| Plan: | Visvijver Eerste Stichting Oploo |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1702.8BPVisvijver-VA01 |
Aan de Eerste Stichting in Oploo (gemeente Sint Anthonis) is een waterpartij gelegen, die recentelijk door de gemeente is verkocht. Het voornemen bestaat om het terrein om te vormen naar een recreatieve visvijver. Rond de vijver worden drie visplekken met kampeermogelijkheid ingericht, waar de vissers de mogelijkheid hebben om te overnachten in zelf meegebrachte tenten. Deze visplekken zijn uitsluitend bestemd ten behoeve van de hengelsport en bieden de vissers de mogelijkheid om 24 uur per dag recreatief/sportief te kunnen vissen. Ter plaatse zullen in totaal maximaal 8 vissers recreatief kunnen verblijven. Aan de zuidzijde van het plangebied, nabij de ingang, wordt een gebouwtje opgericht met toilet- en douchegelegenheid en een klein keukentje met o.a. een koelkast en vriezer. Dit gebouw krijgt een maximale oppervlakte van 42 m2, een maximum goothoogte van 3 meter en een maximum bouwhoogte van 5 meter. Het gebouw dient uitsluitend als sanitaire voorziening voor de vissers die in het plangebied verblijven. De bestaande vijver wordt verondiept om deze beter geschikt te maken als leefgebied voor vissen en er worden enkele ondiepe geulen gegraven die dienen als rust- en paaiplaatsen voor de vissen.
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een adequate juridisch-planologische regeling voor de opwaardering van de visvijver op het perceel, kadastraal bekend gemeente Oploo, sectie P, nr. 57, gelegen aan de Eerste Stichting te Oploo.
In dit bestemmingsplan wordt de gewenste ontwikkeling van het perceel planologisch geregeld, waardoor de voorgenomen nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Sint Anthonis, ten westen van de kern Oploo, ten zuidoosten van de kern Landhorst en ten noordwesten van de kern Westerbeek. Ten zuidwesten van het plangebied ligt de kern Elsendorp, die behoort tot de gemeente Gemert-Bakel.
|
| Topografische kaart met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd) |
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013', zoals dit is vastgesteld door de gemeenteraad van Sint Anthonis op 18 juni 2013. In dit bestemmingsplan is het perceel aan de Eerste Stichting bestemd tot 'Agrarisch met waarden'. Daarnaast ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologische hoofdstructuur' op het hele plangebied. Voor delen van het perceel geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en een deel van het perceel heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Peel raamstelling'. Over een strook in het noordoostelijk deel van het perceel liggen dubbelbestemmingen ten behoeve van een ondergrondse gasleiding met de hierbij behorende beschermingszone. Het perceel is bovendien aangeduid als 'overig - landschapselement' en als 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'.
|
| Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd) |
Op deze locatie zijn de regels van voornoemd bestemmingsplan van toepassing, zoals deze luiden na de partiële herzieningen ervan in de bestemmingsplannen 'Buitengebied, Veegplan 1', vastgesteld door de raad op 10 maart 2016 en 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis', vastgesteld door de raad op 7 juli 2016.
De gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik en behoud, ontwikkeling en versterking van aanwezige landschappelijke waarden en bestaande natuurwaarden, al dan niet in combinatie met agrarisch gebruik. Binnen deze bestemming zijn er geen mogelijkheden om de beoogde recreatieve voorzieningen te realiseren. Extensief dagrecreatief medegebruik (waaronder het vissen) is weliswaar toegestaan, maar niet in combinatie met verblijfsrecreatieve voorzieningen. Ook op grond van de gebiedsaanduiding 'landschapselement' is extensieve dagrecreatie toegestaan, maar is geen bebouwing toegestaan. Het plan bevat ook geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden waarmee het initiatief juridisch-planologisch mogelijk kan worden gemaakt.
In het volgende hoofdstuk wordt de huidige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het plan. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. Hoofdstuk 5 bevat het wettelijke onderzoekskader en een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de juridische toelichting van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de procedure beschreven.
Het perceel aan de Eerste Stichting is sinds ongeveer 1978 in gebruik voor een vijver, die is ontstaan na de winning van zand. Zaken als vissen en zwemmen zijn formeel niet toegelaten, maar dit gebeurt wel. Daarnaast vinden er regelmatig illegale activiteiten plaats, zoals het dumpen van afval en crossen met motoren. Het perceel is onbebouwd en de aanwezige vijver wordt omzoomd met bomen en groene opstanden. Rond de vijver loopt een bestaand, onverhard pad en aan de zuidzijde van het plangebied, aan de Eerste Stichting, ligt een open, onverhard terrein dat wordt gebruikt als parkeerplaats.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Sint Anthonis in een gebied met hoofdzakelijk agrarische percelen en natuur. Daarnaast zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen in de omgeving van het plangebied gelegen. Ten oosten van het plangebied is het Defensie- of Peelkanaal gelegen. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een defensieterrein.
De weg Eerste Stichting sluit ten zuiden van het plangebied aan op de Gemertseweg, welke de oost-west verbinding vormt met Elsendorp en Gemert in het westen en Oploo en Sint Anthonis in het oosten. In noordelijke richting leidt de Eerste Stichting naar het dorp Landhorst.
|
| Luchtfoto huidige situatie plangebied |
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een recreatieve visvijver met bijbehorende dagrecreatieve en verblijfsrecreatieve voorzieningen mogelijk aan de Eerste Stichting in Oploo. Het plan bestaat uit het opwaarden van de huidige vijver tot een volwaardige recreatieve visvijver. Hiertoe worden enkele watergangen gegraven, waarin rust- en paaiplaatsen voor vissen gecreëerd worden door het afgraven van gronden. Deze geulen krijgen een diepte van circa 3 meter en een breedte van circa 15 meter. Met het vrijgekomen zand wordt de vijver verondiept, van circa 11 meter diepte naar circa 6 meter diepte. Hierdoor wordt de vijver geschikter als leefgebied voor onder andere vissen.
Op de oevers langs de vijver worden op drie plaatsen visplekken met kampeermogelijkheid ingericht voor jaarrond dag- en verblijfsrecreatie. Ter plaatse zullen in totaal maximaal 8 vissers recreatief kunnen verblijven en overnachten in zelf meegebrachte tenten. De visplekken zijn uitsluitend bestemd ten behoeve van de hengelsport en bieden de vissers de mogelijkheid om 24 uur per dag recreatief/sportief te kunnen vissen. Aan de zuidzijde van het plangebied, nabij de ingang, wordt een gebouwtje opgericht met toilet- en douchegelegenheid en een klein keukentje met o.a. een koelkast en vriezer. Dit gebouw krijgt een maximale oppervlakte van 42 m2, een maximum goothoogte van 3 meter en een maximum bouwhoogte van 5 meter. Het gebouw dient als sanitaire voorziening voor de vissers die in het plangebied verblijven. Het bouwplan voor dit gebouw is als Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd. Voor het overige worden er geen gebouwen opgericht en wordt ook geen (verblijfs)recreatie mogelijk gemaakt. De visplaatsen worden toegankelijk voor autoverkeer via het bestaande pad rond de vijver. Het pad mag alleen voor auto's worden gebruikt door de vissers om hun spullen te lossen en laden. Het parkeren dient plaats te vinden op de open plek aan de zuidzijde van het plangebied, naast de ingang en bij het sanitaire voorzieningengebouw.
Het plangebied zal worden omheind met een hekwerk, met hierin een aantal openingen om het gebied toegankelijk te houden voor diverse diersoorten, waaronder de das. In paragraaf 5.3.3 wordt dit verder toegelicht. Overdag is het plangebied toegankelijk voor fietsers en wandelaars en zal het gebied dus ook gebruikt worden voor extensieve dagrecreatie. In de nachtperiode wordt het plangebied afgesloten en is het alleen toegankelijk voor de vissers die op dat moment een visplaats hebben gehuurd. Het bestaande pad rond de visvijver blijft in gebruik als onverhard pad. Het onverharde parkeerterreintje ten zuiden van de vijver blijft behouden als parkeerplaats voor de vissers en eventuele wandelaars of fietsers.
|
| Inrichtingsschets visvijver met voorzieningen |
|
| Globale ligging sanitaire voorzieningengebouw |
Het gebied heeft in de huidige situatie een groene inrichting en zal deze ook in de nieuwe situatie behouden. Er wordt slechts drie kleine, verplaatsbare chalets toegevoegd, die in het groen worden ingepast. De visplaatsen behouden hun groene karakter. Nadere landschappelijke inpassing is hierdoor niet aan de orde.
