 1 hectare natuur aangelegd, hiervoor zijn gronden beschikbaar en gereserveerd.

Geconcludeerd wordt dat op de locatie wordt geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij wordt nieuwe streekeigen beplanting aangelegd, waarmee de lineaire dragende structuren worden versterkt en de natuurbegraafplaats op een adequate wijze landschappelijk wordt ingepast. Bestaande landschapselementen blijven zoveel mogelijk behouden en worden waar mogelijk versterkt. Resumerend wordt gesteld dat de ontwikkeling bijdraagt aan het beheer en herstel van landschapselementen in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland.

Geconcludeerd wordt dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling aansluit bij de Omgevingsvisie Steenwijkerland.

3.3.2 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke uitgangspunten, zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijke beleidsdocument.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op een bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit milieueffectrapportage.

4.1 Geluid

4.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.

4.1.2 Situatie plangebied

In dit geval gaat het om de realisatie van een natuurbegraafplaats. Deze functie wordt niet aangemerkt als een gevoelige functie in het kader van de Wet geluidhinder (Wgh). De aspecten wegverkeers,- railverkeers- en industrielawaai zijn daarom niet van belang.

4.1.3 Conclusie

De wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.2 Bodem

4.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In dit geval is door Dumea Milieu een historisch vooronderzoek (NEN 5725) uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste conclusies van het onderzoek ingegaan.

4.2.2 Situatie plangebied

De percelen bestaan en hebben voor zover bekend altijd bestaan uit bos-, landbouw, en natuurgrond. Er zijn geen bodemrelevante gegevens bekend van de onderzoekslocatie bij zowel de gemeente en de provincie.

Er zijn geen potentieel bodembedreigende objecten tijdens het locatiebezoek aangetroffen. Gegeven het historische gebruik van de locatie (landbouw- /natuurgrond) en de resultaten van onderhavig historisch onderzoek wordt een verkennend onderzoek op de locatie niet noodzakelijk geacht.

4.2.3 Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer.

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

4.3.2 Situatie plangebied

De in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van luchtkwaliteit.

4.3.3 Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in:

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).

Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2 Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (blauwe omlijning) en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0011.png"  
Afbeelding 4.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)  

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Op circa 640 meter ten westen van het plangebied is een gasleiding (N-500-10) van de gasunie aanwezig. Het gaat hier om één gasleiding (N-557-30) van de Gasunie Transport Services B.V een diameter van 6,26 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Bij dergelijke gasleiding ligt de 1% letaliteitsgrens op 70 meter. Het plangebied ligt op circa 640 meter en valt daarmee buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Verder ligt het plangebied op meer dan 650 meter afstand van de rijksweg A32. Over deze weg vindt transport gevaarlijke stoffen plaats. Er geldt voor deze weg een groepsrisicozone van 74 meter. Het plangebied ligt hier ver buiten.

4.4.3 Conclusie

Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5 Milieuzonering

4.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

4.5.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als 'gemend gebied'. Bij 'gemengde gebieden' moet gedacht worden aan:

  • stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;
  • horecaconcentratiegebieden;
  • zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;
  • (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'.

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

4.5.3 Situatie plangebied
4.5.3.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Voor een begraafplaats geldt een richtafstand van 10 meter voor het aspect 'geluid'. De dichtstbijzijnde gevoelige functie betreft de woning aan de Prins Willem Alexanderlaan 4. Het woonperceel ligt op circa 17 meter afstand van het plangebied. Deze woning vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief.

4.5.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woning hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Een begraafplaats wordt niet gezien als een milieugevoelige functie. Dit geldt ook voor het opslaggebouw. Er is dan ook geen sprake van enige vorm van hinder door bestaande functies in de omgeving.

4.5.4 Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.6 Ecologie

4.6.1 Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

4.6.2 Gebiedsbescherming
4.6.2.1 Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied 'De Wieden' en is gelegen op een afstand van circa 5,3 kilometer. In dit geval is er door BJZ.nu een stikstofdepositie berekening uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige rapport is als Bijlage 3 opgenomen.

Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De voortoets voor het plan voldoet, ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 2.7, lid 1 van de Wet natuurbescherming.

