direct naar inhoud van Toelichting
Plan: 't Hof van Klein Baal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1705.315-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Om de (toekomstige) woonbehoefte binnen de kern Haalderen op te vangen, wordt het gebied aan de noord(west)zijde van de bestaande kern - nabij het buurtschap Klein Baal - ontwikkeld als het nieuwe woongebied: 't Hof van Klein Baal. Dit bestemmingsplan maakt de ontwikkeling in juridisch-planologische zin mogelijk.

1.2 Ligging plangebied

Vrijwel het hele plangebied is gelegen in het buitengebied van Lingewaard, tegen de kern van het dorp Haalderen aan en staat kadastraal bekend als gemeente Bemmel, sectie L, nummer 1.019, 499 (deels) en 554 (deels). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 22.880 m2 en wordt begrensd door:

  • Noordzijde: agrarische gronden en de zijdelingse woonperceelsgrens Van der Mondeweg 82;
  • Oostzijde: de Lage Zandsestraat;
  • Zuidzijde: de Lage Zandsestraat;
  • Westzijde: de Van der Mondeweg.

Een heel klein deel van het plangebied (ter hoogte van de supermarkt aan de westzijde van de weg), dat noodzakelijk is om een goede ontsluiting van het plangebied te kunnen realiseren, staat kadastraal bekend als gemeente Bemmel, sectie L, nummer 1322 (deels).

Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0001.jpg"

Globale ligging plangebied (rode stip)

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0002.png"

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van vrijwel alle gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Lingewaard', door de gemeenteraad vastgesteld op 31 oktober 2013, en de daarop volgende herzieningen:

  • eerste herziening, d.d. 18 mei 2017;
  • tweede herziening, d.d. 13 december 2018;
  • derde herziening, d.d. 24 mei 2022.

Voor het plangebied zijn de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Lingewaard' alleen op ondergeschikte onderdelen aangevuld c.q. gewijzigd.

Op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied Lingewaard' geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwallen'. Daarnaast geldt voor de zuidwestzijde van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en voor de noordoostzijde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'.

De watergangen langs de oost- en westzijde hebben de bestemming 'Water' op grond van het geldende bestemmingsplan 'Kom Haalderen', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 7 februari 2012. Aan de westzijde wordt de watergang gedempt ten behoeve van de aanleg van een fietspad. Aan de oostzijde van het plangebied is de watergang niet opgenomen in het voorlopige ontwerp, maar dient deze wel (gedeeltelijk) in stand gehouden te worden of de waterberging dient gecompenseerd te worden. Zodoende krijgen de binnen het plangebied gelegen gedeeltes van deze watergangen in het onderhavige bestemmingsplan een verkeersbestemming, waarbinnen zowel water, als verkeersvoorzieningen zijn toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0003.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)

Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwallen' is het realiseren van burgerwoningen niet toegestaan, vandaar dat het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied wordt herzien.

Voor een heel klein deel van het plangebied (ter hoogte van de supermarkt aan de westzijde van de Van der Mondeweg) geldt het bestemmingsplan 'Kom Haalderen', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 3 mei 2012. Tevens geldt ter plaatse het bestemmingsplan 'Herstelplan komplannen Lingewaard', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 23 november 2017).

Dit kleine deel van het plangebied heeft de bestemming 'Groen - Waterberging'. Ter plaatse zijn geen wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie toegestaan, terwijl dit wel noodzakelijk is om een goede ontsluiting van het plangebied te kunnen realiseren. Mede daarom wordt het bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied herzien.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen:

Inleiding en beschrijving plangebied
In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.

Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.

Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied betreft een voormalige boomkwekerij. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en in gebruik als agrarisch grasland. Rondom het plangebied is voornamelijk woonbebouwing gelegen. Zowel ten oosten, ten zuiden, als ten westen grenst het plangebied aan de kern Haalderen. De voormalige agrarische glastuinbouwbedrijven ten noorden en ten noordoosten van het plangebied, aan de Van der Mondeweg 82 en de Lage Zandsestraat 24, zijn beëindigd. Op basis van het functieveranderingsbeleid voor het buitengebied zijn op beide percelen de voormalige kassen gesloopt om, naast de te handhaven bestaande bedrijfswoningen, op ieder perceel twee nieuwe woningen te bouwen. Op navolgende afbeelding is een impressies van de omliggende bestaande bebouwing weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0004.png"

Impressie bestaande bebouwing met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)

2.2 Toekomstige situatie

Om de (toekomstige) woonbehoefte binnen de kern Haalderen op te vangen, wordt het nieuwe woongebied,' 't Hof van Klein Baal', ontwikkeld.

Ruimtelijke structuur
Het beoogde woongebied wordt - net als de aangrenzende woonbebouwing - gekenmerkt door een oost-west georiënteerde opzet. Kenmerkend voor het gebied zijn de C-watergangen aan de noord-, oost- en westzijde van het plangebied, de ligging langs de doorgaande weg naar Haalderen, de Van der Mondeweg en het open landelijke landschap ten noord(oosten) van het plangebied.

Tussen de Van der Mondeweg en de beoogde woonkavels wordt een groene buffer gecreëerd die niet alleen een hoge belevingswaarde en ecologische waarde heeft, maar tevens een belangrijke functie vervult als het gaat om de opvang/berging van hemelwater. De groene buffer omvat de C-watergang aan de westzijde van het plangebied en biedt ruimte aan een bufferings- en infiltratievoorziening voor hemelwater.

Om de overgang naar het landelijke gebied te verzachten komt rond de woningbouwontwikkeling een groene omranding met bomenlinten. Binnen het woongebied wordt de groenstructuur doorgetrokken door de toepassing van een groenstrook en groene begeleidingselementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0005.jpg"

Stedenbouwkundige opzet 't Hof van Klein Baal

Ontsluitingsstructuur
De woningen aan de oostzijde van het plangebied worden middels eigen inritten direct op de Lage Zandsestraat ontsloten. De ontsluitingsstructuur van de andere woningen bestaat uit één aansluiting op de Lage Zandsestraat aan de oostzijde van het plangebied en twee aansluitingen op een nieuwe verbindingsweg tussen de Lage Zandsestraat en de Van der Mondeweg aan de noordzijde van het plangebied. Aansluitend op de doorgaande route zijn openbare parkeerplaatsen voorzien.

Bebouwing
Door de toepassing van verschillende woningtypen wordt een overgang naar het open landelijke landschap ten noorden van het plangebied gerealiseerd. De zuidelijke woonblokken, die aansluiten op de woonbebouwing in de kern Haalderen, bieden ruimte voor aaneengebouwde woningen. Terwijl de woningdichtheid in de noordelijke woonblokken lager is, door voornamelijk een vrijstaande woning en twee-onder-één-kap woningen te realiseren. De bebouwing langs de oostzijde, langs de Lage Zandsestraat, vormt een aanvulling op het groene bebouwingslint.

Programma
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 61 nieuwe woningen mogelijk. De meest recente stedenbouwkundige verkaveling voor 't Hof van Klein Baal voorziet in de bouw van 1 vrijstaande woning, 16 twee-onder-één kapwoningen en 44 rijwoningen, waarvan:

  • 18 sociale huur (30%)
  • 8 goedkope koop (13%)
  • 15 betaalbare koop (24%)
  • 20 vrije sector koop (33%)

Het voorgenoemde programma is gebaseerd op de meest recente stedenbouwkundige uitwerking van het gebied, maar vormt nadrukkelijk geen blauwdruk. De verkaveling en differentiatie in het woningbouwprogramma is indicatief en kan op onderdelen nog wijzigen. Mits voldaan wordt aan Woondeal 2.0, met minimaal 67% betaalbaar en maximaal 33% vrije sector.

Beeldkwaliteit
In een beeldkwaliteitplan is in woord en beeld de uitgangspunten weergegeven voor de toekomstige bebouwing. Het betreft een verfijning op onderdelen van het stedenbouwkundig plan. Het gaat daarbij om concrete toetsingscriteria, die als zodanig kunnen worden toegepast bij de beoordeling van de bouwplannen. Waaronder beeldkwaliteitsaspecten als woningtypen, rooilijn, geveloriëntatie, kaplandschap, architectuur, materialisatie en erfafscheidingen. Het beeldkwaliteitplan is juridisch-planologisch verankerd in de regels van dit bestemmingsplan en is als bijlage 1 bij de regels gevoegd.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.

De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:

  • Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;
  • Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;
  • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.


Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing.

In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Planspecifiek
Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.'

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling.

Planspecifiek
Met dit plan wordt de realisatie van maximaal 61 wooneenheden mogelijk gemaakt. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling, die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Binnen de Regio Arnhem Nijmegen zijn afspraken gemaakt over de groei van de woningvoorraad (kwantitatief) en over de 'kwaliteiten', zoals het aandeel huurwoningen en betaalbare woningen. Dit is vertaald naar subregio's. In de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen blijkt dat wordt uitgegaan van een groei van de woningvoorraad met 50.000 tot 60.000 woningen in de komende 20 jaar. Met een accent op de komende 5 jaar (versnelling: + 20.000 woningen).

