| Plan: | Vledder - Vledderweg 35 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1701.526PHZVledderwg35-0002 |
Aan de Vledderweg 35 te Vledder in de gemeente Westerveld willen de initiatiefnemers het perceel herontwikkelen. Het voornemen is om maximaal 20 ingerichte kampeereenheden te realiseren, bestaande uit ingerichte tenten en tiny houses. Daarnaast zullen binnen de bestaande bouw een grote ontmoetingsruimte en luxe sanitairunits gerealiseerd worden. In het geldende bestemmingsplan, zie paragraaf 1.3, is het plangebied voorzien van een aantal functieaanduidingen en maatvoeringen. Hierdoor is de indeling van het gebied behoorlijk “dichtgetimmerd” en is er geen andere recreatieve invulling mogelijk.
Met toestemming van de huidige eigenaar worden ook naast- en achtergelegen percelen (ook behorende bij het bestemmingsplan 'Recreatiebedrijven Vledderweg 31 en 35') meegenomen in voorliggend bestemmingsplan. De initiatiefnemers hebben daarnaast nog het voornemen om de boerderij te verbouwen en geschikt te maken voor dubbele bewoning.
De voorgenomen ontwikkelingen zijn niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de activiteiten toch juridisch-planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westerveld heeft op 18 augustus 2020 aangegeven, onder voorwaarden medewerking te willen verlenen aan het plan van initiatiefnemers voor beide percelen.
Het plangebied is gelegen aan de Vledderweg 35 te Vledder in de gemeente Westerveld. De Vledderweg verbindt de twee dorpen Vledder en Frederiksoord. Het plangebied is zowel via de Vledderweg (N855) als de Hooiweg te bereiken. De Hooiweg is een zijstraat van de Vledderweg en eindigt bij het agrarisch perceel van Vledderweg 35. Het plangebied is te zien in figuur 1.1.
Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: pdok.nl)
Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Recreatiebedrijven Vledderweg 31 en 35' dat op 20 september 2011 door de gemeenteraad is vastgesteld, en heeft daarin de enkelbestemming 'Recreatie'. Het plangebied is voorzien van een aantal functieaanduidingen en maatvoeringen t.b.v. een recreatiebedrijf (zie figuur 1.2).
Voor het bestemmingsvlak gelden de volgende functieaanduidingen:
De volgende functieaanduidingen gelden voor de rest van het perceel:
Het huidige bestemmingsplan 'Recreatiebedrijven Vledderweg 31 en 35' is nooit tot uitvoer gekomen. Er vinden op het perceel al jaren geen recreatieve activiteiten plaats.
Figuur 1.2: Uitsnede geldend bestemmingsplan met het plangebied (bron: pdok.nl)
In hoofdstuk 2 van deze toelichting is aandacht besteed aan de functionele en ruimtelijke structuur in de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het voor dit bestemmingsplan relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 komen de juridische aspecten aan bod, in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Tot 2011 had het perceel Vledderweg 35 bestemming 'agrarisch' met de mogelijk tot het voeren van minicamping. Het perceel werd ook als zodanig gebruikt. In 2011 is op initiatief van een ondernemer het huidige bestemmingsplan 'Recreatiebedrijven Vledderweg 31 en 35' opgesteld. Echter is dit nooit tot uitvoer gekomen. Er vinden op het perceel al jaren geen (recreatieve) activiteiten plaats.
Het perceel Vledderweg 35 bestaat uit een bouwblok met boerderij (voormalig agrarisch bedrijf), stal en kapschuur. De boerderij wordt tijdelijk verhuurd. Stal en kapschuur zijn niet in gebruik.
Verderop op het perceel bevindt zich de minicamping. Ten behoeve van de camping is een toiletunit aanwezig. Tevens zijn er houtwallen aanwezig die verschillende veldjes afbakenen (zie figuren 2.1, 2.2 en 2.3).
Figuur 2.1: Luchtfoto huidige situatie
Figuur 2.2: Huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)
Figuur 2.3: Huidige situatie plangebied
Het naastgelegen perceel dat grenst aan Vledderweg 31 (Stal Vledder) wordt momenteel agrarisch gebruikt. Op dit moment wordt op het achterste deel van dit perceel mais verbouwd. Het andere deel wordt gebruikt als paardenwei ten behoeve van de naastgelegen manege.
