| Plan: | Fiets- en voetpad, Wanroij |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1702.8BPOmmetjeWanroij-VA01 |
De gemeente Sint Anthonis is voornemens een fiets- en voetpad aan te leggen ten zuiden van de kern Wanroij. Naar aanleiding van een initiatief van de dorpsraad heeft in 2000 reeds een onderzoek plaatsgevonden naar de haalbaarheid van het aanleggen van diverse fiets- en wandeltracés rond de kern Wanroij. De behoefte aan dergelijke fiets- en wandelpaden is in de huidige situatie nog onverminderd aanwezig, als langzaam verkeersverbinding en als recreatieve route/ommetje. In samenwerking tussen een burgercomité en de gemeente is het voorliggende plan ontwikkeld.
Het (voorkeurs)tracé van het pad is gekozen uit vier varianten en zal een lengte hebben van circa 1 kilometer. Het tracé is projecteerd tussen de wegen Peelkant en Kattenstraat, op de noordelijke oever van de primaire watergang die hier loopt en vervolgens langs enkele landbouwpercelen en een bomenrij. De percelen waarop het pad is voorzien, zijn kadastraal bekend als gemeente Wanroij, sectie K, nummers 805, 1152, 479, 295 en 293. Op het perceel met nummer 1152 zal naast het pad een informatiepunt worden gerealiseerd in de vorm van een schuilhut met een bankje en een informatiebord.
De ontwikkeling van het pad is volgens het geldende bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daarom in een adequate juridisch-planologische regeling voor het fiets- en voetpad. In dit bestemmingsplan wordt de gewenste ontwikkeling van het plangebied planologisch geregeld, waardoor de voorgenomen nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Sint Anthonis, ten zuiden van de kern Wanroij. Het pad wordt aan de zuidzijde begrensd door een primaire watergang. Ten noorden van het plangebied ligt een bomenrij met bomen en struiken. Verder naar het noorden liggen enkele woningen aan de Kattenstraat. Voor het overige wordt het plangebied begrensd door agrarische percelen.
|
| Topografische kaart met ligging plangebied (rood omlijnd) |
Het plangebied is geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013', zoals dit is vastgesteld door de gemeenteraad van Sint Anthonis op 18 juni 2013. Het plangebied is bestemd tot 'Agrarisch'. De beoogde ontwikkeling van een fiets- en wandelpad is binnen deze bestemming niet mogelijk, omdat binnen de bestemming 'Agrarisch' uitsluitend bestaande paden zijn toegestaan.
Voor het gehele plangebied geldt daarnaast de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor het merendeel van het plangebied is hierbij de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 3' opgenomen. Voor het meest noordelijke deel geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 2'. In paragraaf 5.3.1 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.
De dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone waterlopen' geldt voor de delen van het plangebied die grenzen aan de primaire watergang, die aan de zuidzijde van het beoogde pad liggen. De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' is opgenomen voor een rioolleiding die het pad kruist in noord-zuidrichting, in het middendeel van het plangebied.
In het meest noordelijke deel van het plangebied, nabij de aansluiting van het pad op de Kattenstraat, is een bomenrij (landschapselement) gelegen, die is aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'overige zone - landschapselement'. Een strook langs de Peelkant, met een breedte van circa 14 meter, is aangeduid als 'overige zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone'. Voor het gehele plangebied gelden tot slot de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en 'overige zone - agrarisch gebied'.
|
| Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' met ligging plangebied (rood omlijnd) |
Op het plangebied zijn de regels van voornoemd bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' van toepassing, zoals deze luiden na de partiële herzieningen ervan in de bestemmingsplannen 'Buitengebied, Veegplan 1', vastgesteld door de raad op 10 maart 2016 en 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis', vastgesteld door de raad op 7 juli 2016.
Bij de laatstgenoemde partiële herziening zijn de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en 'overige zone - agrarisch gebied' komen te vervallen. De gebiedsaanduidingen 'overige zone - beperkingen veehouderij' en 'overige zone - gemengd landelijk gebied' zijn bij deze herziening van toepassing verklaard op het gehele plangebied.
In het volgende hoofdstuk (2) wordt de huidige situatie beschreven. Hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van het plan. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. Hoofdstuk 5 bevat een toets aan de relevante milieu- en overige onderzoeksaspecten. In hoofdstuk 6 komt de juridische toelichting van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de procedure beschreven.
De percelen waarop het fiets- en voetpad zijn voorzien, zijn voor het merendeel in gebruik als agrarische gronden (hoofdzakelijk akkerbouwpercelen). De gronden in de omgeving van het plangebied zijn eveneens hoofdzakelijk in agrarisch gebruik. De zuidgrens van het plangebied wordt gevormd door een primaire watergang. De weg Peelkant vormt de westgrens van het plangebied. Deze weg leidt in noordelijke richting naar de kern Wanroij en in zuidelijke richting naar het Recreatiepark de Bergen en de kern Landhorst. In het noordelijk deel van het plangebied sluit het pad aan op de Kattenstraat. Dit betreft een woonstraat aan de zuidzijde van de kern Wanroij en leidt in noordelijke richting verder het dorp in. Aan de noordzijde van het plangebied ligt tevens een bomenrij, bestaande uit bomen en struiken.
|
| Luchtfoto huidige situatie plangebied |
Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een fiets- en wandelpad mogelijk. Het plan voor het pad is uitgewerkt in samenwerking tussen een burgercomité en de gemeente. Voor het tracé zijn vier varianten uitgewerkt, waaruit het voorliggende tracé is gekozen. Enerzijds dient dit pad als een veilige langzaam verkeersverbinding tussen het dorp Wanroij en het ten zuiden hiervan gelegen buitengebied. Anderzijds dient het pad als recreatieve route, waardoor het landelijk gebied beter beleefbaar gemaakt wordt.
Aan de westzijde sluit het pad aan op de Peelkant. Het pad zal een verbinding vormen tussen de Peelkant en de Kattenstraat, die aan de noordoostzijde van het plangebied ligt. In de navolgende afbeelding is het tracé van het pad opgenomen.
Het pad wordt uitgevoerd in een halfverharding, bestaande uit menggranulaat en kleischelpen. Het pad krijgt een lengte van circa 1 kilometer en een breedte van 1,5 meter. Aan de noordzijde van het pad, op het perceel met nummer 1152, wordt voorzien in een informatiepunt in de vorm van een schuilhut met een bankje en een informatiebord. Voor de schuilhut wordt gestreefd naar een groene uitstraling en een natuurlijke vormgeving die past in het omliggende landschap.