De gemeente Lingewaard wil een bijdrage leveren aan deze opgave en heeft als ambitie voor het nieuwbouwprogramma een verdubbeling van het tempo van de afgelopen 5 jaar (circa 250 woningen versus 130 woningen gemiddeld per jaar). In de periode 2020-2025 wil de gemeente circa 1.280 woningen toevoegen. Voorliggend plan levert met de realisatie van 61 nieuwe woningen een bijdrage aan deze kwantitatieve behoefte.

Ook kwalitatief sluit het beoogde woningbouwprogramma aan op de woningbehoefte, zoals die voortkomt uit het regionale woningbehoefteonderzoek, dat de basis vormt voor het woonbeleid van de gemeente Lingewaard en de subregionale woonagenda. Met name omdat het voorliggende initiatief voorziet in betaalbare woningen (sociale huur, goedkope koop en betaalbare koop).

Daarnaast dient in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan te worden op de locatie van het initiatief. De onderhavige woningbouwontwikkeling vindt namelijk buiten bestaand stedelijk gebied plaats en zodoende dient gemotiveerd te worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onderhavige woningbouwontwikkeling kan niet met de beoogde kwaliteit binnen het huidige stedelijk gebied worden gerealiseerd. Het plangebied grenst aan drie zijden aan het bestaand stedelijk gebied van Haalderen en is al jaren voorzien. Het plan voldoet daarmee aan de eisen van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.4 Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Algemeen

Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten van de provincie Gelderland de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde Omgevingsverordening Gelderland (actualisatieplan 9) hebben Provinciale Staten op 5 juli 2022 vastgesteld. De geconsolideerde versie van de provinciale verordening dateert van 21 december 2022.

In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.2 Omgevingsvisie

De komende decennia komt er veel op Gelderland af: het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. De provincie zet in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.

  • Gezond en veilig; dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is ook voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is ook aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
  • Schoon en welvarend; dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, alsmede het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.

De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden.

Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders.

Klimaatadaptatie
Met haar partners wil de provincie verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – neemt de provincie de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico’s om te gaan. De provincie wenst daarom bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving – steden, dorpen, bedrijventerreinen – de gevolgen van het veranderende klimaat mee te wegen en afspraken te maken over hoe met deze risico’s wordt omgegaan.

Planspecifiek
De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand verstedelijkt gebied wordt gebouwd, zie subparagraaf 3.1.3. Ook is in paragraaf 4.13 van deze toelichting is beschreven welke klimaatadaptieve maatregelen in het plangebied worden toegepast. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

3.2.3 Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Planspecifiek
Ten aanzien van 'Wonen' is in artikel 2.2 van de provinciale omgevingsverordening opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda.

Op basis van de 'Woonagenda subregio Arnhem e.o. 2021-2023' mogen in de subregio circa 12.510 woningen gebouwd worden. Er is geen verdeling over de gemeente gemaakt. Van gemeenten wordt gevraagd de productie in de eerstkomende jaren, nu de druk groot en de markt gunstig is, te versnellen. Voor een onderbouwing van de lokale woningbehoefte wordt kortheidshalve verwezen naar de subparagraaf 3.1.3.

Aangezien het toevoegen van 61 wooneenheden passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (dat op zijn beurt past binnen de subregionale woonagenda, zie subparagraaf 3.3.2), is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met de Omgevingsverordening.

Daarnaast is het plangebied, ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater voor de winning drinkwater, gelegen in een Intrekgebied. De Omgevingsverordening regelt dat een Intrekgebied geen bestemming mag krijgen die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Hiervan is geen sprake.

Ook dient op grond van artikel 2.65b van de omgevingsverordening in het bestemmingsplan te worden toegelicht welke maatregelen of voorzieningen worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In het onderhavige geval zal het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak niet worden gekoppeld aan het rioolsysteem, waardoor overbelasting van het riool wordt voorkomen. Daarnaast worden diverse groenstructuren gerealiseerd, waardoor hittestress wordt beperkt. Ook zal door het beperken van terreinverharding en het toepassen van halfverharding het grondwater aangevuld blijven worden met regenwater, zodat droogteschade wordt voorkomen.

3.2.4 Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Woondeal 2.0

In 2020 sloten het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeenten hun eerste Woondeal. Met deze Woondeal is er een samenwerking die gericht is op het bouwen van meer woningen in de regio. De Woondeal Arnhem – Nijmegen uit 2020 is geactualiseerd naar een Woondeal 2.0. Hierin staan, naast afspraken over voldoende woningen, afspraken over betaalbare woningen en duurzaam en circulair gebouwde woningen.

Belangrijk onderdeel van de nieuwe Woondeal-afspraken is de overeenkomst tussen de gemeenten dat zij de huisvestingsopgave voor aandachtsgroepen eerlijk spreiden over de regio. Dan gaat het bijvoorbeeld om de huisvesting van mensen met een zorgvraag of mensen die dakloos dreigen te worden. Iedere gemeente zet zich in voor 30% sociale huur bij nieuwbouw, zodat deze aandachtsgroepen overal in de regio kansen op een woning hebben. Daarnaast realiseert elke gemeente minimaal 35% tot 40% van de nieuwe woningen als middenhuurwoning tot €1.000,- of koopwoning tot €355.000,-. Daarmee krijgen jonge starters een kans.

Planspecifiek
Met het onderhavige planvoornemen wordt aangesloten bij de betaalbaarheidsuitgangspunten in Woondeal 2.0. Minimaal 30% van de beoogde woningen worden sociale huurwoningen, 13% goedkope koopwoningen en 24% betaalbare koopwoningen.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Lingewaard

De omgevingsvisie beschrijft de strategische koers voor de lange termijn voor de leefomgeving van de gemeente. Het toekomstbeeld voor de gemeente Lingewaard in 2035 bestaat onder andere uit:

Groei van de kernen
De kernen zijn nog steeds herkenbaar en niet aan elkaar gegroeid tot één geheel. Nieuwe woningen zijn in en aan de kernen gebouwd. Iedereen die in Lingewaard opgroeit kan er blijven wonen en er zijn voldoende woningen in diverse prijsklassen. De kernen zijn ingericht om drie generaties te bedienen voor wonen en ontmoeten. Dit versterkt de saamhorigheid. Hierdoor wordt het dorpse gevoel vastgehouden: betrokkenheid bij elkaar en bij de leefomgeving. Er is rekening gehouden met de landelijke trend van vergrijzing en de gevolgen voor de behoeften aan bereikbaarheid van voorzieningen en zorg. Het woning- en voorzieningenaanbod is hierop aangepast. Lingewaard telt in 2035 zo’n 50.000-55.000 inwoners. Dat zijn er 3.000 tot 8.000 meer dan nu. De verstedelijking is gematigd en passend bij de kwaliteit van de leefomgeving van Lingewaard.

Groen is in en om de kernen toegankelijk
Een gezonde leefomgeving kent naast prettige woonkernen een stevige groenstructuur tussen de woon- en werkgebieden. Op een paar minuten van huis is er groen en kun je mooi wandelen of joggen. In de groenstructuur tussen de woonkernen zijn er plekken om de vrije tijd door te brengen. Park Lingezegen is dé groene buffer tussen de steden Arnhem en Nijmegen.

Planspecifiek
De ontwikkeling van 't Hof van Klein Baal wordt in de omgevingsvisie genoemd en aangeduid op de kaart voor de kern Haalderen en wordt gekoppeld aan de visie gezonde en leefbare wijken. De ontwikkeling van het nieuwe woongebied betreft in aansluiting op de visie een toekomstbestendige woonwijk met een gevarieerd woningaanbod voor verschillende doelgroepen en ruimte voor ontmoeting. Daarnaast wordt met het toevoegen van de nieuwe woningen bijgedragen aan het draagvlak voor de voorzieningen in de kern Haalderen.

Bovendien worden met de voorliggende ontwikkeling de bestaande structuren gerespecteerd. De beoogde woningen worden op zorgvuldige wijze in het bestaande stedenbouwkundig weefsel gevoegd, waarbij rekening word gehouden met de ligging van het plangebied op de overgang tussen de geconcentreerde bebouwing binnen de kern van Haalderen en het buitengebied, met meer openheid en een lagere bebouwingsdichtheid. Ook omvat de ontwikkelingen diverse groenstructuren met meerdere bufferings- en infiltratievoorziening voor hemelwater, waardoor een klimaatbestendig en -adaptief woongebied ontstaat.

3.4.2 Nota Wonen 2020 - 2025

De Nota Wonen beschrijft het door de gemeente Lingewaard te voeren woonbeleid in de periode 2020 - 2025. De nota vormt het kader om samen met bewoners, zorginstellingen, ontwikkelaars, corporaties, huurdersorganisaties en andere overheden te zorgen dat inwoners, de juiste woning op de juiste plek en op het juiste moment beschikbaar hebben. De gemeente wil haar huidige en nieuwe inwoners de kans geven binnen de gemeente een wooncarrière te doorlopen. De gemeente ziet het als haar taak om naar vermogen alle inwoners passend en goed te huisvesten in een aantrekkelijk woonmilieu. Passend huisvesten houdt in dat het woningaanbod is afgestemd op de financiële mogelijkheden die mensen hebben. Goede huisvesting betekent dat ook in het betaalbare segment sprake is van een goede kwaliteit en toekomstwaarde van de woningen.

