direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Doornenburg, hoek Groenestraat - Blauwe Hoek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1705.283-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Aan de Groenestraat te Doornenburg liggen een aantal agrarische percelen waar voorheen glastuinbouwbedrijven waren gevestigd. De bedrijven zijn inmiddels gestopt met de bedrijfsvoering en de kassen zijn gesloopt. De initiatiefnemer is voornemens om op deze gronden woningen te realiseren. Het plan voorziet in 55 nieuwe woningen, bestaande uit een gevarieerde samenstelling van woningen die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. Met het plan worden tevens 2 voormalige bedrijfswoningen omgezet naar reguliere woningen. Ook wordt een reeds bestaande woning gelegaliseerd.

De voorgaande ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit drie locaties, allen gelegen aan de Groenestraat of Blauwe Hoek direct ten zuiden van de kern Doornenburg. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0002.png"

Globale ligging van het plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ''Buitengebied Lingewaard'', dat door de gemeente Lingewaard op 31 oktober 2013 is vastgesteld (en in 2017 en 2018 is herzien). De drie locaties van het plangebied hebben allen de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Dijkzone' met een bouwvlak en de functieaanduiding 'glastuinbouw'. Over de noordelijke en de middelste locatie ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Over de zuidelijke locatie ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. De zuidelijke locatie en een deel van de middelste locatie hebben de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie'. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan met het plangebied rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0003.png"

 Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De woningbouwplannen uit voorliggend initiatief zijn strijdig met het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen. Voor belanghebbenden zijn informatieavonden georganiseerd en is een website opgericht. Voor het plan is geen formele inspraakprocedure doorlopen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit drie locaties, allen gelegen aan de Groenestraat. De Groenestraat betreft een bebouwingslint welke vanaf de zuidelijke punt van de kern Doornenburg richting het buitengebied loopt. Het plangebied bevindt zich aan de oostzijde van de Groenestraat in de dijkzone. Verder naar het oosten ligt de Waaldijk met daarachter de rivier de Waal. De dijkzone vormt met de rivierdijk en aangrenzende binnen- en buitendijks gelegen wielen, kwelkommen, oude strangen en weilanden een waardevolle en samenhangende landschappelijke structuur. Aan de westzijde van de Groenestraat beginnen de hoger en droger gelegen gronden van de oeverwallen. Op de dijkzone en de oeverwallen is veel bebouwing terug te vinden. De gronden zijn geschikt voor bewoning en de bodem maakt verschillende soorten landbouw, waaronder bloemen- en fruitteelt goed mogelijk. Dit resulteert in een kleinschalig landschap waar akkerbouw, fruitteelt en andere activiteiten (kassen, wonen en bedrijvigheid) elkaar afwisselen. De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van het plangebied. De drie locaties van het plangebied zijn van noord naar zuid:

  • Het perceel aan de Groenestraat 24 te Doornenburg;
  • Het perceel aan de Groenestraat 12 te Gendt;
  • Het perceel aan de Groenestraat 4a te Gendt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0004.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: PDOK Viewer)

Op alle drie de locaties waren voorheen glastuinbouwbedrijven aanwezig. De bedrijven zijn inmiddels in het kader van de voorgenomen ontwikkeling gestopt met de bedrijfsvoering en de kassen zijn gesloopt. Momenteel is een deel van de gronden tijdelijk in agrarisch gebruik en ligt een deel van de gronden braak.

Groenestraat 24

Op het perceel Groenestraat 24 staat in de zuidwestelijke hoek een woning. Deze woning behoort niet tot het plangebied. Het overige deel van het perceel wel. Naast de woning staat nog een schuur die ten behoeve van het plan wordt gesloopt. Het overige deel van het perceel bestaat uit weiland/grasland.

Groenestraat 12

Op het perceel Groenestraat 12 staan aan de weg twee (voormalige) bedrijfswoningen (nr 12 en 14) en een woning die refereert aan een hooiberg. Deze woning wordt met voorliggend plan gelegaliseerd.

Groenestraat 4a

Op het perceel aan de Groenestraat 4a staat een woning. Het overige deel van dit perceel behoort tot het plangebied en betreft in de huidige situatie een onbebouwd weiland/grasland.

2.2 Toekomstige situatie

Met het plan worden in het plangebied in totaal 55 nieuwe woningen gerealiseerd. Het plan voorziet in een gevarieerde samenstelling van woningen die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. Met het plan worden tevens 2 voormalige bedrijfswoningen omgezet naar reguliere woningen. Ook wordt een reeds bestaande woning gelegaliseerd. Onderstaand wordt per locatie van het plangebied het programma verder beschreven.

Groenestraat 24

Voor de noordelijke locatie van het plangebied, het perceel op de hoek van de Groenestraat en de Blauwe hoek, is een stedenbouwkundig plan opgesteld. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van het stedenbouwkundig plan. Het volledige plan is toegevoegd als bijlage 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0005.png"

Uitsnede stedenbouwkundig plan

Het stedenbouwkundig plan wordt nader uitgewerkt in een inrichtingsplan.

Het stedenbouwkundig plan bestaat uit de volgende onderdelen:

  • 1 huiskamercafé, 1 appartement en 8 rug-aan-rug woningen voor starters/kleine huishoudens in het noordwestelijk deel van het perceel (A);
  • 8 rijwoningen voor gezinnen in het noordelijke middendeel (B);
  • een woonzorgcomplex met 20 zorgappartementen en 1 beheerderswoning in het zuidelijke middendeel (D);
  • 8 seniorenwoningen in het midden en zuidoostelijk deel van het perceel (D);
  • 7 vrijstaande woningen, waarvan 3 in het oostelijk deel en 4 in het westelijk deel (C1 en C2).

De bebouwing van het blok met de rug-aan-rug woningen en het huiskamercafé met appartement refereert aan een boerderij. Deze boerderij speelt de hoofdrol in het ruimtelijk beeld van het geheel, dat ontworpen is als een boerenerf. De overige bebouwing zal zich door de vormgeving en het materiaalgebruik tonen als bijgebouwen, met deels het karakter van een stal en schuur en deels van kassen. De bebouwing van de rijwoningen en zorgappartementen refereert aan schuren. De seniorenwoningen refereren aan kassen. In het midden van het perceel wordt een fietsenstalling en een bijgebouw in de vorm van een hooitmijt gerealiseerd.

Ter plaatse van het huiskamercafé is een kleinschalige horecavoorziening toegestaan van maximaal 90 m².

Deze locatie krijgt ontsluitingen aan de Blauwe Hoek. De vrijstaande woningen aan de Groenestraat krijgen per 2 woningen een gezamenlijke inrit. Bij de vrijstaande woningen is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren. Het plan voorziet in 73 parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor de overige woningen en functies in dit deel van het plangebied.

Groenestraat 12

Op de middelste locatie van het plangebied worden de twee bestaande bedrijfswoningen (nr 12 en 14) omgezet naar burgerwoningen. Direct ten zuiden van de bedrijfswoningen krijgt één bestaande woning planologische bestemming en wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Deze woningen worden allebei met een eigen inrit ontsloten via de Groenestraat. Bij de woningen is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren middels een compacte erfopzet. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het schetsontwerp van de te legaliseren woning en de nieuw te realiseren woning op deze locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0006.png"

Groenestraat 4a

Op de zuidelijke locatie wordt op het perceel Groenestraat 4a één extra vrijstaande woning gerealiseerd. Deze woning wordt ontsloten via de Groenestraat. Bij de woning is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren. De onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het schetsontwerp voor deze locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0007.png"

De onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal woningen en het type woningen dat met voorliggend plan gerealiseerd wordt. De bestaande (bedrijfs)woningen de positief bestemd worden zijn niet in dit overzicht opgenomen. Voor de nieuwe woningen is aangegeven in welk prijssegment de woningen worden gerealiseerd.

