direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herinrichting Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1705.165-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 6 februari 2014 heeft de gemeenteraad van Lingewaard het bestemmingsplan 'Huissensche Waarden' vastgesteld voor de herinrichting van de Huissensche Waarden. In dit plan werden rivierverruiming op grond van de Planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier (verder PKB) en zand- en kleiwinning gecombineerd met recreatie, natuurontwikkeling en herstel van cultuurhistorische waarden. De economische uitvoerbaarheid van het plan kon niet worden gegarandeerd, waarna de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het bestemmingsplan heeft vernietigd.

De doelstelling van de PKB, rivierverruiming, geldt nog onverkort. En ook de vraag naar klei en zand blijft bestaan. Daarnaast is er in het gebied behoefte aan natuurontwikkeling: toename biodiversiteit, boscompensatie, landschapsversterking en schoon water (Kaderrichtlijn Water).

Caprice/Steenfabriek Huissenswaard en K3Delta hebben voor het zuidelijke deel van de de Huissensche Waard, met de naam Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder , een nieuw inrichtingsplan gemaakt, waarbij is voortgeborduurd op het oorspronkelijke plan voor de Huissensche Waarden. Het plan ziet op een zand- en kleiwinning en de herinrichting van het gebied na de ontgraving tot extensieve graslanden en grootschalige natuurontwikkeling. In dit bestemmingsplan wordt het inrichtingsplan planologische uitgewerkt.

1.2 Doelstelling

De klei- en zandwinning en de herinrichting daarna hebben als doel:

  • De versterking van de landschappelijke opbouw en daarmee de herkenbaarheid en ontstaansgeschiedenis van de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder;
  • Versterking van de beleving van het landschap;
  • De inpassing van de steenfabriek en haar activiteiten voor de toekomst;
  • Het ontwikkelen van bestaande landbouwgebieden tot natuurgebied;
  • Het ontwikkelen van water-, oever- en rietvegetatie en mogelijk ook ooibos;
  • Het versterken van (extensieve) recreatiemogelijkheden door onder andere aanleg van fiets- en wandelpaden.

De klei gaat onder meer naar de steenfabriek en het gewonnen zand wordt mogelijk gebruikt als ophoogzand voor ViA15. De doortrekking van de A15 is over het plangebied geprojecteerd.

1.3 Ligging plangebied

Het plangebied (zie onderstaand figuur) ligt in de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder. Deze polder ligt in het meest zuidelijk deel van het uiterwaardengebied Huissensche Waarden, ten zuidwesten van de kern Angeren. De polder wordt aan de oostzijde begrensd door het Pannerdensch Kanaal/ Nederrijn. Het plangebied zelf wordt grotendeels begrensd door de Scherpekamp en de steenfabriek Huissenswaard in het oosten en noorden en de Rijndijk in het zuiden en westen. Het plangebied is geheel onbebouwd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.165-VG01_0001.png"

Figuur 1: luchtfoto plangebied (bron: www.googlemaps.nl)

1.4 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied ligt in het vigerende bestemmingsplan 'Buitendijks gebied 2005'. Het gebied heeft de bestemming 'Agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarden'. De gronden zijn bedoeld voor:

  • de berging en afvoer van hoog oppervlaktewater, sediment en ijs;
  • de waterhuishouding;
  • de aanleg, het onderhoud en de verbetering van de waterkering en het vergroten van de afvoercapaciteit;
  • de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met dien verstande, dat op de gronden die op de plankaart als zodanig zijn aangeduid uitsluitend de opslag van agrarische materialen en voertuigen is toegestaan;
  • de bescherming en het herstel van natuur- en landschapswaarden;
  • de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden;
  • het bestaande aantal bedrijfswoningen en voor zover als zodanig aangeduid op de plankaart;
  • een radarmast daar waar dat als zodanig op de plankaart is aangeduid;

met bijbehorende bouwwerken, onbebouwde terreinen en voorzieningen.

Verder zijn de gronden bestemd voor:

  • extensief recreatief medegebruik;
  • watergangen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • ontgrondingen daar waar dat op de plankaart als zodanig is aangeduid;
  • parkeervoorzieningen daar waar dat op de plankaart als zodanig is aangeduid, met een maximum van 8 parkeerplaatsen en een totaal oppervlak van 100 m2 per aanduiding;

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.165-VG01_0002.png"

figuur 2: uitsnede verbeelding bp Buitendijks gebied 2005, gemeente Lingewaard.

De Betuweroute, die het plangebied (ondergronds) doorsnijdt, is geen onderdeel van het vigerende bestemmingsplan.

1.5 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, ontwikkelingen in de omgeving en het voornemen, dat in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt.

In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader beschreven, op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt gewijd aan de milieueffectrapportage die, onder meer, voor dit bestemmingsplan is uitgevoerd.

Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving en onderbouwing van de sectorale aspecten die een rol spelen. In hoofdstuk 6 volgt een juridische planbeschrijving en in hoofdstuk 7 komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan de orde.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

De historische rivierloop van de Rijn bij Angeren heeft zich regelmatig verplaatst. In de vroege Middeleeuwen heeft meander De Wardt de uiterwaard bepaald. De ligging van de meander is als laagte met watergang nog zichtbaar. Vanaf de 13e eeuw is de Betuwe bedijkt. Op het hoge deel van de meanderbocht lag van 1400-1800 kasteel De Wardt, een versterkt huis of hoeve met toren. Begin 18e eeuw is het Pannerdensch Kanaal gegraven, waardoor de watertoevoer naar IJssel en Rijn werd veiliggesteld. De Rijnstrangen werden hierdoor afgesloten en de Huisschense Waarden kregen een forse zomerkade waardoor alleen bij hoogwater de relatie met de rivier nog duidelijk was. Sindsdien heeft de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder min of meer zijn huidige vorm. Deze Buitenpolder vormt samen met de Huissensche Waarden één grote uiterwaard, bij Looveer door de veerweg doorsneden. De Buitenpolder heeft een groot inlaatwerk in de kade Scherpekamp en vormt één grote polder tot aan Malburgen, die vooral agrarisch in gebruik is. De Scherpekamp kade zorgt ervoor dat de uiterwaard het merendeel van de tijd niet overstroomt, nu en in de toekomst. Voor de logistiek van de steenfabriek is de ligging van de weg op 14,20 m +NAP essentieel (met een tuimelkade op 14,40 m+NAP). De Angerensche Strang loopt in het plangebied als watergang, maar is daarbuiten duidelijker door breder water en de naastgelegen bosschages. De kasteelheuvel van De Wardt en een deel van de gracht zijn nog zichtbaar in het landschap, ook door licht reliëf. Het plangebied wordt aan de zuid/zuidoostzijde begrensd door de Rijndijk.

De Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder bestaat voor een groot deel uit aaneengesloten landbouwgronden. De steenfabriek (beheermaatschappij Sluiter BV) verpacht deze gronden aan agrariërs in de omgeving. De verschillende percelen zijn goed ontsloten. Door het intensieve agrarische gebruik zijn de natuurwaarden in het gebied beperkt. Een deel van deze gronden geldt als ganzenfoerageergebied.

2.2 Ontwikkelingen in de omgeving

De herinrichting van het gebied, na de klei- en zandwinning, is een opzichzelf staand project naast andere relevante ontwikkelingen die in het gebied spelen:

  • 1. Kadeverlaging Scherpekamp (initiatiefnemer Rijkswaterstaat)
    Doel van dit project is een waterstandsverlaging van minimaal 10 cm door het verlagen van de huidige zomerkade tussen de winterdijk en het terrein van de steenfabriek;
  • 2. ViA15 (inititatiefnemers Rijkswaterstaat en provincie Gelderland)
    Tussen knooppunt Ressen en Zevenaar wordt de A15 verlengd. De nieuwe snelweg kruist de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder ter hoogte van de steenfabriek, waarbij brugpijlers in de uiterwaard worden geplaatst. Om de aanleg mogelijk te maken, wordt het kleidepot van de steenfabriek verplaatst. De aanleg van de brug leidt tot ca. 2 mm waterstandverhoging. Door verlies van natuurwaarden elders dient voor de aanleg van de A15 natuurcompensatie plaats te vinden. Mogelijk kan een deel van deze compensatie in het plangebied plaatsvinden;
  • 3. Kribverlaging Pannerdensch Kanaal (initatiefnemer Rijkswaterstaat)
    Door de aanwezige kribben in het Pannerdensch Kanaal te verlagen, wordt een waterstandsdaling van minimaal 4 cm gerealiseerd;
  • 4. Stroomlijn (initiatiefnemer Rijkswaterstaat)
    Om te zorgen voor een betere doorstroming van het rivierwater tijdens hoogwaterperiodes wordt zoveel mogelijk opgaande begroeiing uit de stroombaan verwijderd;
  • 5. Versterking cultuurhistorie, landschap en recreatie (initiatiefnemer gemeente Lingewaard)
    De gemeente wil de waarden in het gebied herstellen en versterken en het gebied toegankelijker en beleefbaarder maken, door het aanleggen van (recreatieve) routes en het zichtbaar maken van elementen in het landschap, zoals wielen, kolken, het inlaatwerk Scherpekamp en de locatie van havezate De Wardt;
  • 6. Behoud en versterking bestaande natuur (initiatiefnemers Gelderse Natuur- en Milieufederatie, ARK Natuurontwikkeling en Staatsbosbeheer)
    De initiatiefnemers van deze ontwikkeling willen de ruimtelijke kwaliteit en de van de Huissensche Waarden versterken, in de vorm van het behouden en versterken van de bestaande natuurwaarden in delen van het gebied. Deze ontwikkeling houdt rekening met de ontwikkeling van de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder door K3Delta en Caprice, de plannen van de gemeente Lingewaard en de plannen van de provincie Gelderland voor natuurontwikkeling in het gebied (zie nr. 7) en wordt ondersteund door genoemde partijen;
  • 7. Natuurontwikkeling ooibos en stroomdalgrasland (iinitatiefnemer provincie Gelderland)
    De provincie wil ooibos realiseren op de oeverwal tussen Scherpekamp en Looveer, en stroomdalgrasland (inclusief glanshaverhooiland) in het noordelijk deel van de Huissensche Waarden.