De gemeente Sint Anthonis heeft de gronden ter plaatse van het tracé in eigendom verworven. Na het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure zal gestart worden met de aanleg van het pad.
|
| Tracé fiets- en wandelpad |
Om het initiatief mogelijk te maken is op de verbeelding van dit bestemmingsplan voor het tracé van het pad, inclusief bermen, de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Voor de locatie van de beoogde schuilhut zal eveneens de bestemming 'Verkeer' worden opgenomen met de functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer - schuilhut'.
Voor het overige is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013', met inachtneming van de wijzigingen daarin middels het bestemmingsplan 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis'.
In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 4.2, § 4.3 en § 4.4) Bij het rijksbeleid wordt ingegaan op de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en van de Verordening ruimte 2014. Voor wat betreft het gemeentelijk beleid wordt onder andere ingegaan op de Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis en op het geldende bestemmingsplan.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.
Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Relevante nationale belangen voor onderhavig plangebied zijn als volgt:
Afweging
Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming zoals bij alle ruimtelijke plannen. Voor het overige is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte direct in het geding zijn.
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.
Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).
Afweging
Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde Rijksbelangen rechtstreeks door. Het bestemmingsplan is dan ook in lijn met het Barro.
De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.
Afweging
Het plangebied ligt binnen het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel. Ter plaatse van het radarverstoringsgebied gelden hoogtebeperkingen aan de bouwhoogte van bouwwerken en de hoogte van windturbines. De maximale bouwhoogte ter hoogte van het plangebied bedraagt 90 meter boven NAP. Aangezien de voorliggende ontwikkeling slechts de realisatie van een fiets- en voetpad omvat en hierbij uitsluitend een schuilhut met een bouwhoogte van circa 3,5 meter wordt opgericht, vormt de ligging in het radarverstoringsgebied geen belemmering.
Zoals op de onderstaande afbeelding is te zien, ligt het plangebied net buiten het obstakelbeheergebied van de militaire vliegbasis Volkel. Ter plaatse van het obstakelbeheergebied gelden hoogtebeperking voor de bouwhoogte van bouwwerken, ter bescherming van de belangen van de militaire luchthaven. Aangezien het plangebied net buiten het obstakelbeheergebied ligt, zijn er geen belemmeringen voor deze ontwikkeling.
|
| Kaart militair luchtvaartterrein - Vliegbasis Volkel, bijlage 3.8 bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, met globale ligging plangebied (rode pijl) |
Op 1 oktober 2012 is onder andere het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen.
De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient volgens deze nieuwe versie van de ladder een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient een motivering te worden gegeven waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Afweging
De ontwikkeling van een fiets- en voetpad is geen stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van het Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6 van het Bro is dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:
In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.
De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 5.2.7.
Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De omgevingsvisie bevat de ambities voor de Brabantse leefomgeving tot 2050. Daarnaast zijn mobiliserende tussendoelen opgesteld voor de periode tot 2030.
De basisopgave van de omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn de volgende vier hoofdopgaven geformuleerd:
De provincie koestert de aspecten van de leefomgeving die Brabantse steden en dorpen aantrekkelijk maken als vestigings- en woonprovincie. Dit vraagt om investeren in behoud, versterking en belevingsmogelijkheden van het landschap met zijn natuur- en cultuurhistorische waarden. Nieuw gebruik van de open ruimte moet gepaard gaan met meerwaardecreatie, zodat een ontwikkeling kwaliteit toevoegt aan de plek. De provincie ondersteunt lokale initiatieven voor de versterking van landschap en natuur.
Daarnaast worden mogelijkheden gezocht om de verbinding tussen stad, dorp en landelijk gebied te versterken. Dit kan bijvoorbeeld door te zorgen voor goede verkeersveilige fietsverbindingen tussen stad en het landelijk gebied: zo kunnen stedelingen genieten van natuur en landschap en kunnen inwoners van de omliggende landelijke gebieden de stedelijke voorzieningen goed bereiken. Wat betreft recreatie wordt gestreefd naar een recreatieaanbod met een breed scala aan mogelijkheden, variërend van stiltegebied tot pretpark.
Afweging
De ontwikkeling van een fiets- en wandelpad ten zuiden van de kern Wanroij draagt bij aan de versterking van de verbinding tussen het stedelijk en landelijk gebied. De ontwikkeling voorziet namelijk in een verkeersveilige fiets- en wandelverbinding tussen het dorp en het landelijk gebied. Bovendien draagt het plan bij aan een uitbreiding van het recreatievoorzieningenniveau, doordat het pad ook een recreatieve functie krijgt en het landelijk gebied hierdoor beter beleefbaar wordt gemaakt.
Tot slot voegt de ontwikkeling kwaliteit toe aan het landelijk gebied, doordat wordt voorzien in een kwalitatief goede en veilige verbinding. Het pad sluit aan op bestaande landschapselementen, zoals de aanwezige waterlopen.
De ontwikkeling is hiermee passend binnen de Omgevingsvisie Noord-Brabant.
Op 19 maart 2014 is de Verordening ruimte 2014 (hierna: Vr2014) van de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Hierna hebben meerdere hierzieningen van de verordening plaatsgevonden. Op 31 juli 2018 is een geconsolideerde versie van de Vr2014 in werking getreden. Gemeenten en planopstellers moeten bij het opstellen van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen de regels van de Verordening ruimte 2014 toepassen, waarmee de gemeentelijke bevoegdheden worden ingeperkt. Behalve dat de verordening eisen stelt aan door de gemeenten in Noord-Brabant op te stellen plannen en besluiten, vormt het een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen.