Woningtype
 
aantal woningen   prijssegment  
Zorgappartementen   10   midden huur  
  10   dure huur  
Beheerderswoning   1   midden huur  
Rug-aan-rug / starterswoningen   2   betaalbare koop  
  6   goedkope koop  
Appartement   1   betaalbare koop  
Eengezinswoningen   8   betaalbare koop  
Seniorenwoningen   4   betaalbare koop  
  4   dure koop  
Vrijstaande woningen   9   dure koop  
     
Totaal   55    

Binnen het plan wordt een gedifferentieerd woningaanbod gerealiseerd bestaande uit diverse type woningen in verschillende prijsklassen. Van de 55 woningen die binnen het plangebied gerealiseerd worden bevindt zich meer dan 50% in de categorie betaalbaar (sociale huur, midden huur, goedkope koop en betaalbare koop) het gaat hier om 32 van de 55 woningen.

2.3 Beeldkwaliteit

Voor de beoogde beeldkwaliteit is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting. Dit beeldkwaliteitsplan geldt als aanvullend welstandsbeleid voor de nieuw te realiseren woningen binnen het plangebied. Voor een inhoudelijke omschrijving van de beeldkwaliteit wordt naar de bijlage verwezen.

2.4 Duurzaamheid

In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen.

Bouwbesluit

Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt sinds 2015 een Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 op gebouwniveau. Vanaf 2020 wordt deze verlaagd richting een coëfficiënt dichter bij de nul. Vanaf 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen.

Kansen

Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied.

Planspecifiek

Met voorliggend plan is sprake van zuinig ruimtegebruik, omdat agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt en hiervoor in de plaats nieuwe woningen worden gebouwd. De nieuwe woningen zullen voldoen aan de nieuwe eisen van energie en conform het Bouwbesluit gasloos worden gebouwd. Het geheel wordt landschappelijk ingepast op de overgang van woonperceel naar agrarisch perceel door middel van struweelbeplanting met boomvormers. Tevens worden op diverse plaatsen in het plangebied bomenrijen geplant. Dit draagt bij aan het voorkomen van hittestress en een te hoog oplopende binnentemperatuur. Tevens biedt het terrein zo meer mogelijkheden voor opvang van regenwater. Ten behoeve van de opvang van regenwater worden in het plangebied tevens 4 groene veldjes gecombineerd met wadi's.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De vier prioriteiten zijn:

  • Naar een duurzame en concurrerende economie;
  • Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving;
  • Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving;
  • Naar een waardevolle leefomgeving.

De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.

Met de komst van de NOVI komen meerdere nationale beleidsstukken te vervallen, waaronder de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Strategisch relevante delen van de SVIR en het Barro worden echter opgenomen in de NOVI en blijven daarmee ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. Dit bestemmingsplan zal daarom ook aan dit beleid worden getoetst.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

In het Barro waren regels opgesteld waarmee deze gebiedsbescherming juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de NOVI/SVIR en het Barro. Er zijn geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

Ladder duurzame verstedelijking

Met voorliggend initiatief worden 55 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom dient de ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen.

Kwantitatieve behoefte

De provincie Gelderland stuurt op een gezonde regionale woningbouwprogrammering. Hierbij is de provincie opgebouwd in regio's. Lingewaard valt binnen de regio Arnhem-Nijmegen en deze regio vormt ook het verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkelingen in Lingewaard. Er zijn afspraken gemaakt met de Regio Arnhem Nijmegen over de groei van de woningvoorraad (kwantitatief) en over de 'kwaliteiten', zoals het aandeel huurwoningen en betaalbare woningen. Dit is vertaald naar subregio's. In de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen blijkt dat wordt uitgegaan van een groei van de woningvoorraad met 50.000 tot 60.000 woningen in de komende 20 jaar. Met een accent op de komende 5 jaar (versnelling: + 20.000 woningen).

De gemeente Lingewaard wil een bijdrage leveren aan deze opgave en heeft als ambitie voor het nieuwbouwprogramma een verdubbeling van het tempo van de afgelopen 5 jaar (circa 250 woningen versus 130 woningen gemiddeld per jaar). In de periode 2020-2025 wil de gemeente circa 1.280 woningen toevoegen. Voorliggend plan levert met de realisatie van 55 nieuwe woningen een bijdrage aan deze kwantitatieve behoefte.

Kwalitatieve behoefte

De gemeente wil sturen op de juiste woningen op de juiste plek, voor de juiste doelgroepen. Er is aanvullende behoefte aan een gedifferentieerd programma, met daarbinnen een aantal belangrijke accenten:

  • Sociale huur: gelijkvloers, waaronder klein en betaalbaar (onder de eerste aftoppingsgrens van de huurtoeslag): 200-250 woningen in de periode tot 2030. Hiermee komt de kernvoorraad in 2030 op ca 4.110 sociale huurwoningen.
  • Middeldure huur: beperkt, met name tot € 1.000. Orde van grootte: 100 woningen tot 2030.
  • Goedkope koop (rond 2 ton): circa 250 - 300 woningen, bereikbaar voor starters. Daarbij staat de gemeente open voor meer variatie (kleinere woningen ca. 60-80 m2, met een evenwichtige prijs-kwaliteitsverhouding).
  • Daarnaast voegt de gemeente 2-onder-1-kap- en vrijstaande woningen aan de voorraad toe.
  • De opgave is om 50% van het nieuwbouwprogramma te realiseren in de sociale huur, goedkope koop, middenhuur en betaalbare koopwoningen tussen 2 en 3 ton (aansluitend bij de Woondeal en regionale monitor). De overige 50% wordt gerealiseerd in de duurdere prijsklasse boven 3 ton. Dit is volgens het woningbehoefteonderzoek van Companen, en spoort ook met de inbreng van stakeholders.

Specifieke doelgroepen waar de gemeente Lingewaard zich op wil richten zijn ouderen en huishoudens met een zorgvraag, starters/jongeren en statushouder, arbeidsmigranten en woonwagenbewoners.

Voorliggend plan voorziet in een gevarieerde samenstelling van woningen die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen. Het plan voorziet in 55 nieuwe woningen, waaronder appartementen (voor ouderen), rug-aan-rug-woningen, rijwoningen, levensloopbestendige woningen en vrijstaande woningen. In paragraaf 2.2 is een tabel opgenomen met het aantal en type woningen en het prijssegment waarin de woningen worden gerealiseerd. Met deze variatie aan woningtypen en verschillende prijssegmenten levert het plan tevens een bijdrage aan de kwalitatieve behoefte.

Locatie

Daarnaast dient in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking te worden ingegaan op de locatie van het initiatief. De prioriteit in het beleid ligt bij inbreidings- en transformatielocaties. Het plangebied betreft oude glastuinbouwlocaties direct ten zuiden van de kern Doornenburg. In de kern Doornenburg zijn er geen alternatieve locaties om deze woningbouw mogelijk te maken. De Groenestraat is een bebouwingslint en de locaties van het plangebied sluiten grotendeels aan op bestaande woningen aan het lint. Hiermee zijn het logische locaties voor nieuwbouw. De ladder voor duurzame verstedelijking is hiermee succesvol doorlopen.

Het initiatief is passend binnen het rijksbeleid.

3.2 Provinciaal beleid

Algemeen

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beide op 1 maart 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee maal per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden.

De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden.

Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders.

Omgevingsverordening Gelderland

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Planspecifiek

Ter plaatse van het plangebied zijn de volgende relevante artikelen uit de Omgevingsvisie en -verordening van toepassing:

Regels Glastuinbouw: tijdelijk verbod nieuwvestiging / tijdelijk verbod uitbreiding / tijdelijk verbod hervestiging

De provincie zet in op de herstructurering van de glastuinbouw sector. Met onderhavig plan worden woningen gerealiseerd op locaties waar voorheen glastuinbouwbedrijven aanwezig waren. Dit plan maakt glastuinbouw daarmee niet meer mogelijk.