Als gevolg van de ingrepen wordt bovendien een beter leefgebied gecreëerd voor vissen en andere diersoorten, hetgeen de ecologische kwaliteit en diversiteit in het plangebied ten goede komt. De vijver wordt namelijk verondiept, van de huidige diepte van circa 11 meter naar circa 6 meter. Daarnaast worden rust- en paaiplaatsen voor vissen gecreëerd door het graven van een aantal ondiepe geulen. In paragraaf 5.3.3 worden deze maatregelen en de ecologische voordelen hiervan nader toegelicht.
Om het initiatief mogelijk te maken is op de verbeelding van dit bestemmingsplan voor het hele plangebied de bestemming 'Natuur' opgenomen met de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - visvijver'. Ter plaatse van de drie visplekken langs de vijver is de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kampeerplaats' opgenomen. Op deze locaties mag ondergeschikte verblijfsrecreatie ten behoeve van de visvijver plaatsvinden, met dien verstande dat uitsluitend kampeermiddelen in de vorm van tenten zijn toegestaan. Ter plaatse van het sanitaire voorzieningen gebouw, dat ter plaatse van het open, onverharde parkeerterrein naast de ingang wordt gebouwd, is de functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie - sanitaire voorziening'. Op deze plek is de bouw van maximaal één gebouw ten behoeve van sanitaire voorzieningen toegestaan met een maximum oppervlakte van 42 m2 en een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5 meter, overeenkomstig het bouwplan dat is opgenomen in Bijlage 1 bij de planregels.
Voor het overige is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013', met inachtneming van de wijzigingen daarin middels het bestemmingsplan 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis'.
In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 4.2, § 4.3 en § 4.4) Bij het rijksbeleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor wat betreft het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op de Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis en op het geldende bestemmingsplan.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.
De nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's, zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap en de agenda Vitaal platteland.
Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Relevante nationale belangen voor onderhavig plangebied zijn als volgt:
Afweging beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Uit het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de realisatie van de recreatieve visvijver met bijbehorende voorzieningen in overeenstemming is met de nationale belangen. Zoals elders uit deze toelichting blijkt, bestaan er vanuit milieuhygiënisch oogpunt, zoals geluid en externe veiligheid, geen belemmeringen in het gebied. Wel wordt het initiatief gerealiseerd in het Natuur Netwerk Nederland (NNN), welke voor de provincie Noord-Brabant is vastgelegd in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 4.3 Provinciaal beleid. De nationale belangen zijn niet in het geding als gevolg van onderhavig nieuw bestemmingsplan.
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden.
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.
Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
Toets Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde Rijksbelangen rechtstreeks door. De regels met betrekking tot het NNN richten zich tot de provincie, hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.3 Provinciaal beleid. Een gedeelte van het plangebied ligt binnen een voorkeurstracé voor buisleidingen volgens artikel 2.9.2, 2.9.3 en 2.9.4 van het Barro. De begrenzing van dit voorkeurstracé is weergegeven in bijlage 19 bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro, zie hiervoor paragraaf 4.2.3). Voor het overige is in het plangebied geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met het Barro.
De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Voor wat betreft het NNN worden in de Rarro alleen militaire terreinen aangewezen die geen deel uitmaken van het NNN.
Toets regeling Algemene regels ruimtelijke ordening
Zoals op de onderstaande afbeelding is te zien, ligt een deel van het plangebied binnen een voorkeurstracé voor buisleidingen. Binnen dit voorkeurstracé worden middels het voorliggend plan geen nieuwe activiteiten beoogd die een belemmering kunnen vormen voor de aanleg van een buisleiding van nationaal belang.
|
| Ligging voorkeurstracé voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang conform bijlage 19 bij de Rarro |
Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Sint Anthonis. Aangezien dit bestemmingsplan geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 90 meter toestaat vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied.
Op 1 oktober 2012 is onder andere het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen.
De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient volgens deze nieuwe versie van de ladder een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient een motivering te worden gegeven waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Toets Ladder duurzame verstedelijking in Besluit ruimtelijke ordening
De ontwikkeling van een visvijver met dag- en zeer beperkte verblijfsrecreatieve voorzieningen is geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro is dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:
In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.
De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.
Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De omgevingsvisie bevat de ambities voor de Brabantse leefomgeving tot 2050. Daarnaast zijn mobiliserende tussendoelen opgesteld voor de periode tot 2030.
De basisopgave van de omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn de volgende vier hoofdopgaven geformuleerd:
Wat betreft recreatie wordt in de omgevingsvisie het belang van een aantrekkelijk landschap erkend voor het woon-, leef- en vestigingsklimaat. Een fraai, beleefbaar landschap met veelzijdige natuur en cultuurhistorische elementen en een gevarieerd aanbod aan recreatieobjecten vormen een essentiële vestigingsfactor. De provincie streeft naar een recreatieaanbod met een breed scala aan mogelijkheden van stiltegebied tot pretpark. De voorliggende ontwikkeling van een visvijver met kleinschalige dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen voor maximaal 8 vissers draagt bij aan een gevarieerd aanbod aan recreatievoorzieningen. Buitenrecreatie wordt daarnaast in de omgevingsvisie benoemd in relatie tot gezondheid. Een gezonde levensstijl kan worden bevorderd door bij de (her)inrichting van de omgeving meekoppelkansen te benutten en uit te nodigen tot beweging door meer groen of meer voorzieningen voor buitenrecreatie. De beoogde ontwikkeling van een recreatieve visvijver in het plangebied draagt hieraan bij, doordat sportvissen wordt mogelijk gemaakt en andere extensieve buitenrecreatie zoals wandelen in een natuurlijke omgeving.
Het plangebied maakt deel uit van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). De provincie werkt aan de afronding van het NNB zoals nu naar areaal en kwaliteit voorzien. Aanpassingen aan het NNB zijn mogelijk als de omvang op termijn per saldo ten minste gelijk blijft en dit de robuustheid van het netwerk ten goede komt. Het voorliggende bestemmingsplan draagt hieraan bij, doordat de huidige agrarische bestemming van de gronden wordt omgezet naar een natuurbestemming, hetgeen een beter passende bestemming is voor gronden die deel uitmaken van het NNB. Zoals in paragraaf 4.3.3 wordt toegelicht, zijn de beoogde dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen bij de visvijver van een dusdanig beperkte aard en omvang dat hierdoor geen aantasting plaatsvindt van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB.
Samengevat is de voorliggende ontwikkeling in lijn met de doelstellingen en uitgangspunten van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden in de provincie Noord-Brabant. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie en geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze opgaven te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De opgaven leiden tot ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van Noord-Brabant. Deze ruimtelijke keuzes zijn vertaald in 14 provinciale ruimtelijke belangen:
Bij deze ruimtelijke keuzes hanteert de provincie twee leidende principes: 1. Ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid en 2. Vestigings- en leefklimaat en gezondheid. Dit betekent dat deze richting geven aan het maken van keuzes en een belangrijke rol spelen in de uitwerking van de provinciale belangen.
De structuurvisie is opgebouwd uit twee onderdelen. In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B van de structuurvisie beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: groenblauwe structuur, landelijk gebied, stedelijke structuur en infrastructuur. De juridische borging van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening is verder uitgewerkt in de Verordening ruimte.
Het plangebied behoort tot de groenblauwe structuur, bestaande uit voornamelijk beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Ook sommige gebieden met een agrarische of recreatieve functie vallen onder de groenblauwe structuur. De groenblauwe structuur omvat de samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder het Natuur Netwerk Brabant, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. Behoud en ontwikkeling van natuurwaarden in én buiten natuurgebieden is hier belangrijk. Daarnaast biedt de groenblauwe structuur ruimte aan een natuurlijk en robuust watersysteem. Niet alleen voor een goed waterbeheer (waaronder hoogwaterbescherming en waterberging) maar ook voor de ontwikkeling van de natuur. De provincie streeft voor de groenblauwe structuur naar:
Verder is het provinciaal beleid met betrekking tot de vrijetijdseconomie relevant voor dit initiatief. De provincie richt zich op een verbreding van de vrijtijdseconomie met internationale en vernieuwende concepten en een (kwalitatieve) versterking van het reguliere aanbod van horeca, verblijfsrecreatie en natuur. Een attractief recreatief aanbod draagt bij aan een gezond en aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat.