De belangrijkste thema's in de nota zijn:

  • Nieuwbouw: versneld en verantwoord;
  • Aanpak bestaande woningvoorraad;
  • Beschikbaarheid (sociale) huursector;
  • Specifieke doelgroepen: starters/jongeren, ouderen, wonen met zorg, overige doelgroepen.

Planspecifiek
Voorliggend plan voorziet in een gevarieerd woonprogramma. In 't Hof van Klein Baal wordt in aansluiting op de 'Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen' twee derde deel van de woningen betaalbare huur- en koopwoningen, waarvan 30% in de sociale huur.

Daarnaast biedt het plangebied, in het kader van klimaatadaptatie, voldoende ruimte voor de inpassing van groen en water. Het plangebied krijgt een groene inrichting met verschillende soorten (inheemse) beplanting en bomen ter verbetering van het microklimaat en de biodiversiteit. De woningen worden bovendien gasloos en conform de BENG-norm gerealiseerd.

3.4.3 Doelgroepenverordening

Op 9 maart 2023 heeft de gemeenteraad de 'Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Lingewaard 2023' vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening (Wro, artikel 3.1) biedt gemeenten de mogelijkheid om in een bestemmingsplan op te nemen dat bij een nieuwbouwplan een percentage van de woningbouw moet worden gerealiseerd in een bepaalde categorie. Een doelgroepenverordening waarin deze categorieën nader gedefinieerd worden, is dan noodzakelijk. De doelgroepenverordening biedt dus de juridische basis om woningbouwcategorieën in bestemmingsplanregels te kunnen opnemen, zoals in onderhavig plan is gedaan.

3.4.4 Landschapsontwikkelingsplan

Het landschapsontwikkelingsplan (kortweg LOP) is de opvolger van de oude Landschapsbeleidsplannen. In het LOP is het landschapsbeleid voor het buitengebied van de gemeente vastgelegd. Het LOP geeft een visie op de wenselijke toekomstige ontwikkeling van het landelijk gebied van de gemeente Lingewaard. Het plan biedt een strategisch raamwerk voor de ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied en dient als instrument waarmee richting kan worden gegeven aan nieuwe ontwikkelingen.

Planspecifiek
Vanuit het LOP is de noordwesthoek van het plangebied aangeduid als 'tegengaan aan elkaar groeien bebouwing'. Deze aanwijzing geldt voor gebieden waar het aaneen groeien van bebouwde gebieden dreigt. Dit wordt gezien als onwenselijk, omdat hierdoor de eigen identiteit en leefbaarheid van de kernen wordt aangetast en de ruimtelijke relatie tussen de komgebied, oeverwallen en uiterwaard wordt verstoord.

Ter hoogte van plangebied geldt dit vanwege het bijna aaneen groeien van de buurt Essenpas in Bemmel en de lintbebouwing langs de westzijde van de Van der Mondeweg in Haalderen. Vanwege de ligging van het plangebied aan de oostzijde van de Van der Mondeweg wordt de afstand tussen de bebouwde gebieden van Bemmel en Haalderen niet verder verkleind. Het plangebied wordt aan oost, zuid- en westzijde omgeven door de bebouwde kom van Haalderen.

Bovendien wordt de planontwikkeling landschappelijk ingepast. Om de overgang naar het landelijke gebied te verzachten komt rond de woningbouwontwikkeling een groene omranding met bomenlinten. Binnen het plangebied worden diverse langzaamverkeersverbindingen gerealiseerd zodat het gebied voor een breder publiek beleefbaar wordt.

3.4.5 Addendum bij nota Groenfonds gemeente Lingewaard

In de nota Groenfonds wordt het belang van groen onderstreept. In het addendum zijn kwantitatieve groennormen voor nieuwe woningbouwlocaties vastgelegd. Het gaat dan expliciet om inbreiding-, uitbreiding en transformatielocaties voor woningbouw. In het addendum zijn groennormen geformuleerd en regels opgesteld als niet of onvoldoende aan de normen kan worden voldaan. In dat geval is een financiële bijdrage in het Groenfonds benodigd.

Voor nieuwe woningbouwlocaties geldt dat in de openbare ruimte voldoende groen dient te worden aangelegd. De volgende normen zijn van toepassing:

  • 75 m2 groen per woning, waarvan minimaal 15 m2 groen per woning op straatniveau;
  • 0,8 boom per woning.

Planspecifiek
Het onderhavige planvoornemen voldoet aan de gestelde groennormen. Uitgaande van maximaal 61 woningen dient op basis van de groennormen (61 x 75=) 4.575 m2 openbaar groen gerealiseerd te worden. Op basis van het inrichtingsplan wordt er 7.456 m2 aan groen gerealiseerd, oftewel 122,3 m2 per woning. Het gewenste aantal bomen volgens de groennormen is (61 x 0,8=) 48,8 bomen. In het inrichtingsplan zijn 51 bomen van de 1ste en 2de grootte aanwezig en 37 overige bomen (3de grootte, knot- en fruitbomen).

3.4.6 Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.5 Conclusie

Dit bestemmingsplan is passend binnen het beleid van de verschillende overheden.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten.

Voorliggend bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 61 nieuwe woningen mogelijk. Woningbouwontwikkelingen zijn opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (categorie D.11.2). De realisatie van maximaal 61 woningen in het voorliggende plangebied blijft echter ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van drie criteria:

  • Kenmerken van het project;
  • Plaats van het project;
  • Kenmerken van het potentiële effect.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een zogenaamde aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. De rapportage hiervan is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ook heeft het plan geen negatieve effecten op een goede ruimtelijke ordening zoals beschreven in de milieuparagrafen en de toelichting. De ontwikkeling is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Er zijn geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken een m.e.r.-beoordelingsprocedure te volgen.

4.2 Bodem

4.2.1 Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak.

In de Wet bodembescherming is bepaald dat, als de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.

4.2.2 Onderzoek

Voor de ontwikkeling van het plangebied is vanwege de functiewijziging van 'agrarisch' naar de milieugevoelige functie 'wonen' een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 2 bij de toelichting gevoegd.

Opbouw en zintuiglijke waarnemingen
De bovenlaag van de bodem bestaat afwisselend uit zand en klei. Daaronder bevindt zich een (zandige) kleilaag tot 2 m -mv met daaronder zand tot de geboorde diepte van 4 m -mv. Plaatselijk is de kleilaag afwezig en is er alleen sprake van zand. Met uitzondering van de noordwesthoek zijn er in de bodem geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. In de noordwesthoek is het maaiveld en de bovenlaag (tot 0,1 m -mv) zwak puinhoudend. Ter plaatse van de gedempte sloot is sprake van een kleiige laag tot circa 1,5 m -mv.

Algemene kwaliteit
De bovengrond (0,0-0,5 m -mv) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en enkele bestrijdingsmiddelen. De kleiige onderlaag is licht verontreinigd met nikkel en de zandige onderlaag is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. De kwaliteit van de bodem ter plaatse van de gedempte sloot wijkt niet af met de kwaliteit van de bodem van de rest van het perceel.

PFAS (hergebruik indicatief)
De gehele bovengrond (0,0-0,5 m -mv) van het perceel heeft een indicatie voor hergebruik op basis van de parameter PFAS als klasse ‘Landbouw/natuur’.

Asbest
Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 – 0,5 m -mv) visueel geen asbest aangetroffen of analytisch aangetoond. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) wordt niet overschreden.

Grondwater
Het grondwater is licht verontreinigd met barium (natuurlijke herkomst).

4.2.3 Conclusie

Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3 Geluid

4.3.1 Regelgeving

Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) moeten bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in artikel 82 t/m 85 van de Wgh in acht worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:

  • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in artikel 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);
  • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;
  • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.

4.3.2 Onderzoek

Wegverkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Van der Mondeweg met een snelheidsregime van 50 km/u. Er is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor de nieuwe woningen in het plangebied. Het onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Van der Mondeweg (N839) bedraagt ten hoogste 57 dB Lden (inclusief aftrek). De geluidbelasting voldoet niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Aan de maximaal toelaatbare waarde van 63 dB Lden wordt wel voldaan. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Lage Zandsestraat (niet gezoneerd) bedraagt ten hoogste 49 dB Lden inclusief aftrek. De gecumuleerde geluidbelasting van alle wegen samen (gezoneerd en niet gezoneerd) bedraagt ten hoogste 62 dB Lden exclusief aftrek.

Wanneer de voorkeursgrenswaarde op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen wordt overschreden kan een procedure worden doorlopen voor het aanvragen van hogere grenswaarde. De voorkeursgrenswaarde wordt ter plaatse van enkele woningen overschreden. Om de geluidbelasting ten gevolge van de Van der Mondeweg te reduceren zal gekeken moeten worden naar mogelijk te nemen maatregelen aan de bron of in de overdracht. Indien dit niet doeltreffend is kan gekeken worden naar maartregelen bij de ontvanger.

