| Plan: | Fietspad Onnase Doodweg en Burgemeester Slompweg |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1708.BGBfietsponnaBP-VA01 |
De huidige natuurbeschermingswetgeving kan worden onderverdeeld in soortbescherming en gebiedsbescherming.
Soortbescherming wordt gewaarborgd door de Flora- en faunawet. Deze wet beschermt inheemse dier- en plantensoorten waarbij onderscheid wordt gemaakt in verschillende beschermingscategorieën. Voor álle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan de Flora- en faunawet noodzakelijk.
Gebiedsbescherming wordt gewaarborgd door de Natuurbeschermingswet 1998. Deze wet beschermt Natura 2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten. Voor activiteiten met een mogelijk effect op deze gebieden is toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk. De planologische bescherming van gebieden aangemerkt als Ecologische Hoofdstructuur vindt primair plaats bij ruimtelijke procedures en andere vergunningaanvragen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient altijd de Flora- en faunawet getoetst te worden. Afhankelijk van de locatie dienen ook de Ecologische Hoofdstructuur en de Natuurbeschermingswet 1998 getoetst te worden. De plangebieden liggen beiden op circa 2,5 kilometer afstand van de Ecologische Hoofdstructuur en op circa 2 kilometer afstand van Natura 2000-gebied ‘Wieden’ [Provincie Overijssel, 2011]. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling zullen over deze afstand geen effecten optreden. Daarom is alleen een toetsing aan de Flora- en faunawet noodzakelijk.
Plangebied Onnase Doodweg
Adviesbureau Tauw heeft in het kader van het bestemmingsplan een natuurtoets uitgevoerd (N001-1210450EDR-shp-V01, 27 december 2012) (zie bijlage 3). Uit het onderzoek blijkt dat indien er in de planning van de aanleg en de inrichting rekening wordt gehouden met onderstaande voorwaarden er geen sprake is van overtreding van de Flora- en faunawet.
Vervolgonderzoek
Omdat de verbinding tussen de Onnase Doodweg en de Burgemeester G.W. Stroinkweg intussen verschoven is naar het oosten ten opzichte van het onderzoek van 11 oktober. Is het aspect ecologie opnieuw beschouwd. Het fietspad ligt nu langs een bomenrij in plaats van door het weiland.
Mogelijk worden de volgende soorten hierdoor benadeeld: de das, jaarrond beschermde vogelnesten of vleermuizen.
Op basis van op 13 december 2012 (N009-1210450SIH-shp-V01) (zie bijlage 4) door adviesbureau Tauw uitgevoerde veldonderzoeken wordt de aanwezigheid van de Das en van vaste vogelverblijfplaatsen uitgesloten.
Plangebied Burgemeester Slompweg
Adviesbureau Tauw heeft in het kader van het bestemmingsplan een natuurtoets uitgevoerd (N002-1210450EDR-gdj-V02-NL, 16 november 2012) (zie bijlage 5). In verband met het dempen van een sloot kan de aanleg van het fietspad mogelijke effecten hebben voor de Kleine modderkruiper en Platte schijfhoren. De Flora- en faunawet stelt dat negatieve effecten met zekerheid op voorhand moeten kunnen worden uitgesloten. Op basis van de natuurtoets is het niet mogelijk effecten op Kleine modderkruiper en Platte schijfhoren uit te sluiten. De aanwezigheid van deze soorten moet dan ook nader onderzocht worden. Voor algemene broedvogels geldt dat de ontwikkeling kan worden gerealiseerd onder voorwaarden.
Nader onderzoek
Uit nader onderzoek moet blijken of de aanwezigheid van de Kleine Modderkruiper en Platte Schijfhoorn kan worden aangetoond. De verwachting is dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van beide soorten aangezien er mitigerende maatregelen worden getroffen wanneer aanwezigheid wordt aangetoond. Voorafgaand aan de uitvoering moet nader onderzoek uitgevoerd worden en worden eventuele mitigerende maatregelen in een werkprotocol beschreven. Als gewerkt wordt volgens het werkprotocol zal ontheffing op grond van de Flora en Faunawet kunnen worden verleend.
Conclusie
De platte schijfhoorn en Modderkruiper kunnen nu niet aangetoond worden. Onderzoek naar deze soorten is pas vanaf medio mei mogelijk. In geval van het aantreffen van de beide soorten zal op basis van een werkprotocol (mitigerende maatregelen) ontheffing aangevraagd moeten worden. Daarmee wordt de mitigatie vastgelegd in de ontheffingsaanvraag.