Afweging
De ontwikkeling van een visvijver met kleinschalige dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen voor maximaal 8 vissers draagt bij aan een versterking van het aanbod van (verblijfs)recreatie in een natuurlijke omgeving. Daarnaast verbetert het initiatief voornamelijk de gebruikswaarde van de aanwezige natuur en water en vindt door het kleinschalige karakter van de beoogde recreatie geen significante aantasting van de groenblauwe structuur plaats. De maatregelen, waaronder het verondiepen van de bestaande vijver en het graven van enkele ondiepe geulen die dienen als rust- en paaiplaatsen voor de vissen, hebben bovendien een positief effect op de geschiktheid van het gebied voor vissen en andere plant- en diersoorten. De ontwikkeling is hiermee passend binnen de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014.
Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant' vastgesteld. In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd.
Natuur Netwerk Brabant
Het plangebied is gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het NNB ter plaatse bestaat uit “N16.03 Droog bos met productie” en “N04.02 Zoete Plas”. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van artikel 3.18, lid 1 uit de Interim omgevingsverordening:
Artikel 3.18 Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant
Lid 1
Een bestemmingsplan kan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurfunctie of het recreatieve medegebruik daarvan zijn toegestaan, als dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.
In de toelichting op de verordening is daarnaast nog een relevante zinsnede opgenomen:
Artikel 3.18 Nieuwe ontwikkeling in het Natuur Netwerk Brabant
Het betreft een mogelijkheid voor het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming of het recreatieve medegebruik daarvan. In de praktijk bestaat hieraan behoefte. De verplichting tot vestiging op een bestaand bouwperceel, die in het algemeen geldt, stuit hier op onnodige bezwaren. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het oprichten van een brandtoren in een natuurgebied of een picknickbankje in een bosgebied. Voorwaarde voor het toelaten is dat er geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het NNB optreedt.
De nieuwe ontwikkeling binnen het NNB is dus toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.
In de huidige situatie is het terrein vrij toegankelijk. Hier wordt veel gerecreëerd, door zwemmers, wandelaars (met honden), fietsers en motorcrossers. Nachtelijk vindt er met enige regelmaat ook betreding plaats door bijvoorbeeld jeugd uit de omgeving. Deze betreding veroorzaakt door bijvoorbeeld geluid en optische aanwezigheid verstoring op het NNB.
In de toekomstige situatie wordt voor een groot deel toegang tot het terrein ontzegd voor niet-vissers. Dit is in ieder geval van toepassing tussen zonsondergang en zonsopkomst. Betreding van het plangebied zou hierdoor af moeten nemen. De aanwezige vissers (maximaal 8 personen) zijn daarnaast gebaat bij een rustige omgeving. Licht-, geluid-, en optische verstoring hebben een negatief effect op de visplaatsen. Er mag dus verwacht worden dat een dergelijke verstoring door de gasten sterk beperkt blijft. Daarnaast worden honden binnen het terrein geweerd, terwijl deze in de huidige situatie wel aanwezig mogen zijn.
Omtrent het areaal NNB is de onverharde parkeerplaats binnen het plangebied altijd al onbegroeid aanwezig geweest. Dit impliceert dat het NNB ter plaatse van de parkeerplaats mogelijk foutief begrensd is. Binnen dit onbegroeide deel wordt het sanitaire voorzieningengebouw gerealiseerd. Dit is de enige bebouwing die plaatsvindt binnen het plangebied. Door het ontbreken van enige natuurwaarde vindt hier geen negatief effect plaats met betrekking tot het areaal aan NNB.
Doordat er geen toename is aan negatieve effecten op het NNB, komen de ecologische waarden en kenmerken van het gebied niet in geding. Hierdoor kan gebruik worden gemaakt van artikel 3.18 lid 1 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, waardoor het oprichten van de kleinschalige bebouwing ten behoeve van het recreatief medegebruik binnen het Natuur Netwerk Brabant is toegestaan.
Voor het voorliggende plangebied zijn tevens enkele regels met betrekking tot natuur (afdeling 2.6 van de verordening) relevant. Uit de uitgevoerde ecologische onderzoeken (zie paragraaf 5.3.3 'Ecologie') is geconcludeerd dat het voorliggende plan, met in acht name van de in de onderzoeken voorgestelde maatregelen, geen negatieve invloed heeft op beschermde natuurwaarden en soorten, waardoor het plan niet in strijd is met afdeling 2.6 van de Interim omgevingsverordening.
Attentiegebied rond stiltegebied
Het noordoostelijk deel van het plangebied is volgens de Interim verordening gelegen binnen een attentiegebied rondom een stiltegebied. Dit stiltegebied is ten noorden van het plangebied gelegen. In het attentiegebied rond het stiltegebied zijn onder andere de reguliere uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij toegestaan. In het plangebied wordt op beperkte schaal recreatieve visserij mogelijk gemaakt, voor maximaal 8 vissers. Dit is een activiteit van een beduidend kleinere omvang dan de genoemde beroepsmatige visserij. Bovendien zijn er geen visplekken binnen het attentiegebied geprojecteerd. De ligging van een deel van het plangebied binnen het attentiegebied rond een stiltegebied is daardoor niet bezwaarlijk.
Attentiezone waterhuishouding
Daarnaast ligt het plangebied binnen een attentiezone waterhuishouding. Volgens artikel 3.26 lid 1 strekt een bestemmingsplan dat van toepassing is op een attentiezone waterhuishouding tot de bescherming van de waterhuishouding en sluit het plan functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen NNB. Volgens lid 2 wil dat zeggen dat het bestemmingsplan in ieder geval regels stelt over:
In het kader van de voorliggende ontwikkeling zal grondverzet plaatsvinden om de vijver op te waarderen naar een volwaardige recreatieve visvijver. Hierbij worden enkele watergangen gegraven, waarin rust- en paaiplaatsen voor vissen gecreëerd worden door het afgraven van gronden. Deze geulen krijgen een diepte van circa 3 meter en een breedte van circa 15 meter. Met het vrijgekomen zand wordt de vijver verondiept, van circa 11 meter diepte naar circa 6 meter diepte, waardoor deze beter geschikt wordt als leefgebied voor de vissen. Aangezien in het plangebied reeds een plas aanwezig is, wordt niet verwacht dat deze ingreep negatieve effecten heeft op de waterhuishouding. Bovendien bevat het bestemmingsplan een omgevingsvergunningplicht (artikel 6.4) voor dergelijke bodemingrepen, in het kader waarvan aangetoond dient te worden dat de werkzaamheden geen negatieve invloed hebben op de natuurwaarden in het NNB.
In het plangebied zijn geen drainagevoorzieningen of verlagingen van de grondwaterstand voorzien. Daarnaast worden geen verhardingen toegevoegd, behoudens een kleinschalig gebouw voor sanitaire voorzieningen met een maximum oppervlakte van 42 m2. De ligging van het plangebied binnen de attentiezone waterhuishouding vormt hiermee geen belemmering.
Ten aanzien van de overige onderwerpen die in de verordening worden geregeld, zijn geen regels opgenomen die van toepassing zijn op het voorliggende plan.
De gemeenteraad heeft op 27 januari 2014 de Structuurvisie Buitengebied vastgesteld. De uitgangspunten hiervoor zijn neergelegd in het visiedocument Sint Anthonis Verbindt. Dit document geeft op hoofdlijnen weer welke waarden belangrijk zijn voor het buitengebied en dienen te worden behouden, welke maatschappelijke ontwikkelingen plaatsvinden en hoe de gemeente daarop reageert. In de structuurvisie worden de identiteit van de gemeente, de belevingskwaliteit en de maatschappelijke trends met elkaar gecombineerd. Men wil daarin ruimte bieden voor ontwikkeling, met oog voor het landschap dat als onderlegger dient. In het buitengebied worden verschillende gebieden onderscheiden die elk een eigen karakteristieke combinatie hebben van landschapskarakteristiek en functioneel gebruik.
|
| Deelgebieden Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis met aanduiding globale ligging plangebied (rood omlijnd) |
Het plangebied maakt deel uit van deelgebied 2: de groene ader.