Romeinse Limes

De provincie streeft ernaar om de Romeinse Limes te beschermen tegen ongewenste ingrepen en verder te

ontwikkelen en beleefbaar te maken. Op basis hiervan zijn ontwikkelingen alleen mogelijk als deze de aanwezige kernkwaliteiten niet aantasten. De kernkwaliteiten van de Romeinse Limes zijn forten (castella), burgerlijke nederzettingen, kampdorpen (vici) grafvelden, de militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, waterwerken en wachttorens en scheepswrakken. Voorheen stonden op de locaties van het plangebied kassen. De voorgenoemde kernkwaliteiten zijn niet in het plangebied aanwezig en kunnen zodoende ook niet door het plan worden aangetast.

Nationaal landschap

Het plangebied ligt in het Nationaal landschap De Gelderse Poort in het deelgebied 'Ooijpolder en Rijnstrangen'. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap, maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten. Het deelgebied 'Ooijpolder en Rijnstrangen' bevat de volgende kernkwaliteiten:

  • Gave gradiënten van kom-oeverwal-uiterwaard-rivier en dynamiek van de rivieren;
  • Overwegend open landschap met in de kom afwisseling van weidebouw, oude strangen en kleiputten met ooibos; oeverwal afwisselend open en kleinschalig met afwisseling van bouwland, grasland, boomgaard;
  • Vrij uitzicht vanaf de dijk over het binnendijkse landschap, over de rivieren en naar de stuwwallen van Nijmegen en Montferland;
  • Cultuurhistorische kwaliteiten verweven in het landschap zoals talrijke historische boerderijen, plaatselijk op terpen en met relicten van de IJssellinie;
  • Bebouwing overwegend geconcentreerd in dorpen en (dijk)linten;
  • Dorpen en gehuchten op oeverwallen en pleistocene zandopduikingen en boerderijen op terpen;
  • Sterk contrast met de besloten stuwwal;
  • Rust, ruimte en donkerte te midden van een steeds verder verstedelijkende omgeving.

Met voorliggend plan worden woningen gerealiseerd op voormalige glastuinbouwlocaties. Er zijn in en rondom het plangebied geen van de bovenstaande kernkwaliteiten van het nationaal landschap Gelderse Poort aanwezig waar het plan een negatief effect op kan hebben. De landschappelijke waarde en herkenbaarheid wordt niet aangetast door het initiatief. Met het plan worden daarom geen kernkwaliteiten aangetast. De nieuwe woningen worden gerealiseerd aan de rand van de kern Doornenburg en in het bestaande bebouwingslint. Dit sluit aan bij één van de bovengenoemde kernkwaliteiten.

Hiermee past het initiatief binnen het provinciaal beleid.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Woonagenda subregio Arnhem e.o. 2021-2023

In de subregio Arnhem e.o. werken de gemeenten Arnhem, Lingewaard, Overbetuwe, Rheden, Renkum en

Rozendaal op een praktische manier samen aan het thema wonen. Dat doen ze op basis van vraagstukken die

lokaal spelen en vraagstukken die bovenlokaal belangrijk zijn, maar ook met het oog op afspraken met de provincie over afstemming van woningbouwplannen. De subregionale opgaven zijn:

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0008.png"

Wat betreft de kwantitatieve opgave is de huishoudensgroei tot 2030 conform de onderstaande tabel de richtsnoer voor de woningbouwontwikkeling in de subregio. Vanzelfsprekend landt een groot deel van de opgave in stad Arnhem, maar ook Lingewaard en Overbetuwe kennen een relatief forse opgave.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0009.png"

Planspecifiek

Onderhavig initiatief levert met het realiseren van 55 nieuwe woningen van verschillende woningtypen zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve bijdrage aan de woningbehoefte van de subregio Arnhem en omgeving.

Voorliggend plan is in de subregio 2 jaar geleden besproken en goedgekeurd. Hiermee past het plan binnen het beleid van de subregionale woonagenda.

Het initiatief is passend binnen het regionaal beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Lingewaard 2012 - 2022

In de structuurvisie Lingewaard 2012-2022 zijn de ingrediënten opgenomen hoe Lingewaard zich op ruimtelijk vlak in de toekomst wil ontwikkelen. Die toekomst wordt mede bepaald door hoe met ruimte wordt omgegaan; welke bestaande kwaliteiten worden versterkt en welke nieuwe functies willen we op vrijkomende terreinen? Uitgangspunt is het landschap met haar historische kwaliteiten waarin gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Dit aangevuld met de ambities die de gemeente heeft.

In 2004 zijn er binnen de Stadsregio afspraken gemaakt over woningbouwcontouren waarbinnen gebouwd mag worden. Dezelfde contouren zijn in de nieuwe verstedelijkingsvisie van de regio (geldend tot 2020) ongewijzigd overgenomen. Uitbreidingen buiten deze contouren zijn onder voorwaarden op enkele plaatsen toegestaan. Na vaststelling van de structuurvisie Lingewaard 2012-2022 zijn de woningbouwcontouren van de Stadsregio losgelaten. Plannen dienen aan de ladder van duurzame verstedelijking worden getoetst.


Naast de bouwopgaven gebonden aan de contouren, wordt er heel beperkt gebouwd in het landelijk gebied. Dit laatste komt voort uit de functieverandering van glastuinbouw en andere agrarische bedrijven naar landelijke woonvormen. De gemeente heeft een regeling om de sloop van voormalige agrarische bebouwing in het buitengebied te stimuleren: de functieveranderingsregeling. Doel is de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied te verbeteren. De regeling is er op gericht om agrarische ondernemers te compenseren voor het beëindigen van de agrarische activiteit op hun bedrijfsperceel en het afbreken van de aanwezige bedrijfsbebouwing. Op basis van de regeling kunnen (stoppende) agrarische bedrijven compensatie krijgen in de vorm van woningbouwmogelijkheden. Hiermee probeert de gemeente leegstand en verrommeling van oude bebouwing te vermijden.

Planspecifiek

In de Structuurvisie wordt de ruimtelijke ambitie uitgesproken om een toekomstbestendige gemeente te zijn. Hierbij horen een aantal duurzame ambities, onder andere gericht op efficiënt ruimtegebruik. Met voorliggend plan worden glastuinbouwlocaties omgezet naar woningbouwlocaties. Zoals in paragraaf 3.1 is uitgewerkt past het plan binnen de ladder voor duurzame verstedelijking. Door het definitief verdwijnen van de glastuinbouwlocaties en het realiseren van nieuwe woningen levert het plan tevens een bijdrage aan de verbetering van de landschappelijk kwaliteit. Hiermee past het plan binnen het beleid uit de Structuurvisie.

3.4.2 Nota Wonen 2020-2025

Deze nota beschrijft het door de gemeente Lingewaard te voeren woonbeleid in de periode 2020-2025. De afgelopen jaren is de gemeente samen met woningcorporaties, commerciële ontwikkelaars, makelaars, zorgaanbieders, bewoners en andere betrokken partijen aan de slag gegaan om het wonen in de wijken en kernen verder te verbeteren. In deze nota actualiseert de gemeente haar visie op het wonen.

De gemeente wil huidige en nieuwe inwoners de kans geven binnen de gemeente een wooncarrière te doorlopen. Ze wil inwoners passend en goed huisvesten in een aantrekkelijk woonmilieu. Passend huisvesten houdt in dat het woningaanbod is afgestemd op de financiële mogelijkheden die mensen hebben. Goede huisvesting betekent dat ook in het betaalbare segment sprake is van een goede kwaliteit en toekomstwaarde

van de woningen. Focus ligt op versneld bouwen, flexibel nieuwbouwprogramma, actiever regisseren, doelgroepen senioren en starters, ook kleinere woningen en meer (particuliere) woningen mogelijk maken.

De visie is uitgewerkt in vier thema's:

  • Nieuwbouw: versneld en verantwoord.
  • Aanpak bestaande voorraad (waaronder duurzaamheid).
  • Beschikbaarheid (sociale) huursector.
  • Specifieke doelgroepen: starters/jongeren, ouderen, wonen met zorg, overige doelgroepen.