De Van der Mondeweg is een doorgaande weg. Het verlagen van de snelheid naar 30 km per uur stuit op verkeerskundige bezwaren en zal niet het gewenste effect opleveren dat bij alle woningen voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde met een te verwachte reductie van maximaal 3 dB. Het asfalt vervangen door "stiller" asfalt kan voor een reductie van zo'n 3 à 4 dB zorgen wat eveneens niet het gewenste effect zal opleveren dat bij alle woningen voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. Daarnaast is geluid reducerend asfalt eerder aan vervanging toe en kan dit niet in de nabijheid van kruisingen e.d. worden toegepast in verband met de snelle slijtage ervan. Het plaatsen van een geluidscherm is voor de beperkte hoeveelheid van twintig woningen waar de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kostentechnisch niet reëel. Tevens stuit deze maatregel op bezwaren van stedenbouwkundige aard.

De afstand vergroten van de woningen tot de weg is eveneens niet wenselijk. De voorste woningen zorgen voor enige geluidafschermende werking naar de achterliggende woningen toe. Bestaande woningen in de omgeving zijn dichter bij de weg gelegen dan de woningen van het planvoornemen.

Op basis van het voorgaande worden bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig geacht. Tijdens de realisatie kan rekening worden gehouden met de vastgestelde overschrijdingen door geluidgevoelige ruimten zoveel als mogelijk aan de geluidluwe zijde te positioneren en te zorgen voor voldoende gevelisolatie.

Gemeente Lingenwaard beschikt over een eigen geluidbeleid: Nota hogere grenswaarde Gemeente Lingewaard. De gemeente hanteert de volgende geluidklassen voor wegverkeer;

  • Zeer rustig: < 38 dB Lden;
  • Rustig; 38 - 43 dB Lden;
  • Redelijk rustig; 43 - 48 dB Lden;
  • Onrustig; 48 - 53 dB Lden;
  • Zeer onrustig; 53 - 58 dB Lden;
  • Lawaaiig; 58 – 63 dB Lden;
  • Zeer lawaaiig; > 63 dB Lden.

Het plangebied valt binnen gebiedstype 'buitengebied'. Voor gebiedstype buitengebied geldt een ambitiewaarde van 38 tot 43 dB (geluidklasse rustig) en een bovengrenswaarde van 43 en 48 dB (geluidklasse redelijk rustig). Ter plaatse van twintig woningen wordt niet voldaan aan de bovengrenswaarde van 48 dB. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder zijnde 63 dB. Wanneer aangesloten wordt bij gebiedstype 'woonwijken' zoals de naastgelegen percelen, wordt wel voldaan aan de bovengrenswaarde van 58 tot 63 dB (geluidklasse lawaaiig). De ambitiewaarde voor gebiedstype woonwijken is 43 tot 48 dB.

Gemeente Lingewaard neemt de volgende locatie specifieke kenmerken mee in het besluit voor het al dan niet toekennen van een hogere waarde:

  • de nieuwbouw ter plaatse dient ter vervanging van bestaande bebouwing;
  • de locatie is opgenomen in herstructureringsplannen;
  • de locatie is opgenomen in concessiecontour van het KAN;
  • de nieuwbouw vult een open plaats op tussen aanwezige bebouwing;
  • met de ontwikkeling van de betreffende locatie worden één of meerdere andere milieuknelpunten elders opgelost.

De planontwikkeling vult een open plaats op tussen aanwezige bebouwing.

Omdat de hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Van der Mondeweg 57 dB Lden bedraagt kan voor de geluidklasse uitgegaan worden van 'zeer onrustig'. Daardoor worden de aanvullende criteria bij de afweging betrokken:

  • Het geluidaspect dient vanaf het eerste ontwerpstadium te worden betrokken.
  • Bij appartementen en seniorenwoningen dient minimaal één verblijfruimte aan de geluidluwe zijde te worden gesitueerd; bij ééngezinswoningen minimaal drie verblijfsruimten aan de geluiluwe zijde.
  • Bij een aanvraag om bouwvergunning voor een woning en scholen dient een bouwakoestisch onderzoek te worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit.

Daarnaast wordt vanaf geluidklasse 'Onrustig' niet akoestische compensatie betrokken bij de overweging. Bij niet-akoestische compensatie kan gedacht worden aan:

  • Grotere woningen/appartementen.
  • Meer dan gemiddeld aantal parkeerplaatsen, liefst door middel van parkeren uit het zicht.
  • De nieuwe locatie "groen" in te richten.
  • De woningen/appartementen te voorzien van een hoger afwerkingsniveau.
  • De hoogbelaste woningen/appartementen te situeren op een locatie met uitzicht.
  • De hoogbelaste woningen/appartementen te situeren in de nabijheid van "uitloopgebieden/ natuurgebieden".

De "geluidbelaste" woningen betreffen relatief grote woningen en hebben minimaal drie verblijfsruimten aan de geluidluwe zijde uitgezonderd van het rijtje starterswoningen ter hoogte van de Van der Mondeweg aangezien deze bestaan uit een woonkamer/keuken en een slaapkamer. Bij de starterswoningen komen de woonkamer en slaapkamer aan de geluidluwe zijde te liggen. Daarnaast wordt er binnen het plan "groen" gerealiseerd. Op basis van het voorgaande en de ligging van het planvoornemen kan worden uitgegaan van voldoende niet-akoestische compensatie.

Het aanvragen van hogere waarden voor twintig woningen bij Gemeente Lingewaard is noodzakelijk om het planvoornemen mogelijk te maken. Aan het beleid is invulling gegeven en op basis daarvan kan de hogere waarde worden verleend.

Aanvullend zal de geluidwering van de gevels moeten worden bepaald voor het vaststellen van het binnenniveau in de geluidgevoelige vertrekken en deze te toetsen aan de norm, zijnde 33 dB.

Railverkeerslawaai
De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen de zone van een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is daarom niet benodigd.

Industrielawaai
De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is daarom niet benodigd.

4.3.3 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan, mits een hogere grenswaarde wordt vastgesteld en de geluidswering van de gevels wordt onderzocht.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Regelgeving

In het kader van een planologische procedure moet worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij moet het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld worden gebracht.

De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO).

Projecten moeten worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.4.2 Onderzoek

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 61 nieuwe woningen in dit bestemmingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (peiljaar 2019) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Uit deze tool blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

4.4.3 Conclusie

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Milieuzonering

4.5.1 Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken.

Voor het vaststellen van de genoemde minimale richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) gebruikt. Daarbij wordt o.a. gekeken naar de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en zo nodig naar het risico op bodem- of luchtverontreiniging. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0006.jpg" Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'

Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien er sprake is van een kortere afstand dan de richtafstand, is aanvullend onderzoek noodzakelijk.

4.5.2 Onderzoek

In de directe omgeving van de woningbouwlocatie zijn bedrijven aanwezig. In navolgende tabel zijn het adres en de maximaal toegestane milieucategorieën van het aanwezige bedrijven weergegeven:

Adres   Inrichting   Milieucategorie   Maatgevende aspect   Richtafstand (m)   Feitelijke afstand (m)  
Van der Mondeweg 89   Supermarkt   1   Geluid, Gevaar   10   50  
Van der Mondeweg 87a   Fietsen-/scooterwinkel   1   Geluid   10   43  
Van der Mondeweg 74   Kantoor zakelijke dienstverlening   1   Geluid   10   14  

Overzicht relevante bedrijvigheid

Op basis van de VNG-brochure is het beoogde woongebied over het algemeen aan te merken als een rustig woongebied. In een rustig woongebied komen naast woningen vrijwel geen andere functies voor, zoals kantoren of bedrijven.

Zoals blijkt uit tabel 4.2 reikt de richtafstand van de bedrijven aan de Van der Mondeweg niet tot het plangebied. Zodoende kan in dat opzicht een goed woon- en leefklimaat voor de woningen in het plangebied gewaarborgd worden. Bovendien zijn de naastgelegen woningen dichterbij gelegen en dus maatgevend voor de mogelijkheden van de betreffende bedrijven.

4.5.3 Conclusie

Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.

In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.

Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant.

Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes in werking getreden, waarin de externe veiligheid regels voor nieuwe ruimtelijke besluiten, zoals woonwijken en industriegebieden, staan. Hierin wordt ook verwezen naar het basisnet van transportroutes. Het basisnet vergroot de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

4.6.2 Onderzoek

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0007.png"

Uitsnede risicokaart met globale begrenzing plangebied (blauwe omkadering)

Het plangebied ligt op circa 1.360 m ten zuiden van de toekomstige snelweg A15 en op circa 1.430 m ten zuiden van de Betuweroute. Over deze transportroutes vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied van de toekomstige snelweg A15 en de Betuweroute. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen. Echter is de afstand tussen het plan en de risicobronnen dermate groot (groter dan 200 m), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid

Verantwoording groepsrisico
Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een verschillende risicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de toekomstige snelweg A15 en de Betuweroute. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 24 juli 2023 (kenmerk: 2023-004579), zoals opgenomen in bijlage 4 bij de toelichting. Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor om advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Zelfredzaamheid
Met de term zelfredzaamheid wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol.