Karakteristiek
Dit deelgebied is de bosstructuur die drager is van de toeristisch-recreatieve kwaliteiten van Sint Anthonis. Tegelijkertijd vormt deze ader de fysieke scheiding tussen het oude agrarische landschap rond de kernen en het primaire agrarische gebied aan de westzijde. Dit deelgebied bestaat uit de bos- en natuurgebieden Sint Anthonisbos, De Stichting en Landgoed Groote Slink-Bunthorst. Het gebied wordt gekenmerkt door het groene karakter (bos en heide), het landgoedkarakter en het recreatief gebruik (Sint Anthonisbos, Recreatiepark De Bergen en Recreatieve Poort De Heksenboom). In dit gebied speelt met name dynamiek vanuit de recreatie. Het deelgebied wordt aan de noordwestzijde begrensd door de grootschalige jonge peelontginningen (deelgebied 1), aan de zuidzijde door de gemeentegrens, aan de noordoostzijde door het Maasterras en aan de zuidoostzijde door de middenschalige jonge peelontginningen. De gebiedsgrenzen aan de zuidzijde, waar sprake is van een mix van bossen en agrarisch gebied zijn niet hard, maar indicatief.
Ambities
Voor deze groene drager staat respecteren van rust in de bos- en natuurgebieden centraal. Tegelijkertijd blijft het een belangrijke drager van de toeristisch-recreatieve kwaliteiten van Sint Anthonis. Daarom is er geen ruimte voor ontwikkelingen die de natuur verstoren. Het aantrekkelijke gebied leent zich bij uitstek voor een verdere versterking en doorontwikkeling van functies die bijdragen aan de ontwikkeling of de instandhouding van de waarden van het gebied. Daarbij zijn ook de verbindingen en routestructuren naar de dorpen van belang. Bestaande verblijfsrecreatieve voorzieningen kunnen zich verder versterken, uiteraard met in acht nemen van voor de kenmerkende groene gebiedskwaliteiten. Maar we zien geen ruimte voor nieuwe grootschalige voorzieningen in dit deelgebied.
Door zijn middelschaligheid is het Dynamisch Areaal bij uitstek het gebied van de gezinsbedrijven, eventueel in combinatie met verbrede landbouw met kansen voor cross-overs en de ontwikkeling van nieuwe plattelandsconcepten. Doorontwikkeling naar echte grootschalige bedrijven (zoals voorzien in deelgebied 1) ligt hier minder voor de hand.
Medewerking aan nieuwe initiatieven
Wat betreft initiatieven voor dagrecreatie geeft de gemeente in de structuurvisie aan dat in deelgebied 2 een zeer grote kans op medewerking is. Medewerking aan verblijfsrecreatieve acitiviteiten is mogelijk onder voorwaarden. Aan een ontwikkeling kan al dan niet medewerking worden verleend door de beoordeling van de ruimtelijke ontwikkeling op gebiedsspecifieke en algemene voorwaarden.
Gebiedsspecifieke voorwaarden:
Algemene voorwaarden:
Afweging Structuurvisie Buitengebied
De beoogde visvijver met dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen draagt bij aan de diversiteit van het recreatieve aanbod. Het initiatief sluit aan bij zijn omgeving, doordat hier reeds een vijver aanwezig is, waarbij reeds extensief recreatief medegebruik is toegestaan. Doordat de vijver wordt opgewaardeerd tot een volwaardige visvijver en slechts in zeer beperkte mate bebouwing mag worden opgericht, doet de ontwikkeling geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten van het gebied. Uit de toelichting van dit bestemmingsplan blijkt dat de locatie milieuhygiënisch aanvaardbaar is en niet leidt tot verkeers- en parkeeroverlast. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plan past binnen de randvoorwaarden van de gemeentelijke Structuurvisie.
In het op 17 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 2013 is het plangebied bestemd tot 'Agrarisch met waarden' (zie par. 1.3). Binnen deze bestemming zijn er geen mogelijkheden om de beoogde recreatieve voorzieningen te realiseren. Extensief dagrecreatief medegebruik (waaronder het vissen) is weliswaar toegestaan, maar niet in combinatie met verblijfsrecreatieve voorzieningen. Middels het onderhavige (postzegel)bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling mogelijk gemaakt.
Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op het realiseren van het ruimtelijk beleid. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan de orde: milieuaspecten (geluid, bodem, bedrijfshinder en zonering, externe veiligheid, luchtkwaliteit, duurzaam bouwen), fysieke aspecten (waterhuishouding (riolering en watertoets), archeologie en cultuurhistorie, verkeer en vervoer, kabels, leidingen en overige belemmeringen, alsmede natuur en landschap).
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld (Brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009).
In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied:
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustige buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied;
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De Eerste Stichting en omgeving dient te worden gekwalificeerd als gemengd gebied, aangezien sprake is van een gebied met agrarische bedrijven, burgerwoningen, recreatie en enkele maatschappelijke functies.
De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie).
De visvijver komt niet voor in de indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie. De enige activiteit op deze lijst waar de visvijver min of meer vergelijkbaar mee is qua milieubelasting is een kampeerterrein. Echter vindt bij de beoogde visvijver slechts op zeer beperkte schaal ondergeschikte verblijfsrecreatie plaats. Een kampeerterrein is een activiteit van milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter voor het aspect geluid, 30 meter voor de aspecten geur en gevaar en 0 meter voor stof. Binnen deze richtafstand zijn geen woningen gelegen.
Conclusie milieuzonering
Uit de hiervoor genoemde afweging blijkt dat er geen woningen binnen de richtafstand zijn gelegen. Het aspect milieuzonering vormt hierdoor geen belemmering voor de realisatie van een visvijver met recreatieve voorzieningen in het plangebied.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Daartoe is door Aeres Milieu een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport, dat als bijlage bij deze toelichting is bijgevoegd.
De resultaten van het vooronderzoek geven een voldoende beeld van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (niet verdacht).
Conclusie bodem- en grondwaterkwaliteit
Uit de rapportage van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geen belemmering vormen voor realisering van dit bestemmingsplan.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. De voorgenomen ondergeschikte (verblijfs)recreatie in het plangebied is een beperkt kwetsbaar object volgens artikel 1 van het Bevi (kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden bestemd voor het verblijf van minder dan 50 personen).
In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.
|
| Uitsnede Risicokaart Nederland met aanduiding ligging plangebied (blauw omlijnd) |
Inrichtingen
In de omgeving van het plangebied komen volgens de risicokaart enkele objecten voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Bij het pluimveebedrijf aan de Eerste Stichting 2 ligt een bovengrondse propaantank. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze inrichting bedraagt 35 meter en reikt niet tot aan het plangebied. Daarnaast liggen er bovengrondse propaantanks bij de agrarische bedrijven aan de Gemertseweg 29 en 30b, op een afstand van ruim 500 meter ten zuidoosten van het plangebied. Bij deze tanks is er geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour 10-6.
Buisleidingen
Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
In het noordelijk deel van het plangebied liggen drie aardgasleidingen, die van noord naar zuid het plangebied doorkruisen. De plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 van deze leidingen bedraagt circa 120 meter en ligt hiermee over een groot deel van het plangebied. Binnen de PR 10-6-contour zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan. De voorgenomen ondergeschikte (verblijfs)recreatie in het plangebied is een beperkt kwetsbaar object.
Binnen de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 van de gasleidingen zullen geen visplaatsen met kampeerplek gerealiseerd worden. De visplaatsen liggen echter wel binnen het invloedsgebied van de buisleidingen. Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling neemt het groepsrisico zeer beperkt toe. Op basis van artikel 12 van het Bevb is daarom een verantwoording van het groepsrisico nodig. Op basis van lid 3 onder b kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, omdat het groepsrisico na verwezenlijking van dit bestemmingsplan niet hoger is dan de oriëntatiewaarde. Hierbij is een beschrijving van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een ongeval met de buisleidingen nodig. Bovendien moet conform artikel 12, lid 2 van het Bevb de Veiligheidsregio om advies worden gevraagd.
Voor wat betreft de aardgasleidingen bestaan er met name risico's als gevolg van de uitstroom van aardgas, waardoor een gaswolkexplosie kan ontstaan. Wat betreft bestrijdbaarheid bestaan er geen feitelijke mogelijkheden om middels dit initiatief de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. Bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied in het geval van een ongeval met de buisleidingen bereikbaar is voor de hulpdiensten via de Eerste Stichting.