In de Vr2014 is aangegeven hoe men omgaat met ruimtelijke ontwikkelingen in Brabant. Op de kaart, behorende bij de Vr2014, zijn vier verschillende structuren en aanduidingen weergegeven:
Het beleid van de provincie is voor een groot deel gebaseerd op deze structuren. Per structuur is in de regels aangegeven welke ontwikkelingsmogelijkheden per functie of locatie mogelijk is. De structuren zijn gekoppeld aan de Structuurvisie RO, welke voor het gehele grondgebied van de Provincie Noord-Brabant geldt. Deze structuren bestonden ook al in voorgaande versies van de Verordening ruimte. De structuren zijn aanvullend op elkaar en sluiten elkaar uit. Dit betekent dat ieder ruimtelijk oppervlak in Brabant onder één van deze structuren valt, maar niet onder meerdere structuren tegelijk kan vallen. Directe rechten kunnen aan de structuren niet ontleend worden en zijn daarom ook niet als zodanig in het bestemmingsplan opgenomen.
|
| Uitsnede uit Integrale plankaart met structuren en aanduidingen Vr2014 met aanduiding ligging plangebied (blauw omlijnd) |
Het plangebied is gelegen binnen het gemengd landelijk gebied. Op basis van artikel 7.1 van de Vr2014 gelden hiervoor de volgende regels:
Voor de aanleg van fiets- en/of wandelpaden zijn geen specifieke regels opgenomen in de Vr2014. Wel is in artikel 7.18 een regeling voor de aanleg van wegen opgenomen, maar deze heeft betrekking op de aanleg en wijziging van gemeentelijke of provinciale wegen. Het voorliggende fiets- en voetpad betreft geen provinciale of gemeentelijke weg, waardoor deze regeling niet van toepassing is.
Het meest westelijke deel van het plangebied, gelegen langs de weg Peelkant, is aangeduid als 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone'. Op basis van artikel 11 van de Vr2014 gelden ter plaatse van deze aanduiding de volgende regels:
Afweging
De ontwikkeling van een fiets- en wandelpad is passend binnen de zone 'gemengd landelijk gebied'. Een strook langs de Peelkant, met een breedte van circa 14 meter, is aangeduid als 'overige zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone'. Ter plaatse van dit zoekgebied wordt geen bebouwing opgericht. De oppervlakte van de halfverharding ter plaatse van deze aanduiding is minder dan 100 m2, namelijk (14 x 1,5 =) 21 m2. De voorliggende ontwikkeling van een fiets- en wandelpad heeft hierdoor geen negatieve invloed op de mogelijkheden voor verwezenlijking, behoud en beheer van de ecologische verbindingszone. De ligging van een klein deel van het pad binnen de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' is hierdoor niet bezwaarlijk. Deze aanduiding en de hierop van toepassing zijnde regels zijn tevens opgenomen in dit bestemmingsplan voor het betreffende deel van het plangebied.
In artikel 3 van de Vr2014 wordt ingegaan op de zorgplicht van de ruimtelijke kwaliteit. Dit principe is van toepassing op zowel het stedelijk als het landelijk gebied. De zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit betreft zorgvuldig ruimtegebruik, rekening houden met de omgeving en of de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. In de Verordening ruimte 2014 is als hoofdregel opgenomen dat ontwikkelruimte bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit.
In artikel 3.1 van de Vr2014 is bepaald dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling een verantwoording bevat dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid.
Tot slot gelden in het gehele plangebied regels met betrekking tot veehouderijen en mestbewerking. Aangezien het voorliggende plan geen betrekking heeft op veehouderijen en geen mestbewerking mogelijk wordt gemaakt, zijn deze regels niet van toepassing op dit plan.
Afweging
Middels de voorliggende ontwikkeling van een fiets- en voetpad wordt kwaliteit toegevoegd aan het landelijk gebied, doordat wordt voorzien in een kwalitatief goede en veilige langzaam verkeersverbinding. Het pad sluit aan op bestaande landschapselementen, zoals de aanwezige waterlopen, en wordt hierdoor zorgvuldig ingepast in het landschap. Bovendien zorgt het pad voor een verbinding tussen het dorp Wanroij en het landelijk gebied ten zuiden van deze kern, waardoor het landelijk gebied beter toegankelijk en beleefbaar wordt gemaakt voor langzaam verkeer en recreatieve fietsers en wandelaars. Het plan is hiermee passend binnen de uitgangspunten van de Vr2014.
De gemeenteraad heeft op 27 januari 2014 de Structuurvisie Buitengebied vastgesteld. De uitgangspunten hiervoor zijn neergelegd in het visiedocument Sint Anthonis Verbindt. Dit document geeft op hoofdlijnen weer welke waarden belangrijk zijn voor het buitengebied en dienen te worden behouden, welke maatschappelijke ontwikkelingen plaatsvinden en hoe de gemeente daarop reageert. In de structuurvisie worden de identiteit van de gemeente, de belevingskwaliteit en de maatschappelijke trends met elkaar gecombineerd. Men wil daarin ruimte bieden voor ontwikkeling, met oog voor het landschap dat als onderlegger dient. In het buitengebied worden verschillende gebieden onderscheiden die elk een eigen karakteristieke combinatie hebben van landschapskarakteristiek en functioneel gebruik.
|
| Deelgebieden Structuurvisie Buitengebied Sint Anthonis met aanduiding globale ligging plangebied (rood omlijnd) |
Het plangebied maakt deel uit van deelgebied 6: het kleurenpalet.
Karakteristiek
Dit deelgebied ligt in het midden van de gemeente Sint Anthonis. Het is het gebied om de kernen Wanroij, Ledeacker, Sint Anthonis en Oploo. Het gebied wordt gekenmerkt door het kleinschalige karakter en de diverse clusters van agrarische bedrijven/veehouderijen. Deze agrarische bedrijven/veehouderijen liggen aan de oorspronkelijke verbindingswegen tussen de kernen op hoger gelegen gronden. Andere gebiedskenmerken zijn de oude akker complexen, oude provinciale wegen door de dorpen, een stukje LOG, relatief veel burgerwoningen en recreatief-agrarische gebruik (paarden). Binnen deelgebied 6 zijn, in vergelijking met de andere deelgebieden, de meeste bebouwingskarakteristieken aanwezig. Zo bestaat het deelgebied uit bebouwingsconcentraties, open en halfopen linten buiten de kernen, en solitaire bebouwing binnen en buiten de kernrandzones. De dynamiek in dit deelgebied komt in belangrijke mate uit andere functies (dan de agrarische) die in steeds sterkere mate de functionele karakteristiek van dit gebied gaan bepalen.
Ambities
Het kleurenpalet is het oude agrarische landschap. De oorspronkelijke kleinschalige karakteristiek van het landschap gaat hand in hand met verbrede ontwikkelingen. Waarbij agrarische bedrijfsactiviteiten meer en meer overgaan naar wonen, toerisme en recreatie, maatschappelijke voorzieningen en kleinschalige bedrijvigheid.
Belangrijk hierbij is dat deze functionele ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteiten verder versterken en de kleinschaligheid respecteren en ondersteunen. De gemeente zal daarom terughoudend zijn naar ontwikkelingen die gepaard gaan met een ruimtebehoefte die niet strookt met de karakteristiek van het gebied. Daarbij kijken we niet alleen naar de actuele situatie en concrete aanvraag, maar ook naar de potentiële doorontwikkelrisico's op de middellange termijn.