Woondeal regio Arnhem - Nijmegen

De Woondeal regio Arnhem-Nijmegen betreft een samenwerkingsagenda voor de woningbouwopgave in de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen. De Woondeal bevat afspraken over onderwerpen en thema's die van belang zijn voor de gehele regio. Met deze woondeal zetten Rijk, regio en provincie zich in voor het versneld realiseren van voldoende woningen. Partijen zetten zich daarbij in voor voldoende woningen in het betaalbare segment en woningen passend bij de behoefte van de doelgroepen, zoals starters, studenten, senioren, mensen met een laag- of middeninkomens, dak- en thuislozen, mensen met een beperking, mensen met een psychiatrische achtergrond en mensen met een zorgbehoefte. In de Woondeal zijn, onder de noemer Kernafspraken, deze afspraken als volgt geordend:

1. Woningbouwopgave en versnelling

2. Betaalbaarheid

3. Groen en circulair

4. Leefbaarheid

5. Verstedelijking en gebiedsontwikkeling

6. Specifieke doelgroepen en overige thema’s.

In de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen wordt uitgegaan van een groei van de woningvoorraad met 50.000 tot 60.000 woningen in de komende 20 jaar. Met een accent op de komende 5 jaar (versnelling: + 20.000 woningen). Gemeente Lingewaard wil een bijdrage leveren aan deze opgave en heeft als ambitie voor het nieuwbouwprogramma een verdubbeling van het tempo van de afgelopen 5 jaar (ca 250 versus 130 woningen gemiddeld per jaar). De gemeente Lingewaard wil een bijdrage leveren aan deze opgave en heeft als ambitie voor het nieuwbouwprogramma een verdubbeling van het tempo van de afgelopen 5 jaar (circa 250 woningen versus 130 woningen gemiddeld per jaar). In de periode 2020-2025 wil de gemeente circa 1.280 woningen toevoegen. Voor het halen van deze ambitie is het nodig om harde plancapaciteit te realiseren, zachte plancapaciteit hard te maken en op zoek te gaan naar nieuwe locaties voor woningbouw.

In het woonbeleid wil de gemeente sturen op de juiste woningen op de juiste plek, voor de juiste doelgroepen. Er is aanvullende behoefte aan een gedifferentieerd programma, met daarbinnen een aantal belangrijke accenten:

  • Sociale huur: gelijkvloers, waaronder klein en betaalbaar (onder de eerste aftoppingsgrens van de huurtoeslag): 200-250 woningen in de periode tot 2030. Hiermee komt de kernvoorraad in 2030 op ca 4.110 sociale huurwoningen.
  • Middeldure huur: beperkt, met name tot € 1.000. Orde van grootte: 100 woningen tot 2030.
  • Goedkope koop (rond 2 ton): circa 250 - 300 woningen, bereikbaar voor starters. Daarbij staat de gemeente open voor meer variatie (kleinere woningen ca. 60-80 m2, met een evenwichtige prijs-kwaliteitsverhouding).
  • Daarnaast voegt de gemeente 2-onder-1-kap- en vrijstaande woningen aan de voorraad toe.
  • De opgave is om 50% van het nieuwbouwprogramma te realiseren in de sociale huur, goedkope koop, middenhuur en betaalbare koopwoningen tussen 2 en 3 ton (aansluitend bij de Woondeal en regionale monitor). De overige 50% wordt gerealiseerd in de duurdere prijsklasse boven 3 ton. Dit is volgens het woningbehoefteonderzoek van Companen, en spoort ook met de inbreng van stakeholders.

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden 55 nieuwe woningen gerealiseerd. Het plan voorziet in een gevarieerde samenstelling van typen woningen die geschikt zijn voor verschillende doelgroepen en die worden gerealiseerd in verschillende prijssegmenten, waaronder betaalbare woningen. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2.2. Op dit moment heeft de gemeente Lingewaard ongeveer 1.048 woningen in planvoorraad tot 2025 Dit is inclusief voorliggend plan. Er zijn op dit moment circa 450 woningen opgenomen in harde plannen. De vraagtoename tot 2020- 2025 is circa 1.280 woningen. Voor Doornenburg is de vraagtoename 65 woningen. In de planning zitten er ongeveer 100 (inclusief onderhavig plan). Hierbij zit nog geen hard plan. Tevens is in de Woondeal afgesproken om 130% te programmeren. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er in Doornenburg nog ruimte is voor het toevoegen van kwalitatief goede woningen voor diverse doelgroepen. Voorliggend initiatief voorziet in deze behoefte. Het plan past daarmee binnen het woningbouwbeleid van de gemeente Lingewaard.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Voorliggend plan betreft de ontwikkeling van nieuwe woningen op locaties die voorheen in gebruik waren als kassen. Om te bepalen of de bodemkwaliteit aansluit op het toekomstige gebruik is voor elke locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport voor de locatie Groenestraat 4a is toegevoegd als bijlage 4. Het onderzoeksrapport voor de locatie Groenestraat 12 is toegevoegd als bijlage 5. Het onderzoeksrapport voor de locatie Groenestraat 24-26 is toegevoegd als bijlage 6. In de rapporten voor alle drie de locaties wordt geconcludeerd dat er enkele lichte verontreinigingen zijn aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.

Voor een klein deel van het plangebied aan de Groenestraat 12 is alleen in 2012 een bodemonderzoek uitgevoerd. De betreffende monsters gaven destijds geen verhoogde waarden aan. Er is echter geen actueel bodemonderzoek uitgevoerd voor dit deel van het plangebied. Dit onderzoek (en een eventuele sanering) wordt uitgevoerd in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Om dit te borgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van onderhavig plan. Dit is echter geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15566173 (aan de Angerensestraat/N838 ten westen van het plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   15.9 µg/m3   17.7 µg/m³   10.8 µg/m³  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (toevoegen 55 woningen) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, toevoegen 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van geluidgevoelige objecten, namelijk woningen. Het plangebied ligt aan de Groenestraat ten zuiden van de kern Doornenburg. Spoorweglawaai is hier niet aan de orde.

Wegverkeerslawaai

Wat betreft wegverkeerslawaai ligt het plangebied in de geluidszone van de Groenestraat (50/60 km per uur) en De van der Schuerenweg (50/80 km per uur). Ten noorden van het plangebied ligt de Blauwe Hoek/Borden. Hier is sprake van een 30 km zone. Dergelijke wegen hebben volgens artikel 74 lid 2 van de Wgh geen geluidszone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig. Om te bepalen of ook sprake is van een goede ruimtelijke ordening is deze weg wel meegenomen in het onderzoek. Het onderzoeksrapport is opgenomen als bijlage 7.

Het geluidbeleid van de gemeente Lingewaard is omschreven in de Nota Geluidsbeleid / Nota Hogere grenswaarden. De gemeente Lingewaard heeft een gebiedsgericht geluidsbeleid ontwikkeld. Per gebied is voor geluid een ambitie vastgesteld die in de plaats komt voor de voorkeursgrenswaarde. Het plangebied ligt volgens het gemeentelijk geluidbeleid in het gebied buitengebied met ambitieklasse “rustig 43 dB” en een bovengrens “redelijk rustig 48 dB”.