Het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan:

  • Gelet op de afstand tot de genoemde risicobronnen is het scenario toxische wolk het meest relevant. Het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen (voornamelijk in de nachtelijke uren). Het ligt in de verwachting dat aanwezigen zichzelf bij een (dreigend) incident in veiligheid kunnen brengen mits zij geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd zijn;
  • De VGGM adviseert toekomstige bewoners te infomeren over de aanwezige risico's in hun leefomgeving met bijbehorend handelingsperspectief en technische maatregelen zoals afschakelbare ventilatie om veilige schuilmogelijkheden te creëren.


Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de Van der Mondeweg te ontvluchten van de risicobron af. Daarnaast is het te verwachten handelingsperspectief voor een toxische wolk binnenshuis schuilen. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant.

4.6.3 Conclusie

Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroutes met een extern veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van beide risicobronnen vormt geenbelemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de toekomstige snelweg A15 en de Betuweroute. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7 Waterhuishouding

4.7.1 Regelgeving

Nationaal beleid
Het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid tot 2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Rijk speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepalendheid wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied.

Beleid waterbeheerder
In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft het waterschap de kaders en de opgaven voor het waterbeheer in hun beheergebied. Naast het dagelijks beheer van water en dijken behandelt het Waterbeheerprogramma de volgende speerpunten:

  • beschermen tegen overstromingen;
  • water eerlijk verdelen;
  • voorbereiden op extreem weer;
  • werken aan schoon water;
  • bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur;
  • toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit;
  • toewerken naar circulariteit;

Watertoets
In de brochure “Partners in Water” is het beleid van het waterschap Rivierenland verwoord. De brochure gaat in op de inhoud van de watertoets en behandeld de volgende thema’s:

  • waterneutraal inrichten;
  • schoon inrichten;
  • veilig inrichten;
  • bijzondere wateren en voorzieningen.

Ten aanzien van het thema Waterneutraal inrichten wordt ingegaan op de benodigde waterberging bij verschillende projecten. Voor kleine projecten in stedelijk gebied is waterberging slechts in beperkte mate noodzakelijk en/of mogelijk. Tot 500 m2 aan extra verharding geldt er voor particulieren een mogelijkheid voor een eenmalige vrijstelling. In alle andere gevallen moeten compenserende maatregelen getroffen worden. Voor projecten tot 5.000 m2 aan extra verharding bedraagt de compensatie 436 m3 per hectare verharding. Voor wadi’s en geïsoleerd open water geldt een norm van 664 m3 per hectare verharding. Bij een toename groter dan 5.000 m2 is maatwerk benodigd. Waterberging moet in principe binnen het plangebied opgelost worden. Indien dit niet mogelijk is kan de waterberging elders binnen het peilgebied worden opgelost.

Waterplan gemeente Lingewaard
Lingewaard heeft door zijn ligging langs de Waal en het Pannerdens kanaal van oudsher een sterke band met water. Om te komen tot een duurzaam waterbeheer en betere afstemming tussen het waterbeheer en ruimtelijke ontwikkelingen, heeft de gemeente Lingewaard samen met Waterschap Rivierenland in 2008 een waterplan opgesteld. De nadruk van dit waterplan ligt op het aanpakken van knelpunten en het pakken van kansen, met name in de kernen van Lingewaard.

Gemeentelijk Rioleringsplan Lingewaard
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) geeft invulling aan de wettelijke gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Het GRP beschrijft welke activiteiten en hoeveel geld en personeel nodig zijn om deze zorgplichten uit te voeren. Doelstelling is het continueren van de rioleringszorg, uitgebreid met de zorgplicht voor hemel- en grondwater. Door goed beheer en onderhoud en tijdig vervangen van rioleringsonderdelen blijft het stelsel goed functioneren en worden risico's voor de volksgezondheid beperkt. De volgende zorgplichten ziet de gemeente als haar taak:

  • stedelijk afvalwater inzamelen en transporteren;
  • afvloeiend hemelwater inzamelen en verwerken;
  • het treffen van maatregelen in openbaar gemeentelijk gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken.

4.7.2 Onderzoek

Er is een waterhuishoudkundig plan opgesteld voor het plangebied. Het plan is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd.

Bestaande situatie
Het plangebied is in de bestaande situatie in gebruik als landbouwgrond, zijnde akkerbouw. Binnen het plangebied zijn aan de westelijke en oostelijke zijde twee watergangen aanwezig. Van noordwest naar zuidoost loopt over het gehele plangebied een voormalige gedempte watergang,

Bodemopbouw
Globaal bestaat de bodem uit een deklaag van 0,0 m tot 6,0 m –mv met daaronder een watervoerend pakket bestaande uit de formatie van Kreftenheye. Het maaiveld is onverhard (gemaaid akkerland) met een bovenlaag van afwisselend zand en klei. De kleiige bovenlaag is hoofdzakelijk aanwezig op het middendeel en aan de oostzijde van het plangebied. Het overige deel van het plangebied heeft een zandige bovenlaag.

Waterkeringen
In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.

Watergangen
Aan zowel de oost-, als de westzijde van plangebied ligt een C-watergang.

De watergangen hebben beide een bodemhoogte variërend tussen circa NAP +8,6 m tot NAP +8,75 m. Beide watergangen zijn hiermee in de meeste situaties droogvallend. Op basis van de rioolgegevens van de gemeente Lingewaard watert op de westelijke watergang het HWA-stelsel dat in de van der Mondeweg aanwezig is af. Op basis van dezelfde gegevens staat de C-watergang aan de oostzijde van het plangebied middels duikers in verbinding met de C-watergang langs Klein Baal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0008.jpg" Uitsnede legger Waterschap Rivierenland

Grondwater
Op basis van historische meetreeksen in de omgeving van het plangebied is de meest waarschijnlijke RHG en RLG (representatief hoogste en laagste grondwaterstand) ingeschat. Op basis van deze meetgegevens is de RHG ingeschat op NAP +8,93 m (-1,07 m –mv) en de RLG op NAP +7,83 m (-2,17 m –mv).

Doorlatendheid
De doorlatendheid (K-waarde) van het plangebied is onderzocht. Vastgesteld is dat de doorlatendheid van de zandige bovenlaag zeer goed doorlatend is (K=>10,00m/dag) en de kleiige bovenlaag goed doorlatend is (K = 1,00 - 10,00 m/dag). De gehele zandige onderlaag is goed tot zeer goed doorlatend (K = 1,00 - 10,00 m/dag -- > 10,00 m/dag).

Riolering
Omliggend aan het plangebied is bestaande riolering aanwezig. Ten zuiden van het gebied, onder de Lage Zandsestraat, is een vrijvervalriool aanwezig bestaande uit een streng PVC Ø250 mm en een streng van beton Ø300 mm. De riolering onder de Lage Zandsestraat ligt op een diepte tussen de NAP +8,68 m en NAP +8,00 m.

In het verlengde van de Lage Zandsestraat, gelegen aan de zuidoostelijke kant van het plangebied, is een vrijvervalriool aanwezig van PVC Ø250 mm met een diepte tussen de NAP + 9,13 m en NAP +8,00 m.

Verder is er in het gehele rioleringstracé onder de Lage Zandsestraat een drainagestreng aanwezig van PVC Ø100 mm. Deze streng is aangesloten op het HWA systeem op de kruising Lage Zandsestraat – De Halden.

Ontwerp watersysteem
Aan de west- en oostzijde van het plangebied zijn in de huidige situatie 2 droogvallende C-watergangen aanwezig. Aan de westzijde wordt deze watergang gedempt ten behoeve van de aanleg van een fietspad. Aan de oostzijde van het plangebied wordt deze watergang omgevormd tot wadi’s. De waterberging die in de huidige situatie in deze watergangen aanwezig is, dient volledig gecompenseerd te worden.

Daarnaast dient ook waterberging gerealiseerd te worden ten behoeve van de toename van verhard oppervlak. De berging binnen het plangebied wordt gerealiseerd middels een droogvallende watergang aan de westzijde van het plangebied en verlaagde groenstroken met wadi’s in de rest van het plangebied. Vanuit deze voorziening kan hemelwater na de neerslagsituatie in de bodem infiltreren. Gezien de relatief goede doorlatendheid en het voldoende diepe grondwater is infiltratie kansrijk. Via de voorziening kunnen een T=10+10% en een T=100+10% vertraagd afgevoerd worden in de bodem. Tevens wordt hiermee gewaarborgd dat de voorziening voldoende snel na de neerslagsituatie weer droog is. Om gedurende natte periodes te voorkomen dat de voorzieningen lange tijd gevuld blijven, wordt drainage aangebracht. Daarnaast wordt ten behoeve van de afvoer van hevigere neerslagsituaties aan de oostzijde van het plangebied parallel aan Klein Baal een stuwconstructie aangebracht. Gedurende hevige neerslagsituaties komt hier water uit de put en wordt het water versnelt afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. Via de op te waarderen C-watergang (en duikers) wordt hiermee een afvoer gerealiseerd naar een A-watergang verder ten oosten van het plangebied.