Afweging Structuurvisie Buitengebied
Er zijn geen specifieke regels of randvoorwaarden opgenomen in de structuurvisie op basis waarvan medewerking kan worden verleend aan de ontwikkeling van een fiets- en wandelpand. Wel dient elke ruimtelijke ontwikkeling bij te dragen aan de stedenbouwkundige en landschappelijke kwaliteit van het deelgebied. De voorliggende ontwikkeling van een fiets- en voetpad voegt kwaliteit toe aan dit deelgebied, doordat het fiets- en wandelpad aansluit bij het schaalniveau van het gebied. Het pad sluit tevens aan op de bestaande landschapsstructuren, zoals de aanwezige waterlopen, en wordt hierdoor zorgvuldig ingepast in het landschap. Het initiatief is hiermee passend binnen het deelgebied het kleurenpalet en de uitgangspunten van de Structuurvisie Buitengebied.
Op 25 oktober 2018 heeft de gemeenteraad van Sint Anthonis de 'Aanvulling Structuurvisies Kernen en Buitengebied: Uitwerking Fonds Ruimtelijk Kwaliteit' vastgesteld. De gemeente Sint-Anthonis werkt op verschillende manieren aan de kwaliteit en leefbaarheid van de woon- en leefomgeving, zowel in de kernen als in het buitengebied. Voorbeelden hiervan zijn de inrichting van de openbare ruimte, de infrastructuur en (openbare en maatschappelijke) voorzieningen. Deze doelstelling staat ook centraal in de structuurvisies voor de kernen en het buitengebied. Voor ontwikkelingen in de kern en het buitengebied wordt een investering in de ruimtelijke kwaliteit gevraagd. In deze aanvulling van de structuurvisie is gekozen voor één samenhangende regeling voor fondsvorming voor ruimtelijke kwaliteit, die gemeentebreed geldt.
Afweging
De voorliggende ontwikkeling van een fiets- en voetpad betreft een initiatief dat bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en beleefbaarheid van het buitengebied. Het pad vormt namelijk een veilige langzaam verkeersverbinding en recreatief fiets- en wandelpad. Het pad wordt zorgvuldig ingepast in zijn omgeving, aansluitend op de bestaande verkaveling en aanwezige landschapselementen. Voor deze ontwikkeling wordt dan ook geen landschappelijke inpassing of tegenprestatie wordt geëist op basis van het Fonds Ruimtelijke Kwaliteit.
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013', dat op 17 juni 2013 is vastgesteld. Daarna zijn partiële herzieningen van dit plan vastgesteld in de bestemmingsplannen 'Buitengebied, Veegplan 1' (vastgesteld op 10 maart 2016) en 'Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied Sint Anthonis' (vastgesteld op 7 juli 2016).
De gronden waarop het pad is gepland, zijn in dit bestemmingsplan bestemd tot 'Agarisch'. De beoogde ontwikkeling van een fiets- en wandelpad is binnen deze bestemming niet mogelijk, omdat binnen de bestemming 'Agrarisch' uitsluitend bestaande paden zijn toegestaan. Omdat het beoogde pad mogelijk te maken is het voorliggende nieuwe bestemmingsplan opgesteld.
Voor het gehele plangebied geldt daarnaast de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Voor het merendeel van het plangebied is hierbij de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 3' opgenomen. Voor het meest noordelijke deel geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 2'. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de vastgestelde en verwachte archeologische waarden, met dien verstande dat ter plaatse van de navolgende aanduidingen de daarbij aangegeven waarde geldt:
In paragraaf 5.3.1 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.
De dubbelbestemming 'Waterstaat - Beschermingszone waterlopen' geldt voor de delen van het plangebied die grenzen aan de primaire watergang, die aan de zuidzijde van het beoogde pad ligt. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de waterloop en/of voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers.
De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' is opgenomen voor een rioolpersleiding die het pad kruist in noord-zuidrichting, in het middendeel van het plangebied. Ter plaatse mogen in beginsel geen gebouwen worden gebouwd. Omdat hier ook geen gebouwen of andere bouwwerken zijn geprojecteerd, vormt de ligging ten opzichte van de rioolleiding geen belemmering. Voor onder andere de aanleg van paden geldt wel een omgevingsvergunningplicht ter plaatse van deze dubbelbestemming. Deze omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. De aanleg van het fiets- en wandelpad heeft geen negatief effect op de rioolleiding. Het initiatief zal worden voorgelegd aan de leidingbeheerder.
In het meest noordelijke deel van het plangebied is een bomenrij (landschapselement) gelegen, die is aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'overige zone - landschapselement'. Deze bomenrij blijft behouden, waardoor er geen sprake is van een negatief effect op dit landschapselement.
Een strook langs de Peelkant, aan de meest westelijke zijde van het plangebied, is aangeduid als 'overige zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone'. Zoals in paragraaf 4.3.2 is toegelicht, heeft de voorliggende ontwikkeling van een fiets- en wandelpad geen negatieve invloed op de mogelijkheden voor verwezenlijking, behoud en beheer van de ecologische verbindingszone.
Voor het gehele plangebied gelden tot slot de gebiedsaanduidingen 'overige zone - beperkingen veehouderij' en 'overige zone - gemengd landelijk gebied'. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' gelden beperkende regels voor de veehouderij. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan niet ziet op veehouderijen, vormen deze regels geen belemmering. Het plan is daarnaast is passend binnen het gemengd landelijk gebied.
Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op het realiseren van het ruimtelijk beleid. Daarbij komen de volgende aspecten aan de orde: milieuaspecten (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, externe veiligheid, luchtkwaliteit, geur en milieueffectrapportage) en fysieke aspecten (waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, duurzaamheid, verkeer en parkeren, ecologie, kabels en leidingen).
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld (Brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009).
In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied:
Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustige buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied;
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie).
Een fiets- en wandelpad is geen milieubelastende en geen milieugevoelige functie zoals bedoeld in de VNG-publicatie. Verdere toetsing aan het aspect milieuzonering is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie milieuzonering
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van een fiets- en voetpad in het plangebied.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit in het plangebied geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Daartoe heeft Aeres Milieu een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport, dat als Bijlage 1 bij deze toelichting is gevoegd.