In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de Blauwe Hoek/Borden bij één woning hoger is dan 45 dB en daarmee hoger dan de ambitiewaarde van het geluidbeleid. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB van de Wgh wordt niet overschreden. De geluidbelasting van de Groenestraat van de Groenestraat is overal lager dan de ambitiewaarde van 43 dB uit het geluidbeleid. De geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op De van der Schuerenweg is bijna overal lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op de westgevel van het appartement boven het huiskamercafé bedraagt de geluidbelasting meer dan 48 dB, namelijk 49 dB. Hiermee wordt de bovengrens uit het gemeentelijk geluidbeleid en de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh overschreden. Overeenkomstig het gemeentelijke geluidbeleid ligt het plan binnen het gebiedstype ‘buitengebied’ met een bovengrenswaarde die ligt tussen de 43 en 48 dB. Hieruit volgt dat overeenkomstig het gemeentelijke beleid blijkt dat het stellen van hogere grenswaarde niet mogelijk is. Gelet op de ligging van het plan, tussen reeds aanwezige woonbebouwing, en de ontwikkeling zelf is gekozen uit te gaan van het gebiedstype “woonwijk” met een bovengrenswaarde die ligt tussen de 58 en 63 dB (geluidklasse ‘lawaaiig’). De geluidbelasting van 49 dB voldoet hiermee aan de bovengrenswaarde. Eveneens kan worden voldaan aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder, omdat de maximaal toelaatbare hogere grenswaarde van 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied wordt niet overschreden.

Uit het onderzoek blijkt dat maatregelen aan de bron of de overdracht onvoldoende doeltreffend zijn of stuiten op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Daarom is een hogere waarde procedure doorlopen gelijktijdig met de procedure van dit bestemmingsplan. In het onderzoeksrapport worden een aantal maatregelen genoemd die bij de afweging voor een hogere waarde kunnen worden betrokken. In het besluit hogere waarden is gemotiveerd of deze maatregelen uitvoerbaar zijn en welke maatregelen worden genomen. De hogere waarde is inmiddels verleend (zie bijlage 22).

Industrielawaai

Wat betreft industrielawaai ligt de zuidelijke locatie en een deel van de middelste locatie van het plangebied in de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein Waaldijk te Gendt. In het kader van een eerder woningbouwplan van voorliggende ontwikkeling is destijds door de ODRA de geluidbelasting binnen de geluidzone van het industrieterrein getoetst. Hieruit is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) op de locaties van het plangebied niet wordt overschreden. In bijlage 9 is de notitie van de ODRA toegevoegd waarin dit wordt getoetst. Met het nieuwe plan zijn de woningen verder naar het noorden en daarmee verder van de geluidzone van het industrieterrein komen te liggen. In bijlage 9 is tevens een tekening van het eerdere onderzoek toegevoegd waarop de geluidbelasting van het industrieterrein en de nieuwe woningen (bouwvlakken) uit voorliggend plan zijn weergegeven. Hierop is te zien dat de geluidbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van het industrieterrein maximaal 44 dB(A) bedraagt. Het bovenstaande geeft voldoende inzicht om aan te nemen dat ten aanzien van industrielawaai sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. Omgekeerd worden de bedrijven op het industrieterrein ook niet belemmerd in hun bedrijfsvoering door de realisatie van de nieuwe woningen. Er liggen namelijk bestaande woningen op kortere afstand van het industrieterrein. Voor deze bestaande woningen zijn geen hogere grenswaarden vastgelegd, waarmee ook daar een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) geldt en deze zijn in om die reden maatgevend voor de ontwikkelingsmogelijkheden.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

geurgevoelig object gelegen in:   maximaal toegestane geurbelasting
(odour units per m3 lucht)  
concentratiegebied binnen bebouwde kom   3,0 ouE/m3   
concentratiegebied buiten bebouwde kom   14,0 ouE/m³  
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom   2,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom   8,0 ouE/m3  

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

Planspecifiek

Met voorliggend plan worden nieuwe geurgevoelige objecten gerealiseerd, namelijk woningen. Het dichtstbijgelegen agrarische bedrijf in de omgeving van het plangebied betreft een veehouderij aan de Groenestraat 10. Hier worden paarden en schapen gehouden.

Voorgrondbelasting

Voor paarden is geen geuremissiefactor vastgesteld. Daarom moet een vaste afstand in acht worden genomen tussen het dierenverblijf en geurgevoelige objecten. Omdat de veehouderij in het buitengebied is gelegen is de geëiste afstand 50 meter. De afstand tussen de stal en de geplande woningen is minimaal 50 meter. Voor schapen is een geuremissiefactor vastgesteld. Daarom is er een geurnorm van toepassing. Lingewaard ligt niet in een concentratiegebied en de veehouderij ligt buiten de bebouwde kom. Voor deze situatie geldt een geurnorm van 8,0 ouE/m3 lucht. Er is met V-vergunning een geurberekening gemaakt (zie hieronder). Daaruit blijkt dat ruimschoots aan de norm wordt voldaan. Ten aanzien van de geuremissie uit dierenverblijven wordt voldaan aan de vaste afstand (paarden) en de geurnorm (schapen).

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0010.png"

(Bron: Advies geur Omgevingsdienst Regio Arnhem, 8 maart 2021)

In voorliggend plan is rondom de mestopslag van de veehouderij binnen het plangebied een geurzone opgenomen van 50 meter rondom de mestopslag. Binnen deze zone mogen geen geurgevoelige objecten worden gerealiseerd. Hierdoor wordt voorkomen dat in de toekomst geurhinder zal ontstaan. Tevens wordt hiermee voorkomen dat het plan belemmerend werkt voor de bedrijfsvoering van de kleinschalige veehouderij.

Achtergrondbelasting

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van de nieuwe woningen ten aanzien van geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor intensieve veehouderijen (varkens en pluimvee) geldt op basis van de richtafstandenlijst van de ‘Handreiking Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG voor geur een maximale afstand van 200 meter. Aangezien de dichtstbij gelegen intensieve veehouderij (varkenshouderij aan de Olyhorststraat 38) op ruim 430 meter afstand ligt, is het aannemelijk dat hierdoor geen geurhinder zal optreden. Tevens zal het plan niet belemmerend werken voor de bedrijfsvoering van het bedrijf, aangezien er burgerwoningen op kortere afstand van het bedrijf liggen die in dat geval maatgevend zijn.

 

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

In de directe omgeving van het plangebied liggen voornamelijk woningen en agrarische gronden. In de directe omgeving van het plangebied is een agrarisch bedrijf gesitueerd aan de Groenestraat 10. Het aspect geur is reeds in paragraaf 4.1.4 behandeld. Voor de aspecten stof en geluid geldt op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG een richtafstand van minimaal 30 meter. Met voorliggend plan wordt één nieuwe woning binnen deze richtafstand voor stof en geluid gerealiseerd, namelijk de meest zuidelijke woning van de locatie aan de Groenestraat 12. De afstand tussen de geplande woning en de perceelsgrens van het bedrijf bedraagt circa 20 meter. Hiermee wordt niet aan de richtafstand voldaan. Van de richtafstand kan echter gemotiveerd worden afgeweken. Er is namelijk sprake van een zeer kleinschalig agrarisch bedrijf. Uitbreiding van het bedrijf is niet waarschijnlijk aangezien op 200 meter afstand een Natura 2000-gebied ligt en er ook andere woningen op korte afstand van het bedrijf liggen. Tevens liggen de dierenverblijven en bedrijfsactiviteiten op een grotere afstand van de nieuwe woning, namelijk op 50 meter afstand. Op basis hiervan is het aannemelijk dat voor de nieuwe woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. De overige woningen uit voorliggend plan liggen allen op meer dan 30 meter afstand van het agrarische bedrijf aan de Groenestraat 10. Hiermee wordt wel aan de richtafstand voldaan.

Het huiskamercafé dat in het plangebied gerealiseerd wordt, kan een effect hebben op de directe omgeving.

Het huiskamercafé is alleen overdag en aan het begin van de avond tot 20:00 geopend. Gebruik voor horeca-activiteiten tussen 20:00 en 7:00 is als strijdig gebruik in de regels aangemerkt.