4.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het plangebied bestaat grotendeel uit gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland, in de omgeving van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0012.png"  
Afbeelding 4.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: Provincie Overijssel)  

Beschermingsregime

Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het 'Nee, tenzij-regime' vastgesteld. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten of die leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte of van de samenhang tussen die gebieden. De bescherming van het NNN kent in Overijssel geen externe werking. Samengevat betekent het behoud van kwaliteit, oppervlakte en onderlinge samenhang.

Toetsing aan provinciaal beleid

De voorgenomen activiteiten vallen voor een deel binnen het NNN en dienen daarom getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland. Voorgenomen activiteiten buiten de begrenzing van het NNN hoeven niet getoetst te worden aan de beleidsregels voor de bescherming van het NNN.

Het plangebied ligt binnen deelgebied 1 van het NNN en wordt aangeduid als Woldberg/Eese. In het NNN gebied Woldberg/Eese wordt een tweetal samenhangende ecologische kernkwaliteiten onderscheiden die de basis vormen voor het behoud van (inter)nationaal en regionaal belangrijke biodiversiteit. Deze ecologische kernkwaliteiten geven een duiding aan en worden bepaald door de ecologische karakteristiek van het deelgebied inclusief de aanwezige natuurwaarden.

Voor het plangebied zijn de volgende wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld:

  • Woldberg: Stuwwal met uitgestrekte bosgebieden en inliggende heidevelden Het deelgebied Woldberg ligt op de stuwwal en bestaat uit een uitgestrekt bosgebied met verspreid enkele heidevelden. Op de flanken en in het centrale deel liggen enkele kruidenrijke graslanden en akkers. Het gebied bevat enkele oude boskernen waaronder het Bergerland. Plaatselijk kennen de bossen een rijkere ondergroei met soorten als dubbelloof, grote keverorchis, witte klaverzuring en stippelvaren. De bossen vormen biotoop voor bosvogels als boomklever, matkop, grote bonte specht en zwarte specht. Langs de bosranden komt de hazelworm voor en zijn grote aantallen nesten aanwezig van de rode bosmier en enkele van de zwartrugbosmier. In het gebied zijn ook waarnemingen bekend van de das.

Toetsing aan beleidsregels voor bescherming NNN

Voorgenomen initiatief bestaat uit het realiseren van voorzieningen t.b.v. natuurbegraven en het mogelijk maken van 'natuurbegraven'. De landschappelijke en ecologische waarde van het plangebied wordt daardoor niet aangetast. Ook neemt het oppervlakte NNN niet significant af en wordt de onderlinge samenhang tussen gebieden niet aangetast. Kleine open plekken in het bos, vormen een versterking van de ecologisch kwaliteit van het bos. De bestaande productiebossen zullen worden omgezet naar kwalitatief waardevolle gemengde loofhoutbossen. Uitvoering van het voorgenomen initiatief is niet strijdig met de beleidsregels voor bescherming van het Natuurnetwerk Nederland.

4.6.3 Soortenbescherming

In dit geval is door Natuurbank Overijssel een quickscan ecologie uitgevoerd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Het volledige onderzoek is opgenomen als Bijlage 4 van deze toelichting.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën, beschermde grondgebonden zoogdieren, reptielen en vleermuizen er een voortplantingsplaats en rustplaats en benutten ze het plangebied als foerageergebied.

Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude

nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt en de bouwwerkzaamheden plaatsvinden tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. In het plangebied nestelen vogelsoorten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Deze soorten (o.a. havik, buizerd en bosuil) worden door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten niet gedood en er wordt geen nestplaats van deze soorten verstoord, beschadigd of vernield.

Als gevolg van het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdieren, reptiel of amfibieën gedood en wordt mogelijk een (winter)rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk zonder een beschermd dier te doden en het is zeer waarschijnlijk te voorkomen dat een voortplantings- of rustplaats van een beschermde diersoort negatief beïnvloed wordt. Voor de algemene soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van de voortplanting- en rustplaats', maar dat geldt niet voor de wezel. Echter, door zorgvuldig te werken kan overtreding van een verbodsbepaling uitgesloten worden. Geadviseerd wordt een Ecologisch Werk Protocol op te stellen waarin beschreven staat hoe overtreding van een verbodsbepaling voorkomen kan worden en de plekken waar activiteiten plaats vinden (zoals graven) dienen afgestemd te worden op aanwezige natuurwaarden. Het plangebied biedt daarvoor voldoende flexibiliteit.