Uit de verzamelde (historische) informatie en het uitgevoerde locatiebezoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Gebaseerd op de verzamelde gegevens kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd. Het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 wordt niet noodzakelijk geacht, op basis van de gekende gegevens en het toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie als fiets-/voetpad. Het uitvoeren van een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 wordt evenmin noodzakelijk geacht.
Conclusie bodem- en grondwaterkwaliteit
Uit de rapportage van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geen belemmering vormen voor realisering van dit bestemmingsplan.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. Het voorgenomen fiets- en voetpad is geen (beperkt) kwetsbaar object in de zin van het Bevi. Daarnaast betreft het een pad voor langzaam verkeer, waarover geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Verdere toetsing aan externe veiligheid is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.
Een fiets- en voetpad is geen geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Het pad zelf zal uitsluitend worden gebruikt door langzaam verkeer (fietsers en voetgangers), waardoor geluidhinder als gevolg van de ontwikkeling niet aan de orde is. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Een onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai is evenmin nodig, omdat het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk maakt.
Conclusie geluid
Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de realisering van het fiets- en voetpad.
De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen.
De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een wettelijke vastgestelde bandbreedte, de beleidsvrijheid om zelf geurnormen vast te stellen.
Het college van B&W heeft in haar vergadering van 17 mei 2016 de geurgebiedsvisie Sint Anthonis 2016 vastgesteld. Op 23 juni 2016 heeft de gemeenteraad van Sint Anthonis besloten de verordening geurhinder en veehouderij gemeente Sint Anthonis 2016 en de beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder gemeente Sint Anthonis 2016 definitief vast te stellen. Met het actualiseren van de gemeentelijke geurverordening en de beleidsregel ten aanzien van geur en ruimtelijke ontwikkelingen wordt een betere bescherming t.a.v. geuroverlast door veehouderijen beoogd. Daarnaast blijft het noodzakelijk om ruimte te houden voor gewenste functieveranderingen in het buitengebied en voor een duurzame ontwikkeling van de veehouderij.
In de verordening is bepaald dat voor de verschillende deelgebieden verschillende maximale waarden gelden voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied B 'kernrandzones Wanroij en Landhorst'. Binnen dit deelgebied geldt een maximale geurbelasting van 3 OuE.
Het boogde fiets- en wandelpad is geen geurgevoelig object. Het beoogde informatiepunt/schuilhut is evenmin een geurgevoelig object, omdat hier niet langdurig in verbleven wordt. Omdat het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk maakt, is verdere toetsing aan het aspect geurhinder niet vereist.
Conclusie geurhinder
Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
| Stof | Toetsing van grenswaarde |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ |
Besluit niet in betekenende mate (NIBM)
In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³).
Het voorliggende fiets- en voetpad zal uitsluitend worden gebruikt door langzaam verkeer. Er is geen sprake van gemotoriseerd verkeer, waardoor er geen negatieve invloed wordt uitgeoefend op de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk
Achtergrondwaarden
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) was de concentratie PM2,5 in 2017 ter plaatse gelegen beneden de 12 µg/m³, de concentratie PM10 beneden de 20 µg/m³ en de concentratie NO2 beneden de 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende.
Conclusie luchtkwaliteit
Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen functiewijziging niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
Toets m.e.r-plicht
In het plangebied wordt een fiets- en voetpad gerealiseerd. Deze activiteit komt niet voor in Lijst C in de bijlage van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.
Toets m.e.r.-beoordelingsplicht
In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. Het realiseren van een fiets- en voetpad komt niet voor op Lijst D in de bijlage van het besluit m.e.r.. Voor het voorliggend plan geldt daarom ook geen m.e.r.-beoordelingsplicht.
Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Sint Anthonis gelden voor het plangebied drie verwachtingswaarden. Het grootste deel van het tracé ligt in een zone met beleidscategorie 4: gebieden met een hoge archeologische verwachting. Het meest noordoostelijke deel van het tracé ligt in een zone met beleidscategorie 3: gebieden van hoge archeologische waarde. Hiervoor gelden de volgende richtlijnen:
De hoogste verwachtingszone is leidend. Middels deze kaart heeft de gemeente aangegeven dat voor het plangebied een onderzoeksplicht geldt. De fundering voor het pad krijgt namelijk een diepte van 80 cm en de oppervlakte van het pad overschrijdt de bovengenoemde oppervlakte-ondergrenzen.
|
| Uitsnede uit Archeologische beleidskaart gemeente Sint Anthonis (3 juli 2012) met aanduiding ligging plangebied (geel omlijnd) |
Omdat deze ondergrenzen overschreden zullen worden bij de aanleg van het fiets- en voetpad heeft Aeres Milieu een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het plangebied. De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage, die als Bijlage 2 bij deze toelichting is gevoegd.
Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het westelijke deel van het plangebied (verspoelde dekzandvlakte) een lage verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum als voor nederzettingsresten vanaf het neolithicum tot en met de nieuwe tijd. Voor het overige deel geldt een middelhoge verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum als voor nederzettingsresten vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.
Er wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek geadviseerd voor de zones met een middelhoge verwachting. Dit betreft het centrale en oostelijke deel van het plangebied, zoals is aangegeven op de navolgende afbeelding. Het doel van een verkennend booronderzoek is om de bodemopbouw in kaart te brengen en daarmee het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek te toetsen. Hierbij zal worden nagegaan of en in hoeverre het bodemprofiel nog intact is en archeologische niveaus aanwezig zouden kunnen zijn.
|
|
Advieskaart uit rapportage acheologisch bureauonderzoek. Rode lijn: geen vervolgonderzoek geadviseerd Gele lijn: vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een verkennend booronderzoek |
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bureauonderzoek heef Aeres Milieu een verkennend veldonderzoek uitgevoerd in het centrale en oostelijke deel van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage, die als Bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen.
De bodem in het plangebied kan als een enkeerdgrond worden beschreven. Dit dek is in het grootste deel van het plangebied intact, evenals de top van de natuurlijke bodem. De op de akker aangetroffen vondsten hebben te maken met bemesting en duiden niet op intacte archeologische waarden in de ondergrond. Dergelijke waarden kunnen echter wel aanwezig zijn, want de bodem is intact genoeg daarvoor. De middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen, zoals opgesteld bij het bureauonderzoek, blijft deels gehandhaafd. Alleen de verwachting voor oppervlakkige resten als vuursteenconcentraties uit de periode laat-paleolithicum tot en met het mesolithicum moet naar beneden worden bijgesteld, vanwege het ontbreken van een intacte begraven A-horizont van de oorspronkelijke, natuurlijke bodem.