Binnen het plangebied worden hemel- en vuilwater gescheiden afgevoerd. Het hemelwater afkomstig van de verharding wordt daar waar het grenst aan de droogvallende watergangen of wadi oppervlakkig afgevoerd. In de wegen haaks op de voorzieningen wordt een hemelwaterstreng aangebracht, omdat onvoldoende hoogteverschil gerealiseerd kan worden. De daken van de bergingen worden aangesloten op de hemelwaterafvoer van de woningen. Middels een hemelwaterstreng van west naar oost door het plangebied, wordt gewaarborgd dat de voorzieningen met elkaar in verbinding staan. Doordat deze streng gekoppeld is met in- en uitstroomputten staat deze altijd vol water. Met de verbinding tussen de voorzieningen wordt een robuust systeem gerealiseerd, de berging in het volledige plan benut, maar ook de noodafvoer geborgd.

Het vuilwater wordt onder vrijverval gescheiden afgevoerd naar het bestaande gemeentelijk vuilwaterstelsel aan de zuidzijde van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0009.png"

Schematisch overzicht watersysteem

Afvloeiende oppervlakken
In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als agrarische landbouwgrond zonder afvloeiende oppervlakken. De ontwikkeling van het plangebied zal daarom resulteren in een toename van het afvloeiend oppervlak. Er wordt in de toekomstige situatie onderscheid gemaakt tussen het percentage verhard oppervlak en het type woningen. Op basis van de eisen van waterschap Rivierenland dienen per type woning vuistregels gehanteerd te worden voor de bepaling van het verhard oppervlak op particulier terrein. Er zijn diverse oppervlakken binnen het plangebied aanwezig. Deze zijn aangegeven in navolgende tabel. Hierbij worden de parkeerplaatsen die als halfverharding worden uitgevoerd meegerekend als 50% afstromend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0010.png"

Overzicht oppervlakken toekomstige situatie

Waterberging
In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied met 14.348 m² toe. Op basis van de eisen van waterschap Rivierenland dient hierover watercompensatie gevonden te worden. In navolgende tabel is weergegeven hoeveel waterberging bij zowel een T=10+10% en een T=100+10% aanwezig dient te zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0011.png"

Echter is in overleg met waterschap Rivierenland afgesproken dat in verband met de droogvallende watergangen, het plan alleen getoetst dient te worden op een T=100+10% en dat daarbij ook de infiltratie meegenomen mag worden. In dit geval past een T=10+10% ook in de voorzieningen, maar dan is wel sprake van meer dan 0,3 m peilopzet.

Naast de te realiseren watercompensatie dient het oppervlaktewater dat gedempt wordt 1 op 1 teruggebracht te worden. De C-watergangen aan de west- en oostzijde van het plangebied zijn droogvallende watergangen. In de huidige situatie bedraagt de totale lengte hiervan circa 245 m. Conform de afspraak met het waterschap dient de berging die nu in de watergangen aanwezig is bij volledige vulling, ook gecompenseerd te worden in de nieuw te realiseren voorzieningen. Dit wordt aangehouden omdat de watergangen in een groot deel van het jaar droogvallende watergangen zijn en er daardoor geen waterlijn is die vergeleken kan worden. In navolgende tabel is de berging weergegeven die in de huidige situatie in de 2 watergangen aanwezig is:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0012.png"

Watercompensatie
Op basis van de oppervlakken zoals weergegeven in de tabel 'Overzicht oppervlakken toekomstige situatie' neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied met 14.348 m2 toe. Op basis van de eisen van waterschap Rivierenland dient hierover watercompensatie gevonden te worden. Er dient in principe voldoende waterberging aanwezig te zijn bij zowel een T=10+10% en een T=100+10% bui. Echter is in overleg met waterschap Rivierenland afgesproken dat in verband met de droogvallende watergangen het plan alleen getoetst dient te worden op een T=100+10% en dat daarbij ook de infiltratie meegenomen mag worden. In dit geval past een T=10+10% ook in de voorzieningen, maar dan is wel sprake van meer dan 0,3 m peilopzet.

De waterberging dient gerealiseerd te worden over de toename van verharding en de demping van de droogvallende watergangen aan de west- en oostzijde van het plangebied. Dit betekent dat onderstaande berging benodigd is bij een T=100+10% met een peilstijging tot het maaiveld en binnen het plangebied gerealiseerd dient te worden.

  • Berging ten behoeve van toename verhard oppervlak: 949 m3
  • Berging ten behoeve van demping watergang westzijde: 529 m3
  • Totaal benodigde waterberging: 1.478 m³

Binnen het plangebied wordt aan de westzijde een grote droogvallende watergang gerealiseerd met een bodemniveau gelijk aan de bodem van de droogvallende watergang die gedempt wordt. Daarnaast worden centraal en aan de noordzijde van het plangebied verlaagde groenstroken gerealiseerd waar het hemelwater van de aanliggende oppervlakken allereerst naartoe af kan stromen. Wanneer deze voorzieningen gevuld zijn, wordt overgestort naar de droogvallende waterberging. Ook aan de oostzijde van het plangebied worden wadi’s gerealiseerd. Deze staan met de droogvallende waterberging aan de westzijde in verbinding. Doordat de bodem van deze voorzieningen hoger ligt, zullen deze zich pas later vullen.

De droogvallende watergang aan de westzijde van het plangebied krijgt een bodemniveau op NAP +8,7 m (gelijk aan de huidige watergang) met taluds van 1:3. De rijbaan aan de westzijde ligt op een niveau van circa NAP +10,4 m. Aan de oostzijde ligt de bestaande rijbaan op een niveau van NAP +10,0 m. Doordat de voorzieningen binnen het plangebied allemaal met elkaar in verbinding staan, mag gedurende een T=100+10% het waterpeil stijgen tot maaiveldniveau. Om ervoor te zorgen dat wateroverlast voorkomen wordt, wordt in de watergang aan de oostzijde, langs Klein Baal, een stuwconstructie aangebracht op een niveau van NAP +9,9 m. Deze constructie zorgt dat het hemelwater tot dit niveau in de voorzieningen geborgen kan worden. Tot dit niveau treedt nog geen wateroverlast op. Bij een hoger niveau, zal het hemelwater versnelt afvoeren via de stuwconstructie. Tevens wordt de uitstroomput voorzien van een knijpconstructie op GHG niveau zodat de voorzieningen gedeeltelijk leeg kunnen lopen en de drainage af kan voeren. Over het algemeen zal het hemelwater vanuit de voorzieningen infiltreren in de bodem.

De berging die in de voorzieningen aanwezig is, is nader uitgewerkt in navolgende tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.315-VG01_0013.png"

Ten oosten van het plangebied wordt een uitstroomput met een deksel op NAP +9,90 m aangebracht, zodat de afvoer vanuit het plangebied gedurende een hevige neerslagsituatie geborgd is. Deze watergang betreft een C-watergang en dient minimaal opgewaardeerd te worden naar een B-watergang, zodat de afvoercapaciteit en het onderhoud hiervan geborgd zijn.

Grondwater en maaiveldhoogte
Ter hoogte van het plangebied is ruim voldoende ontwatering aanwezig met een RHG van circa NAP +8,9 m. In afstemming met gemeente en waterschap is afgestemd dat de bodem van de droogvallende watergang aan de westzijde op hetzelfde niveau van NAP +8,7 m mag liggen. Dit betekent dat in natte periodes de voorziening gedeeltelijk gevuld is. Doordat binnen het plangebied de berging die in de huidige situatie in de watergangen aanwezig is, gecompenseerd wordt, is voldoende waterberging aanwezig. Om ervoor te zorgen dat de grondwaterstand niet hoger wordt dan de huidige RHG wordt een drainage onder de droogvallende waterberging aangebracht. Deze watert af naar de stuwconstructie die voorzien is van een knijpconstructie op NAP +8,9 m, zodat de grondwaterstand niet structureel wordt verlaagd.

Onder de voorzieningen dient de kleilaag zoveel mogelijk intact gehouden te worden, zodat geen extra water wordt aangetrokken, gedurende hoogwatersituaties op de Waal. De kleilaag reikt afhankelijk van de locatie in het plangebied tussen de 1 m -mv en 3 m -mv. Gedurende hoogwater kunnen onder druk van het water in het eerste watervoerend pakket de voorzieningen gedeeltelijk gevuld zijn (tot NAP +9,6 m).

Vuilwaterafvoer
Het vuilwater wordt vanuit het plangebied gescheiden aangeboden en afgevoerd naar het stelsel in de Lage Zandsestraat. Met een ophoging van het maaiveld naar circa NAP +10,40 m is afwatering onder vrij verval naar het vrijverval riool mogelijk.

Uitgaande van circa 61 nieuw te realiseren woningen met een gemiddelde bezetting van 2,5 personen die gedurende 10 uur 12 l/ uur per inwoner aanbieden, bedraagt de hoeveelheid vuilwater die aangeboden wordt vanuit het plangebied:

  • 61 x 2,5 x 12 l/uur = 1.830 l/uur = 1,83 m³/uur = 0,51 l/s

Waterkwaliteit
Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede.

Beheer en onderhoud
Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties.

Digitale Watertoets
In het kader van het planvoornemen is een digitale watertoets uitgevoerd. De watertoets is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd.