4.6.4 Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. Geadviseerd wordt een Ecologisch Werk Protocol op te stellen waarin beschreven staat hoe overtreding van een verbodsbepaling voorkomen kan worden en de plekken waar activiteiten plaats vinden (zoals graven) dienen afgestemd te worden op aanwezige natuurwaarden.

4.7 Archeologie & Cultuurhistorie

4.7.1 Archeologie
4.7.1.1 Algemeen

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.7.1.2 Situatie plangebied

In dit geval zijn door Raap en Laagland Archeologie meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. De volledige onderzoeken zijn opgenomen in Bijlage 5, Bijlage 6 en Bijlage 7 van deze toelichting.

Onderzoeksresultaten noordelijk deel natuurbegraafplaats

De resultaten van het onderzoek tonen aan dat in een deel van het plangebied rond de aanwezige waterpoel archeologische resten verwacht worden die bij uitvoering van de bestaande planvorming mogelijk verstoord zullen worden. Initieel is geadviseerd de locaties van deze verwachte archeologische resten in te passen in de planvorming. Aanbevolen wordt om in deze zone (50 m rondom de waterpoel) geen bodemingrepen die dieper van 0,3 m -Mv reiken uit te voeren en deze zone uit te sluiten als begraaflocatie.

Dat betekent dat de te verwachten archeologische resten in-situ behouden blijven en daar geen verder onderzoek noodzakelijk is. Indien binnen het adviesgebied in de toekomst toch graafwerkzaamheden gepland worden, bijvoorbeeld als binnen dit gebied toch begraaflocatie(s) worden aangewezen, wordt nader inventariserend veldonderzoek aanbevolen. Dit onderzoek dient meer inzicht te geven in de aanwezigheid van archeologisch resten alsmede in de aard, omvang, datering, diepteligging, gaafheid, conservering en waarde daarvan. Dit onderzoek kan bestaan uit een karterend booronderzoek dat gericht is op het opsporen van kleinere vindplaatsen uit de Steentijd. Ten aanzien van de bundel karrensporen wordt geen nader inventariserend veldonderzoek aanbevolen. Wel wordt aanbevolen deze als cultuurhistorisch overblijfsel te behouden. Ten aanzien van de dekzandrug in het noordwesten van het plangebied wordt, gelet op de diepe bodemverstoringen die op deze locatie zijn aangetroffen, geen vervolgonderzoek aanbevolen

Karterend bodemonderzoek

Op basis van het verkennende booronderzoek is geadviseerd om een zone van 50 m rond de waterplas in te passen in de planvorming, door geen bodemingrepen uit te voeren die dieper dan 0,3 m -Mv reiken en deze zone uit te sluiten als begraaflocatie (Zielman, 2016). De resultaten van het karterende booronderzoek tonen de aanwezigheid van archeologische resten in deze zone daadwerkelijk aan. Bovendien is vastgesteld dat dat de vondstspreiding zich ook daarbuiten uitstrekt en dat het verwachtingsmodel (de gespecificeerde archeologische verwachting) waarschijnlijk moet worden bijgesteld.

Hierop heeft RAAP geadviseerd wordt om in het onverstoorde deel van het zuidelijke deel van het plangebied een karterend booronderzoek uit te voeren en het huidige (13 x 15 m) boorgrid uit te breiden tot de grens van de vindplaats, of de grens van het plangebied is bereikt. Een dergelijk onderzoek heeft het doel om meer duidelijkheid te krijgen over het vondstverspreidingspatroon. Op basis hiervan ontstaat een vollediger beeld waar vuursteen in de bodem aanwezig is en zones waar dat niet zo is (of grote zones verstoord zijn) waar bodemingrepen zijn toegestaan.

Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Er is echter door de regio-archeoloog voorgesteld om de grens van de uitbreiding van het archeologisch onderzoek aan te nemen als begrenzing van de Waarde Archeologie 1, waarbinnen niet begraven zal worden.

Onderzoeksresultaten zuidelijk deel natuurbegraafplaats

Op basis van het uitgevoerde booronderzoek kunnen in het zuidelijke deel van het plangebied archeologische resten worden verwacht. Het meest kansrijke deel (circa 4,8 ha) is op onderstaande verwachtingskaart afgebeeld (rode vlak). De zones waarbinnen natuurgraven zijn voorzien vallen grotendeels buiten deze verwachtingszone.

Aangezien de omvang van de geplande verstoring (in totaal circa 2036 m2) beneden de vrijstellingsgrens in het bestemmingsplan (2500 m2) blijft, is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1708.DPOWoldwegbegrplBP-VA01_0013.png"  
Afbeelding 4.3 Archeologische verwachtingskaart zuidelijk deel van het plangebied (Bron: Laagland Archeologie  

Geadviseerd wordt om voor het resterende plangebied een voorziening ten aanzien van archeologie op te nemen in het bestemmingsplan.

4.7.2 Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 

4.7.2.2 Situatie plangebied

Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten.

4.7.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen nader archeologisch onderzoek benodigd is en het aspect cultuurhistorische geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Besluit milieueffectrapportage

4.8.1 Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Een bestemmingsplan kan m.e.r.(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren:

  • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is;
  • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen).
  • Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig.

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

4.8.2 Verantwoording
4.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden ligt op een afstand van respectievelijk 5,3 kilometer van het plangebied.

Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand van het plangebied tot Natura 2000 gebied, is geen sprake van een directe invloed op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden. Een ontwikkeling kan echter ook indirect invloed hebben op Natura 2000 gebied door een toename van stikstofdepositie.

4.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als

'een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan waarin de activiteiten betrekking heeft op:

functiewijziging met een oppervlakte van 125 ha of meer van water, natuur, recreatie of landbouw, of;

vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 ha of meer.'

Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het realiseren van een natuurbegraafplaats en de realisatie van een gebouw van 70 m2 in het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen slechts beperkt toenemen. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.8.3 Conclusie

Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.beoordelingsplichtig is.

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

5.1 Inleiding

Het is verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Dit hoofdstuk kan als zodanig beschouwd worden.

5.2 Beleid ten aanzien van de waterhuishouding

5.2.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.2.2 Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.2.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.2.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD)

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta (voorheen Reest en Wieden & Groot Salland), Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost.

Waterschap Drents Overijsselse Delta heeft de taken vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Hieronder volgt een toelichting op de doelen in het waterbeheerplan.

  • Overstromingen, wateroverlast of droogte te voorkomen of beperken. Inwoners kunnen hierdoor op een goede manier wonen en werken. Boeren en natuurbeheerders kunnen goed gebruik maken van de grond.
  • Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het water in de volle breedte. Een goede ecologische en chemische kwaliteit van het (oppervlakte)water is belangrijk. Het water is schoon en gezond en inwoners kunnen hiervan genieten. Ook de doelen voor waterkwaliteit die voortvloeien uit Europese wetgeving; de Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van het plan.
  • Afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties effectief en efficiënt behandelen. We proberen niet alleen schadelijke stoffen uit het water te halen. Ook willen we van deze stoffen nieuwe producten maken en nieuwe toepassingen zoeken.

5.2.5 Gemeentelijk watertakenplan (2016-2021)

Per 1 januari 2016 is het Watertakenplan Fluvius van kracht geworden voor de gemeenten Hoogeveen, Meppel, De Wolden, Midden-Drenthe, Westerveld en Steenwijkerland en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Gezamenlijk vormen ze het samenwerkingsverband Fluvius (Latijn voor rivier of stroom). In Fluvius werken de gemeenten en het waterschap samen aan stedelijk (afval)waterbeheer. Het Watertakenplan bevat een gezamenlijke visie en een uitvoeringsprogramma. Doel is om de kwaliteit van de dienstverlening te verhogen en kostenstijgingen voor inwoners en bedrijven te beperken. Het Watertakenplan geldt voor de periode 2016-2021.