Afhankelijk van de afstand tot de aardgasleidingen zijn er twee zelfredzaamheidstrategieën: schuilen en vluchten. Binnen de 100% letaal-zone is vluchten de enige zelfredzaamheidsstrategie. Dit betreft de zone tot circa 210 meter van de leiding. Voor het overige deel van het plangebied zijn schuilen en vluchten zelfredzaamheidsstrategieën. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. In dit geval is het santaire gebouw het enige bouwwerk in het plangebied, waar eventueel geschuild kan worden. Het plangebied kan bij een calamiteit met de aardgasleidingen worden ontvlucht via de Eerste Stichting, waarna in noordelijke of zuidelijke richting van de buisleiding vandaan gevlucht kan worden.
Van belang is verder dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft advies gegeven vanwege de ligging van het plangebied in het invloedsgebied van de aardgasleidingen. Het volledige advies is als bijlage bij deze toelichting bijgevoegd. De veiligheidsregio adviseert samengevat als volgt:
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dat gaat over die vervoerskant.
In de Regeling Basisnet (Stcrt 2014, 8242) zijn de basisnetafstanden voor de weg, het spoor en het water vastgelegd. Verder is de afstand van het plasbrandaandachtgebied vastgelegd. De basisnetafstand geeft aan voor welke afstand een risicoplafond geldt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een PR-plafond en een GR-plafond.
Een PR-plafond is in de Regeling Basisnet omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is. Het GR-plafond is in dezelfde regeling omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is.
Vervoer per spoor
Volgens de Risicokaart Basisnet vindt in de omgeving van het plangebied geen risicovol transport plaats over het spoor.
Vervoer over de weg
Nabij het plangebied komen geen transportassen voor die zijn aangewezen als route waarover vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg plaatsvindt.
Vervoer over water
Blijkens de Risicokaart Basisnet vindt in de omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over waterwegen.
Conclusie externe veiligheid
Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt in het kader van dit bestemmingsplan.
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.
De visvijver met recreatieve voorzieningen is geen geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Conclusie geluid
Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de realisering van de visvijver inclusief dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen ter plaatse.
De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen.
De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een wettelijke vastgestelde bandbreedte, de beleidsvrijheid om zelf geurnormen vast te stellen.
Het college van B&W heeft in haar vergadering van 17 mei 2016 de geurgebiedsvisie Sint Anthonis 2016 vastgesteld. Op 23 juni 2016 heeft de gemeenteraad van Sint Anthonis besloten de verordening geurhinder en veehouderij gemeente Sint Anthonis 2016 en de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Sint Anthonis 2016 definitief vast te stellen. Met het actualiseren van de gemeentelijke geurverordening en de beleidsregel ten aanzien van geur en ruimtelijke ontwikkelingen wordt een betere bescherming t.a.v. geuroverlast door veehouderijen beoogd. Daarnaast blijft het noodzakelijk om ruimte te houden voor gewenste functieveranderingen in het buitengebied en voor een duurzame ontwikkeling van de veehouderij.
In de verordening is bepaald dat voor de verschillende deelgebieden verschillende maximale waarden gelden voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied E buitengebied. Binnen dit deelgebied geldt een maximale geurbelasting van 8 OuE.
|
| Uitsnede uit kaart 'Actualisatie geurverordening gemeente Sint Anthonis', behorende bij de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Sint Anthonis 2016' (Arcadis d.d. 26 april 2016, nr. C05058.000139 |
De beoogde verblijfsrecreatieve voorzieningen bij de visvijver zijn geen geurgevoelig objecten. De vis- en kampeerplaatsen, waar verblijfsrecreatie in tenten plaatsvindt, zijn geen geurgevoelige objecten, omdat dit geen gebouwen zijn. Het sanitiare gebouw aan de zuidzijde van het plangebied is evenmin een geurgevoelig object. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 van 13 februari 2013 hoeft dit gebouw niet beschouwd te worden als een geurgevoelig object, omdat hier niet langdurig zal worden verbleven.
Omdat er geen geurgevoelige objecten worden gerealiseerd, is verdere toetsing aan het aspect geurhinder niet vereist.
Conclusie geurhinder
Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
| Stof | Toetsing van grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ |
Besluit niet in betekenende mate (NIBM)
In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³).
In paragraaf 5.3.5 is aangetoond dat volgens de berekeningen van de CROW-rekentool een toename van de verkeersgeneratie wordt verwacht van twee verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Hier is uitgegaan van een worst-case scenario. Deze zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen is niet in betekende mate van invloed op de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk
Achtergrondwaarden
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) was de concentratie PM2,5 in 2016 ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 in 2016 gelegen beneden de 18 µg/m³ en de concentratie NO2 in 2016 ter plaatse gelegen tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende.
Conclusie luchtkwaliteit
Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Toets m.e.r-plicht
In het plangebied wordt een visvijver met voorzieningen voor dag- en verblijfsrecreatie gerealiseerd. Deze activiteit komt niet voor in Lijst C in de bijlage van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.
Toets m.e.r.-beoordelingsplicht
In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. Het realiseren van een visvijver komt niet voor op Lijst D in de bijlage van het besluit m.e.r.. Voor het voorliggend plan geldt daarom ook geen m.e.r.-beoordelingsplicht.
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Sint Anthonis heeft het plangebied deels een lage archeologische verwachting (categorie 6). Hiervoor geldt geen onderzoeksplicht. Andere delen van het plangebied hebben een hoge archeologische verwachting (categorie 4). Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 50 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2. Daarnaast ligt het noordelijk deel van het plangebied binnen de Peel raamstelling. Er is geen archeologische onderzoeksplicht gekoppeld aan de Peel raamstelling.
|
| Uitsnede uit Archeologische beleidskaart gemeente Sint Anthonis (3 juli 2012) met aanduiding ligging plangebied (blauw omlijnd) |
Binnen het deel van het plangebied dat een hoge archeologische verwachting kent, zullen in het kader van de voorliggende ontwikkeling werkzaamheden in de bodem plaatsvinden. Ter plaatse is het graven van enkele watergangen voorzien, waarin rust- en paaiplaatsen voor vissen gecreëerd worden. Deze geulen zullen de oppervlakte- en diepteondergrenzen overschrijden, waardoor een archeologisch onderzoek nodig is.
Aeres Milieu heeft daarom een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport, dat als Bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd.
Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het plangebied grotendeels is verstoord tot minimaal in de top van de C-horizont. De oorspronkelijke bodemopbouw is verdwenen en volledig opgenomen in de bovenliggende ploeglaag. Vermoedelijk als gevolg van herinrichting van het terrein in het verleden. Archeologische resten kunnen nog worden aangetroffen in sommige delen van het plangebied.
Er wordt aanbevolen de delen van het plangebied waar de boringen van groep 1 zijn gesitueerd vrij te geven, omdat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Rondom boring 1 en 4 wordt geadviseerd dat het terrein tot 80 centimeter -mv wordt vrijgegeven (105 centimeter in boring 1 tot de intacte bodem met een buffer van 20 centimeter). Voor de overige terreindelen wordt aanbevolen om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren indien er ter plaatse sprake is van bodemroerende activiteiten. Een dergelijk vervolgonderzoek kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Een dergelijk onderzoek kan alleen worden uitgevoerd met een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen.
|
| Boorpuntenkaart met advies vervolgonderzoek archeologie |
Ten behoeve van het benodigde proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld, dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd. Ter plaatse van de beoogde geulen zullen proefsleuven worden gegraven. Op 20 september 2019 is het PvE goedgekeurd door het bevoegd gezag, waarna in oktober 2019 het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage, die als Bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd.
Bij uitvoering van het proefsleuvenonderzoek zijn er geen relevante resten aangetroffen in het plangebied. Wel is gebleken dat de bodems ter plaatse nagenoeg intact waren. De aanbevelingen voortvloeiend uit het booronderzoek waren gegrond. Op basis van het ontbreken van archeologische resten binnen het plangebied kan worden gesteld dat er voor dit deel van het plangebied geen sprake is van een vindplaats en wordt geadviseerd dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging van het bodemarchief als gevolg van de voorgenomen verstoring tot een minimum worden beperkt.
Hoewel de kans klein is, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Indien tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dient hiervan melding te worden gemaakt bij de gemeente Sint Anthonis conform Artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet 2016.