Het bestemmingsplan heeft raakvlakken met bovenstaande projecten op het gebied van hoogwaterveiligheid, natuurbehoud- en ontwikkeling en verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit.

De projecten van Rijkswaterstaat zijn (met uitzondering van de ViA15) mede gericht op het realiseren van een waterstandsverlaging bij maatgevend hoogwater (MHW). Andere ontwikkelingen mogen niet leiden tot extra opstuwing. Dit geldt ook de zand- en kleiwinning en herinrichting van de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder. Voor zowel de (separate) projecten van Rijkswaterstaat als de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan wordt een Waterwetvergunning aangevraagd. Als onderdeel hiervan wordt naar de effecten van het plan op de hoogwaterveiligheid gekeken.

De ontwikkelingen in het voorliggende bestemmingsplan Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder zijn zoveel mogelijk afgestemd met de genoemde projecten.

2.3 Voorgenomen ontwikkeling

Er wordt een geul gegraven (deels) over de ligging van een voormalige Rijnmeander. Het af te graven deel bevat het aanwezige kleipakket in de ondergrond en een deel van de zandgronden. De ontgraving volgt het reliëf van de aanwezige pakketten. In het centrale deel van het gebied, in de voormalige geul wordt klei gewonnen waarbij de afdeklaag wordt verwijderd en tevens zandwinning plaatsvindt (oostelijke zijde van een reliëfvolgend kleiwinning plaats. De buitenbeschermingszone (100 - 150 m vanaf de teen van de dijk) tussen de Rijndijk en de geul wordt deels ontgraven en weer aangevuld. Ditzelfde geldt voor de zone tussen de geul en de steenfabriek.

In totaal wordt 500.000 m3 klei gewonnen en 1.100.000 m3 zand. De werkzaamheden worden uitgevoerd over een periode van 7 jaar. Per jaar wordt maximaal 250.000 m3 zand en 71.500 m3 klei ontgraven, daarnaast wordt de bovenste laag ontgraven (deel van de fossiele meander). Aan de landwaartse zijde van de voormalige geul wordt dit tijdelijk in depot gezet. Van de ontgraven klei wordt maximaal 25.000 m3 per jaar afgevoerd naar de steenfabriek, de resterende hoeveelheid wordt via de laadwal bij de steenfabriek per schip afgevoerd naar elders. Het zand wordt in de eerste 2 jaar naar verwachting afgevoerd naar de ViA15, daarna wordt het zand via de laadwal per schip afgevoerd naar elders.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.165-VG01_0003.png"

Figuur 3: overzichtskaartje plangebied met verschillende functies

Voor de klei- en zandwinning en herinrichting wordt een deel van het gebied aan de landbouw onttrokken en tot natuurgebied ontwikkeld. De overige gronden blijven agrarisch in gebruik. De slikkige oevers van de geul bieden ruimte voor oever- en watervegetatie. Het plan draagt daardoor bij aan het verbeteren van de waterkwaliteit en daarmee aan de doelstellingen van de Kader Richtlijn Water (KRW).

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.165-VG01_0004.png"

Figuur 4: Ontwerp herinrichting plangebied.

De Betuwe Spoorlijn, ook wel Betuweroute, loopt door een tunnel onder de uiterwaard door. Boven de spoorlijn en tunnel vindt geen ontgraving plaats en de gronden boven de tunnel (het ruimtebeslag van de tunnel zelf en de daarbij horende veiligheidszones conform de Richtlijnen van Prorail) maken daarom ook geen deel uit van het plangebied. Dit is in overleg met gemeente, provincie en ProRail.

De ontgravingscontour en –diepte van de winning langs de spoorlijn is zo bepaald dat het behoud van de stabiliteit van de tunnel en de spoorlijn is geborgd. Onderzoek heeft dit bevestigd (Fugro Geo Services B.V. Advies CUR 113 Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder, d.d. 6 juni 2016, 1216-0009-00 versie 2.0). De zone boven de Betuweroute wordt uiteindelijk als natuur beheerd. Er is een beheerplan voor het totale plangebied in voorbereiding. Hierin worden verdere details geregeld, waaronder of en welk vee in het gebied wordt toegelaten.

Het trace van de ViA15, zoals dat nu in een racebesluit is bepaald inclusief de eventuele vrijwaringszone, wordt in overleg met gemeente, provincie en ViA15 (rijkswaterstaat) ook buiten het plangebied gelaten en het vigerende bestemmingsplan blijft op die gronden gelden.

Door de gronden boven de Betuweroute en onder de toekomstige ViA15 buiten het plangebied te laten, en binnen het plangebied rekening te houden met beide aspecten, worden deze zo min mogelijk belemmerd voor nu en in de toekomst.

Voor het trace van de voorgenomen fietsverbinding gelden straks twee bestemmingsplannen: het vigerende bestemmingsplan Buitendijks gebied 2005 en het nu voorliggende nieuwe bestemmingsplan. In het nieuwe bestemmingsplan is de aanleg rechtstreeks mogelijk. In het vigerende plan is een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een fietspad nodig. Omdat een dergelijk pad past binnen de bestemmingsomschrijving van de vigerende bestemming, extensief recreatief medegebruik, is de verwachting dat een dergelijke vergunning kan worden verleend en het fietspad kan worden aangelegd.

Voor de activiteiten zijn de volgende - meest relevante - toestemmingen nodig:

  • een Ontgrondingenvergunning voor het winnen van zand en klei;
  • Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor het veroorzaken van stikstofdepositie op een Natura 2000 gebied in de aanlegfase;
  • Een watervergunning voor het gebruiken van een waterstaatswerk of beschermingszone; deze is in ontwerp verleend op 7 februari 2017;

De eerste twee aanvragen worden, samen met het nieuwe bestemmingsplan, gecoordineerd behandeld door de provincie Gelderland.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (verder: SVIR) vervangt o.a. de Nota Ruimte. “Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig”, dat is de subtitel van deze Structuurvisie. En dat is ook waar het Rijk naar streeft op de middellange termijn (2028). Om deze ambities te verwezenlijken formuleert het Rijk drie hoofddoelen:

1. vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;

2. verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;

3. waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor deze drie rijksdoelen worden 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

3.1.2 Structuurschema Buisleidingen

Binnen het plangebied ligt een reserveringsstrook voor buisleidingen, die voortkomt uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035. Dit is een kwestie van nationaal (ruimtelijk) belang. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn bepalingen opgenomen ter uitwerking van onder andere deze structuurvisie (titel 2.9, Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen). De gemeente Lingewaard heeft aangegeven dat a; een nieuwe leiding op een alternatief tracé Beuningen - Angerlo is gerealiseerd. Daarmee is de noodzaak voor de reservering in het plangebied feitelijk komen te vervallen. De Structuurvisie Buisleidingen, en de daaraan gekoppelde reserveringen die zichtbaar zijn op onder andere www.ruimtelijkeplannen.nl,wordt pas op termijn geactualiseerd. De vervallen reservering wordt pas bij deze actualisatie verwerkt. Mocht er ondanks het benutten van een alternatief tracé op lange termijn alsnog ruimte nodig zijn voor buisleidingen, dan is ook na uitvoering van het project in de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder voldoende ruimte beschikbaar langs de dijk.

3.1.3 Nationaal Waterplan 2016 - 2021

Op 22 december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld. Het plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid, waaronder waterveiligheid en overstromingsrisicobeheerplannen. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe beleid voor de komende zes jaar met een vooruitblik richting 2050. In het Nationaal Waterplan staan vijf ambities centraal:

  • Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen;
  • Een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics) zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoetwater is;
  • Nederland klimaatbestendig en waterrobuust inrichten. Bijvoorbeeld met verdiepte pleinen in een stad die bij veel regenval volstromen met water;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement en –innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen;
  • Nederlanders leven waterbewust. Schoon, veilig en voldoende water zijn niet vanzelfsprekend.

Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

3.1.4 Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016 - 2021

Het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016 - 2021 (BPRW) is op 22 december 2015 vastgesteld beschrijft het beheer van de rijkswateren voor de genoemde periode. Rijkswaterstaat voert het beheer van de rijkswateren uit. Het plan vertaalt het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar beheer en onderhoud van de rijkswateren. De kerntaken in het plan zijn:

  • Waterveiligheid; bescherming tegen overstromingen, door implementatie van de Deltabeslissingen,de versterking van primaire waterkeringen en het op orde brengen en houden van de uiterwaarden;
  • Voldoende water: het voorkomen van watertekort en wateroverlast, door het uitvoeren van het Deltaprogramma Zoetwater, het Deltaprogramma IJsselmeer gebied, het handhaven van de vaste afvoerverdeling bij hoogwater en het tegengaan van verzilting;
  • Schoon en gezond water: dit ziet op de chemische en ecologische kwaliteit van de rijkswateren, waarbij onder meer de Kaderrichtlijn Water (KRW) een rol speelt;
  • Vlot en veilig verkeer over water: de begeleiding van het scheepvaartverkeer en het onderhoud vanvaarwegen en kunstwerken;
  • Gebruiksfuncties: door het op orde brengen en houden van de bovenstaande kerntaken ontstaan gunstige condities voor het maatschappelijk en economisch gebruik van de rijkswateren.

Continuïteit is een belangrijk uitgangspunt voor beheer en onderhoud van de rijkswateren. Het plan bouwt daarom nadrukkelijk voort op voorgaande beheerplannen. Het wegwerken van achterstallig onderhoud door versobering en efficiency en de Deltabeslissingen over waterveiligheid en zoetwatervoorziening zijn belangrijke ontwikkelingen binnen het plan. Bij beheer, onderhoud en aanleg tellen kwaliteit van de leefomgeving en duurzaamheid nadrukkelijk mee.