Dit voorliggende bestemmingsplan voorziet in drie ontwikkelingen (zie figuur 2.4):
Kleinschalige camping
Het achterste gedeelte van het perceel krijgt de bestemming 'Recreatie - 1'. Maximaal zijn 20 verhuurbare units toegestaan. Hieronder vallen ingerichte tenten en bouwwerken ten behoeve van recreatief nachtverblijf in de vorm van 'tiny houses'. Een klein gedeelte van de tenten en de tiny houses blijft jaarrond staan. Overige tenten worden in de winterperiode afgebroken.
Het sanitairgebouw blijft tijdelijk in gebruik. De stal wordt verbouwd ten behoeve van een ontmoetingsruimte voor de campinggasten en nieuw te realiseren inpandige sanitaire units. De kapschuur wordt gesloopt. Het verharde pad op het perceel wordt vervangen door een zand/schelpenpad.
Door de verwijdering van de huidige functieaanduidingen ontstaan er meer mogelijkheden tot deze en toekomstige invulling van de recreatieve activiteiten.
Landschappelijke inpassing vindt plaats door bestaande bomenrijen te handhaven, deze bomenrijen worden in de regels geborgd door middel van de aanduidingen 'houtsingel' of 'houtwal'. Verder zullen de bestaande afscheidingen van de kampeerveldjes gedeeltelijk worden verplaatst teneinde een meer speels en natuurlijk karakter te realiseren. Ook zullen er nieuwe soorten worden aangeplant. Voor een gedetailleerd landschapsplan, zie bijlage 1.
Wonen
Het voorste gedeelte van het perceel krijgt bestemming 'Wonen – Voormalige boerderijpanden' met een aanduiding 'specifieke vorm van wonen - twee woningen' om een zelfstandige woonruimte voor de inwonende (schoon)moeder van de initiatiefnemers mogelijk te maken. In de toekomst kan dit een vorm van zorgwoning worden.
Agrarisch
Deel 2 (zie figuur 2.3) van het plangebied had voor 2011 een agrarische bestemming en zal met een toestemmingsverklaring van de huidige eigenaar gewijzigd worden van 'Recreatie' naar 'Agrarisch - 2'. Het plan transformeert daarmee naar een kleinschalig plan met minder impact op de omgeving. Deze gronden mogen in verband met stikstofdepositie niet worden bemest ten behoeve van een veehouderij. In de huidige situatie wordt een deel van deze gronden gebruikt voor akkerlandbouw. Het overige deel wordt gebruikt als paardenwei. Dit gebruik verandert in de toekomstige situatie niet.
In bijlage 2 is een toekomstschets van het plangebied opgenomen.
Figuur 2.4: Gewenst bestemmingsplan
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 13 belangen hebben de decentrale overheden beleidsvrijheid.
Ladder voor duurzame verstedelijking
Een algemeen belang in de SVIR is het proces van duurzame verstedelijking. Hiervoor is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze houdt in het kort in dat in geval van nieuwe verstedelijking eerst moet worden beoordeeld of hier regionale behoefte voor is en vervolgens of deze behoefte binnen stedelijk gebied opgevangen kan worden. Indien dit niet mogelijk is, moet een locatie worden gezocht die passend multimodaal ontsloten is.
Het initiatief betreft een aanpassing van het bestemmingsplan omdat de gewenste situatie niet past binnen het zeer gedetailleerd opgezette bestemmingsplan. De bestemming 'Recreatie' is op de percelen al toegestaan. De ontwikkeling voorziet echter in een kleiner aantal kampeermiddelen. Het betreft dan ook geen stedelijke ontwikkeling waarvoor een motivatie is vereist op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast maakt het plan een tweede woning binnen bestaande bebouwing mogelijk. Hiervoor is toetsing aan de Ladder ook niet noodzakelijk.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De 13 nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn juridisch geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast. Gezien de ligging van het plangebied, de schaal en aard van het plan vormt het Barro geen directe relevantie voor dit bestemmingsplan.
Op 2 juni 2010 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. Op 26 september 2018 is de actualisatie Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld, die op 3 oktober 2018 in werking is getreden. De missie van de Omgevingsvisie luidt als volgt: "Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij deze kernkwaliteiten."