Een goed functionerende keten van riolering en afvalwaterzuivering (afvalwaterketen) draagt bij aan een goede volksgezondheid, een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en het tegengaan van wateroverlast. Binnen de regio Fluvius beheren de gemeenten de riolering en het waterschap zeven afvalwaterzuiveringen. Een goed watersysteem beperkt wateroverlast en draagt bij aan een goed leefklimaat Daar is goed onderhoud voor nodig. Zowel gemeente als waterschap hebben hierin een taak, zoals het maaien van oevers en baggeren van watergangen. Zowel voor een goed beheer van de afvalwaterketen als voor het watersysteem is samenwerking tussen gemeente en waterschap dus van groot belang.

Voorheen werden door de gemeenten en het waterschap afzonderlijk beleidsplannen gemaakt. Het nieuwe Watertakenplan Fluvius is het eerste gezamenlijke plan waarin het beleid en een aantal projecten voor het stedelijke (afval)waterbeheer op elkaar zijn afgestemd. Samenwerkingsprojecten in het plan zijn bijvoorbeeld gezamenlijk gemalenbeheer en het meten van waterstanden in de riolering. Door gebruik te maken van elkaars kennis en gezamenlijke projecten uit te voeren, wordt doelmatiger en efficiënter gewerkt.

5.3 Watertoets

5.3.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

5.3.2 Watertoets

Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde “normale procedure” van toepassing is. De hierbij behorende 'Standaard waterparagraaf' is opgenomen in Bijlage 8.

In zomer 2020 heeft het waterschap WDO-Delta zich kunnen verdiepen in de vraagstukken m.b.t. de waterhuishouding en waterkwaliteit. In oktober 2020 is door WDO-Delta de volgende reactie gegeven.

Met betrekking tot de grondwaterhuishouding.

Vanuit grondwaterhuishouding ziet WDO-Delta geen bezwaren voor deze natuurbegraafplaats mits de leemlaag ter plekke niet wordt doorgraven. Draineren is ook niet het geval. Dit i.v.m. de beschikbaarheid van het grondwater voor de natuur ter plekke.

Door de aanwezigheid van de keileemlaag en de geringe dikte van het zandpakket daarboven voldoet het initiatief mogelijk niet helemaal aan de minimale ontwateringseis. De ontwateringseis is er om 2 redenen:

  • Enerzijds een bepaalde snelheid van oxideren bewerkstelligen zodat het graf na x aantal jaren weer beschikbaar is. Hier niet aan de orde, want sprake van eeuwige grafrust.
  • Anderzijds geen uitspoeling vanuit de graven naar het grondwater en vanuit het grondwater naar het oppervlaktewater. Hierover hieronder meer.

Met betrekking tot de grondwaterkwaliteit.

In de geleverde informatie worden enkele getallen genoemd voor de ‘begrafenisdichtheid’ en wordt dit vergeleken met de uitspoeling van bijvoorbeeld een landbouwperceel. In dit geval is dit minder relevant voor het waterschap en meer relevant voor de terreinbeheerder zelf en welke natuurdoelstellingen zij willen bereiken op het terrein. Als belangrijkste argumenten daarvoor:

  • Het waterschap is verantwoordelijke voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. We verwachten hier geen waterkwaliteitsproblemen allereerst op basis van het feit dat het waterschap tot op heden ook nog geen problemen hebben ervaren bij reguliere begraafplaatsen.
  • Het tweede argument is dat de dichtstbij gelegen sloten een flink eind verderop liggen. Toevoegingen van stoffen aan de bodem komen pas in het oppervlaktewater terecht na een flinke verspreiding en verdunning. In de route naar het oppervlaktewater komt eerst de kwaliteit van het grondwater aan de beurt. Als het grondwater in orde blijft, gaan we er van uit dat het oppervlaktewater ook in orde blijft.

Er hoeft voor dit initiatief geen vergunning bij het waterschap te worden aangevraagd.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten en planverantwoording

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2 Opzet van de regels

6.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.

6.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

6.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in:

  • Bestemmingsomschrijving:

Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

  • Bouwregels:

In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

  • Afwijken van de bouwregels:

Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.