3.1.5 Beleidslijn grote rivieren

De in 2006 vastgestelde Beleidslijn Grote Rivieren waarborgt de veilige afvoer en berging van rivierwater onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden. Tevens geldt dat het bieden van mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, binnen de randvoorwaarden die de veiligheid stelt, van belang is voor het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het rivierbed. Voor de Beleidslijn grote rivieren gelden twee concrete doelstellingen:

  • de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed behouden;
  • ontwikkelingen tegen gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken.

De beleidslijn verenigt twee sporen van beleid; de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening. Voor elke activiteit in het rivierbed is een vergunning in kader van de Waterwet nodig. Daarnaast is een goede afweging in het ruimtelijk spoor noodzakelijk om te voorkomen dat er bestemmingsplancapaciteit ontstaat voor activiteiten die niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, zijn toegestaan. Doorwerking in het spoor van de ruimtelijke ordening voorkomt het afgeven van vergunningen voor activiteiten waarvoor de vergunning op grond van de Waterwet moet worden geweigerd. Een goede doorwerking van het beleid vereist een adequate coördinatie tussen de ruimtelijke ordening en de toepassing van de Waterwet.

3.1.6 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt het Rijk een aantal regels met betrekking tot de inhoud van bestemmings- en inpassingsplannen. In dit onderdeel van de toelichting komen de relevante onderwerpen uit het Barro aan de orde.

Rivierbed

In een inpassingsplan mogen alleen nieuwe bestemmingen aan het rivierbed worden gegeven als aan een aantal voorwaarden is voldaan, namelijk:

  • a. het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam moet gewaarborgd blijven;
  • b. er mag geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier ontstaan;
  • c. de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen moet zo gering mogelijk zijn;
  • d. de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam mag niet verslechteren.

Verder geldt dat eventuele resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen wordt gecompenseerd en hoe dit gebeurt moet in het bestemmingsplan worden vastgelegd.

De activiteiten die, onder bovenstaande voorwaarden, in het inpassingsplan in het rivierbed mogelijk worden gemaakt zijn gelimiteerd en watergebonden van aard. Een opsomming hiervan is te vinden in artikel 2.4.4 van het Barro. Voor deze ontwikkeling relevante voorbeelden zijn de winning van oppervlaktedelfstoffen en de verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen.

Het bestemmingsplan maakt het planologisch mogelijk oppervlaktedelfstoffen te winnen. Een groot deel van het gebied wordt vervolgens als natuur ingericht.

Natuurnetwerk (voormalige Ecologische Hoofdstructuur)

De bepalingen in het Barro die zien op de NNN zijn gericht tot de provincies, die een en ander in een provinciale verordening moeten regelen. Dit onderwerp komt daarom aan de orde bij het bespreken van het provinciaal beleidskader.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland

De omgevingsvisie Gelderland (meest recente versie gepubliceerd op 23 december 2015) vormt het actuele ruimtelijke kader van de provincie Gelderland. Onderstaande punten vormen een snelle typering van deze Omgevingsvisie:

  • 1. Via co-creatie en uitnodigingsplanologie wil de provincie sneller inspelen op de maatschappelijke ontwikkelingen in Gelderland. Zij spant zich in om met mensen in gesprek te blijven en te zoeken naar wie een bijdrage kunnen leveren aan opgaven en doelen!
  • 2. Structuurversterking en partnerschap als uitgangspunt. Gelderland is mooi, dynamisch en divers.
  • 3. Nieuwe aandacht voor de steden, meer ruimte voor economie en een extra stap voor duurzame ontwikkeling en een leefbaar platteland.
  • 4. Van tien jaar 'vast' naar flexibel en toekomstgericht. In een digitaal raadpleegbaar document.
  • 5. Van vijf sectorale plannen en separate verordeningen naar één plan en één Omgevingsvisie Gelderland (december 2015) verordening op hoofdlijnen voor de maatschappelijke opgaven in Gelderland: opgaven voor water, natuur en landschap, cultuur en erfgoed, milieu, energietransitie, landbouw, verkeer en vervoer en ruimtelijke ordening.
  • 6. Samen afwegen en aan de slag met de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Kwaliteiten en doelen staan centraal, niet de regels.
  • 7. Van Ecologische Hoofdstructuur (EHS) naar het Gelderse Natuurnetwerk en een Groene Ontwikkelingszone, met meer uitnodiging om bij te dragen aan het realiseren van natuurdoelen.
  • 8. Regionale afspraken voorop. Niet alleen woningbouw en bedrijventerreinen, ook kantoren en detailhandel.
  • 9. Lokaal maatwerk waar nodig.
  • 10. Minder overheid, meer samenleving. Een samenleving waarin iedereen tot zijn recht kan komen. De provincie verbindt!

De gemeente Lingewaard ligt in de 'Arnhem-Nijmegen city region'. Natuur en landschap zijn belangrijke kwaliteiten van de Stadsregio. Het contrast tussen enerzijds sterk verstedelijkt gebied en anderzijds gevarieerde natuur (droog en nat, bos, rivier, uiterwaarden), mooie landschappen (variatie open en meer besloten), cultuurhistorische aspecten (Veluwezoom, Limes, Gelderse poort / Rijnstrangen) geeft het gebied van de Stadsregio zijn unieke kenmerken. Voor de bewoners van het gebied zijn dit belangrijke kwaliteiten, maar zeker ook voor toerisme en recreatie (beleveniseconomie).

Natuur en landschap zijn belangrijke kwaliteiten van de Stadsregio. Het contrast tussen enerzijds sterk verstedelijkt gebied en anderzijds gevarieerde natuur (droog en nat, bos, rivier, uiterwaarden), mooie landschappen (variatie open en meer besloten), cultuurhistorische aspecten (Veluwezoom, Limes, Gelderse poort / Rijnstrangen) geeft het gebied van de Stadsregio zijn unieke kenmerken. Voor de bewoners van het gebied zijn dit belangrijke kwaliteiten, maar zeker ook voor toerisme en recreatie (beleveniseconomie).

Met de regio ziet de provincie het belang van het verbinden van de kwaliteiten van het buitengebied met ruimte en mogelijkheden tot ontwikkeling. De provincie wil waar mogelijk ruimte bieden voor ontwikkelingen mits deze de kwaliteiten van het gebied vergroten (ja, mits). Daarmee komt er ook ruimte voor nieuwe verdienmodellen voor het beheer van natuur en landschap en voor hergebruik van vrijkomende gebouwen. Eveneens geldt dit voor goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van land- en tuinbouw.

Naast het cruciale belang van versterking van de verstedelijking voor het gebied van de Stadsregio ziet de provincie ook het belang van de vitaliteit en leefbaarheid van het ommeland.

De Stadsregio wordt doorsneden door rivieren. Waterveiligheid en bevaarbaarheid moeten ook in de toekomst worden gewaarborgd. Ruimte voor de Rivier en Deltaprogramma Rivieren zorgen voor nieuwe ruimteclaims maar bieden ook kansen voor nieuwe functiecombinaties van landbouw, natuur, recreatie.

Het plangebied is onderdeel van het GeldersNatuurNetwerk. In paragraaf 5.6.2 wordt hier nader op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.165-VG01_0005.png"

Figuur 5: uitsnede kaart Structuurvisie (Gelders NatuurNetwerk)

Nationale landschappen

Een deel van de gemeente Lingewaard is onderdeel van de Nationale landschappen. Dit zijn de symbolen bij uitstek van het Gelderse cultuurlandschap. Ze geven op (inter)nationale schaal een afspiegeling van de landschappelijke diversiteit en krijgen daarom speciale aandacht. De provincie wil samen met haar partners ook door ruimtelijke ontwikkelingen de Kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen behouden, herstellen en versterken en de landschappelijke samenhang vergroten. De provincie beschermt de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen en geeft richting aan ontwikkelingen met kwaliteit.

Het Nationaal Landschap en de Romeinse Limes (onderdeel van de Nationale Landschappen Rivierengebied en Gelderse Poort). zijn cultuurhistorische fenomenen van wereldbelang die gedeeld worden met andere provincies en waaraan de provincie samen werkt met de buurprovincies.

Romeinse Limes

In de Stadsregio bevinden zich historische Romeinse verdedigingslimes. De provincie en haar partners streven er samen naar deze te beschermen met adequate ruimtelijke regelingen. Het is een cultuurhistorisch fenomeen van wereldbelang dat gedeeld wordt met buurprovincies.Er loopt een aanvraag bij Unesco om de Romeinse Limes aangewezen te krijgen als werelderfgoed.

Vooralsnog worden voor dit kader de bestaande archeologische monumenten aangewezen als onderdeel van de Limes-zone, samen met de overige terreinen van de Archeologische Monumenten Kaart die onderdeel uitmaken van de Limes. Voor de gebieden die deze monumenten en terreinen met elkaar verbinden (de zogenaamde Limes-zone) worden regels opgesteld die het werelderfgoed duurzaam beschermen. Dit wil zeggen dat ontwikkelingen alleen mogelijk zijn als deze de aanwezige kernkwaliteiten niet aantasten.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening Gelderland bevat regels, ter bescherming van de provinciale belangen, die onder meer in de Omgevingsvisie zijn verwoord.

In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het Gelders Natuur Netwerk (GNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) worden in beginsel geen nieuwe functies mogelijk gemaakt. In dit geval worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt, dan wel zijn de functies gericht op het realiseren en versterken van het GNN.