Onder een 'bruisend Drenthe' wordt een provincie verstaan waarin het goed wonen en werken is en waar voor jong en oud veel te beleven valt. Een provincie waar ondernemerschap, cultuur en sport floreren. Deze missie laat zien dat er gestreefd wordt naar ruimtelijke kwaliteit, door nieuwe ontwikkelingen en bestaande kwaliteiten in samenhang te bezien. De ontwikkelingen moeten passen bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is.
Op de visiekaart is het plangebied aangeduid als 'landbouwgebied', direct grenzend aan 'Frederiksoord-Wilhelminaoord' dat als thema's cultuurhistorie, dagrecreatie, economie, landschap, recreatie en verblijfsrecreatie heeft. Aan de andere kant van de Vledderweg, grenzend aan een gebied dat is aangeduid als 'robuust natuurgebied'. Voor het plangebied zijn de volgende kernkwaliteiten van toepassing.
Kernkwaliteit cultuurhistorie: Drentse Hoofdvaart
Het plangebied is onderdeel is van de Drentse Hoofdvaart. Kenmerkend voor dit gebied is een onderscheid in drie delen met elk eigen kenmerken en de Drentse Hoofdvaart die de verschillen tussen noord en zuid weerspiegelt. Het plangebied grenst direct aan de 'Maatschappij van Weldadigheid'. In de gebieden Maatschappijen van Weldadigheid van Frederiksoord en Veenhuizen stuurt de provincie op het handhaven en verder versterken van de hiërarchische en orthogonale opbouw van de gebieden en het behouden van de afwisseling tussen open gebieden en boscomplexen. In het plangebied dat direct aan een gebied van de Maatschappij van Weldadigheid grenst, zal die afwisseling gerespecteerd worden.
Kernkwaliteit landschap: esdorpenlandschap
Het doel is de landschapstypen van Drenthe herkenbaar, beleefbaar en leesbaar te houden. Het Drents plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen, namelijk het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide. Het voorliggende plan voorziet in behoud van de open ruimte met esrandbeplanting zoals de rijen eiken langs het perceel.
Kernkwaliteit archeologie: beschermingsniveau 1 generiek
Het beschermingsniveau Generiek richt zich op het algemene uitgangspunt dat alle behoudenswaardig archeologische vindplaatsen (waarden) die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen.
Kernkwaliteit robuust sociaal-economisch systeem: Regio Meppel-Zwolle
Verder maakt het plangebied ook deel uit van de regio Meppel - Zwolle. De provincie Drenthe is lid van het verband Regio Zwolle. Bij dit verband behoren ondernemers, overheden en onderwijsinstellingen die in interactie met de omgeving aan de ambities in de Regio Zwolle werken. De provincie werkt samen met ondernemers, onderwijsinstellingen en overheden, in interactie met de omgeving aan een geactualiseerde agenda voor de Regio Zwolle (2018-2022), de zogeheten 'Economische agenda Regio Zwolle 2018-2022'. In deze agenda worden de maatschappelijke opgaven uitgewerkt. Het brengt de kansen van Meppel (Blueport), vrijetijdseconomie in Zuidwest-Drenthe en de verbinding met Noord-Nederland in.
Voor wat betreft de vrijetijdseconomie in Zuidwest Drenthe, is de ambitie een uitnodigend en aantrekkelijk vestigingsklimaat voor de (nieuwe) bedrijven in vrijetijdssector na te streven. Ook wordt gewerkt aan het behouden en versterken van een aantrekkelijk en vitaal aanbod van dag- en verblijfsrecreatieaccommodaties. En waar nodig een revitaliseringsslag van de verblijfsrecreatiesector door herontwikkeling en transformatie van bestaande verblijfsrecreatieparken. Voorliggend plan past binnen de transformatieopgaaf van een niet vitaal en uitvoerbaar plan naar een kwalitatief en aantrekkelijk aanbod in verblijfsrecreatie accommodaties.
Kernkwaliteit robuust landbouwsysteem: landbouwgebied
Het deel van het plangebied wat wordt omgezet van de bestemming 'Recreatie' naar 'Agrarisch' is op de provinciale kaart aangewezen als landbouwgebied. Deze kernkwaliteit heeft verder geen invloed op het planvoornemen.