Conclusie archeologie
Op basis van de bovenstaande onderzoeksresultaten heeft het bevoegd gezag besloten het gehele plangebied archeologisch vrij te geven. Het selectiebesluit is bijgevoegd als Bijlage 6 bij deze toelichting. De archeologische dubbelbestemming is daarom in het voorliggende bestemmingsplan niet meer opgenomen. Samengevat vormt het aspect archeologie hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Blijkens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn er in of in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig die een belemmering zouden kunnen vormen voor dit bestemmingsplan.
|
| Afbeelding 12. Uitsnede uit Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd) |
Het plangebied ligt binnen het cultuurhistorisch landschap 'Landgoederenzone in de Peel' en binnen de regio 'Peelkern'.
Wat betreft de ligging in de regio 'Peelkern' ontleent deze regio zijn cultuurhistorische betekenis in eerste instantie aan de veenwinning. De kanalen, wijken, ontginningsdorpen en wegen met beplanting geven een beeld van de grootschalige vervening die hier vanaf 1850 heeft plaatsgevonden. Op enkele plaatsen komen Peelbanen en veenputjes voor die wijzen op kleinschalige turfwinning. De grote landgoederen die omstreeks 1900 zijn gesticht zijn van cultuurhistorisch belang door de landhuizen, bijgebouwen en pachtboerderijen, parken en laanstructuren. In de regio ligt een groot deel van de Peel-Raamstelling. De aanwezige cultuurhistorische waarden kunnen worden behouden door deze in samenhang verder te ontwikkelen, beschermen en toeristisch-recreatief te ontsluiten. Dit geldt in het bijzonder voor de Peel-Raamstelling en de cultuurhistorische landschappen Griendstveen-Helenaveen' en 'Landgoederenzone in de Peel'.
Binnen de 'Landgoederenzone in de Peel' bestaat het landschap uit een ensemble van landgoederen. bijzonder voor dit gebied zijn de grootschalige, jonge ontginningen waarvan de landgoederen deel uitmaken. De lange rechte lijnen worden grotendeels bepaald door laat-middeleeuwse dorpsgrenzen. De laanbeplantingen zijn vaak monumentaal. Gestreefd wordt naar het behoud en beter beleefbaar maken van het monumentale ontginningslandschap met grote lijnen, zoals lanen. Natuurontwikkeling, waterberging en economische dragers dienen te worden afgestemd op de cultuurhistorische identiteit.
Het plangebied is niet gelegen binnen een landgoed. Het noordelijk deel van het plangebied ligt wel binnen de Peel Raamstelling. De Peel-Raamstelling maakte deel uit van de verdedigingslinie tegen Duitsland uit de jaren '30 van de twintigste eeuw. Er werd een verdedigingslinie aangelegd tussen Grave en Budel-Dorplein bij de Belgische grens. Onderdeel van de stelling is het in 1939 aangelegde Defensie- of Peelkanaal, dat ten noorden van het plangebied is gelegen. Met behulp van stuwen werd het kanaal in verschillende panden verdeeld. Aan weerskanten van het kanaal bracht men prikkeldraadversperringen aan. Aan de westkant van het kanaal wierp men een wal op; tussen de wal en het kanaal lagen de geschutstellingen. De defensielinie van de Peel-Raamstelling gekoppeld aan het Peelkanaal heeft een bijzondere cultuurhistorische betekenis.
Het deel van het plangebied dat binnen de Peel Raamstelling is gelegen, is in het vigerende bestemmingsplan juridisch-planologisch beschermd door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Peel raamstelling'. Op grond van deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod en zijn diverse grondwerkzaamheden niet toegestaan, waaronder het vergraven van grond en het aanleggen, verbreden en/of uitdiepen van sloten of greppels.
Ter plaatse van de Peel raamstelling zijn geen bouw- of graafwerkzaamheden voorzien. De aanwezige cultuurhistorische waarden worden hierdoor niet aangetast als gevolg van het initiatief.
Conclusie cultuurhistorie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. Voor het deel van het plangebied dat binnen de Peel raamstelling is gelegen, zal overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Peel raamstelling' worden opgenomen.
Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:
Voor de bouw van het douche- en toiletgebouw zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.
Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In het kader van het plan is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Tevens is de bescherming van houtopstanden, de voormalige Boswet, in de Wnb opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
De provinciale groenstructuur, bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (voormalig provinciale EHS) en Groenblauwe Mantel, is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook de beheergebieden voor agrarische natuurbeheer behoren tot het Natuurnetwerk Brabant. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet natuurbescherming (Wnb-andere soorten), de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels vanwege de Vogelrichtlijn (Wnb-hrl).
Op de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten ('categorie 1-4 soorten') zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Tenslotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen ('categorie 5-soorten'). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld.
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust en verblijfplaats te garanderen.
Onderhavig initiatief is door BRO getoetst aan de van toepassing zijnde natuurwetgeving. In de navolgende paragrafen zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek verwoord. De volledige toets is als Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan raadpleegbaar.
Conclusies gebiedsbescherming
Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de Deurnsche Peel en Mariapeel, op ruim 10 kilometer ten zuiden van het plangebied. Gezien deze grote afstand en de aard van het plan (extensieve recreatie) zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Om negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie op voorhand te kunnen uitsluiten, is volledigheidshalve een Aerius-berekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jaar. Dit betekent dat een negatief effect als gevolg van stikstofdepositie op voorhand is uitgesloten.
Het plangebied ligt binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB, voormalig EHS geheten) zoals deze is vastgesteld op de kaart van de Interim omgevingsverordening. In paragraaf 4.3.3 is reeds toegelicht dat als gevolg van de voorliggende ontwikkeling geen negatief effect plaatsvindt op het NNB. Hierdoor kan gebruik worden gemaakt van artikel 3.18 lid 1 van de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant, waardoor het oprichten van de kleinschalige bebouwing ten behoeve van het recreatief medegebruik binnen het Natuur Netwerk Brabant is toegestaan.
Conclusies soortenbescherming
Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (roofvogels), vleermuizen, das, levendbarende hagedis en kommavlinder noodzakelijk geacht. Indien uit het onderzoek blijkt dat één of meerdere soorten daadwerkelijk aanwezig zijn en overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van het (indirect) verstoren en/of aantasten van aanwezige verblijfplaatsen en/of foerageergebied als gevolg van het voornemen niet voorkomen kan worden, dienen maatregelen genomen te worden en eventueel ontheffing aangevraagd te worden. Van belang hierbij is dat er geen sprake is van wezenlijke invloed en de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van beschermde soorten niet in het geding komt.
Daarnaast zal voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden rekening gehouden moeten worden met het broedseizoen van vogels en de algemene zorgplicht. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de individuen die tijdens de werkzaamheden (incidenteel) aanwezig kunnen zijn. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.
Naar aanleiding van de bovenstaande onderzoeksresultaten heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden naar de levendbarende hagedis, kommavlinder, de das, vleermuizen en roofvogels. De resultaten van dit vervolgonderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport, dat als Bijlage 9 bij deze toelichting is gevoegd.
Binnen het plangebied zijn waarnemingen gedaan van levendbarende hagedis. De aanwezigheid van de levendbarende hagedissen houdt in dat ervan uit gegaan mag worden dat in het gebied binnen enkele honderden meters van de waarneming op alle plekken die daarvoor geschikt zijn vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de levendbarende hagedis aanwezig zijn, evenals de essentiële omgeving die nodig is om deze plekken als zodanig te laten functioneren. Bij uitvoering van de voorgenomen plannen worden ter plaatse van de habitat van de levendbarende hagedissen geulen gegraven. In de nieuwe situatie zal dit leefgebied niet meer geschikt zijn, gezien het deels natte geulen en deels eiland wordt, en anders zal worden ingericht. Het leefgebied wat verloren gaat betreft circa 1.000 m2. Zonder maatregelen zal bij uitvoer van deze werkzaamheden overtreding van artikel 3.10 Wnb plaatsvinden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin maatregelen staan beschreven die genomen zullen worden om deze overtreding te voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan werken buiten de kwetsbare periode, wegvangen van individuen, gefaseerd werken in ruimte en tijd en aanpassen van werkapparatuur en/of werkwijze. Alternatief kan gedacht worden aan het aanpassen van de plannen, en af te zien van het aantasten van het leefgebied van de levendbarende hagedis.
De functie van het plangebied door de das als corridor is belangrijk. Er moet een goed (inrichtings)plan te komen waarbij de das minimaal wordt verstoord, of er dient compensatiegebied ingericht te worden waarmee het verlies van de corridor voor de das wordt gecompenseerd. Er zijn geen individuen van kommavlinder of in gebruik zijnde nesten van roofvogels binnen het plangebied waargenomen. Ook worden er geen verblijfplaatsen van vleermuizen vernield. De onderzochte soorten zullen daarmee geen negatieve effecten ondervinden van de voorgenomen ontwikkelingen.