3.2.3 Zand- en kleiwinningsplan Gelderland

De provincie is buiten rijkswateren bevoegd gezag voor vergunningverlening bij ontgrondingen. De provincie wil dat bij ontgrondingen gewenste functies worden gerealiseerd, zoals natuurontwikkeling, rivierverruiming, recreatie, wonen aan het water en waterberging. Het beleid voor winning van oppervlaktedelfstoffen (zand, grind, klei en kalkzandsteen) heeft de provincie vastgelegd in het Beleidsplan zand- en kleiwinning, dat onderdeel is van de Omgevingsvisie. Bij vergunningverlening worden de bij ontgronding betrokken belangen afgewogen en voorschriften gesteld ter bescherming van die belangen.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Gemeente Lingewaard Structuurvisie 2012-2022, vastgesteld 31 mei 2012

Lingewaard ligt centraal in het stedelijk netwerk van de Stadsregio Arnhem Nijmegen. De gemeente Lingewaard heeft en aantal ruimtelijke ambities gericht op efficiënt ruimtegebruik, klimaat en energie, leesbaar en herkenbaar landschap, waterbeheer, bereikbaarheid, woonomgeving, werkgelegenheid en recreatie. De ambities zijn vastgelegd in een structuurvisie voor de periode 2012 - 2022. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende opgaven uit de structuurvisie van belang:

Opgave 1 Uiterwaarden toegankelijk en recreatief aantrekkelijk maken

Ontwikkeling van natuur, recreatie en opvang van water levert projecten op die per uiterwaard weer verschillende accenten kent. Het accent dat een bepaalde uiterwaard in de projecten krijgt wordt in belangrijke mate bepaald door de natuurlijke waarde die de uiterwaard kent en de potentie die de uiterwaard heeft om bij te dragen aan recreatie. De uiterwaarden in de gemeente behoren tot het Natura 2000 gebied. Ook zijn alle uiterwaarden opgenomen als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur. De uiterwaarden langs de Waal zijn aangewezen als EHS- natuur en zijn binnen deze hoofdstructuur het meest beschermd.

Opgave 9 Ontwikkeling van de dijkzone als authentiek en cultuurhistorisch bepalend landschap

Doel van deze opgave is de cultuurhistorie in de dijkzone positioneren als uitgangspunt voor ontwikkeling. De dijkzone behoort samen met de uiterwaarden tot het Nationaal Landschap “De Gelderse Poort”. De waarde van de dijkzone komt ook duidelijk naar voren in de visie op het landschap in de dijkzone zoals beschreven in het rapport: 'Dijk als as van ontwikkeling'. De dijkzones maken geen deel uit van het plangebied en deze opgave vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.4 Conclusie

De ontwikkeling past binnen de verschillende relevante beleidskaders op zowel nationaal, provinciaal als gemeentelijk niveau.

Hoofdstuk 4 Milieueffectrapportage

De ontgraving is een activiteit als genoemd in categorie C 16.1 van onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r.. De relevante drempelwaarde bij deze categorie is 'een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare'. Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van 75 ha. Het totaal aan te ontgronden (vergraven) hectares beslaat 65 ha. en overstijgt daarmee de drempelwaarde uit de genoemde categorie. Hierdoor ontstaat er een besluit-m.e.r.-plicht voor het besluit uit kolom 4 van categorie C 16.1, de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Ontgrondingenwet. Er ontstaat een plan-m.e.r.-plicht voor het kaderstellend plan, genoemd in kolom 3 van categorie C 16.1. Dit kaderstellend plan is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor de ontwikkeling.

Daarnaast is gebleken dat voor dit bestemmingsplan een passende beoordeling nodig is op grond van artikel 19 j van de Natuurbeschermingswet. Op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer levert dit ook de verplichting op om voor het bestemmingsplan een planMER te maken.

Initiatiefnemer heeft er voor gekozen één gecombineerd plan-/besluitMER op te stellen voor zowel het bestemmingsplan als de benodigde ontgrondingsvergunning. Hiervoor wordt de uitgebreide procedure doorlopen.

Het voornemen een MER te maken is op 15 juni 2016 bekendgemaakt. Er zijn drie reacties ontvangen. De Nota Reikwijdte en Detailniveau is verzonden aan de betrokken bestuursorganen en adviseurs. De Omgevingsdienst Regio Arnhem heeft namens de gemeente op de NRD gereageerd.

De reacties zijn verwerkt in het MER en weergegeven in een bijlage bij het MER. Uit het MER blijkt dat het plan van K3Delta en Caprice wordt beperkt door de locaties waar het zand en de klei aanwezig is, evenals door de randvoorwaarden voor bestaande functies als kabels, leidingen, hoogspanningsmasten, het trace van de Via15 en de ligging van de Betuweroute (tunnel). Dit betekent dat de ontwerpvrijheid en daarmee keuzes in het ontwerp beperkt zijn. Aangezien K3Delta en Caprice het plan zelf bekostigen, zonder bijdrage van overheden, is de winning van klei en zand noodzakelijk om de herinrichting van het gebied te kunnen financieren. De beperkingen vanuit de omgeving maken dat de balans tussen winning en herinrichting onder druk staat. Dit betekent ook, dat nagenoeg geen ruimte meer is om de ontgravingscontour aan te passen. Er zijn twee, weinig van elkaar afwijkende, varianten onderzocht in het MER. Variant 1 gaat uit van een optimale uitvoering waarbij recreatieve functies worden aangebracht en ooibos in de luwte van het terrein van de steenfabriek wordt ontwikkeld. Hiermee wordt invulling gegeven aan de wensen uit de omgeving. Deze variant is als voorkeursvariant naar voren gekomen en is de basis voor dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten

5.1 Bodem

Het voorgenomen bestemmingsplan zorgt niet voor een gevoeliger functie in het gebied dan op grond van het vigerende bestemmingsplan mogelijk is. Voor het bestemmingsplan is daarom geen bodemonderzoek nodig .

Dit is anders voor het grondverzet dat gaat plaatsvinden. Om inzicht te verkijgen in de (water-)bodemkwaliteit zal initiatiefnemer K3Delta/Caprice een waterbodemkwaliteitskaart (laten)opstellen, waarvoor Rijkswaterstaat als bevoegd gezag zal optreden. Het grondverzet zal op basis van deze bodemkwaliteitskaart worden beoordeeld. Eventuele verontreinigingslocaties worden hierbuiten gelaten en apart beoordeeld.

Conclusie:

Het aspect bodem is voldoende duidelijk; voor het bestemmingsplan is geen onderzoek nodig en voor het beoordelen van het grondverzet wordt een (water-) bodemkwaliteitskaart gemaakt. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.2 Grondwater

In de huidige situatie wordt het freatisch grondwater sterk beïnvloed door de waterstanden op de rivier. Ten westen van het plangebied liggen polders met een beheerst polderpei (bron: legger van waterschap Rivierenland) . In gemiddelde en lage situaties is er sprake van een grondwaterstroming naar de rivier . Het gemiddeld peil is namelijk lager dan de peilen in de omringende polders.

Uit het onderzoek blijkt dat alleen bij hoogwatersituaties, waarbij de waterstand boven +14.30 m NAP komt, er sprake is van effecten buiten de te graven geul. Het meeste effect treedt op bij een rivierwaterstand die eens per 1250 jaar voorkomt. In dat geval treedt ook verhoging van de grondwaterstand op buiten het plangebied.

De grondwatersituatie verandert als gevolg van het verlagen van de zomerkade in het zuidelijk deel van de uiterwaard tot +14.4 m NAP. Een rivierwaterstand van +14.4 m NAP komt ongeveer eens per 10 jaar voor. In hoogwatersituaties waar het rivierpeil boven +14.4 m NAP stijgt, stroomt rivierwater de uiterwaard in over de verlaagde zomerkade. Het peil in de uiterwaard is in dit geval 20 cm hoger dan wanneer water in de huidige situatie instroomt. Als het rivierpeil boven de +15.6 m NAP (~ 1/1250 herhalingstijd) stijgt is het peil in de uiterwaard in de huidige situatie en in de toekomstige situatie gelijk. Er treedt extra kwel op in de polders achter de primaire kering tijdens hoogwatersituaties en de grondwaterstand is daar op sommige plaatsen hoger dan zonder de voorgenomen ontwikkeling het geval zou zijn. Dit komt omdat de waterstand bij het intreepunt 20 cm hoger is en omdat de weerstand van de deklaag minder is door het vergraven van de klei. Vanwege de lagere weerstand is er meer effect naar de westelijk gelegen polders.

afbeelding "i_NL.IMRO.1705.165-VG01_0006.png"

In hoogwatersituaties is sprake van een hogere stroomsnelheid naar de westelijk gelegen polders. Hierdoor kan in theorie de pyrietverontreiniging onder de steenfabriek meer verplaatsen dan in de huidige situatie. Echter, aangezien in situaties met een gemiddeld of laag rivierwaterpeil de richting van stroming omgekeerd is, blijft eventuele verontreiniging op zijn plek. Er is geen sprake van beweging van de verontreiniging in de richting van het plangebied.

Er is netto geen sprake van een verlaagde grondwaterstand en dus ook geen risico op zetting.

Conclusie:

De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen wezenlijke kwantitatieve en/of kwalitatieve effecten op het grondwater.

5.3 Geluid

Er is een akoestisch onderzoek (15M3033.RAP.AO.V3, d.d. januari 2017) uitgevoerd naar de gevolgen die samenhangen met de zand- en kleiwinning. De eindsituatie, natuurwaarden en recreatie, is in dat kader niet beschouwd, omdat deze akoestisch niet van belang is.

De werkzaamheden worden uitgevoerd over een periode van 7 jaar. Bij de klei- en zandwinning wordt gebruik gemaakt van machines; de afvoer vindt onder meer plaats per binnenvaartschip. De geluidbelasting op woningen in de omgeving is afhankelijk van de afstand tot de werkzaamheden. Voor alle geluidgevoelige bestemmingen is de hoogste geluidbelasting inzichtelijk gemaakt.