Kernkwaliteit robuust en klimaatbestendig watersysteem: landbouwfunctie van watersystemen, zand Rijn-Oost, Drents Plateau
Ten eerste is het plangebied onderdeel van het grondwatergebied Drents Plateau. Op het Drents Plateau streeft de provincie ernaar zoveel mogelijk water vast te houden om droogte te overbruggen. De grondwatervoorraad wordt, waar mogelijk, verhoogd.
Ten tweede is het plangebied onderdeel van de kaartlaag 'landbouwfunctie van watersystemen'. Daarin wil de provincie de huidige zoetwatervoorziening behouden en de zelfvoorziening stimuleren om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Belangrijk daarbij is dat de voorraad grondwater die, mits zorgvuldig beheerd, meer benut kan worden. In het voorliggende plan wordt in de verbouw en aanleg van kampeerunits rekening gehouden met zelfvoorzienende maatregelen.
Het waterbeheer wordt verderop besproken in paragraaf 4.6.
Wonen
In de visie staat omschreven dat de demografische ontwikkelingen het nodig maken dat er wordt geanticipeerd op een ouder wordende bevolking, toenemende vraag naar levensloopbestendig wonen en zorgwonen en een daling van het aantal huishoudens, in met name de buitengebieden.
De omgevingsvisie biedt verder ruimte voor het toevoegen van een incidentele woning buiten bestaand stedelijk gebied mits:
Voorliggend plan om dubbele bewoning mogelijk te maken past binnen de ambities en ruimte van de omgevingsvisie.
Conclusie
De ontwikkeling passen binnen de ambities van de Omgevingsvisie en haar kernkwaliteiten. Met de transformatie naar kwalitatief en aantrekkelijk aanbod in verblijfsrecreatie accommodaties wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpassing, zie het landschapsplan. Met deze herontwikkeling wordt de kwaliteit van het buitengebied ter plaatse verbeterd.
Provinciale Staten van Drenthe hebben op 3 oktober 2018 de Verordening Ruimtelijk Omgevingsbeleid vastgesteld. Deze Omgevingsverordening wordt elk jaar geactualiseerd. De laatste actualisatie is van juni 2019.
De verordening is gericht tot de gemeenten en bevat voorschriften waar ruimtelijke plannen aan dienen te voldoen. Met de beoogde ontwikkeling wordt er een extra woning toegevoegd aan het buitengebied. Hierdoor is artikel 2.17 sub 2a uit de verordening van toepassing.
2. Een ruimtelijk plan kan voorzien in incidentele bouwmogelijkheden buiten het bestaand stedelijk gebied in de gevallen:
a. bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen, en nieuwbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte regeling;
De voormalige boerderij wordt in twee woningen gesplitst. Dit is mogelijk op basis van artikel 2.17 sub 2a van de provinciale omgevingsverordening Drenthe.
De Structuurvisie Westerveld (vastgesteld 26 november 2013) bevat de visie en de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor het hele grondgebied van de gemeente. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke invloed van allerlei verschillende beleidsterreinen bekeken zoals milieu, infrastructuur, wonen, cultuurhistorie, landschap, economie en welzijn. In de structuurvisie maakt de gemeenteraad duidelijk wat zij de komende tien jaren wil versterken, ontwikkelen, herstructureren of juist wil behouden of beschermen. Daarmee bepaalt de Structuurvisie ook de richting van de bestemmingsplannen die in de toekomst worden opgesteld.
De doelstelling binnen het thema recreatie is onder andere het verhogen van het kwaliteitsniveau van het aanbod in de gemeente Westerveld om zo duidelijker doelgroepen aan de gemeente te binden die passen bij het hoge kwaliteitsniveau van de omgeving. Er wordt gestreefd naar het omhoog brengen van het aanbod en de kwaliteit van de recreatieve voorzieningen. Zo worden bezoekers langer aan de gemeente gebonden en wordt het bestedingsniveau verhoogd en komen de uitstraling en doelgroep in lijn met de kwaliteiten van het gebied.
Het bestemmingsplan “Recreatiebedrijven Vledderweg 31 en 35” is vastgesteld in september 2011 en dus bijna 9 jaar oud. De recreatiemarkt is inmiddels behoorlijk gewijzigd en er is bijna geen vraag meer naar terreinen voor chalets en stacaravans. Er is een verschuiving opgetreden naar kleinschaligere recreatievoorzieningen met meer luxe en comfort. Het voorliggende initiatief voorziet in deze transformatie.