4.7.3 Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.8 Ecologie

4.8.1 Regelgeving

Soortenbescherming
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

  • 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn.
  • 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en
    • c. sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen:
      • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of
      • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
  • 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien:
    • a. er geen andere bevredigende oplossing is, en
    • b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Lingewaard is de provincie Gelderland het bevoegd gezag voor de Wnb.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook moet gelet worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

Gebiedsbescherming
De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' moet worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.8.2 Onderzoek

Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd.

Soortenbescherming
Het plangebied heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten en broedvogels, welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel moet bij de ontwikkeling van de plannen rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de rugstreeppad in de omgeving van het plangebied. Hiervoor moet een werkprotocol worden opgesteld.

Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Gelders Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken, op circa 530 m ten zuiden van het plangebied. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid door de voorgenomen plannen zijn gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn echter op voorhand niet uit te sluiten. Vandaar dat ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden een onderzoek stikstofdepositie, een zogenaamde voortoets, is uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 8 bij de toelichting.

Uit deze voortoets stikstof blijkt dat de bouw van woonwijk ’t Hof van Klein Baal leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie op Natura 2000 gebied Rijntakken. De bouw leidt niet tot verhoging van stikstofdepositie in hexagonen met hersteldoelen. Daarom is een passende beoordeling en vergunningsaanvraag is noodzakelijk. Interne saldering wordt gebruikt als mitigerende maatregel.

Deze passende beoordeling is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. De interne saldering van dit project is niet om verslechtering van stikstofgevoelige leefgebied- en habitattypen van Natura 2000-gebieden tegen te gaan. Door te mitigeren met intern salderen neemt de stikstofdepositie in stikstofgevoelige leefgebied- en habitattypen enkel af. Met deze mitigerende maatregel zijn significante negatieve effecten op stikstofgevoelige leefgebied- en habitattypen in Natura 2000-gebieden uitgesloten. De staat van instandhouding van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten is hiermee gewaarborgd.

4.8.3 Conclusie

Het aspect 'ecologie' vormt, na opstellen van een werkprotocol voor de rugstreeppad, geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

4.9 Archeologie & cultuurhistorie

4.9.1 Regelgeving

Erfgoedwet
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen golden, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden.

In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe er met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. Het gaat daarbij om de volgende zaken:

  • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten.
  • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie.
  • Bescherming van stads- en dorpsgezichten.

4.9.2 Onderzoek

Archeologie
Er is een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied omdat de omvang en diepte van de beoogde bodemingrepen de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek overschrijden. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij de toelichting gevoegd.

Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het plangebied zich naar verwachting ter plaatse van de Baal stroomgordel bevindt. In het plangebied kunnen op grond van de landschappelijke ligging en vindplaatsen in de omgeving archeologische resten uit de periode Neolithicum – Middeleeuwen worden verwacht in of op oeverafzettingen van de Baal stroomgordel.

Om de gespecificeerde verwachting te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hiervoor zijn in het plangebied dertien boringen gezet. Aangezien de oeverafzettingen van de Baal stroomgordel niet meer intact zijn, wordt de kans op aanwezigheid van bewoningssporen binnen het plangebied klein geacht.

Het plangebied wordt op basis van het uitgevoerde archeologische onderzoek vrij gegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het opnemen van een archeologische dubbelbestemming is daarmee niet meer noodzakelijk.

Cultuurhistorie
Op de kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' van de provincie Gelderland zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren in het plangebied aangeduid. Wel zijn de Van der Mondeweg en de Lage Zandsestraat aangemerkt als historisch geografische lijnen. Met voorliggende ontwikkeling wordt het bestaande karakter van de bebouwingslinten gerespecteerd.

4.9.3 Conclusie

Archeologie
Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Cultuurhistorie
Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.10 Leidingen

Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante leidingen (zoals waterleidingen of rioolwatertransportleidingen), beschermingszones en dergelijke.

Er zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen in het plangebied aanwezig. Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11 Verkeer en parkeren

4.11.1 Verkeer

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De kencijfers van CROW betreffen verkeersintensiteiten per eenheid op een gemiddelde weekdag. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een gemiddelde werkdag. De omrekenfactor van week- naar werkdag bedraagt conform CROW 1,11. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 61 nieuwe woningen ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. In de parkeernota wordt Haalderen aangeduid als 'weinig stedelijk gebied' in de 'rest bebouwde kom'.

Op basis van de CROW-publicatie gelden de volgende kencijfers uitgaande van het midden van de bandbreedte:

Functie   Aantal   Verkeersgeneratie per woning
werkdag  
Totaal  
Koop, vrijstaand   1   9,1   9,1  
Koop, twee-onder-een-kap   16   8,7   139,2  
Koop, tussen/hoek   26   8,2   213,2  
Huur, sociale huur   18   6,2   111,6  
Totaal   61     473,1  

In bovenstaande tabel is te zien dat de ontwikkeling circa 473 motorvoertuigbewegingen per werkdag genereert. Het verkeer van het nieuwbouwplan wordt via een nieuwe verbindingsweg tussen de Lage Zandsestraat en Van der Mondeweg afgewikkeld op de Van der Mondeweg. De bestaande aansluiting van de Lage Zandsestraat op de Van der Mondeweg wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer, zodra de nieuwe aansluiting is gerealiseerd.

Kijkend naar de verkeersafwikkeling is de nieuwe verbindingsweg niet benodigd vanwege de ontwikkeling van 't Hof van Klein Baal. Een verkeersstudie naar de effecten op de Lage Zandsestraat en het kruispunt Van der Mondeweg-Lage Zandsestraat heeft uitgewezen dat de wegcapaciteit op de Lage Zandsestraat voldoende is om het verkeer van de ontwikkeling op een verkeersveilige manier af te wikkelen. Ook Het kruispunt Van der Mondeweg-Lage Zandsestraat kan het verkeer van de ontwikkeling op een acceptabele wijze afwikkelen. Desondanks is de huidige vormgeving van het bestaande kruispunt Lage Zandsestraat-Van der Mondeweg niet ideaal. Dit kruispunt is namelijk erg krap en een knelpunt voor overstekende fietsers en voetgangers. De verkeersstudie is als bijlage 11 bij de toelichting gevoegd. In de verkeerstudie is uitgegaan van 511 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Dit is hoger dan de bovenstaande verkeersgeneratie van motorvoertuigbewegingen per weekdag. Dit komt omdat in de verkeersstudie is uitgegaan van 44 koophuizen, tussen/hoek en er dus geen opsplitsing is gemaakt in 26 koophuizen, tussen/hoek en 18 sociale huurwoningen.

Vanwege de veiligheid voor overstekend fietsverkeer en een toekomstbestendige verkeersafwikkeling hebben de gemeente en provincie besloten tot de nieuwe verbindingsweg. De huidige aansluiting van de Lage Zandsestraat op de Van der Mondeweg wordt als een verkeersonveilig knelpunt ervaren. Het is te krap voor het in/uitrijden met grote voertuigen en er zijn geen veilige opstelruimtes of middengeleiders aanwezig om veilig over te steken. Daarom is gekozen voor een nieuwe ontsluiting, waarbij ook het oversteekknelpunt voor langzaam verkeer wordt aangepakt.

4.11.2 Parkeren

Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen hanteert de gemeente Lingewaard de 'Nota parkeernormen', zoals de gemeenteraad deze heeft vastgesteld op 14 mei 2020. Voor de woningen in het plangebied geldt de parkeernorm zoals opgenomen in de onderstaande tabel (dit is inclusief 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers):

Functie   Aantal   Parkeernorm per woning   Totaal  
Vrijstaande woning   1   2,3   2,3  
Twee-onder-een-kap woning   16   2,2   35,2  
Tussen/hoek woning   26   2,0   52  
Sociale huurwoning   18   1,6   28,8  
Totaal   61     118,3  

In deze berekening is echter nog geen rekening gehouden met het feit dat bewoners en bezoekers niet allemaal tegelijkertijd aanwezig zijn. Daardoor kan sprake zijn van dubbelgebruik. Om de werkelijke parkeerbehoefte te kunnen berekenen heeft het CROW zogeheten aanwezigheidspercentages gepubliceerd. Die geven aan, verspreid over de week, wanneer een doelgroep ook daadwerkelijk gebruik maakt van de parkeerplaatsen. Het toepassen van de aanwezigheidspercentages levert de volgende parkeervraag op:

Aanwezigheids- percentages   Werkdag   Koopavond   Zaterdag   Zondag  
  Ochtend   Middag   Avond   Nacht     Middag   Avond   Middag  
Bewoners   50,0   50   90   100   80   60   80   70  
Bezoekers   1,8   3,7   14,7   0   12,5   11   18,3   12,8  
Totaal   51,8   53,7   104,6   100   92,8   71   98,3   82,8  

De piek van de parkeervraag ligt op de werkdag avond. Op dat moment bedraagt de behoefte, afgerond naar boven op hele aantallen, 105 parkeerplaatsen.

De benodigde parkeerplaatsen worden binnen het plangebied gerealiseerd. Op eigen terrein komen 30,1 parkeerplaatsen (1 lange oprit met garage en 16 dubbele opritten met garage) en in het openbaar gebied binnen het plangebied komen 75,0 parkeerplaatsen. In totaal zijn dit 105,1 parkeerplaatsen. In de regels is een dynamische verwijzing naar het gemeentelijke parkeerbeleid opgenomen. Daarmee is de realisatie van voldoende parkeergelegenheid gewaarborgd.

