direct naar inhoud van Regels
Plan: Blokzijl Noordermaten
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.1708.BVPBlokzijlNoordm-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 het plan:

de beheersverordening 'Blokzijl Noordermaten' met identificatienummer NL.IMRO.1708.BVPBlokzijlNoordm-VA01 van de gemeente Steenwijkerland;

1.2 aanbouw:

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw vvaarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

1.3 aan-huis-verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heet die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.4 ander-bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

1.5 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere-bouwwerken;

1.6 bebouwingspercentage:

de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt;

1.7 bestemmingsgrens:

een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;

1.8 bestemmingsvlak:

een op de plankaart aangegeven vlak met een zelfde bestemming;

1.9 bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.10 bijgebouw:

een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

1.11 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.12 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder;

1.13 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.14 bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.15 bouwvlak:

een op de plankaart aangegeven vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten;

1.16 bouwvlakgrens:

een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak;

1.17 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.18 cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in d eloop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt;

1.19 dienstverlening:

het verlenen van een economische en maatschappelijke diensten aan derden;

1.20 eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond;

1.21 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.22 halfvrijstaande woning:

een twee-onder-één-kapwoning;

1.23 hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;

1.24 maatschappelijke voorzieningen:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.25 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
1.26 plankaart:

de kaart met bijbehorende verklaring, bestaande uit 1 blad, waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven, zoals opgenomen in Bijlage 1 Plankaart;

1.27 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.28 rijenwoningen:

meerdere - doch ten minste drie - aaneen gebouwde woningen;

1.29 seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.30 scheidingsgrens:

een op de plankaart blijkens de daarop voorkomende verklaring als zodanig aangewezen lijn, die binnen een bestemming een scheiding aangeeft tussen gronden waarop een opgenomen aanduiding wel respectievelijk niet van toepassing is;

1.31 uitbouw:

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm en afmetingen onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist;

1.32 voorgevel:

de naar de weg toegekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel;

1.33 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.34 woonhuis:

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

2.1 de breedte van een gebouw:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren;

2.2 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

van het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de (nok/bouw)hoogte van een bouwwerk:

van het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een ander bouwwerk, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevel versieringe, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlakken en bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Woondoeleinden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor 'Woondoeleinden' aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, alsmede indien de gronden zijn aangeduid met te handhaven hoofdvorm voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de cultuurhistorische waarden, met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven.

3.2 Bouwregels

Op de voor 'Woondoeleinden' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

3.2.1 Hoofdgebouwen

voor hoofdgebouwen in casu woonhuizen de volgende bepalingen gelden:

  • a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  • b. een hoofdgebouw mag vrijstaand en halfvrijstaand worden gebouwd, tenzij de gronden op de plankaart zijn aangeduid met:
    • 1. maximaal aantal aaneen te bouwen woningen, in welk geval tevens rijenwoningen mogen worden gebouwd waarvoor geldt dat het aantal aaneen te bouwen woningen ten hoogste het op de plankaart aangegeven aantal mag bedragen;
    • 2. uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan in welk geval uitsluitend vrijstaande woningen mogen worden gebouwd;
  • c. de afstand van vrijstaande woonhuizen van de vrijstaande zijde van halfvrijstaande woonhuizen tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder dan 3 m bedragen;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven;
  • e. de dakhelling mag niet minder dan 25° en niet meer dan 60° bedragen;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder b tot en met e geldt, indien de gronden op de plankaart zijn aangeduid met te handhaven hoofdvorm, dat de hoofdvorm van de gebouwen, bepaald door oppervlakte van het grondvlak, gevelbreedte, (goot-)hoogte, dakhelling en nokrichting, zoals die bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, gehandhaafd dient te worden, met dien verstande dat een afwijking van de goot- en/of bouwhoogte van ten hoogste 5% is toegestaan.
3.2.2 Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen

voor aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen de volgende bepalingen gelden:

  • a. de afstand van een aanbouw, uitbouw of bijgebouw tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan mag niet minder dan 3 m bedragen;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 50 m2 met inachtneming van de volgende bepalingen:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het achter de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan gelegen bouwperceel, verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw;
    • 2. bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte wordt de oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen voor zover gelegen binnen het bouwvlak tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw niet meegerekend;
  • c. de goothoogte van een aanbouw, uitbouw of een aangebouwd bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte mag worden verhoogd tot ten hoogste 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
  • d. de dakhelling van een aanbouw, uitbouw of een aaneengebouwd bijgebouw mag ten hoogste bedragen de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • e. de bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen;
3.2.3 Andere-bouwwerken

voor andere-bouwwerken de volgende bepalingen gelden:

  • a. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijkingen

Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van:

  • a. het bepaalde in 3.2.1 onder a en - ten behoeve van de oprichting van ten hoogste 8 patiowoningen - toestaan dat woonhuizen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits de gronden op de plankaart zijn aangeduid met 'patio';
  • b. het bepaalde in 3.2.1 onder e en toestaan dat de dakhelling mag worden verminderd tot 0° mits het aantal bouwlagen ten hoogste drie bedraagt;
  • c. het bepaalde in 3.2.2 onder e en toestaan dat de hoogte van een vrijstaand bijgebouw wordt vergroot tot niet meer dan 6 m, met dien verstande dat de goothoogte ten hoogste 3 m mag bedragen en de dakhelling ten hoogste bedraagt de dakhelling van het hoofdgebouw.
3.3.2 Voorwaarden

De in 3.3.1 genoemde omgevingsvergunningen voor afwijking worden slechts verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de bebouwingskarakteristiek van het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.3.3 Aanvullende voorwaarde

In aanvulling op het bepaalde onder 3.3.2 geldt voor afwijking als bedoeld in 3.3.1 onder a dat deze uitsluitend wordt verleend indien sprake is van architectonische samenhang met de direct omliggende woonhuizen.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik als bedoeld in Artikel 12 lid a wordt in ieder geval verstaan het gebruik respectievelijk het laten gebruiken van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.