Archeologische resten kunnen voorkomen in de deels aanwezige B-horizont en vanaf de top van de natuurlijke bodem (C-horizont), op een diepte vanaf 0,25 – 0,30 meter -mv. Bodemverstorende activiteiten vanaf deze diepte vormen een bedreiging voor het eventueel aanwezige archeologisch bodemarchief.
Op basis van deze gegevens wordt er een vervolgonderzoek geadviseerd voor het plangebied. Dit vervolgonderzoek gebeurt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Sint Anthonis).
Dit advies is gecontroleerd en beoordeeld door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Sint Anthonis. Deze zal vervolgens een besluit nemen over de vervolgprocedure. Tot die tijd kan er nog niet begonnen worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen.
Advies Monumentenhuis Brabant
Naar aanleiding van de voorliggende onderzoeksresultaten heeft Monumentenhuis Brabant een nader advies uitgebracht omtrent de omgang met archeologie in het plangebied. Het Monumentenhuis Brabant heeft als alternatief voor het geadviseerde proefsleuvenonderzoek voorgesteld om de werkzaamheden onder extensieve archeologische begeleiding te laten uitvoeren, waarbij een archeologisch bedrijf regelmatig komt kijken. Daar waar de nieuwe watergang wordt aangelegd adviseert zij om deze grondwerkzaamheden onder intensieve archeologische begeleiding te laten uitvoeren, waarbij een archeoloog de grondwerkzaamheden begeleidt tot op het niveau waar de overgang tussen esdek en dekzand zichtbaar is. Voor deze werkzaamheden dient een Programma van Eisen te worden opgesteld. Eventueel kan daarbij aan leden van de AWN afdeling Kempen- en Peelland (landelijke vereniging vrijwilligers in de archeologie) of heemkundevereniging gelegenheid geboden worden tot het doen van waarnemingen onder leiding van het archeologisch bedrijf.
Te allen tijde geldt een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toevalsvondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Bodemvondsten kunnen telefonisch worden gemeld bij het Meldpunt Provinciaal Depot Bodemvondsten Noord-Brabant.
Conclusie archeologie
Op basis van de uitgevoerde archeologische onderzoek en het bovenstaande advies van Monumentenhuis Brabant heeft het bevoegd gezag (de gemeente Sint Anthonis) besloten om het westelijke deel van het plangebied vrij te geven en het advies van Monumentenhuis Brabant over te nemen. Dit selectiebesluit is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.
In het kader van het voorliggende bestemmingsplan zal voor het deel van het plangebied waar het vervolgonderzoek is geadviseerd een archeologische dubbelbestemming worden opgenomen. Voor het deel van het plangebied dat is vrijgegeven, is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. De aanlegwerkzaamheden zullen daar waar dat aan de orde is onder archeologische begeleiding worden uitgevoerd conform het advies van Monumentenhuis Brabant.
Vanuit het aspect archeologie zijn er hiermee geen belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan. Door het opnemen van een dubbelbestemming voor het nog te onderzoeken deel van het plangebied, wordt geborgd dat ontwikkelingen hier in overeenstemming met het archeologiebeleid plaatsvinden.
Blijkens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn er binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig die een belemmering zouden kunnen vormen voor dit bestemmingsplan.
|
| Uitsnede uit Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Noord-Brabant met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd) |
Het plangebied ligt binnen de regio Peelrand. De Peelrand bestaat uit een ring van middeleeuwse dorpen op enige afstand van het voormalige veengebied van De Peel. Deze oude dorpen worden gekenmerkt door akkercomplexen, schaarse groenlanden en voormalige heidevelden. De heidevelden zijn in de negentiende en twintigste eeuw ontgonnen en grotendeels omgezet in landbouwgrond, waardoor er een waardevol mozaïek is ontstaan van oude en jonge ontginningen. Enkele kastelen, diverse kloosters en de Peel-Raamstelling verlenen het gebied extra cultuurhistorische betekenis. Doel voor deze regio is om de aanwezige cultuurhistorische waarden te behouden en verder te versterken en ontwikkelen.
De beoogde aanleg van een fiets- en voetpad heeft geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarden van de regio Peelrand. Door de realisatie van een fiets- en wandelroute wordt dit historische landschap bovendien beter toegankelijk en daarmee beter beleefbaar gemaakt, hetgeen bijdraagt aan het versterken van deze waarden.
De laanbeplanting langs de Peelkant, in het meest westelijke deel van het plangebied, is aangewezen als historisch groen. Deze beplanting blijft behouden, waardoor hier geen negatieve invloed op wordt uitgeoefend met het voorliggende plan.
Conclusie cultuurhistorie
Gezien het bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:
Bij de voorliggende ontwikkeling van een fiets- en voetpad wordt een gebouw opgericht in de vorm van een schuilhut. Hierbij wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen. In de schuilhut komen enkele bankjes en een informatiebord te staan. Er wordt geen water of energie gebruikt. Het pad wordt uitgevoerd als halfverhard pad dat is opgebouwd uit gekeurd menggranulaat en kleischelpen. Dit betreft een duurzame halfverharding.
Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. In het kader van het plan is een beoordeling gemaakt van de effecten die het plan zal hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving.
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Tevens is de bescherming van houtopstanden, de voormalige Boswet, in de Wnb opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig.
De provinciale groenstructuur, bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (voormalig provinciale EHS) en Groenblauwe Mantel, is ruimtelijk vastgelegd in de hernieuwde Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook de beheergebieden voor agrarische natuurbeheer behoren tot het Natuurnetwerk Brabant. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet natuurbescherming (Wnb-andere soorten), de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels vanwege de Vogelrichtlijn (Wnb-hrl).
Op de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten ('categorie 1-4 soorten') zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen ('categorie 5-soorten'). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld.
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust en verblijfplaats te garanderen.
Het voorliggende initiatief is door BRO getoetst aan de van toepassing zijnde natuurwetgeving. In de navolgende paragrafen zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek verwoord. De volledige toets is als Bijlage 5 bij dit bestemmingsplan raadpleegbaar.
Conclusies gebiedsbescherming
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Oeffelter Meent', bevindt zich op circa 10 kilometer ten noordoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van circa 1 km aan fiets/voetpad betreft, is een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied niet aan de orde. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is daarom uitgesloten.