Gemeentelijk geluidbeleid

De gemeente Lingewaard heeft gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld, in de Nota Bedrijven en Geluid. De doelstelling van het gemeentelijk geluidbeleid is het behouden van de goede kwaliteit van de leefomgeving en het benutten van kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Een van de doelstellingen is het realiseren van een passende geluidskwaliteit in elk gebied. Om de ambities van de gemeente te bereiken worden maatregelen genomen. Hierbij bestaat de voorkeursvolgorde uit maatregelen bij de bron, maatregelen in de overdracht en tot slot maatregelen bij de ontvanger. Bij het nemen van maatregelen wordt gekeken naar kostenefficiëntie en duurzaamheid.

In de nota wordt een beleidskader gegeven voor de beoordeling van het aspect geluid bij vergunningverlening, in plaats van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. Het aangevraagde geluidsniveau wordt vergeleken met het toegestane geluidsniveau (de ambitiewaarden uit de nota geluidbeleid). Voor bedrijven in het buitengebied (in dit geval de inrichting voor het winnen van klei en zand) gelden de ambitiewaarden op referentiepunten op 50 m vanaf de inrichtingsgrens, tenzij op kortere afstand woningen van derden zijn gelegen.

Met betrekking tot de maximale geluidsniveaus geldt dat deze zo veel mogelijk beperkt moeten worden. Bij voorkeur zijn de maximale geluidniveaus niet hoger dan het heersende geluidbeeld vanwege het wegverkeer. In de overige situaties geldt dat maximale geluidniveaus die meer dan 10 dB boven het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau uitkomen, vermeden moeten worden. Indien niet aan deze grenswaarden kan worden voldaan, kunnen hogere maximale geluidniveaus worden vergund tot een maximum van 70 dB(A) in de dagperiode. Hogere maximale geluidniveau kunnen alleen worden vergund indien wordt aangegeven welke technische en/of organisatorische maatregelen zijn getroffen om nadelige gevolgen voor het milieu te beperken.

Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau per woning varieert en ten hoogste 49 dB(A) bedraagt. Ter plaatse van 7 van de 65 onderzochte woningen is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau hoger dan het ambitieniveau en de bovengrens van 45 dB(A) voor het betreffende gebied, zoals opgenomen in de nota Bedrijven en Geluid van de gemeente Lingewaard. Bij deze 7 woningen treden deze geluidniveaus slechts beperkt op in de tijd: enkel wanneer werkzaamheden aan de rand van het plangebied kort bij de woning plaatsvinden en dit vindt maar gedurende een zeer beperkte tijd plaats. Op andere momenten wordt ook bij deze woningen aan de ambitiewaarde voldaan. Onderzocht is of de geluidniveaus verminderd kunnen worden door het treffen van maatregelen aan de bron of in de overdrachtsweg. Gebleken is dat dergelijke maatregelen – met name omwille van het mobiele karakter van de geluidsbronnen – niet doelmatig zijn. In combinatie met de tijdelijkheid van de overschrijding wordt de voorliggende situatie als een uitzonderingsgeval beschouwd waarbij kan afgeweken worden van de ambitiewaarden van het geluidbeleid. De beschreven activiteiten zijn dan vergunbaar omdat de berekende geluidbelastingen minder bedragen dan de grenswaarde van 50 dB(A) van de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening.

Het maximaal geluidniveau bedraagt bij de hoogst belaste woningen 10 dB meer dan de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Deze geluidniveaus voldoen aan de streefwaarde van het beleid en de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening en voldoet ruim aan de bovengrens van 70 dB(A) voor maximale geluidniveaus.

Circulaire “Beoordeling geluidshinder wegverkeer in verband met de vergunningsverlening Wet milieubeheer”

Bij het bepalen van de indirecte hinder (hinder als gevolg van vrachtwagens langs de rand van het wingebied of schepen van en naar de laadwal) is uitgegaan van de worstcase situatie, namelijk het maximaal mogelijke aantal transportbewegingen met vrachtwagens of schepen ter plaatse van de woningen. Met een geluidbelasting van ten hoogste 32 dB(A) wordt ruim voldaan aan de normstelling van 50 dB(A) uit de circulaire indirecte hinder voor dit soort situaties.

Goede ruimtelijke ordening

De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (versie 2009) is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijk ordening in situaties waar bedrijven dicht bij woningen worden voorzien. De handreiking geeft richtafstanden per bedrijfscategorie, aan te houden tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevels van woningen. De afstanden worden gegeven voor een aantal milieuaspecten, met name geur, stof, geluid en gevaar. Als deze afstanden worden gerespecteerd is er sprake van een milieuhygiënisch te verantwoorden situatie en een goede ruimtelijk ordening. In dit geval wordt voldaan aan de richtafstand. Op basis hiervan, de berekende geluidniveaus en het feit dat het gaat om een tijdelijke situatie, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie:

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4 Luchtkwaliteit

In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen.

Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Projecten waarvan aannemelijk is gemaakt dat ze niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, kunnen in overschrijdingssituatiees conform de Wm toch worden gerealiseerd. Hiervoor wordt een grens gehanteerd van 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10. Dit betekent dat voor beide stoffen projectbijdragen zijn toegestaan van maximaal 1,2 µg/m3, ook in situaties waarin de jaargemiddelde concentraties de grenswaarde overschrijden.

De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd.

  • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1)
  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2)

Er is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de gevolgen die samenhangen met de zand- en kleiwinning (LievenseCSO, 15M3033.RAP.Lucht d.d. 4 juli 2016). De eindsituatie, natuurwaarden en recreatie, is in dat kader niet beschouwd, omdat deze geen relevant effect heeft op de luchtkwaliteit. De werkzaamheden worden uitgevoerd over een periode van 7 jaar waarbij van zuid naar noord wordt gewerkt. Bij de klei- en zandwinning wordt gebruik gemaakt van machines; de afvoer vindt onder meer plaats per binnenschip.

In de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 is bepaald op welke wijze de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen moeten worden vastgesteld. In het onderzoek zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen bepaald volgens deze regeling en getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De totale concentraties op toetspunten in de omgeving van het plangebied zijn mede afhankelijk van de achtergrondconcentraties, die in de komende jaren afnemen. Worst case wordt de concentratie verontreinigende stoffen bepaald voor het eerste jaar van aanvang van de werkzaamheden (het jaar met de hoogste achtergrondconcentratie, namelijk 2017).

De concentraties zijn bepaald ter plaatse van toetspunten in de directe omgeving van het plangebied. De punten zijn zo gekozen dat deze maximaal representatief zijn. Er is bepaald of wordt voldaan aan de grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Uit de berekeningen volgt dat in alle jaren ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor de ten aanzien van luchtkwaliteit meest kritische stoffen NO2, PM10 en PM2,5. Het recreatief gebruik van het terrein, na afloop van de zand- en kleiwinning, draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Gebleken is dat de bestaande bronnen en achtergrondconcentraties maatgevend zijn voor de lokale luchtkwaliteit en dus niet de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie:

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er wordt onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd (wegen, vaarwegen, buisleidingen)

Het voornemen heeft betrekking op het ontgraven van zand en klei in een gebied waar transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. In verband hiermee is een kwalitatieve rapportage opgesteld voor het aspect externe veiligheid (LievenseCSO, notitie externe veiligheid V3, d.d. 11 november 2016). De rapportage is alleen gedaan voor de uitvoeringsfase, omdat in de eindsituatie (natuur en extensieve recreatie) geen externe veiligheidsaspecten aan de orde zijn.

In de huidige situatie is binnen het plangebied sprake van een aantal risicobronnen waarvoor geldt dat graafwerkzaamheden een verhoogd risico vormen:

  • Hoge druk aardgastransportleidingen
    Dit zijn buisleidingen waardoor aardgas wordt getransporteerd, met een maximale werkdruk variërend van 40 tot 80 bar, in beheer bij Gasunie Transport Services BV. Het betreft de leidingen N-578, A-505, A-507 en A-663.
  • Transportroute gevaarlijke stoffen
    Door het plangebied loopt de Betuweroute; dit is een basisnetroute en als zodanig opgenomen in Bijlage II Tabel Basisnet Spoor van de Regeling basisnet.
    De toekomstige doortrekking van de A15 ligt centraal over het plangebied. Mogelijk is de A15 gerealiseerd en opengesteld terwijl de klei- en zandwinning nog plaats vinden. De kans is echter uitgesloten dat graafwerkzaamheden van invloed zijn op het risico van deze transportroute gevaarlijke stoffen.
    Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van het Pannerdens kanaal, als onderdeel van de binnenvaartroute Corridor Rijn - Oost-Nederland, een Basisnetroute en als zodanig opgenomen in Bijlage III Tabel Basisnet water van de Regeling basisnet;
  • In het plangebied is een voorkeurstracé voor buisleidingen van nationaal belang aangewezen. met aan weerszijden van het tracé een zoekgebied van 250 meter, gemeten vanaf de buitenste begrenzing van dat tracé. Het is op dit moment niet bekend of tijdens de klei- en zandwinningen dit tracé daadwerkelijk gebruikt gaat worden voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang.

Voor zowel transport van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, welke zaken nader zijn uitgewerkt in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het Plaatsgebonden Risico (PR) van een activiteit met gevaarlijke stoffen is de kans per jaar om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen bij die activiteit wanneer iemand 24 uur per dag gedurende het gehele jaar onbeschermd op die plaats zou verblijven.

Het Groepsrisico (GR) van een activiteit met gevaarlijke stoffen is de cumulatieve kans per jaar dat een groep mensen met een minimale grootte overlijdt ten gevolge van de mogelijke ongevallen met gevaarlijke stoffen bij die activiteit. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde. De oriëntatiewaarde is een ijkpunt in een systeem waarin gezocht moet worden naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen. Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, kan dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen opleveren voor (delen van) het betreffende gebied.