Omdat als gevolg van de werkzaamheden leefgebied van de levendbarende hagedis verloren zal gaan, heeft BRO een activiteitenplan opgesteld voor de levendbarende hagedis in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van dit activiteitenplan kan ontheffing worden aangevraagd ten behoeve van het uitvoeren van de werkzaamheden. Het activiteitenplan is als Bijlage 10 bij deze toelichting gevoegd. In het plan zijn maatregelen beschreven om negatieve effecten te voorkomen dan wel te minimaliseren. In het noordoostelijk deel van het plangebied zal worden voorzien in circa 3.500 m2 nieuw leefgebied voor de levendbare hagedis. De strook grasland die hier aanwezig is, wordt omgezet naar een vochtig heidegebied, dat geschikt is als leefgebied voor de hagedis.
Het huidige leefgebied van de levendbarende hagedis in het plangebied wordt vervolgens ongeschikt gemaakt voordat de daadwerkelijke werkzaamheden zullen plaatsvinden. De aanwezige hagedissen kunnen zelf wegtrekken naar geschikt gebied, of ze kunnen worden gevangen en verplaatst naar geschikt gebied. Vervolgens wordt het huidige leefgebied afgezet, zodat de hagedissen niet kunnen terugkeren. Alvorens de werkzaamheden plaatsvinden, zal een controle plaatsvinden op achtergebleven individuen.
Door middel van de genoemde maatregelen komt de gunstige staat van instandhouding van de (lokale) populatie niet in het geding.
Vanwege de betekenis van het plangebied als corridor voor de das, is het van belang dat deze functie behouden blijft bij de voorliggende ontwikkeling. Hiervoor is geen ontheffing nodig op basis van de Wet natuurbescherming. De benodigde maatregelen dienen wel te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. BRO heeft hiervoor een maatregelenplan opgesteld ten behoeve van de das, dat als Bijlage 11 bij deze toelichting is gevoegd. De hoofdpunten uit het plan zijn hieronder samengevat.
Voor de das is het van belang dat het plangebied betreedbaar blijft, zijn functie als corridor behoudt en er 's nachts geen verstorende activiteiten plaatsvinden. Om het plangebied betreedbaar te houden, wordt geadviseerd om onderin het hekwerk rond het plangebied openingen van 30x30 cm te maken. Elke 50 meter dient een dergelijke opening te worden gerealiseerd. Daarnaast dient verstoring van dassen door hard geluid, aanwezigheid van honden en verlichting tot een minimum te worden beperkt. Door het nemen van deze maatregelen zijn negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de das redelijkerwijs uitgesloten.
In het noordelijk deel van het plangebied liggen drie planologisch beschermde aardgasleidingen, die van noord naar zuid het plangebied doorkruisen. De leidingen hebben in het vigerend bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. De beschermingszone met de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook', welke een breedte heeft van circa 70 meter, ligt over het noordelijk deel van het plangebied. Ter plaatse van deze dubbelbestemming mag niet worden gebouwd. Daarnaast mag binnen een zone van 35 meter aan weerzijden van de hartlijn van een leiding niet worden gebouwd. Het bouwen van gebouwen is middels een omgevingsvergunning toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
Daarnaast is een aantal werkzaamheden vergunningplichtig ter plaatse van de beschermingszone:
Ter plaatse van de leidingen en de beschermingszone worden geen gebouwen opgericht. Voor het aspect externe veiligheid van deze leidingen wordt verwezen naar paragraaf 5.2.3, waar tevens een verantwoording van het groepsrisico is gegeven. De ligging ten opzichte van de aardgasleiding vormt hiermee geen belemmering voor het voorliggende plan.
Voor het overige komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de realisatie van het bouwplan belemmeren. De dubbelbestemmingen 'Leiding - Gas' en 'Leiding - Leidingstrook' worden overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
Het plangebied is direct gelegen aan de Eerste Stichting. Deze weg sluit ten zuiden van het plangebied aan op de Gemertseweg, welke de oost-west verbinding vormt met Elsendorp en Gemert in het westen en Oploo en Sint Anthonis in het oosten. In noordelijke richting leidt de Eerste Stichting naar het dorp Landhorst. Het plangebied is hiermee goed ontsloten.
In de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' zijn kencijfers opgenomen voor woon- en werkgebieden die het mogelijk maken om op globaal niveau te kunnen rekenen aan de effecten van plannen.
Hierin zijn geen kencijfers opgenomen voor een visvijver. De verblijfsrecreatieve activiteiten die mogelijk worden gemaakt bij de visvijver, kunnen qua verkeersgeneratie beschouwd worden als een camping (kampeerterrein). Voor deze activiteit moet volgens de CROW-publicatie rekening worden gehouden met 0,4 verkeersbewegingen per standplaats per etmaal. Er worden drie visplaatsen gecreëerd voor jaarrond verblijfsrecreatie. Dit levert een verkeersgeneratie op van twee verkeersbewegingen per etmaal. Dit is een te verwaarlozen toename van het aantal verkeersbewegingen op de Eerste Stichting en aansluitende wegen. De huidige wegenstructuur is zodanig dat dit aantal verkeersbewegingen gemakkelijk kan worden opgevangen.
Hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn voor bepaalde functies, is vastgelegd in algemene normen. Bij nieuwbouw en bij herstructurering van bestaande functies dient de geldende parkeernorm 'op eigen erf' toegepast te worden. De gemeente sluit hiertoe aan bij de meest recente landelijke parkeernormen (de geldende CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie').
Net als voor de verkeersgeneratie zijn ook voor parkeren geen kengetallen voor een visvijver opgenomen in de CROW-publicatie. Uitgaande van de parkeerbehoefte voor een camping of kampeerterrein zijn gemiddeld 1,2 parkeerplaatsen nodig per standplaats. Op het onverharde terrein bij de ingang aan de zuidzijde van het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte.
De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Het doel van de watertoets is dat water een volwaardige rol speelt in ruimtelijke plannen. Het middel dat de watertoets daarvoor gebruikt, is het zo vroeg mogelijk betrekken van de waterbeheerder bij een nieuw ruimtelijk plan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Eerste aanspreekpunt voor de gemeente is in principe het waterschap (Aa en Maas). Naast het waterschap zijn er nog andere waterbeheerders zoals provincie Noord-Brabant, Brabant Water en Rijkswaterstaat. Het waterschap coördineert het wateradvies. De waterparagraaf moet het bewijs leveren dat water inderdaad een volwaardige plaats heeft gekregen in het maken van het ruimtelijk plan.
Nationaal Waterplan
De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan. Het Nationaal Waterplan wordt vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).
Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt:
Provinciaal Waterplan Noord-Brabant
Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving.
Het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. Dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van Provinciale Staten. Onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten worden in de Dynamische Uitvoeringsagenda PMWP (DUA) de aanpak en de daaruit volgende uit te voeren acties door de provincie gespecificeerd. Ook acties van derden kunnen hieraan toegevoegd worden voor zover ze bijdragen aan de provinciale doelen en passen in de voorgestelde aanpak.
Uitgangspunt is dat wordt samengewerkt aan een duurzame fysieke leefomgeving, waarbij wordt uitgegaan van:
Het PMWP bevat probleemstellingen, doelstellingen en concrete maatregelen waarmee de volgende (hoofd)uitgangspunten worden beschreven:
Gezonde fysieke leefomgeving
Veilige fysieke leefomgeving
Groene groei
Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas
In het Waterbeheerplan 2016 – 2012 is de strategie voor de genoemde periode vastgelegd. Er wordt voor gekozen om de lijn uit het WBP 2010 – 2015 door te zetten met nieuwe accenten.
De doelen op hoofdlijnen voor 2016-2021 zijn:
Naast de directe bijdrage aan een duurzame leefomgeving met de aanwezigheid van een goed functionerend watersysteem, draagt het waterschap via water ook bij aan bredere maatschappelijke thema's:
Keur waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta
Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grond- en oppervlaktewater. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels.
Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Op planniveau is voor de herontwikkeling met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 compensatie vereist. Aan de hand van de Algemene Regel (Artikel 15: Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de vernieuwde Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Bij een toename groter dan 10.000 m2 is de Beleidsregel van toepassing en dient een waterhuishoudkundig rapport opgesteld te worden en is een overleg met het waterschap noodzakelijk.
Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: Infiltreren of retentie binnen of nabij het plangebied. Aanbevelingen voor het ontwerpen van een compensatievoorziening zijn:
Oppervlaktewater
In het plangebied ligt de bestaande visvijver. Dit oppervlaktewater staat niet op de legger van het Waterschap Aa en Maas. Voor het overige zijn er blijkens de legger geen oppervlaktewateren in het plangebied gelegen. In de directe omgeving van het plangebied zijn wel diverse primaire watergangen gelegen. Het plangebied is echter niet gelegen binnen de beschermingszone van deze watergangen.
|
| Uitsnede uit Legger oppervlaktewater waterschap Aa en Maas met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd) |
Bodemgesteldheid en grondwater
De bodem in het plangebied bestaat uit haarpodzolgronden, leerarm en zwak lemig fijn zand. Het plangebied ligt blijkens de legger van het Waterschap Aa en Maas binnen een beschermd gebied waterhuishouding. Dit betreft een gebied dat beschermd dient te worden tegen verdroging.
Hemel- en afvalwater
Ter plaatse is momenteel geen bebouwing aanwezig. Het hemelwater infiltreert ter plaatse in de bodem en stroomt gedeeltelijk af naar de aanwezige visvijver. Onder de Eerste Stichting is een drukrioolstelsel aanwezig. Hierop kan het afvalwater van het sanitaire gebouw aangesloten worden. Hiervoor dient tevens een aansluitingsvergunning van de gemeente Anthonis aangevraagd te worden.
Beschermingsgebieden water
Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.
Water in relatie gewenste ontwikkelingen
In het kader van ruimtelijke ontwikkeling is een watertoets verplicht. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen zodanig te worden vormgegeven dat er geen negatieve gevolgen ontstaan voor de plaatselijke waterhuishouding en de waterhuishouding in de omgeving. Zo mag een project niet tot een structurele verandering van de grondwaterspiegel leiden of tot een structurele toename van het afvloeiend hemelwater naar het omliggende watersysteem. Ook mag de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater niet worden aangetast. Kort gezegd dient een ruimtelijke ontwikkeling zoveel mogelijk 'hydrologisch neutraal' te geschieden.
Bij de ontwikkeling vindt slechts een zeer beperkte toename van het verhard oppervlak plaats, van maximaal 42 m2 vanwege de oprichting van het sanitaire gebouw aan de zuidzijde van het plangebied. Dit betreft een dermate kleinschalige toename dat er geen aanvullende voorzieningen nodig zijn voor hemelwaterberging. Het hemelwater kan eenvoudig worden geborgen in de visvijver, die ruim voldoende capaciteit heeft om deze beperkte hoeveelheid hemelwater te kunnen verwerken.
Gezien de ligging van het plangebied binnen een beschermd gebied waterhuishouding dient dit plan in het kader van het wettelijk vooroverleg te worden voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas.
In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst.
In het voorliggende geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Hierdoor geldt er geen verplichting tot kostenverhaal.
Voor dit bestemmingsplan wordt geen inspraakprocedure gehouden. Het plan wordt rechtstreeks als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij eenieder de mogelijkheid heeft om een zienswijze op het plan in te dienen.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
Het concept bestemmingsplan is ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan de provincie Noord-Brabant en aan het waterschap Aa en Maas.
Een eerste vereiste voor een goede handhaving is een handhaafbaar bestemmingsplan. Bij het ontwikkelen van de regels voor het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' en de partiële herzieningen hiervan is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. Deze methodiek is met het onderhavige bestemmingsplan niet gewijzigd.
De regels zijn destijds aangepast aan de laatste stand van de jurisprudentie en wetgeving (zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht) en met inachtneming van de RO-standaarden. Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van dit bestemmingsplan.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' is het destijds actuele ruimtelijk beleid voor het buitengebied van de gemeente vastgelegd, waarbij per onderwerp een keuze is gemaakt voor regeling in het bestemmingsplan of vastleggen van beleidsmatige uitgangspunten voor ontwikkelingsmogelijkheden in de structuurvisie. Dit beleidskader is nog steeds actueel, behoudens de Vr2014.
Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd.
Het bestemmingsplan 'Visvijver Eerste Stichting Oploo' is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels.
Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De bestemming 'Natuur' is weergegeven, met hierbinnen de functieaanduidingen 'specifieke vorm van recreatie - visvijver', 'specifieke vorm van recreatie - kampeerplaats' en 'specifieke vorm van recreatie - sanitaire voorziening'; Tevens zijn de dubbelbestemmingen 'Leiding - Gas', 'Leiding - Leidingstrook', 'Waarde - Natuur Netwerk Brabant' en 'Waarde - Peel raamstelling' opgenomen, alsmede de gebiedsaanduidingen 'overige zone - beperkingen veehouderij', 'overige zone - landschapselement' en 'veiligheidszone - leiding'.
In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende planregels van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Deze zijn opgesteld op basis van de Wro, het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De planregels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is getracht het aantal regels zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, dat werkelijk noodzakelijk is. Het kan in een concrete situatie voorkomen dat afwijking van de gestelde normen gewenst is. Hiertoe zijn in het bestemmingsplan diverse flexibiliteitregelingen opgenomen.
De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. Deze hoofdstukindeling is opgebouwd conform de richtlijnen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).
Hiernavolgend worden de planregels artikelsgewijs van een nadere toelichting voorzien.
| Hoofdstuk | Regel/artikel | Toelichting |
| Inleidende regels | Artikel 1 Begrippen | De in de planregels gebezigde begrippen worden hierin omschreven. |
| Artikel 2 Wijze van meten | Een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. | |
| Bestemmingsregels |
Artikel 3 Natuur
Artikel 4 Leiding - Gas Artikel 5 Leiding - Leidingstrook Artikel 6 Waarde - Natuur Netwerk Brabant Artikel 7 Waarde - Peel raamstelling |
Artikel 3 is de hoofdbestemming. De artikelen 4 t/m 7 bevatten de dubbelbestemmingen die over (delen van) het plangebied liggen. De bestemmingen zijn opgebouwd conform de richtlijnen uit de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin een vaste opzet voor de bestemmingsregels is vastgelegd. Het betreft in dit bestemmingsplan uitsluitend gedetailleerde bestemmingen. De opzet voor dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: - Bestemmingsomschrijving; - Bouwregels; - Nadere eisen; - Afwijken van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels; - Afwijken van de gebruiksregels; - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - Wijzigingsbevoegdheid. |
| Algemene regels | Artikel 8 Anti-dubbeltelregel | In deze regel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. |
| Artikel 9 Algemene bouwregels | In deze regel zijn bepalingen opgenomen over ondergronds bouwen en over bestaande maten en afstanden opgenomen | |
| Artikel 10 Algemene gebruiksregels | De algemene gebruiksregels geven aan wat in ieder geval wordt verstaan onder strijdig gebruik. | |
| Artikel 11 Algemene aanduidingsregels | De algemene aanduidingsregels regelen de diverse zoneringen. In dit bestemmingsplan gaat het om de aanduidingen 'overige zone - beperkingen veehouderij', 'overige zone - landschapselement' en 'veiligheidszone - leiding'. | |
| Artikel 12 Algemene afwijkingsregels | In de algemene afwijkingsregels zijn algemene regels opgenomen in het geval het gaat om geringe afwijkingen. Ook geldt er een algemene ontheffing voor overschrijding van de maten met 10% voor zover dit niet elders in de planregels is voorzien. | |
| Artikel 13 Algemene wijzigingsregels | In de algemene wijzigingsregels zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor onder andere verschuiven van bestemmingsgrenzen | |
| Artikel 14 Overige regels | De overige regels bevatten regels over van toepassing zijnde wettelijke regelingen, alsmede procedureregels voor nadere eisen | |
| Overgangs- en slotregels | Artikel 15 Overgangsrecht | Het overgangsrecht bevat de regels voor overgangsrecht van bouwwerken en gebruik. |
| Artikel 16 Slotregel | De slotregel geeft de titel van de planregels aan. |
De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:
Het ontwerp bestemmingsplan 'Visvijver Eerste Stichting Oploo' heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wro ter inzage gelegen van PM tot en met PM.
Op PM heeft de raad van de gemeente Sint Anthonis het bestemmingsplan vastgesteld.