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. De westelijke punt van het fietspad eindigt aan de Peelkant, welke onderdeel is van de nog in te richten EVZ 'Molenheide'. Deze EVZ bestaat ter hoogte van het beoogde fiets-voetpad uit een weg met aan beide zijdes bomenrijen. De overzijde van de weg betreft daarnaast groenblauwe mantel. De bomenrij langs de Peelkant blijft in de huidige staat behouden en wordt niet doorbroken of verlicht. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van de EVZ niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB/EVZ wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Conclusies soortenbescherming
Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen niet noodzakelijk geacht. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:
Volgens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' kruist het beoogde pad een rioolleiding. Deze leiding heeft in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Leiding - Riool'. Ter plaatse van de beschermingszone van de leiding geldt een omgevingsvergunningplicht voor onder andere de aanleg van paden. De benodigde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
Voor het overige zijn er in het plangebied en de directe omgeving geen leidingen of kabels gelegen met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de realisatie van het pad belemmeren. De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' wordt overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
Het beoogde fiets- en voetpad zal uitsluitend worden gebruikt door langzaam verkeer. Er is geen sprake van een extra verkeersgeneratie van gemotoriseerd verkeer als gevolg van deze ontwikkeling.
Het aspect parkeren is bij de voorliggende ontwikkeling van een fiets- en voetpad niet aan de orde, aangezien hierbij geen behoefte bestaat aan parkeerplaatsen. Bij het informatiepunt is voldoende ruimte om fietsen te stallen.
De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Het doel van de watertoets is dat water een volwaardige rol speelt in ruimtelijke plannen. Het middel dat de watertoets daarvoor gebruikt, is het zo vroeg mogelijk betrekken van de waterbeheerder bij een nieuw ruimtelijk plan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Eerste aanspreekpunt voor de gemeente is in principe het waterschap (Aa en Maas). Naast het waterschap zijn er nog andere waterbeheerders zoals provincie Noord-Brabant, Brabant Water en Rijkswaterstaat. Het waterschap coördineert het wateradvies. De waterparagraaf moet het bewijs leveren dat water inderdaad een volwaardige plaats heeft gekregen in het maken van het ruimtelijk plan.
Nationaal Waterplan
De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan. Het Nationaal Waterplan wordt vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).
Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt:
Provinciaal Waterplan Noord-Brabant
Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving.
Het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) is een kaderstellende nota die op hoofdlijnen weergeeft wat de beleidsdoelen en voorgestelde aanpak zijn. Dit gebeurt onder de verantwoordelijkheid van Provinciale Staten. Onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten worden in de Dynamische Uitvoeringsagenda PMWP (DUA) de aanpak en de daaruit volgende uit te voeren acties door de provincie gespecificeerd. Ook acties van derden kunnen hieraan toegevoegd worden voor zover ze bijdragen aan de provinciale doelen en passen in de voorgestelde aanpak.
Uitgangspunt is dat wordt samengewerkt aan een duurzame fysieke leefomgeving, waarbij wordt uitgegaan van:
Het PMWP bevat probleemstellingen, doelstellingen en concrete maatregelen waarmee de volgende (hoofd)uitgangspunten worden beschreven:
Gezonde fysieke leefomgeving
Veilige fysieke leefomgeving
Groene groei
Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas
In het Waterbeheerplan 2016-2021 is de strategie voor de genoemde periode vastgelegd. Er wordt voor gekozen om de lijn uit het WBP 2010-2015 door te zetten met nieuwe accenten.
De doelen op hoofdlijnen voor 2016-2021 zijn:
Naast de directe bijdrage aan een duurzame leefomgeving met de aanwezigheid van een goed functionerend watersysteem, draagt het waterschap via water ook bij aan bredere maatschappelijke thema's:
Keur waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta
Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grond- en oppervlaktewater. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels.
Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Op planniveau is voor de herontwikkeling met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 compensatie vereist. Aan de hand van de Algemene Regel (Artikel 15: Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de vernieuwde Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Bij een toename groter dan 10.000 m2 is de Beleidsregel van toepassing en dient een waterhuishoudkundig rapport opgesteld te worden en is een overleg met het waterschap noodzakelijk.
Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: Infiltreren of retentie binnen of nabij het plangebied. Aanbevelingen voor het ontwerpen van een compensatievoorziening zijn:
Oppervlaktewater
In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse primaire waterlopen (A-watergangen) gelegen, die in het beheer zijn bij het Waterschap Aa en Maas. Het tracé van het pad is projecteerd aan noordzijde van een waterloop. Aan de noodzijde, nabij de Kattenstraat, kruist het pad een waterloop.
Het plangebied ligt deels binnen de beschermingszones van de bovengenoemde watergangen. De aanleg van een halfverhard pad is toegestaan binnen deze beschermingszones. Het pad heeft ook geen negatieve effecten op het functioneren van de watergangen tot gevolg. Het beoogde informatiepunt met schuilhut ligt niet binnen de beschermingszone van een van de watergangen.
Het aanbrengen van verharding langs een A-watergang is toegestaan, mits voldaan wordt aan de voorschriften van Algemene Regel 24a. Dit houdt o.a. in dat er een strook van 0,5 meter vrijgehouden moet worden, onderhoud aan de watergang mogelijk blijft en de stabiliteit van het talud niet wordt aangetast. Daarnaast hebben eigenaren van gronden die in de beschermingszone liggen een ontvangstplicht voor het maaisel afkomstig van onderhoud aan de watergang. Dit betekent dat er maaisel op het fiets- en voetpad kan worden gelegd.
|
| Uitsnede uit Legger oppervlaktewater waterschap Aa en Maas met aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd) |
Bodemgesteldheid en grondwater
De bodem in het plangebied bestaat uit matig fijn zand. Het maaiveld ter plaatse bevindt zich gemiddeld op circa 15 m+NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal zuidwestelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 12 m+NAP. De locatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied.
Hemel- en afvalwater
Ter plaatse is momenteel geen bebouwing of verharding aanwezig. Het hemelwater infiltreert ter plaatse in de bodem en stroomt gedeeltelijk af naar de aanwezige watergangen.
Beschermingsgebieden water
Het plangebied is volgens de themakaart Water van de Verordening ruimte 2014 niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.
Water in relatie gewenste ontwikkelingen
In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen is een watertoets verplicht. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen zodanig te worden vormgegeven dat er geen negatieve gevolgen ontstaan voor de plaatselijke waterhuishouding en de waterhuishouding in de omgeving. Zo mag een project niet tot een structurele verandering van de grondwaterspiegel leiden of tot een structurele toename van het afvloeiend hemelwater naar het omliggende watersysteem. Ook mag de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater niet worden aangetast. Kort gezegd dient een ruimtelijke ontwikkeling zoveel mogelijk 'hydrologisch neutraal' te geschieden.