Buisleidingen

Conform het Bevb zal in het bestemmingsplan de ligging van de hoge druk aardgastransportleidingen zijn weergegeven alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Binnen de belemmeringenstrook zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan. De planregels moeten binnen de belemmeringenstrook een verbod bevatten voor het oprichten van bouwwerken. Ontheffing hiervan is mogelijk nadat de exploitant hierover is gehoord. Ook zal een aanlegvergunningstelsel worden opgenomen voor werken of werkzaamheden die de leiding kunnen beschadigen, zoals:

  • het aanleggen van diepwortelende beplanting;
  • het aanbrengen van wegen of paden of andere oppervlakteverhardingen;
  • het indrijven van voorwerpen in bodem;
  • het uitvoeren van grondbewerking;
  • het aanleggen van wateren.

Voor het verkrijgen van een dergelijke vergunning dient de aanvrager in overleg met de leidingbeheerder vast te leggen welke vergavingsafstand tot de leiding aangehouden dient te worden. Hiermee is de kans op beschadiging van de leiding als gevolg van graafwerkzaamheden uitgesloten.Het bovenstaande is tevens van toepassing op eventueel nog aan te leggen buisleidingen van nationaal belang binnen het aangegeven voorkeurstracé.

Betuweroute

Het tracé van de Betuweroute dat door het plangebied loopt is ter plaatse gelegen in een tunnel.De gronden boven de tunnel in de Betuweroute worden aangeduid met de gebiedsaanduiding 'overige zone – Betuwetunnel'. In de planregels van het bestemmingsplan Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder worden regels opgenomen dat in deze zone geen graaf- of andere voor de tunnel bedreigende werkzaamheden mogen plaatsvinden. Hiermee is een verhoogd risico voor deze bron als gevolg van klei- en zandwinning uitgesloten.

Plaatsgebonden Risico (PR)
Aangezien het plan geen bebouwing en evenemententerreinen (beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten) mogelijk maakt is er geen verder onderzoek naar het plaatsgebonden risico nodig.
Groepsrisico (GR)
Het plangebied ligt in het invloedsgebied groepsrisico van de aardgastransportleidingen, de nog aan te leggen A15, Pannerdens Kanaal en Betuweroute. Aangezien het plan geen bebouwing en evenemententerreinen (beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten) mogelijk maakt is er geen verder onderzoek naar het groepsrisico nodig. Het groepsrisico zal niet wijzigen door het plan.

Conclusie:

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Ecologie

Realisatie van ruimtelijke ingrepen kan leiden tot overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming (in werking sinds 1 januari 2017):

  • 1. ten aanzien van beschermde natuurgebieden. Indien het voorgenomen project in strijd is met de instandhoudingdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, is mogelijk een vergunning noodzakelijk;
  • 2. ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van streng beschermde soorten vereist mogelijk een ontheffing .

In dit kader heeft Natuurbalans een ecologisch onderzoek uitgevoerd (Quick scan beschermde natuur Kleiwinning Huissensche Waarden zuid, concept, d.d. februari 2016). In de volgende onderdelen worden de resultaten van het onderzoek samengevat, evenals het advies over de verdere procedure.

5.6.1 Natura 2000

De ingreeplocatie ligt binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Op grond van de Wet natuurbescherming moet in een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, rekening worden gehouden met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied en met het voor dat gebied vastgestelde beheerplan (artikel 2.7 Wet natuurbescherming). Wanneer een plan significant negatieve effecten kan hebben voor een Natura 2000-gebied moet een passende beoordeling te worden gemaakt, voordat het plan kan worden vastgesteld. In 'Beleidsregels toedeling ontwikkelingsruimte Programmatische Aanpak Stikstof Gelderland 2015' (datum 1-7-2015) heeft de provincie beleidsregels voor de vergunningverlening vastgelegd (max. 3 mol/ha/jaar).

Uit een onderzoek naar effecten van stikstofdepositie (LievenseCSO, Angerensche en Doornenburgsche buitenpolder, onderzoek stikstofdepositie en passende beoordeling, rapportnummer 15M3033.RAP.Stikstof.V3.0, d.d. 17 februari 2017) blijkt het volgende:

Gebruiksfase:

De N-depositie in de gebruiksfase is reken-technisch gelijk aan de N-depositie in de referentiesituatie. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten vanwege het gebruik van het heringerichte de Angerensche en Doornenburgsche Waarden.

Alhoewel het uit gebruik nemen van agrarische gronden voor de provincie Gelderland procedureel niet meegenomen mag worden bij de bepaling van de depositietoename van het project, heeft dit in werkelijkheid wel een zeer positief effect op de depositie ter plaatse van de aanwezige stikstofgevoelige habitats. Het betreft in voorliggend project een duurzame stikstofemissieafname doordat ter plaatse circa 40 ha grond met huidig agrarisch gebruik in de toekomst wordt ingericht als natuur en dan niet meer bemest zal worden.

Realisatiefase:

De resultaten van de AERIUS-berekeningen (tabel 4.1 in genoemde rapportage) geven aan dat – uitgaande van de Aerius-habitats en het gebruik van materieel in klasse STAGE IV - voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar is. Uit tabel 4.1 blijkt dat de stikstofdepositie ten gevolge van de realisatiefase maximaal 3,89 mol/ha/jaar bedraagt in het eerste jaar (meest zuidelijke deelgebied van 10 ha). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de benodigde ontwikkelingsruimte maximaal 1,12 mol/ha/jaar bedraagt in het derde jaar. In alle realisatiejaren is voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar. In elk jaar wordt voldaan aan het provinciaal beleid, omdat de te vergunnen ruimte onder de 3 mol/ha/jaar blijft.

Ook tijdens de realisatiefase zal het uit gebruik nemen van agrarische gronden een positief effect hebben op de stikstofdepositie. Om dezelfde reden als genoemd in de gebruiksfase is met dit positieve effect geen rekening gehouden.

Uit de voortoets blijkt dat significant negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten en dat bijgevolg een passende beoordeling noodzakelijk is. Uit deze passende beoordeling blijkt vervolgens dat de zeer geringe verhoging van de stikstofdepositie als gevolg van het project er niet toe leidt dat de instandhoudingsdoelstellingen op termijn niet kunnen worden behaald.

Conclusie:

Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, is naar verwachting een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming voor dit project verleend. Omdat het bestemmingsplan niet meer mogelijk maakt dan in de genoemde vergunning is geregeld, kan voor wat betreft de plantoets (artikel 2.7 Wet natuurbescherming) worden volstaan met een verwijzing naar de verleende natuurvergunning en de passende beoordeling daarbij.

5.6.2 Gelders Natuur Netwerk

Het plangebied is onderdeel van het GeldersNatuurNetwerk (verder: GNN) en wordt agrarisch gebruikt. Door de herinrichting wordt een deel van het huidige grasland omgezet naar nattere natuur: een geul met waterplassen en natte oevers. De hogere delen blijven grasland, geschikt voor extensief agrarisch gebruik. Het ontstaan van verschillende leefgebieden en de gradiënten tussen nattere en drogere delen maakt het gebied voor meer flora en faunasoorten geschikt. Hierdoor stijgen de natuurwaarden in het gebied. Het huidige oppervlak van het gebied dat in het Gelders Natuurnetwerk valt, blijft hetzelfde. De kwaliteit van natuur in het gebied neemt toe. Door de herinrichting ontstaan naast nattere delen in het gebied, zoals het natuurbeheertype 'natte dooradering' in plaats van alleen het huidige natuurbeheertype 'open grasland droog'.

Door de ontgronding wordt het oppervlak grasland minder. Hierdoor gaat een deel van het foerageergebied voor ganzen verloren. De ganzen profiteren echter wel van de toename aan oppervlaktewater, dit wordt gebruikt als slaap-/ rustgebied. Het omzetten van grasland in water leidt tot een afname van de foerageermogelijkheden. In de Omgevingsvisie is de categorie ganzenfoerageergebied echter niet meer aan de orde, maar heeft het gebied de aanduiding “rustgebied voor winterganzen” gekregen. De activiteiten leiden niet tot een afname is van rustgebied.

Conclusie:

De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan, dan wel is niet in strijd met, de doelstellingen van het GNN.

5.6.3 Wet natuurbescherming, soortenbescherming

De ingreeplocatie maakt onderdeel uit van het leefgebied van enkele streng beschermde soorten, te weten:

  • gewone dwergvleermuis;
  • broedvogels.

Negatieve effecten op gewone dwergvleermuis zijn bij voorbaat uitgesloten. Negatieve effecten op broedvogels kunnen voorkomen worden door het treffen van mitigerende maatregelen, te weten:

  • 1. De werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van aanwezige soorten.Voor de meeste soorten valt dit in de periode half maart - half juli. Voor het broedseizoen wordt echter geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Ffw; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.
  • 2. Het werkterrein wordt vóór aanvang van het broedseizoen ongeschikt gemaakt voor vogels om er te broeden. Voorbeelden van maatregelen zijn het rooien van bomen en struwelen en het maaien van ruigte, grasland, oevervegetaties etc. Gedurende het broedseizoen dient deze situatie gehandhaafd te blijven. Op deze wijze wordt voorkomen dat broedvogels gaan broeden op de werkstrook, waarna werkzaamheden ook in het broedseizoen kunnen plaatsvinden.

Er is nader onderzoek gedaan in de periode april - juli 2016 naar het voorkomen van andere streng beschermde soorten , namelijk:

  • rugstreeppad;
  • bittervoorn;
  • nestlocatie(s) van buizerd.