Volgens de structuurvisie is het verder mogelijk nieuwe bewoning in vrijkomende agrarische bebouwing toe te staan. Zo bezien vormt de Structuurvisie Westerveld geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen om het recreatieve gedeelte terug te brengen naar een kleiner perceel en dubbele bewoning mogelijk te maken in de vrijgekomen boerderij.
Gemeente Westerveld is onderdeel van het Programma Vitale Vakantieparken dat in de hele provincie Drenthe moet zorgen voor een kwaliteitsimpuls. Het programma zet in op twee sporen: excelleren en transformeren. Voorliggend plan voorziet in transformatie van een niet vitaal park naar een kleinschalig kwalitatief hoogstaand aanbod en past binnen dit programma.
Ruimtelijk gezien bevindt het plangebied zich in een omgeving met veelal gebiedsbestemming agrarisch in besloten landschap. Uitgangspunt in deze bestemming is het handhaven van de afwisseling tussen bosgebieden en open ruimten.
Het perceel Vledderweg 35 grenst aan beschermd dorpsgezicht Frederiksoord-Wilhelminaoord. De huidige situatie op het perceel doet afbreuk aan het beschermd dorpsgezicht Frederiksoord-Wilhelminaoord. Ook in het kader van de aankomende Werelderfgoedstatus van de Koloniën van Weldadigheid is het gewenst om de ruimtelijke kwaliteit op dit perceel te verbeteren. Het thans voorliggende initiatief voorziet daarin.
Dit beeldkwaliteitsplan (september 2010) bevat de spelregels waaraan de nieuwe of vernieuwde bebouwing van particulieren en ondernemers zal moeten voldoen. Het dient in de eerste plaats als toetsingskader, maar tevens als inspiratiebron. Dit beeldkwaliteitsplan is geen keurslijf, maar een hulpmiddel om met elkaar te streven om een gemeenschappelijk doel te verwezenlijken, namelijk het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Westerveld. Het is altijd mogelijk om af te wijken van de beschreven kenmerken, mits goed onderbouwd en passend in de omgeving.
Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangeduid als 'ontginningskolonieën'. De kernkwaliteiten van de ontginningskolonieën zijn:
De bestaande bebouwing die haaks op de weg staat blijft behouden. Daarnaast wordt er bij de herontwikkeling van het erf rekening gehouden met het landschap.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2021 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden, zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Archeologie
Op basis van de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Westerveld is het plangebied niet voorzien van een beschermende regeling. Voor het geldende bestemmingsplan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bodem is verstoord en er geen archeologische indicatoren zijn waargenomen.
Figuur 4.1: Uitsnede Archeologische Beleidsadvieskaart
Tekst uit huidige bestemmingsplan
Voor de aanpassing van de bestaande bebouwing gelegen aan de voorzijde van het perceel Vledderweg 35 is geen archeologisch onderzoek nodig omdat de ingrepen binnen de bestaande bebouwing zullen plaatsvinden, waarbij kan worden aangenomen dat de bodem hier toch al geroerd is.
In het verleden zijn er geen vondstmeldingen gedaan uit het plangebied, met uitzondering van een losse vondst, een bijl uit de bronstijd-ijzertijd, waarvan de precieze vindplaats niet bekend is. Naar aanleiding van het veldonderzoek is gebleken dat het hele plangebied is verstoord. Onder de bouwvoor is de C-horizont aanwezig, over het algemeen is deze laag deels opgenomen in de bouwvoor. Eventueel aanwezige, diepe archeologische grondsporen zullen daardoor sterk zijn aangetast. Middeleeuwse sporen kunnen eventueel nog wel deels zijn bewaard. Echter voor dergelijke archeologische waarden zijn geen aanwijzingen gevonden. Er zijn tijdens het veldonderzoek geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van de hierboven genoemde resultaten kan worden geconcludeerd dat de kans op onverstoorde archeologische grondsporen in het plangebied zeer klein is. De bodem is verstoord en er zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Beperkende of beschermende maatregelen zijn voor het plangebied aan de Vledderweg dan ook niet wetenschappelijk te verdedigen. Archeologisch vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Indien er onverhoopt bij de uitvoering toch archeologische grondsporen worden aangetroffen en/of vondsten worden gedaan, dan dienen deze te worden gemeld bij de gemeente Westerveld en de provinciaal archeoloog (Drents Plateau). Het Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek (Steekproefrapport 2009-03/19) is opgenomen in bijlage 4 van deze toelichting.