Inmiddels is de 'Nota parkeernormen' in 2024 geactualiseerd en zijn de parkeernormen voor (bezoekers van) woningen licht naar beneden bijgesteld. De uitvoerbaarheid is gegarandeerd: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het realiseren van de woningen zal getoetst worden aan de lichtere normen van 2024.

4.12 Explosieven

Naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling is een controle verzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) in het plangebied. De projectleiderssamenvatting CE is als bijlage 12 bij de toelichting opgenomen.

In de projectleiderssamenvatting is nagegaan of op de beoogde projectlocatie CE uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig kunnen zijn. Hiervoor is de risicokaart CE van de gemeente zoals weergegeven in de gemeentelijke informatiesystemen geraadpleegd.

Op basis van de beschikbare archiefgegevens, literatuur en luchtfotomateriaal kan worden gesteld dat binnen het projectgebied, in de niet-naoorlogs geroerde bodem, de volgende (sub)soorten CE kunnen zijn achtergebleven:

  • Geschutmunitie, diverse kalibers, met een maximaal kaliber van 155 mm/15 cm (verschoten) tot een diepte van 2,5 m -mv (maaiveld Tweede Wereldoorlog), oftewel tot 7,3 m +NAP;
  • Klein kaliber munitie, hand- en geweergranaten en munitie voor granaatwerpers, tot een diepte van 2,5 m -mv (bodem stelling/loopgraaf), oftewel tot 7,3 m +NAP.

Om de risico’s met betrekking op CE te minimaliseren adviseert BeoBOM om voorafgaande aan de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden een opsporingsproces uit te voeren.

In het kader van de uitvoeringswerkzaamheden zijn deze aanbevelingen overgenomen. De bevindingen staan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Het terrein is inmiddels schoon.

4.13 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert; de neerslaghoeveelheid (en intensiteit) neemt toe, waardoor er meer kans is op wateroverlast. Daarnaast stijgt de gemiddelde temperatuur en neemt de kans op hittegolven toe, wat in de zomer kan leiden tot hittestress. In Nederland zijn de gevolgen van klimaatverandering waarschijnlijk te beheersen. Hoe groot de problemen straks worden, hangt af van de maatregelen die we nemen. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen zodat de opwarming beperkt blijft (deze aanpak wordt ‘mitigatie’ genoemd). Aan de andere kant is het verstandig dat we ons aanpassen aan een ander klimaat (dit type maatregelen wordt ‘adaptatie’ genoemd). Beide type maatregelen zijn nodig.

Doorwerking plangebied
Door in het ontwerp van de openbare ruimte rekening te houden met de mogelijke gevolgen van klimaatverandering wordt de leefbaarheid van het nieuwe woongebied in de toekomst gegarandeerd. Deze verwachte gevolgen zullen het meest merkbaar zijn in een toenemende regenintensiteit enerzijds en een toenemende droogte en hitte anderzijds. De keuzes met betrekking tot de inrichting van 't Hof van Klein Baal houden direct verband met deze aspecten. Navolgend is een opsomming opgenomen van de onderdelen van de inrichting die tegemoet komen aan het klimaatbestendig maken van het nieuwe woongebied:

  • Afkoppelen regenwater, vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren;
  • Beperken verharding door samenbrengen van verschillende weggebruikers binnen één wegprofiel en concentreren deel parkeerplaatsen in parkeerkoffers.
  • Ruimte bieden aan een groene inrichting met verschillende soorten (inheemse) beplanting ter verbetering van het microklimaat en de biodiversiteit, waardoor een bijdrage wordt geleverd aan een gezonde leefomgeving.
  • Op diverse plaatsen binnen het woongebied zijn in het plan bomen opgenomen. Bomen dragen bij aan een gezonde leefomgeving: zuiveren lucht en kunnen zorgen voor verkoeling.
  • Waar mogelijk en gewenst zijn groene ruimten en boomvakken voorzien van beplanting. Dit komt tevens ten goede aan de biodiversiteit.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. 

In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere (recente) bestemmingsplannen van de gemeente Lingewaard.

5.2 Inleidende regels

Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 

Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.3 Bestemmingsregels

5.3.1 Opbouw bestemmingen

Bestemmingsomschrijving
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals groen, verkeer - verblijfsgebied, water, woongebied etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.

Bouwregels
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.

Afwijken van de bouwregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.

Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.

5.3.2 Bestemmingen

In deze paragraaf zijn de feitelijk in het plan voorkomende bestemmingen beschreven. Per bestemming is kort toegelicht welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden.

Groen - Waterberging
De structurele groenvoorzieningen in het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Groen - Waterberging'. Ter plaatse zijn de gronden onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen (waterberging), bermen en beplanting, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen. De bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn beperkt. Binnen deze bestemming zijn in principe alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Uitzondering hierop vormen gebouwen voor nutsvoorzieningen.

Verkeer - Verblijfsgebied
De beoogde ontsluitingsstructuur en parkeervoorzieningen zijn voorzien van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en nutsvoorzieningen. Binnen deze bestemming zijn in principe alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Uitzondering hierop vormen gebouwen voor nutsvoorzieningen.

Wonen
De gronden met bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen en de uitoefening van een beroep aan huis. Voor de bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming wordt een onderscheid gemaakt in het hoofdgebouw van de woning, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde.

  • Hoofdgebouwen: Binnen de bestemming mogen ten hoogste 61 woningen worden gebouwd, in de vorm van vrijstaande woningen, twee-onder-één kapwoningen, patiowoningen en rijwoningen.
  • Bijbehorende bouwwerken: bijgebouwen, uit- of aanbouwen en overkappingen mogen - met uitzondering van erkers - uitsluitend op een afstand van tenminste 3,0 m achter de voorgevel van de woning worden gebouwd. De maximale maatvoering voor bijbehorende bouwwerken is gelimiteerd. Het achtererfgebied mag met niet meer dan 50% worden bebouwd met een maximum van 120 m2, waarbij de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken afhankelijk is gesteld van de grootte van het perceel.

Er is tenslotte de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3' opgenomen in sublid 5.2.4 sub a onder 2 om te voorkomen dat in de voortuinen vergunningvrije erfafscheidingen worden geplaatst (zie ook blz. 13 en 14 van het beeldkwaliteitplan in bijlage 1 bij de regels). Tegelijk wordt daarmee niet het bouwen van vergunningvrije bouwwerken op het gedeelte op de verbeelding dat nu al was aangeduid als 'erf' beperkt, omdat dit achtererfgebied is. Zie uitspraak https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@6320/201609126-1-r2/, zie overweging 3.4.2 in deze uitspraak. “Gelet hierop heeft de raad het in het kader van een goede ruimtelijke ordening met het oog op de stedenbouwkundige structuur ter plaats in redelijkheid noodzakelijk kunnen achten om de inrichting van een klein gedeelte van het plangebied als erf uit te sluiten.”

5.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Algemene bouwregels
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en bestaande afstanden en maten. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om de realisatie en instandhouding van voldoende waterberging te waarborgen. Evenwel is in de algemene bouwregels bepaald dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid, waarbij een verwijzing naar het geldende gemeentelijke parkeerbeleid is opgenomen.

Algemene afwijkingsregels
Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een aantal algemene afwijkingen is opgenomen.

Algemene wijzigingsregels
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Overige regels
Dit artikel omvat een regeling ten behoeve van de woningdifferentiatie in het plan.

5.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet.

Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

6.1.2 Conclusie

Omdat de gemeente de nog te ontwikkelen gronden niet in eigendom heeft, is een anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar gesloten. Daarmee zijn de kosten voor de planontwikkeling anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet aan de orde. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg

Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Het voorliggende bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg toegezonden aan diverse overlegpartijen. Tennet en Liander hebben geen opmerkingen op het plan. De provincie Gelderland heeft een advies uitgebracht om een stikstofdepositieberekening uit te voeren. Dit is gebeurd, zie subparagraaf 4.8.2. De provinciale belangen woningbouw en klimaatadaptatie zijn goed meegewogen in het plan.

6.2.2 Inspraak

Op 29 maart 2021 en op 3 oktober 2023 zijn informatiebijeenkomsten voor omwonenden georganiseerd. De inspraaknota van de informatieavond op 3 oktober 2023 is als bijlage 13 bij de toelichting gevoegd. Daarnaast is de website www.hofvankleinbaal.nl gepubliceerd, waarop ontwikkelingen rond het plan kenbaar worden gemaakt voor geïnteresseerden.

6.2.3 Ontwerpfase

Na afronding van het vooroverleg start de formele bestemmingsplanprocedure. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 21 december 2023 tot en met woensdag 31 januari 2024 ter visie gelegen.

In 'Bijlage 14 Reactienota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen' zijn de ingediende zienswijzen van een gemeentelijke reactie voorzien.

6.2.4 Vaststellingsfase

De gemeenteraad beslist na afloop van de termijn van terinzagelegging omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.