De buizerd en bittervoorn zijn niet aangetroffen, de rugstreeppad wel. Er zijn diverse voortplantingswateren in het kleidepot van steenfabriek aangetroffen, waarin larven in verschillende stadia en juvenielen zijn gezien. Vermoedelijk wordt de directe omgeving (hoge delen uiterwaard, dus met name het steenfabrieksterrein) gebruikt als landhabitat (zomer en winter). Er worden mitigerende maatregelen uitgewerkt, die er voor moeten zorgen dat graafwerkzaamheden in naastgelegen uiterwaard geen aantrekkende werking hebben op rugstreeppad. Dit kan bijvoorbeeld door in de voortplantingsperiode geen plassen te laten ontstaan en het werkterrein met een amfibieënscherm af te rasteren. Hiermee wordt bezetting van de ingreeplocatie gedurende de werkzaamheden voorkomen en is een ontheffing niet nodig.  

Conclusie:

Wanneer de voorgestelde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, worden geen bepaling van de Wet natuubescherming overtreden en is een ontheffing niet aan de orde.

5.7 Archeologie

Op basis van een archeologisch onderzoek van RAAP, uitgevoerd in het kader van het bestemmingsplan Huissensche Waarden, werd er een hoge verwachting afgegeven voor de oude gronden langs de dijk, vanwege mogelijke resten uit de Romeinse tijd. Voor de jonge gronden rondom de Wardt werd een middelmatige archeologische verwachting vanwege mogelijke resten uit de Vroege en Late Middeleeuwen.

Greenhouse Advies B.V. heeft, in het kader van de herinrichting van de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder een nieuw archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het onderzoek bevestigt de conclusies van RAAP van destijds: een hoge en een middelhoge verwachting voor delen van het plangebied.

In juli en oktober 2016 heeft ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O, nr. 16063, december 2016)) uitgevoerd op het terrein. Het archeologisch onderzoek betrof het deel verkennend booronderzoek van een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O). het rapport is afgestemd met bevoegd gezag. De conclusies uit het onderzoek zijn als volgt:

Van twee terreindelen is met vrij grote zekerheid vastgesteld dat deze zijn afgegraven. Hier kan vanwege eerdere kleiwinning de archeologische verwachting voor resten uit alle perioden, naar een lage verwachting worden bijgesteld. De restgeul binnen het plangebied, die deels nog als een laagte herkenbaar is, is over de volledige breedte opgevuld een met dikke pakketten klei en (grof) zand. Hierin zullen eventuele aan water gebonden archeologische resten zoals scheepswrakken, relatief snel zijn ingebed en goed zijn geconserveerd. Archeologische indicatoren binnen het plangebied bestaan hoofdzakelijk uit diep geroerde grond met of zonder resten van baksteen. Plaatselijk is de baksteen ondoordringbaar. In nagenoeg alle gevallen zijn deze resten aangetroffen op het terreindeel ten zuidoosten van de huidige steenfabriek en nabij de locatie waarop op de militaire topografische kaart uit 1850 al een steenoven staat aangegeven. Het ligt derhalve voor de hand dat de aangetroffen resten hiermee samenhangen. Opmerkelijk is dat nergens binnen het plangebied, ondanks de aanwezigheid van goed gerijpte klei in de bovenste meter van de bodem, vegetatie-horizonten zijn aangetroffen. Ook overige vuile lagen ontbreken volledig. Dit betekent dat binnen het plangebied de verwachting voor door een archeologische laag gekenmerkte vindplaatsen uit de prehistorie of de vroege-middeleeuwen als laag moet worden beschouwd. Indien archeologische resten uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen aanwezig zijn, zullen deze overwegend deel uitmaken van de bouwvoor. Slechts diepere sporen die tot onder de bouwvoor doorlopen, zullen goed zijn geconserveerd. Voor het opsporen van met dergelijke sporen samenhangende resten zou op de delen van het plangebied die in gebruik zijn als maisakker een oppervlaktekartering kunnen worden uitgevoerd. Op de overige delen van het plangebied waarop de hoge- of middelhoge verwachting voor bewoningsresten niet teniet is gedaan door de vaststelling dat het terreindeel is afgegraven, zouden bodemingrepen in eerste instantie beperkt kunnen worden tot het verwijderen van de bouwvoor. Voorafgaande aan diepere graafwerkzaamheden kan dan de onderliggende klei worden geïnspecteerd op de aanwezigheid hierin van archeologische sporen. Aan water gebonden archeologische resten in de restgeul kunnen voor zover deze metaal bevatten, worden opgespoord door middel van EM-metingen. Dergelijke metingen zijn snel uit te voeren, dringen tot grote diepte in de bodem door en zijn zeer gevoelig voor metaal.Volledig uit hout bestaande resten kunnen hier echter niet mee worden opgespoord. Om te voorkomen dat dergelijke resten ongezien verloren gaan, is begeleiding van de graafwerkzaamheden in de voormalige restgeul, de meest effectieve aanpak.

Als tijdens werkzaamheden op grotere diepte resten van beschoeiing of scheepswrakken worden aangetroffen moeten de werkzaamheden hierop aangepast of tijdelijk stilgelegd worden. Door het tijdelijk stilleggen van de werkzaamheden kan het aangetroffen object worden geïnventariseerd en beoordeeld. Als het om losse delen of verspoelde resten blijkt te gaan, worden deze ter plekke gedocumenteerd en geborgen. Bij complexere situaties zal in overleg met het bevoegd gezag besloten worden hoe het beste kan worden gehandeld.

Over een deel van het plangebied zal nog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' worden gelegd, op basis van het nog uit te voeren onderzoek.

Conclusie:

Een deel van de werkzaamheden zal onder archeologische begeleiding worden uitgevoerd. Over het plangebied wordt de dubbelbestemming archeologie gelegd, omdat op dit moment nog niet is uit te sluiten dat geen archeologische waarden aanwezig zijn. In de planregels zal worden bepaald dat geen onderzoek nodig is voor de gebieden die volgens afspraak onder archeologische begeleiding worden ontgraven.

5.8 Rivierkunde

De voorgenomen ontwikkeling is rivierkundige beoordeeld (referentie). Het onderzoek dient als onderbouwing bij de aanvraag om een Waterwetvergunning, maar biedt tegelijkertijd de rivierkundige onderbouwing van dit bestemmingsplan. In het onderzoek zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • 1. Er wordt getoetst aan de aspecten zoals vastgelegd in het Rivierkundig Beoordelingskader (RBK), deel 3.0.;
  • 2. De effecten van het ontwerp worden vergeleken met de effecten volgend uit het vigerende referentiemodel (vigerend Beheer en Onderhoudsmodel voor de Rijntakken (rijn beno15-5_v1), aangeleverd door RWS op 4 maart 2016 ). Hierbij worden aangrenzende plannen die nog geen formele status hebben niet meegenomen, zowel niet in de referentie als niet in de ontwerpvariant;
  • 3. De berekeningen worden uitgevoerd met de meest recente versie van WAQUA (2015-01). Alle berekeningen zullen met hetzelfde instrumentarium op hetzelfde rekencluster worden uitgevoerd;
  • 4. Voor het maken en afleiden van de ontwerpvariant wordt gebruik gemaakt van de actuele versie van Baseline: Baseline 5.3;


De volgende tabel geeft een samenvatting van het onderzoek en de resultaten daarvan:

  Te beoordelen effect   Effect   Conclusie  
Veiligheid   Maatregel in stroomvoerend deel rivier: MHW stand op de as van de rivier   Geen effect.   Voldoet  
  Maatregel in bergend deel rivier: volume waterberging   N.v.t.   n.v.t.  
  MHW stand buiten as van de rivier   Geen lokale effecten.   Voldoet  
  Afvoerverdeling bij MHW (bij Pannerdensche Kop en IJsselkop)   Geen effect   Voldoet  
  Afvoerverdeling bij normaal hoogwater (bij Pannerdensche Kop en IJsselkop)   Geen effect   Voldoet  
Hinder – Schade   Waterstanden en/of inundatie-frequentie van de uiterwaard   Geen hinder   Voldoet  
  Stroombeeld in de uiterwaard   Geen hinder   Voldoet  
  Stroombeeld in hoofdgeul bij de aan- en aftakking van nevengeul   Geen hinder   Voldoet  
  Afvoerverdeling bij normaal hoogwater   Geen effect   Voldoet  
  Afvoerverdeling bij lage afvoeren   Geen effect   Voldoet  
Morfologie   Aanzanding en erosie van het zomerbed (+ oevers)   Geen effect   Voldoet  
  Aanzanding en erosie van uiterwaard en nevengeulen   Geen hinder   Voldoet  

Conclusie:

Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot waterstandsverhoging of -verlaging. De ontwikkeling voldoet op alle onderdelen aan het Rivierkundig beoordelingskader.

5.9 Kabels en Leidingen

In en om het plangebied liggen verschillende leidingen, waaronder gasleidingen en een hoogspanningsverbinding. In het ontwerp van de herinrichting is rekening gehouden met deze leidingen en hun beschermingszones; binnen deze gebieden wordt bijvoorbeeld niet gegraven.

In het zuidoosten van het plangebied ligt een reserveringsstrook voor buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze reservering komt uit de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 en is daarmee een kwestie van nationaal (ruimtelijk) belang. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn bepalingen opgenomen ter uitwerking van onder andere deze structuurvisie (titel 2.9, Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen).

Nieuwe bestemmingsplannen mogen geen nieuwe activiteiten toelaten die de realisatie van een leidingenstrook belemmeren. Wat (in ieder geval) belemmeringen zijn staat in artikel 2.9.4 Barro:

1.Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die zijn gelegen binnen het voorkeurstracé laat, ten opzichte van het op het moment van aanwijzing van dat voorkeurstracé geldende bestemmingsplan, geen nieuwe activiteiten toe die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang. Een belemmering kan worden gevormd door bouwwerkzaamheden, de aanleg van wegen of watergangen of het bebossen van gronden.

Het Rijk wordt betrokken in het vooroverleg van het bestemmingsplan.

Voor meer informatie over externe veiligheidsaspecten die samenhangen met de aanwezige leidingen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 van deze toelichting.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemeen

Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

6.2 Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

6.3 Regels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk IIIgeeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnenbelangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.

Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.

Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgtbenoemd:

  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

6.4 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

Enkelbestemmingen

  • Agrarisch
    Deze bestemming is opgenomen in het gebied tussen de dijk en de te graven geul en tussen de steenfabrief en de te graven geul. Hier is agrarisch gebruik, gericht op natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Er is een aanduiding opgenomen voor de locatie van de tijdelijke depots. Deze aanduiding bevindt zich niet op de gronden met de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

  • Natuur
    Deze bestemming geldt voor de gronden waar de geul is voorzien Aan de westzijde van de toekomstige geul is een gebied voorzien, dat in de winter als natuurschaatsbaan kan dienen. Deze gronden zijn voorzien van een specifieke functieaanduiding. Gronden met de bestemming natuur zijn bedoeld voor natuurdoeleinen en extensieve recreatie.

Dubbelbestemmingen

  • Leidingen - gasleiding en Leidingen - hoogspanningsverbinding
    Er zijn meerdere (gas- en andere) leidingen in het gebied gelegen. Deze zijn ieder met een eigen dubbelbestemming bestemd. In de naam van de dubbelbestemming is opgenomen welke specifieke (brand)stoffen of elementen toegestaan zijn. Langs deze leidingen zijn aan weerszijden beschermingszones van 5 meter opgenomen. De dubbelbestemming heeft als doel de leiding te beschermen door activiteiten te verbieden die de leiding in gevaar brengen.

  • Waarde - Archeologie
    Deze dubbelbestemming is opgenomen voor het gehele plangebied, omdat uit onderzoek blijkt dat daar archeologische waarden aanwezig kunnen zijn of zijn geconstateerd. Werkzaamheden die de bodem daar kunnen verstoren, mogen niet worden uitgevoerd, dan nadat hiervoor archeologisch onderzoek is verricht en daaruit is gebleken dat de waarden niet worden aangetast. Een onderzoek is niet noodzakelijk voor de gronden, waar onder archeologische begeleiding wordt gewerkt. Hiervoor is al specifiek onderzoek verricht.

  • Waterstaatsdoeleinden - Waterstaatkundige functie
    Deze dubbelbestemming ligt over het gehele plangebied en is bedoeld om de waterstaatkundige belangen (hoogwater afvoer, enz.). Elke activiteit die in het gebied plaatsvindt moet worden getoetst aan deze dubbelbestemming.

Algemene regels

  • Algemene bouwregels komen niet in de regels voor, omdat bouwen vrijwel is uitgesloten;

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische en financiele uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6 Bro bepaalt dat de economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan en een omgevingsvergunning moet worden onderzocht. In dit geval levert het onderzoek het volgende op. De risico's verbonden aan de realisering van het project liggen bij de initiatiefnemende partij. Dit wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. Ter beperking van eventuele risico's, waaronder planschade, voor de gemeente wordt in deze overeenkomst bovendien een garantiestelling opgenomen. De economische uitvoerbaarheid is verzekerd.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Afstemmings- en communicatietraject Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder

De Huissensche Waarden strekt zich uit over een oppervlakte van 770 hectare. K3Delta en Beheermaatschappij Sluiter BV / Caprice ontwikkelden een plan voor natuurontwikkeling door zand- en kleiwinning op diens eigendommen in het zuidelijke deel, beter bekend als de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder. Het plangebied strekt zich uit over een oppervlakte van circa 66 hectare en ligt ten zuidoosten van Angeren en wordt begrensd door de Scherpekamp en de Rijndijk. Gedurende 2015 kreeg het inrichtingsplan in afstemming met de partners ARK Natuurontwikkeling, Gelderse Natuur en Milieufederatie, Staatsbosbeheer, Stichting Lingewaard Natuurlijk en Strijdbaar Angeren vorm. Het inrichtingsplan vertoond voor dit deel globale overeenkomsten met het oude veelomvattende plan voor de gehele uiterwaard. Met de kadeverlaging Scherpekamp, een separaat project van Rijkswaterstaat, wordt invulling gegeven aan de toenmalige waterstandsdoelstelling van 10 cm.

De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) heeft vanaf 15 juni 2016 gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegen. In dit document is de onderzoeksopzet voor de op te stellen milieueffectrapportage (MER) beschreven en is het voornemen van natuurontwikkeling door delfstoffenwinning formeel kenbaar gemaakt. Op deze NRD zijn een aantal zienswijzen binnengekomen. Initiatiefnemer is in gesprek getreden met enkele auteurs en de zienswijzen hebben hun inbedding gekregen in het MER.

Op 4 november 2015 is gezamenlijk met andere initiatiefnemers in de Huissensche Waarden een informatieavond gehouden. Rijkswaterstaat presenteerde haar plannen voor de kadeverlaging Scherpekamp en Programma Stroomlijn, ARK Natuurontwikkeling en Staatsbosbeheer maakten hun ideeën voor natuurontwikkeling kenbaar en K3Delta en Caprice informeerden bewoners en andere geïnteresseerden over de plannen voor de Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder. De plannen voor natuurontwikkeling werden goed ontvangen en de behoefte aan toegankelijk natuur in de uiterwaard werd door velen uitgesproken. Een enkele zorg met betrekking tot kwel en piping kon worden weggenomen met de conclusies van de geohydrologische effectenrapportage.

In zowel 2015 als 2016 was er veelvuldig overleg tussen initiatiefnemers en Strijdbaar Angeren, met name over de inbedding van cultuurhistorie en recreatie. Strijdbaar Angeren is een stichting die opkomt voor de gezamenlijke belangen van het dorp Angeren. Schaatsvereniging De IJsvogels uit Angeren haakte al snel bij het overleg aan en maakte haar wens voor een 'natuurschaatsbaan' kenbaar. Met het toevoegen van een oppervlakkige laagte aan het inrichtingsplan is hieraan invulling gegeven.

In maart 2016 zocht initiatiefnemer afstemming met Projectbureau ViA15 en de gemeente Lingewaard, met name over de zone onder de toekomstige brug. Na meerdere overleggen is besloten deze zone niet mee te nemen in de bestemmingsplanwijziging. Om de doortrekking van de A15 mogelijk te maken is een Tracebesluit opgesteld. De zone onder de toekomstige brug is ter hoogte van het plangebied wel meegenomen in de onderzoeken voor eventuele toekomstige mogelijkheden. Parallel hieraan is een afstemmingstraject opgestart met ProRail, vanwege de in het plangebied gelegen Betuwetunnel. Met inbedding van de richtlijnen van ProRail omtrent de gebruiksmogelijkheden boven de boortunnel én de conclusies van het advies CUR 113 inzake geostabiliteit wordt hiermee zorgvuldig mee omgegaan.

Op 8 april 2016 was er een overleg met de regionale afdeling van LTO. Namens de agrariërs in de Huissensche Waarden sprak LTO haar zorgen uit over de continuïteit van de agrarische bedrijven als gevolg van de natuurontwikkeling. LTO pleit ervoor rekening te houden met deze agrariërs door het (natuur)beheer te laten uitvoeren door lokale agrariërs (met streekeigen vee). Deze beheerconstructie sluit geheel aan bij de wensen van eigenaar Beheermaatschappij H. Sluiter BV / Caprice, die eigenaar zal blijven van de natuur, waterpartijen en agrarische gronden.

Eind 2016 organiseerden Caprice en K3Delta een informatiemiddag / -avond in het restaurant van camping 'De Waay', aan de rand van het plangebied. Ruim tachtig geïnteresseerden werden bijgepraat over de huidige stand van zaken en het voornemen om de formele procedures op te starten. Men was met name enthousiast over de toename van de toegankelijkheid in de uiterwaard. In navolging op het informatiemoment zijn de

raadsfracties van de gemeente Lingewaard aangeschreven met de vraag of zij voldoende bekend zijn met het plan. GroenLinks gaf aan behoefte te hebben aan informatie en zij zijn inmiddels bijgepraat door K3Delta en Caprice / Beheermaatschappij Sluiter BV.

Aan het plan liggen de nodige technische onderzoeken ten grondslag. Hoewel voor de vergunningsaanvragen vooroverleg is gevoerd met de diverse bevoegd gezagen, zijn alle inspanningen tot op heden gedaan zonder (definitieve) vergunningsaanvragen. De gemeente Lingewaard heeft kenbaar gemaakt in beginsel bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het in gang zetten van een planologisch procedure voor een bestemmingsplan dat de uitvoering van het inrichtingsvoorstel mogelijk maakt. Zij geven aan dat de herinrichting elementen omvat die voldoen aan de doelstellingen voor het landschap en de recreatieve toegankelijkheid van de uiterwaarden in de gemeente. Partijen sluiten daartoe een uitvoeringsovereenkomst.

Na zorgvuldige afstemming met omgeving en bevoegd gezag worden in het eerste kwartaal van 2017 de volgende vergunningen aangevraagd en procedures opgestart:

  • Bestemmingsplanwijziging
  • Milieueffectrapportage
  • Ontgrondingsvergunning
  • Spoorwegwet
  • Wabo
  • Watervergunning
  • Wet Natuurbescherming
7.2.2 Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan 'Herinrichting Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder' heeft, samen met de ontwerpbesluiten op grond van de Ontgrondingswet, Waterwet en Wet natuurbescherming, het ontwerpbesluit bodemkwaliteitskaart en de Milieueffectrapportage, voor iedereen vanaf 16 november 2017 ter inzage gelegen gedurende een periode van 6 weken.

Binnen de termijn van terinzagelegging zijn 5 zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen zijn als ontvankelijk beoordeeld. In de bijlage bij het 'Vaststellingsbesluit' is de 'Reactienota Zienswijzen' opgenomen, waarin de zienswijzen van een antwoord zijn voorzien.

De zienswijzen leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan 'Herinrichting Angerensche en Doornenburgsche Buitenpolder'. Het bestemmingsplan is op 24 mei 2018 ongewijzigd vastgesteld (zie het vaststellingsbesluit).