De VNG adviseert voor een café/restaurant een richtafstand van 10 meter. Binnen 10 meter van het huiskamercafé zijn nieuwe woningen beoogd. Om te bepalen of bij deze nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en of het huiskamercafé niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering ten gevolge van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 8. Hierin wordt geconcludeerd dat in de dagperiode een overschrijding plaatsvindt van de ambitiewaarde bij de westgevel en op het terras van het appartement boven het huiskamercafé. De westgevel ligt pal boven het terras en het woningterras dicht bij het caféterras. Tegen het stemgeluid zijn geen bronmaatregelen mogelijk, er is al rekening gehouden met een normale (niet luidruchtige) klanten. Voor het woningterras is een 2 m hoog scherm in het verlengde van de westgevel voldoende. Afscherming van de westgevel is niet mogelijk. In de regels van dit plan is de gehele westgevel daarom bestemd als dove gevel. Dat is een gevel zonder te openen delen van verblijfsruimtes of gevels van niet verblijfsruimten (badkamer, hal, berging enz). Hiermee is bij de woningen uit voorliggend plan sprake van een goed woon- en leefklimaat en worden er met het plan geen bedrijven of functies belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Spuitzones

Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn in de huidige situatie geen (fruit)boomgaarden aanwezig waar bedrijfsmatige gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Het oprichten van dergelijke gaarden is zonder omgevingsvergunning niet mogelijk, nieuwe boom/fruitgaarden niet zijn toegestaan binnen een straal van 50 meter tot gevoelige objecten (zoals woningen) zonder een locatiespecifiek onderzoek. Een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan dan ook gegarandeerd worden.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten milieuzonering en spuitzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico

Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Planspecifiek

Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0011.png"

Uitsnede provinciale risicokaart

De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op:

 

Transportroutes

Het plangebied ligt op ca. 3.100 meter van de toekomstige snelweg A15, ca. 3.000 meter van de Betuweroute en ca. 300 meter van de vaarweg Waal. Over deze transportassen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats vinden. Deze transportroutes maken onderdeel uit van het Basisnet.

 

Het invloedsgebied van de A15 (4.000 meter voor stofcategorie LT3) ligt over het plangebied. Over de spoorweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied (4.000 meter voor stofcategorie D4) van deze transportassen ligt over het plangebied. Het invloedsgebied van de vaarweg (1.070 meter voor stofcategorie GT3) ligt over het plangebied.

 

Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico.

Buisleidingen

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van buisleidingen.

 

Inrichtingen

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen.

 

Plaatsgebonden risico

A15, Betuweroute: Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt.

Waal: Deze vaarweg heeft geen plaatsgebonden risicocontour 10-6.

Groepsrisico 

A15, Betuweroute, Waal

Ten aanzien van het groepsrisico is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van deze risicobronnen. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. De afstand tussen het plangebied en deze risicobronnen is echter zodanig groot (> 200 meter), dat de wetgever heeft aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Verantwoording groepsrisico

Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 (zie onderdelen C en D) vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg, spoor en waterweg. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. De Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) heeft op 30 juni 2020 (kenmerk 200630-0053) een advies uitgebracht.

 

C. Bestrijdbaarheid

Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident met toxische stoffen te beperken. Bij het toxisch scenario is het handelingsperspectief schuilen in gebouwen.

 

D. Zelfredzaamheid

Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De aanwezigen dienen te worden geïnformeerd over de risico’s en hun handelingsperspectief.

 

Het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden geeft het volgende aan:

  • Het plangebied ligt binnen de effectafstand van het scenario toxische wolk. De kans daarop is klein.
  • Ter verbetering van de zelfredzaamheid wordt geadviseerd om bij de planuitwerking rekening te houden met bouwkundige en technische voorzieningen zoals het afschakelen. Verder wordt geadviseerd om vluchtwegen en nooduitgangen in minimaal twee richtingen van automatische ventilatiesystemen.
  • Het opzetten van een BHV-organisatie in het gebouw met (zorg)hotelkamers. Deze organisatie kan de aanwezigen gericht begeleiden bij een incident zodat de juiste handelswijze wordt gevolgd en tijdig kan worden geëvacueerd.

Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Tevens dienen aanwezigen te worden geïnformeerd over hun handelingsperspectief.

 

Conclusie

Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroute met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van de toekomstige snelweg A15, Betuweroute en de vaarweg de Waal. Op basis van de verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet leidt tot een significante toename van het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect externe veiligheid.

4.1.7 Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

  • in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;
  • een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
  • op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling

Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:

  • als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;
  • als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek

Onderhavig plan betreft de realisatie van 55 nieuwe woningen en blijft daarmee (ver) onder de drempel van 2.000 woningen uit bijlage D11.2. Vanwege de ligging van onderhavig plangebied nabij een Natura 2000-gebied is een plan-m.e.r.-beoordeling opgesteld. Op basis van deze beoordeling wordt geconcludeerd dat er sprake is van een ontwikkeling waar belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

4.1.8 Gezondheid en geitenhouderijen

In het kader van het programma Veehouderijen en Gezondheid Omwonenden (hierna VGO) zijn onderzoeken uitgevoerd naar de gezondheid van mensen die in de nabijheid van veehouderijen wonen.

Naar aanleiding van deze VGO-onderzoeken zijn er consistente aanwijzingen dat er een grotere kans is op longontsteking binnen zone rondom geitenhouderijen. Het verband wordt verondersteld causaal te zijn. Er wordt nog volgonderzoek uitgevoerd (VGO-III). De resultaten hiervan worden in 2024 verwacht.

De RIVM heeft in het rapport GGD-richtlijn medische milieukunde 2020 handvatten opgenomen voor de GGD's, zodat op een uniforme wijze kan worden geadviseerd bij uitbreiding van veehouderijen en bij gebiedsontwikkelingen nabij veehouderijen.

De GGD hanteert twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.

Het uitgangspunt 'voorzorg' heeft invloed op ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van veehouderijen. Dit geldt gezien de geadviseerde afstandsnorm, met name als er ontwikkelingen in de nabijheid van geitenhouderijen worden voorzien.

In de richtlijn is het volgende opgenomen:

Uitgangspunten GGD-advisering

De GGD hanteert in de advisering twee belangrijke uitgangspunten:
1. Voorzorg. De gezondheid dient meegewogen te worden bij nieuwe ontwikkelingen in de veehouderij. Vanwege aanwijzingen dat omwonenden gezondheidseffecten kunnen ondervinden van veehouderijen, hanteert de GGD een afstandscriterium (zie verder bij advies op maat).

2. Emissiereductie. De GGD vindt dat vanuit het oogpunt van gezondheid veehouderijen moeten streven naar vermindering van de emissie van geur, stof, endotoxinen en ammoniak. Blootstelling aan deze agentia kan leiden tot gezondheidsproblemen. De GGD adviseert gemeenten om samen met ondernemers na te gaan of alle mogelijke moeite is gedaan om emissies zo laag mogelijk te houden.

Bron: GGD-richtlijn medische milieukunde Veehouderij en Gezondheid, RIVM-rapport 2020-0092  

Planspecifiek

In bijlage 10 is een kaart opgenomen waarop onderhavig plangebied in relatie tot geitenhouderijen is weergegeven. Hierop is te zien dat het plangebied op een afstand van meer dan 1000 meter van een geitenhouderij ligt. Binnen de 2 kilometer zone rondom de geitenhouderij wonen ongeveer 10.000 mensen. Met onderhavig initiatief worden 55 woningen en dus huishoudens toegevoegd, met een gemiddelde omvang van een huishouden van 2,4 (bron: gemeente Lingewaard) gaat het afgerond om 132 extra inwoners, een toename van de populatie in het effectgebied van 1,32%. Gemiddeld krijgen in Nederland ongeveer 253.000 mensen longontsteking. Hiervan belandt 15% in het ziekenhuis (bron: Longfonds). Binnen het betrokken gebied (10.000 inwoners) rond de veehouderij gaat het dan over 0,15 tot 0,75 vermijdbare ziekenhuisopnames per jaar. Voor het plangebied met 132 inwoners ligt dit aantal circa 76 x lager.