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied.
Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.
Gebiedsbescherming
Met betrekking tot gebiedsbescherming is de ligging van de aangewezen Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) van belang.
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, bevindt zich op circa 1,8 km afstand ten noordoosten van het plangebied. Het meest nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland, bevindt zich op circa 3 km afstand ten noordoosten van het plangebied.
Het plangebied ligt in het buitengebied op afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen.
Natura 2000-gebieden: impact stikstofdepositie
In Nederland staan veel Natura 2000-gebieden onder druk door een overbelasting van stikstofdepositie. In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waar ten minste één stikstofgevoelig habitat voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof.
Er kan worden geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot een toename van de stikstofdepositie in de kritische gebieden en dat het daarom op voorhand duidelijk is dat deze in redelijkheid, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Daarop hoeft voor deze projecten op dit punt geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Dit blijkt ook uit een stikstofonderzoek met Aerius-berekening die zowel voor de exploitatie- als de aanlegfase is uitgevoerd. Zie hiervoor Bijlage 5.
Soortenbescherming
Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort.
Voor de te slopen gebouwen is een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt in een rapport. Dit rapport is als bijlage 6 toegevoegd aan de toelichting. In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat.
Overzicht potentieel aanwezige beschermde soorten (bron: tabel 3.1 van bijlage 6)
Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Met onderhavige ontwikkeling worden werkzaamheden aan de boerderijwoning voorgesteld. Daarom wordt voor de soorten die hinder ervaren van deze werkzaamheden een nader onderzoek uitgevoerd. Voor de sloop en/of de verbouwing van de gebouwen moet door middel van een onderzoek zijn aangetoond dat er geen negatieve effecten ontstaan op beschermde soorten.
Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd.
Omdat een Woonbestemming een geluidsgevoelige bestemming is, dient een toets aan de Wet geluidhinder te worden uitgevoerd. Recreatie wordt in het kader van de Wet geluidhinder niet gezien als een geluidgevoelige functie.
Met dit bestemmingsplan wordt een bestaande bedrijfswoning bestemd als reguliere woning. Daarnaast wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Uit onderstaand figuur blijkt dat het plangebied en de beoogde woning binnen de geluidszone van de Vledderweg liggen. Daarom is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten gevolge van de Vledderweg/N855 en de Hooiweg wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Een hogere waarde procedure is niet noodzakelijk.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat indien ter plaatse van een projectgebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.
Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een nieuwe woonfunctie. Om deze reden is een verkennend
bodemonderzoek noodzakelijk om aan te tonen dat de actuele bodemkwaliteit voldoende is voor de
woonfunctie.
De nieuwe woning wordt gerealiseerd binnen de bestaande boerderij. Deze boerderij wordt in de huidige situatie al gebruikt als bedrijfswoning. Om deze reden is een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast blijkt uit het bodemonderzoek dat is uitgevoerd voor het geldende bestemmingsplan de bodemgesteldheid ten tijde van het onderzoek geen belemmering vormde voor het plan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor het bepalen van de richtafstanden wordt onderscheid gemaakt tussen de gebiedstypes 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'.
In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich, op een afstand van 130 meter, Stal Vledder. Verder bevinden zich geen bedrijven in de buurt.
Volgens het advies van de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) d.d. 2 juni 2020 (Z2020-00004662) (bijlage 3) heeft de gewenste ontwikkeling geen grotere milieubeperking voor omliggende bedrijven dan nu al is toegestaan op grond van het geldende bestemmingsplan. Wel neemt de bestaande milieubelasting van de camping af door minder campingeenheden, stoppen met het houden van paarden en het verkleinen van het campingterrein. Daarnaast neemt de afstand tussen het buitenterrein van de camping naar de dichtstbijzijnde woning toe van circa 50 m naar 75 m.
Met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de richtafstanden van bedrijven en milieuzonering.
Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets wordt gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Het plangebied ligt in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta.
Beoordeling
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te 'toetsen op water', de zogenaamde watertoets. De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Voor dit plan moet de korte procedure worden gevolgd.
Relevant beleid
Het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta staat beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het stedelijke gebied heeft het waterschap het beleid geformuleerd in 'Water Raakt!'. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Invloed op de waterhuishouding
Voorkeursbeleid hemelwater
Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.