Bij de ontwikkeling is sprake van een toename van het verhard oppervlak. Het pad zal een lengte van circa 1 kilometer en een breedte van 1,5 meter krijgen. Daarnaast wordt een schuilhut gebouwd. Het pad wordt uitgevoerd in een halfverharding die deels waterdoorlatend is. Hierdoor, en doordat sprake is van een pad met een beperkte breedte, kan het hemelwater eenvoudig worden geborgen op de omliggende agrarische gronden en in de naastgelegen watergangen. Er zijn geen aanvullende voorzieningen nodig voor hemelwaterberging.
Overleg waterbeheerder
Gezien de toename van het verhard oppervlak en de ligging van delen van het plangebied binnen de beschermingszones van enkele primaire waterlopen is dit plan reeds in een vroeg stadium voorgelegd aan het Waterschap Aa en Maas. Het waterschap heeft hierbij enkele opmerkingen gemaakt ten aanzien van de ligging ten opzichte van de A-watergangen en de omgang met hemelwater, als gevolg van de toename van het verhard oppervlak. Deze opmerkingen zijn in het voorliggende bestemmingsplan verwerkt.
In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst.
In het voorliggende geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro. Hierdoor geldt er geen verplichting tot kostenverhaal.
Voor dit bestemmingsplan wordt geen inspraakprocedure gehouden. Het plan wordt rechtstreeks als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij eenieder de mogelijkheid heeft om een zienswijze op het plan in te dienen.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
Een eerste vereiste voor een goede handhaving is een handhaafbaar bestemmingsplan. Bij het ontwikkelen van de regels voor het bestemmingsplan 'Buitengebied Sint Anthonis 2013' en de partiële herzieningen hiervan is daarom gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. Deze methodiek is met het voorliggende bestemmingsplan niet gewijzigd.
De regels zijn destijds aangepast aan de laatste stand van de jurisprudentie en wetgeving (zoals de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Besluit omgevingsrecht) en met inachtneming van de RO-standaarden. Dit biedt voldoende garanties voor de rechtszekerheid en de flexibiliteit van dit bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd.
Het bestemmingsplan 'Fiets- en voetpad, Wanroij' is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels.
Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De bestemming 'Verkeer' is weergegeven voor het fiets- en wandelpad inclusief bermen en de beoogde locatie van de schuilhut. Ter plaatse van de beoogde schuilhut is de functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer - schuilhut' opgenomen.
Tevens zijn de dubbelbestemmingen 'Leiding - Riool', 'Waarde - Archeologie' en 'Waterstaat - Beschermingszone waterlopen' opgenomen, alsmede de gebiedsaanduidingen 'overige zone - beperkingen veehouderij', 'overige zone - gemengd landelijk gebied, 'overige zone - landschapselement', 'overige zone - waarde archeologie 2', 'overige zone - waarde archeologie 3' en 'overige zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone'.
In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende planregels van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Deze zijn opgesteld op basis van de Wro, het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De planregels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is getracht het aantal regels zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen, dat werkelijk noodzakelijk is. Het kan in een concrete situatie voorkomen dat afwijking van de gestelde normen gewenst is. Hiertoe zijn in het bestemmingsplan diverse flexibiliteitregelingen opgenomen.
De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. Deze hoofdstukindeling is opgebouwd conform de richtlijnen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).
Hiernavolgend worden de planregels artikelsgewijs van een nadere toelichting voorzien.
| Hoofdstuk | Regel/artikel | Toelichting |
| Inleidende regels | Artikel 1 Begrippen | De in de planregels gebezigde begrippen worden hierin omschreven. |
| Artikel 2 Wijze van meten | Een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. | |
| Bestemmingsregels |
Artikel 3 Verkeer
Artikel 4 Leiding - Riool Artikel 5 Waarde - Archeologie Artikel 6 Waterstaat - Beschermingszone waterlopen |
Artikel 3 is de hoofdbestemming. De artikelen 4 t/m 6 bevatten de dubbelbestemmingen die over (delen van) het plangebied liggen. De bestemmingen zijn opgebouwd conform de richtlijnen uit de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin een vaste opzet voor de bestemmingsregels is vastgelegd. Het betreft in dit bestemmingsplan uitsluitend gedetailleerde bestemmingen. De opzet voor dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: - Bestemmingsomschrijving; - Bouwregels; - Nadere eisen; - Afwijken van de bouwregels; - Specifieke gebruiksregels; - Afwijken van de gebruiksregels; - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; - Wijzigingsbevoegdheid. |
| Algemene regels | Artikel 7 Anti-dubbeltelregel | In deze regel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. |
| Artikel 8 Algemene bouwregels | In deze regel zijn bepalingen opgenomen over ondergronds bouwen en over bestaande maten en afstanden opgenomen | |
| Artikel 9 Algemene gebruiksregels | De algemene gebruiksregels geven aan wat in ieder geval wordt verstaan onder strijdig gebruik. | |
| Artikel 10 Algemene aanduidingsregels | De algemene aanduidingsregels regelen de diverse zoneringen. In dit bestemmingsplan gaat het om de aanduidingen 'overige zone - beperkingen veehouderij', 'overige zone - gemengd landelijk gebied'', overige zone - landschapselement', 'overige zone - waarde archeologie 2', ' overige zone - waarde archeologie 3' en 'overige zone - zoekgebied voor ecologische verbindingszone' | |
| Artikel 11 Algemene afwijkingsregels | In de algemene afwijkingsregels zijn algemene regels opgenomen in het geval het gaat om geringe afwijkingen. | |
| Artikel 12 Algemene wijzigingsregels | In de algemene wijzigingsregels zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor onder andere verschuiven van bestemmingsgrenzen | |
| Artikel 13 Overige regels | De overige regels bevatten regels over van toepassing zijnde wettelijke regelingen, alsmede procedureregels voor nadere eisen. | |
| Overgangs- en slotregels | Artikel 14 Overgangsrecht | Het overgangsrecht bevat de regels voor overgangsrecht van bouwwerken en gebruik. |
| Artikel 15 Slotregel | De slotregel geeft de titel van de planregels aan. |
De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:
Het ontwerp bestemmingsplan 'Fiets- en voetpad, Wanroij' wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wro voor een periode van zes weken ter inzage gelegd.
Op PM heeft de raad van de gemeente Sint Anthonis het bestemmingsplan vastgesteld.