Er bestaat een grote behoefte aan de bouw van woningen. Aan het belang om woningen te bouwen wordt veel gewicht toegekend. Nagenoeg de gehele kernen Doornenburg en Gendt liggen binnen de invloedcirkels van aanwezige geitenhouderijen. Ontwikkeling van nieuwe woningen buiten de invloedssfeer is bijna niet mogelijk. Het betreft hier een ontwikkelingslocatie aan de rand van de kern Doornenburg, ter plaatse van voormalige glastuinbouwbedrijven. Realisatie van de plannen op een andere locatie buiten de invloedcirkels van de geitenhouderij is niet mogelijk. Met het plan worden tevens 20 (zorg)appartementen voor ouderen gerealiseerd. Dit kan worden gezien als een kwetsbare doelgroep. De (zorg)appartementen zijn bedoeld voor oudere uit de bestaande kern van Doornenburg. Deze kern ligt nu ook binnen de invloedssfeer van de geitenhouderij. Daarmee is er dus geen sprake van een toename van het aantal ouderen binnen het invloedsgebied.

Op korte afstand van het betreffende bedrijf (<500 meter) is onrust in de omgeving ten aanzien van geuroverlast en gezondheid. Onderhavig plangebied ligt op circa 1 kilometer van de geitenhouderij en bevindt zich buiten de kring van direct omwonenden die hinder ervaren. De initiatiefnemer en woningstichting brengen toekomstige bewoners op de hoogte van de aanwezigheid van de geitenhouderij en de bijbehorende risico's, zodat zij een eigen afweging kunnen maken.

Het initiatief is uitvoerbaar op het gebied van volksgezondheid in relatie tot geitenhouderijen.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Beleid Waterschap Rivierenland

Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen.

Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

Het Waterschap Rivierenland hanteert de beleidsregel 'Nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak'. Deze heeft als doel de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van de uitbreiding van het verhard oppervlak te beperkten tot de maatgevende afvoer van het landelijk gebied. Een uitbreiding van het verhard oppervlak moet vanuit waterhuishoudkundig opzicht dus waterbalans-neutraal plaatsvinden.

Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m² voor stedelijk gebied en 1.500 m² voor landelijk gebied. Deze vrijstelling geldt alleen voor particulieren.

Er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Voor ontwikkeling met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m² kan een standaardberekening worden toegepast, waarbij wordt uitgegaan van een maatgevende bui die eenmaal in de 10 jaar voorkomt. Vuistregel daarbij is dat 436 m³ waterberging per hectare verhard oppervlak nodig is. Uit deze vuistregel volgt de volgende berekening:

Benodigde compensatie = Toename verhard opp (in m²) * 0,0436


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld. Het resultaat hiervan is toegevoegd als bijlage 11. Hieruit blijkt dat er langs een deel van de randen van het plangebied A-watergangen met beschermingszones liggen. Deze watergangen blijven met voorliggend plan behouden. Verder liggen er in het plangebied geen (beschermingszones van) watergangen. Voor onderhavig initiatief is de benodigde waterbergingscapaciteit berekend (zie bijlage 1). Hieruit blijkt dat er ten behoeve van het plan 701 m³ waterberging gecompenseerd moet worden. Met voorliggend plan worden voor de waterberging op vier locaties in het plangebied wadi's aangelegd (zie bijlage 1). De totale waterbergingscapaciteit hiervan bedraagt circa 770 m³. Daarmee voldoet het plan aan het bergen van al het hemelwater binnen het plangebied. Op dit moment vindt overleg met het Waterschap plaats over de concrete uitwerking van de waterberging. Realisatie van het initiatief past binnen de uitgangspunten van het Waterschap Rivierenland en is daarmee uitvoerbaar op het gebied van water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 12. De belangrijkste conclusies ten aanzien van gebiedsbescherming en soortenbescherming worden hieronder beschreven.

Gebiedsbescherming

In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Dit gebied ligt op circa 200 meter afstand ten oosten van het plangebied. Ten behoeve van voorliggend plan is in het verleden een Wnb-vergunning verleend. In het kader van de vergunningverlening is toen beoordeeld dat doordat het Natura 2000-gebied van het plangebied wordt afgeschermd door bosschages, bomen, woningen en een weg, de toename van geluid en licht op het Natura 2000-gebied nihil zal zijn. Hieruit kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten als gevolg van andere factoren dan stikstof daarmee uitgesloten kunnen worden. Inmiddels is er andere regelgeving met een nieuwe berekeningsmethode (Aerius), waardoor er geen vergunningplicht meer is op grond van de Wet natuurbescherming.

Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd. De rapportage hiervan is toegevoegd als bijlage 15. Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkelingen op de locaties waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase zeer beperkt toe op een zeer klein deel van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Er is dus sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Deze zeer beperkte toename in stikstof op het Natura 2000-gebied leidt echter niet tot een significant negatief effect en niet tot aantasting van instandhoudingsdoelstellingen. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden en het aanvragen van een vergunning Wnb is niet nodig.

Soortenbescherming

Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat de bestaande woning die wordt gelegaliseerd aan de Groenestraat 12 mogelijk een betekenis heeft voor beschermde soorten. Het dak van deze woning is mogelijk een geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Hier vinden echter geen werkzaamheden plaats dus dit hoeft niet nader onderzocht te worden. Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat zowel de te slopen schuur op het perceel Groenestraat 24 als de te legaliseren woning aan de Groenestraat 12 mogelijk geschikte verblijfplaatsen zijn voor huismussen. Hiervoor is nader onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 13. Hierin wordt geconcludeerd dat in de te slopen schuur geen nest- en verblijfplaatsen van de huismus zijn aangetroffen. Bij de woning aan de Groenestraat 12 zijn onder het dak nest- en verblijfplaatsen van de huismus aangetroffen. Aangezien de werkzaamheden voor deze woning enkel plaatsvinden op de begane grond hoeft er geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel zal een ecologisch werkprotocol worden opgesteld. De werkzaamheden zullen volgens dit werkprotocol worden uitgevoerd.

Uit de quickscan blijkt dat de planlocatie verder geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten. Aanvullend onderzoek is daarom niet nodig. Tijdens de werkzaamheden dient de algemene zorgplicht voor flora en fauna in acht te worden genomen.

Uit het nader onderzoek naar huismussen is naar voren gekomen dat het plangebied mogelijk fungeert als foerageergebied voor de steenuil. Daarom is een nader onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 14. Hierin wordt geconcludeerd dat er in de omgeving van het plangebied twee nestkasten van de steenuil aanwezig zijn die beide in gebruik zijn. De nestkasten liggen buiten de invloedsferen van de werkzaamheden en blijven ongeroerd. De steenuil gebruikt het plangebied niet als essentieel foerageergebied. Hierdoor zijn negatieve effecten op de steenuil uitgesloten.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Om te onderzoeken wat het effect is van het plan op de verkeersstromen op de omliggende wegen is een verkeersonderzoek uitgevoerd voor de noordelijke locatie van het plangebied. In onderstaande tabel zijn de resultaten van dit onderzoek weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0012.png"

Tabel verkeersgeneratie (bron: BVA verkeersadvies)

De volledige rapportage is toegevoegd als bijlage 16. Hierin wordt geconcludeerd dat de verkeersgeneratie ten gevolge van het plan op een gemiddelde werkdag maximaal 404 verkeersbewegingen per dag zal bedragen. Hierdoor zal de druk op een aantal wegen in de omgeving van het plangebied enigszins toenemen. Het plangebied zal aan de noordzijde via twee aansluitingen op de Blauwe Hoek worden ontsloten en aan de westzijde via twee (zeer beperkte) aansluitingen op de Groenestraat. Geconcludeerd kan worden dat de huidige intensiteiten op beide wegen relatief laag zijn en de intensiteiten ook in toekomst ruimschoots onder de in het Wegencategoriseringsplan van de gemeente Lingewaard vastgelegde grenswaarde van 3.000 motorvoertuigen per etmaal voor erftoegangswegen type II zullen liggen. Op de twee onderzochte aansluitingen Blauwe Hoek, De van der Schuerenweg en Groenestraat, De van der Schuerenweg is er sprake van een zeer acceptabele verkeersafwikkeling en er zijn geen aanvullende maatregelen nodig.