Watervergunning (of melding) op grond van de Keur
Het wateradvies dat is afgegeven in het kader van de watertoets is geen watervergunning of melding. Worden er werkzaamheden verricht in de beschermingszone van een waterstaatswerk (dus: een dijk of een watergang)? Wordt hemelwater afgevoerd op oppervlaktewater of wordt er grondwater onttrokken? Dan moet een watervergunning worden aangevraagd op de website: www.omgevingsloket.nl.
Wetgeving lozen in oppervlaktewater
In het plan vindt afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater plaats. Voor lozingen op het oppervlaktewater geldt een vergunning- of meldingsplicht in het kader van de Waterwet.
Hemelwater van schone oppervlakken (zoals daken en tuinen) mag rechtstreeks geloosd worden. Hemelwater dat van een parkeerterrein afstroomt (of anderszins) vervuild raakt, dient via een bodempassage af te wateren. Voor het lozen van grondwater in oppervlaktewater gelden specifieke regels.
A-watergangen
In het plan bevindt zich geen A-watergang. A-watergangen hebben een belangrijke functie voor de waterafvoer en -berging. Deze watergangen staan op de legger van het waterschap en de Keur is van toepassing. Volgens de Keur zijn alle activiteiten die plaatsvinden in, op of langs watergangen van het waterschap vergunningsplichtig. Voor minder ingrijpende activiteiten zijn algemene regels vastgesteld. Hierdoor kan er sprake zijn van vrijstelling of hoeven deze activiteiten alleen te worden gemeld. Er moet in het plan rekening gehouden met de Keur van het waterschap. Er wordt geadviseerd tijdig melding te maken of een vergunning aan te vragen.
De provinciale weg N855 (Vledderweg) is een relatief drukke weg. Deze weg is echter ingericht als 60 km-zone en heeft de functie van erftoegangsweg. Dit houdt in dat de aanliggende percelen direct worden ontsloten op de weg. De inritten van de camping en de woning zijn daartoe zo ingericht dat gemotoriseerd verkeer van naar deze locatie goed zicht heeft op de inritten en de weg. Het fietspad langs de N855 is gelegen aan de zuidkant van deze weg, oftewel aan de kant van het plangebied. De fietsers van en naar het kampeerterrein hoeven de N855 daarom niet over te steken. Gevaarlijke situaties voor langzaam verkeer treden derhalve niet op.
Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking. Het verkeer neemt echter in vergelijking met de uitgangspunten uit het geldende bestemmingsplan niet toe. In onderstaande tabel is de afname van het aantal verkeersbewegingen te zien.
| Functie | Programma | Kencijfer CROW per standplaats | Verkeersgeneratie per etmaal | ||
| Kampeerterrein (huidig bestemmingsplan) |
130 standplaatsen | 0,4 | -52 | ||
| Kampeerterrein (nieuw bestemmingsplan) |
20 standplaatsen | 0,4 | 8 | ||
| Afname | -44,8 | ||||
De parkeerbehoefte wordt doorgaans berekend aan de hand van kencijfers. CROW-parkeerkencijfers van publicatie 381 ('Toekomstbestendig parkeren') zijn algemeen erkend en worden vaak toegepast als referentie of uitgangspunt voor gemeentelijke parkeernormen. In de CROW publicatie 381 is echter geen specifiek parkeerkencijfer voor verblijfsrecreatie opgenomen zoals dit bestemmingsplan mogelijk maakt, daarom is voor onderhavige ontwikkeling gebruikt gemaakt van de kengetallen die gelden voor een camping (1.1 per standplaats). Op basis van deze categorie geldt voor het plangebied per verblijf 1.1 parkeerplaats. Zoals beschreven in 2.2 worden er 20 logiesverblijven mogelijk gemaakt. Voor de recreatiefunctie zijn in totaal 21 parkeerplaatsen noodzakelijk. Voor de woning zijn op basis van de CROW-kengetallen nog eens 2 parkeerplaatsen noodzakelijk. Voor de boogde ontwikkeling zijn dus in totaal 23 parkeerplaatsen noodzakelijk. Deze 23 parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd. Hiervoor is voldoende ruimte binnen het plangebied.
In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2025) geldt in de directe omgeving van het projectgebied een gemiddelde fijnstof concentratie (PM10) van minder dan 18 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van minder dan 10 µg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus zeer goed.