3.5 Verwijzingen

Op deze bestemming is tevens het bepaalde in Hoofdstuk 1 Inleidende regels en Hoofdstuk 3 Algemene regels van deze regels van toepassing.

Artikel 4 Tuin

4.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuin behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, met daarbij behorende andere-bouwwerken, erven en parkeervoorzieningen.

4.2 Bouwregels

Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 1 m mag bedragen.

4.3 Verwijzingen

Op deze bestemming is tevens het bepaalde in Hoofdstuk 1 Inleidende regels en Hoofdstuk 3 Algemene regels van deze regels van toepassing.

Artikel 5 Gemengde doeleinden

5.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor 'Gemengde doeleinden' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening en kantoren, al dan niet in combinatie met woningen, met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, water en groenvoorzieningen.

5.2 Bouwregels

Op de voor 'Gemengde doeleinden' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

5.2.1 Gebouwen

voor gebouwen de volgende bepalingen gelden:

  • a. een gebouw mag uitsluitend binnen een op de plankaart bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan de op de plankaart aangegeven goothoogte;
5.2.2 Andere-bouwwerken

voor andere-bouwwerken de volgende bepalingen gelden:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan:
    • 1. indien zij vóór de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
    • 2. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen.
  • b. de hoogte van overige andere-bouwwerken mag niet meer dan 6 m bedragen.
5.3 Verwijzingen

Op deze bestemming is tevens het bepaalde in Hoofdstuk 1 Inleidende regels en Hoofdstuk 3 Algemene regels van deze regels van toepassing.

Artikel 6 Groenvoorzieningen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor 'Groenvoorzieningen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen, paden, speelvoorzieningen, parkeerstroken en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • b. indien en voor zover gronden op de kaart zijn aangeduid met 'speelterrein toegestaan', voor een speelterrein;

met daarbij behorende andere-bouwwerken, bruggen, kunstwerken en verhardingen.

6.2 Bouwregels

Op de voor 'Groenvoorzieningen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte niet meer dan 6,50 m mag bedragen.

6.3 Verwijzingen

Op deze bestemming is tevens het bepaalde in Hoofdstuk 1 Inleidende regels en Hoofdstuk 3 Algemene regels van deze regels van toepassing.

Artikel 7 Water

7.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterberging, waterhuishouding en waterlopen; met daarbij behorende andere-bouwwerken, waaronder bruggen, dammen en/of duikers.

7.2 Bouwregels

Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte niet meer dan 6,50 m mag bedragen.

7.3 Verwijzingen

Op deze bestemming is tevens het bepaalde in Hoofdstuk 1 Inleidende regels en Hoofdstuk 3 Algemene regels van deze regels van toepassing.

Artikel 8 Verkeers- en verblijfsdoeleinden

8.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor 'Verkeers- en verblijfsdoeleinden' aangewezen gronden zijn bestemd voor woonstraten en paden, alsmede, voor waterhuishoudkundige en waterkerende voorzieningen, met daarbij behorende andere-bouwwerken, parkeervoorzieningen, water, groenvoorzieningen en speelvoorzieningen.

8.2 Bouwregels

Op de voor 'Verkeers- en verblijfsdoeleinden' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte van andere-bouwwerken, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer niet meer dan 8,50 m mag bedragen.

8.3 Verwijzingen

Op deze bestemming is tevens het bepaalde in Hoofdstuk 1 Inleidende regels en Hoofdstuk 3 Algemene regels van deze regels van toepassing.

Artikel 9 Parkeerterrein

9.1 Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor 'Parkeerterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor parkeervoorzieningen, met daarbij behorende andere-bouwwerken, voorzieningen, water en groenvoorzieningen.

9.2 Bouwregels

Op de voor 'Parkeerterrein' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd andere-bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat de hoogte van andere-bouwwerken niet meer dan 8,50 m mag bedragen.

9.3 Verwijzingen

Op deze bestemming is tevens het bepaalde in Hoofdstuk 1 Inleidende regels en Hoofdstuk 3 Algemene regels van deze regels van toepassing.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Antidubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

  • a. Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van:
    • 1. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
    • 2. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
    • 3. de bestemmingsbepalingen met het oog op de aanpassingen aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangetast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de vrijstelling gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
    • 4. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van andere bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte van de andere-bouwwerken worden vergroot tot niet meer dan 10 m;
    • 5. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van andere-bouwwerken en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 m;
    • 6. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
      • I. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanelen en schoorstenen;
      • II. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
      • III. (hoek-)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden.
    • 7. het bepaalde over de afstand van uitbouwen tot aan de voorgevel en het verlengde daarvan voor het bouwen van (hoek-)erkers, mits de diepte van de (hoek-)erker, gemeten uit de zijgevel, niet meer bedraagt dan 1,50 m;
    • 8. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
  • b. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de woonsituatie;
    • 3. de milieusituatie;
    • 4. de verkeersveiligheid;
    • 5. de sociale veiligheid;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

  • a. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.
  • b. Onder een gebruik, strijdig met de bestemming, wordt in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting.
  • c. Het bevoegd gezag is bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bepaalde onder a, indien strikte toepassing van de verbodsbepalingen zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
  • d. Bij een ontwikkeling dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid volgens de CROW-publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" d.d. 8 oktober 2012. Deze parkeervoorzieningen dienen op eigen terrein gerealiseerd te worden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van de beheersverordening 'Blokzijl Noordermaten'.