Ter plaatse van de inritten aan de zijde van Blauwe Hoek worden langs de weg in de bochten van de overgangen met de duiker en de weg verstevigingen aangebracht, zodat verkeer elkaar daar veilig kan passeren. Tevens zal er binnen in het plangebied ter hoogte het huiskamercafé en aan de overkant van het voormalige restaurant op de hoek ertegenover een voetpad worden aangelegd met een veilige oversteekmogelijkheid. Dit zal in het inrichtingsplan nader worden uitgewerkt.

Parkeren

Wat betreft parkeren moet voldaan worden aan de nota parkeernormen van de gemeente Lingewaard (2020). Deze parkeernormen zijn afgeleid van de kencijfers van CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. Het plangebied ligt in het buitengebied. In bijlage 17 is een parkeerbalans toegevoegd waarin de parkeerbehoefte voor de verschillende type woningen is berekend voor het noordelijke deel van het plangebied. Hierbij zijn de vrijstaande woningen aan de Groenestraat niet meegenomen. Voor deze woningen worden voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd voor zowel bewoners als bezoekers. In de berekening is rekening gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen, omdat sprake is van een combinatie van functies. De aanwezigheidspercentages van de verschillende functies verschillen. Uit de berekening volgt dat er in totaal 80 (79,3 afgerond naar boven) parkeerplaatsen nodig zijn. Met het plan worden in totaal 80 (80,1 afgerond naar beneden) parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee voldoet het plan aan de parkeernormen en wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Op de locaties van het plangebied waren voorheen glastuinbouwbedrijven gevestigd. De kassen zijn inmiddels gesloopt. In en rondom de locaties van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig waar het plan een effect op kan hebben.

Archeologie

De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Lingewaard met de locaties van het plangebied omcirkeld. De noordelijke en de middelste locatie van het plangebied hebben een middelhoge archeologische verwachting. Voor de middelhoge verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. De zuidelijke locatie van het plangebied heeft een middelhoge/hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij een hoge verwachtingswaarde geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.283-VG01_0013.png"

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Lingewaard.

Met voorliggend plan worden de genoemde drempelwaarden voor onderzoek overschreden. Daarom is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 18. Hierbij zijn 4 deellocaties onderzocht die op dat moment voor ontwikkeling in beeld waren. Vermeld dient te worden dat deelgebied 2 niet in de huidige ontwikkeling wordt meegenomen en dat deelgebied 3 een iets andere vorm heeft gekregen. Voor het niet onderzochte deel is de geldende dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' overgenomen. In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat voor de deelgebieden 1 en 2 de middelhoge verwachting kan worden bijgesteld naar laag en voor deelgebied 4 de hoge verwachting kan worden bijgesteld naar laag. Op basis van onderzoek en advies van de ODRA is deelgebied 4 archeologisch vrijgegeven. Voor deellocatie 3 (Groenestraat 12) wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek aanbevolen. Dit onderzoek is uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 19. Hierin wordt geconcludeerd dat er een behoudenswaardige vindplaats is aangetroffen. Het is de verwachting dat deze vindplaats het gehele deelgebied 3 omvat. Er bestaan twee opties voor een vervolg: een definitieve opgraving of beschermende maatregelen nemen om de vindplaats te ontzien. Er is in dit plan voor gekozen de verwachtte vondsten niet op te graven, maar in beginsel 'in situ' te bewaren door beperkende bouwmaatregelen op te nemen in het voorliggende bestemmingsplan. De te nemen maatregelen om te voldoen aan 'archeologie vriendelijk bouwen', moeten goedgekeurd worden door het bevoegd gezag. Ter bescherming van de archeologische waarden is in voorliggend plan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen voor deelgebied 3. Omdat deelgebied 4 archeologisch is vrijgegeven, wordt hier geen dubbelbestemming overgenomen.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Explosieven

Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben binnen de gemeente Lingewaard diverse gevechtshandelingen plaatsgevonden waardoor hoeveelheden Conventionele Explosieven in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Door de geplande werkzaamheden kunnen deze mogelijk ter plaatse aanwezige explosieven een reëel gevaar opleveren voor betrokken medewerkers en de (directe) omgeving. Bij ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen moet dus worden nagegaan of explosieven aanwezig zijn.

Planspecifiek

Voor het plangebied is een projectleiderssamenvatting opgesteld. Deze is toegevoegd als bijlage 20. Daarin wordt geadviseerd voorafgaande aan de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden een opsporingsproces uit te voeren, zoals bedoeld in het Certificatieschema Opsporen ontplofbare oorlogsresten (1 januari 2021).

4.7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor heeft de initiatiefnemer met de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure een (grond)exploitatieovereenkomst afgesloten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investeringen te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden, worden verhaald op grond van de gesloten (grond)exploitatieovereenkomst.

Naast de (grond)exploitatieovereenkomst heeft de initiatiefnemer met de gemeente een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. De eventuele tegemoetkoming in de planschade wordt op grond van deze planschadeverhaalsovereenkomst verhaald op de initiatiefnemer.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Agrarisch met waarden - Dijkzone'. De bestaande bouwvlakken en de functieaanduiding 'glastuinbouw' komen te vervallen. De gronden die met dit plan niet worden bestemd ten behoeve van het wonen behouden de agrarische bestemming.
  • 'Gemengd', ten behoeve van het huiskamercafé en wonen op de verdieping. Binnen deze bestemming is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om twee aaneengebouwde woningen toe te staan. Op de verbeelding is de maximale goot- en bouwhoogte weergegeven. In de regels zijn gebruiksregels opgenomen om het kleinschalige karakter van het huiskamercafé en mogelijke geluidsoverlast te voorkomen. Tevens is een maximum aantal m² bruto vloeroppervlak voor het huiskamercafé opgenomen.
  • 'Groen', mede ten behoeve van groenvoorzieningen, waterberging en paden.
  • 'Maatschappelijk', voor het realiseren van de woonzorgappartementen met bijbehorende bedrijfs-/beheerderswoning.
  • 'Verkeer - Verblijf', ten behoeve van straten en paden. Binnen de bestemming is een aanduiding 'bijgebouwen' opgenomen waarbinnen bijgebouwen zijn toegestaan.
  • 'Water', bestemd voor watergangen en waterberging. Binnen deze bestemming zijn ontsluitingen van percelen toegestaan.
  • 'Wonen', voor het realiseren van de nieuwe woningen, het omzetten van twee bedrijfswoningen naar reguliere woningen en het legaliseren van een bestaande woning. Op de verbeelding zijn de toegestane woningtypen, het maximaal aantal woningen en de maximale goot- en bouwhoogte weergegeven. Bijgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' en ter plaatse van de aanduiding 'erf' worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeren uitgesloten' is het parkeren van motorvoertuigen niet toegestaan. Voor een aantal woningen langs de Groenestraat is een landschappelijke inpassing voorwaardelijk verplicht.
  • Dubbelbestemming 'Leiding - Riool', mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een riooltransportleiding.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5', mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische resten in de bodem.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS). Ook een ieder die een zienswijze heeft ingediend kan beroep instellen bij de ABRvS. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de relevante instanties. Het waterschap is middels de digitale watertoets op de hoogte gebracht van het plan.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Voor dit plan is geen formele inspraakprocedure doorlopen. Er is direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. De initiatiefnemer heeft informatieavonden voor omwonenden georganiseerd en er is een website met informatie over de ontwikkeling opgericht.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 3 maart 2022 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er 12 zienswijzen ingediend. In de zienswijzennota in bijlage 21 zijn de zienswijzen samengevat en van een reactie voorzien. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn enkele zaken verduidelijkt en aangepast in het bestemmingsplan. Voor meer informatie wordt verwezen naar de zienswijzennota.