Plannen die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan luchtverontreiniging zijn op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan voldoet hieraan als het een toename van minder dan 3% van de grenswaarden tot gevolg heeft. Bij woningbouwplannen van minder dan 1.500 woningen is dit het geval.
Het plan is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Het maakt slechts een nieuwe woning, kampeertenten en tiny houses mogelijk. Hiermee blijft het plan onder de grens van 1.500 woningen.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het toetsingskader wordt gevormd door verschillende besluiten en documenten (Bevi, Bevb, Bevt). Risico's zijn inzichtelijk gemaakt op de risicokaart die per provincie wordt bijgehouden.
In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart van Drenthe geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Met de beoogde ontwikkeling worden ook geen (nieuwe) risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Voor dit aspect is dan ook geen onderzoek nodig. In de ontvangen stukken, zit een onderzoeksrapport Externe veiligheid buitengebied agrarische gebieden. Het onderzoeksrapport is te vinden in bijlage 8 van de toelichting.
Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een KLIC-melding in kaart gebracht.
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig waarmee in dit plan rekening gehouden dient te worden. Aan de voorzijde van het perceel loopt een waterleiding. Deze zal geen invloed hebben op de realisatie van de plannen.
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.
Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de herinrichting van een recreatieterrein. Daarnaast wordt met dit plan de bestemming 'Agrarisch' aan het gebied toegevoegd. Daarbij neemt de bestaande bebouwing binnen het plangebied af. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden.
Er kan worden vastgesteld dat er geen negatieve milieueffecten te verwachten zijn en daarmee geen plan-MER plicht geldt.
Het bestemmingsplan is opgezet overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij hoort een juridische regeling die is opgezet overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Deze standaard geeft bindende standaarden voor de opbouw van de planregels en de verbeelding. Het bestemmingsplan is opgezet conform deze landelijke standaarden en het bestemmingsplan Buitengebied 2019 van de gemeente Westerveld.
Het bestemmingsplan bestaat uit een set met bestemmingsregels, een digitale verbeelding en de plantoelichting. In deze paragraaf volgt een toelichting op de bestemmingsregels.
Bestemming: Agrarisch - 2
Het gebied boven het stuk grond met de bestemming 'Recreatie - 1' krijgt de bestemming 'Agrarisch - 2'. Deze gronden zijn uitsluitend bestemd voor landbouw. De gronden gebruiken ten behoeve van een veehouderij is niet toegestaan.
Bestemming: Recreatie - 1
Voor nagenoeg het gehele plangebied geldt de bestemming 'Recreatie - 1'. Binnen het opgenomen bouwvlak zijn bedrijfsgebouwen met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 en 6,5 meter toegestaan.
Bestemming: Wonen - Voormalige boerderijpanden
De boerderij en bijbehorende gronden zijn bestemd met de bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijpanden'. In de boerderij ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - twee woningen' is naast de (hoofd)woning, een zelfstandige woonruimte voor de inwonende (schoon)ouders toegestaan.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële uitvoerbaarheid
Dit plan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. In dit geval is er geen sprake van uitvoeringskosten. Het plan wordt hiermee economisch uitvoerbaar geacht.
Grondexploitatie
Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Indien er sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente hiervoor in beginsel een exploitatieplan op te stellen. Van deze verplichting kan worden afgezien als het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Dit kan door middel van een anterieure overeenkomst. Voor vaststelling van het planologisch besluit dient duidelijk te zijn op welke wijze de kosten zullen worden verhaald.
In dit geval wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten om het kostenverhaal te verzekeren. Hierin zijn onder de kosten met betrekking tot het begeleiden van de bestemmingsplanprocedure en daaraan verwante kosten opgenomen. Tevens is hierin het aspect planschade afgedekt.
Het bestemmingsplan doorloopt de procedure zoals vastgelegd in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wro. Door het voeren van de genoemde procedure, met de daar bijhorende zienswijzen-, c.q. beroepsprocedure, wordt de maatschappij betrokken bij het plan.
In eerste instantie is het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de genoemde periode kon een ieder bij het college van Burgemeester en Wethouders zienswijzen indienen omtrent het ontwerpbestemmingsplan. Vervolgens is het bestemmingsplan op 26 april 2021 ongewijzigd vastgesteld.