6.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

In dit artikel is zijn bepalingen met betrekking tot aangrenzende terreinen en ondergronds bouwen.

In dit artikel zijn enkele vormen van verboden gebruik opgenomen.

In dit artikel is een aanduidingsregel opgenomen voor de natuurbegraafplaats.

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van de werking van andere regelgeving en parkeren.

6.2.5 Overgangs- en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Agrarisch met waarden (Artikel 3)

De graslanden ten zuidoosten van het de natuurbegraafplaats hebben de bestemming Agrarisch met waarden gekregen. . Gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn hoofdzakelijk bestemd voor:

  • agrarisch bedrijfsmatig gebruik;
  • agrarisch hobbymatig gebruik;
  • bescherming, instandhouding en versterking van de aanwezige natuurlijke en/of landschappelijk waarden;
  • instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuur- en landschapselementen, zoals houtopstanden, houtwallen, houtsingels, sloten, beken, waterlopen en overige waterpartijen, water- en oevervegetaties;
  • instandhouding, versterking en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en/of ecologische waarden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ecologische waarde';

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Bos (Artikel 4)

De huidige bestemming Bos is conform de beheersverordening overgenomen. De gronden zijn hoofdzakelijk bestmd voor instandhouding en ontwikkeling van aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden, bosexploitatie, recreatief medegebruik en water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van één gebouw ten behoeve van de natuurbegraafplaats. Dit gebouw dient te worden gebouwd binnen het bouwvlak en krijgt een oppervlakte van maximaal 70 m2 en doet dienst als ontvangstruimte.

Natuur (Artikel 5)

De gronden die dienen als natuurcompensatie ten behoeve van de natuurbegraafplaatsen zijn bestemd als Natuur. Gronden met de bestemming natuur zijn voornamelijk bestemd voor instandhouding, versterking en ontwikkeling van natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Waarde - Archeologie 1 (Artikel 6)

De gronden met de aanduiding 'Waarde - Archeologie 1' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

Waarde - Archeologie 2 (Artikel 7)

De gronden met de aanduiding 'Waarde - Archeologie 2' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Steenwijkerland. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Hoofdstuk 8 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en het Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

8.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.2 Provincie Overijssel

Het plan wordt in het kader van vooroverleg aan de provincie Overijssel voorgelegd.

8.3 Waterschap Drents Overijsselse Delta

In het kader van voorliggend plan is er een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Hieruit is gebleken dat de normale procedure van toepassing is. Het bestemmingsplan wordt ter vooroverleg toegezonden naar het waterschap.

8.4 Inspraak en zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan "Natuurbegraafplaats Heidewold", met bijbehorende stukken, lag van 20 december 2023 tot en met 31 januari 2024 (6 weken) ter inzage. Tijdens deze periode kon een ieder een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan indienen.

Er zijn in totaal twee zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplanzienswijzen ingediend. In de reactienota is de inhoud de zienswijzen kort samengevat en van een reactie voorzien. De zienswijzez geven aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen. In het plangebied mogen maximaal 2500 graven worden gerealiseerd dit wordt in de regels aangepast. De archeologische dubbelbestemmingen worden aangescherpt. Binnen de dubbelbestemming archeologie 1 mag zonder toestemming van de gemeente helemaal geen grond worden geroerd. De dubbelbestemming archeologie 2 staat alleen het roeren van de grond toe wanneer dit niet meer dan 100 m2 is.

8.5 Participatie

Initiatiefnemer heeft direct omwonenden op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkeling. Dit is gebeurd in de vorm van individuele “keukentafelgesprekken”. Hiervan zijn geen verslagen gemaakt. In samenspraak met de omwonenden is gekomen tot het inrichtingsvoorstel wat is opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan.

Als gevolg van de gesprekken tijdens de participatie is in de planvorming de situering van de natuurbegraafplaats beperkt. Zo is aan de noord- en oostzijde van het bestaande bos een bufferstrook van 100 meter aangehouden zonder de functie natuurbegraven. Verder is de ingang van de natuurbegraafplaats in overleg met de omwonenden gesitueerd aan de Prins Willem Alexanderlaan.