| Plan: | Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening, perceel Weg achter de Es 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1701.509PHZWAdeEs2UFF-0003 |
Aan de Weg achter de Es 2 te Uffelte zit een agrarisch bedrijf en een mini-camping gevestigd. De mini-camping bestaat uit 25 standplaatsen. Het aantal standplaatsen op de camping wordt uitgebreid. Directe aanleiding voor dit plan betreft het project 'Klimaatbuffer Zuidwest Drenthe', waarbij agrarische gronden van het agrarische bedrijf als waterberging worden ingericht. Het inkomen vanuit het agrarische bedrijf zal hierdoor afnemen. Door een uitbreiding van de bestaande mini-camping, kan deze inkomstenderving worden beperkt. Voor de uitbreiding van de mini-camping is een inrichtings- en beplantingsplan opgesteld welke is opgenomen in de bijlagen (Bijlage 3 van de regels). Aangezien de ontwikkeling niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, moet een bestemmingsplanherziening plaatsvinden.
Het erf aan de Weg achter de Es 2 te Uffelte maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan (en reparatieplan) 'Buitengebied' van de gemeente Westerveld. Dit bestemmingsplan is gewijzigd vastgesteld op 5 juli 2012. Het perceel aan de Weg achter de Es 2 te Uffelte heeft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Landschap 2'. Het erf had de enkelbestemming 'Agrarisch - 2' gekregen, maar deze is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd (datum uitspraak 6 augustus 2014). Hierdoor is tijdelijk het vorige bestemmingsplan Buitengebied Havelte weer van kracht geworden. Het voorliggende plan, waarbij de mini-camping wordt uitgebreid bij het bestaande agrarisch bedrijf, past niet binnen dit geldende bestemmingsplan. Hiertoe is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is.
Afbeelding 1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied', gemeente Westerveld (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
Het bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening, perceel Weg achter de Es 2 bestaat uit de volgende stukken:
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van het plangebied weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van de voorliggende toelichting.
De toelichting is opgebouwd uit 7 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt eerst ingegaan op het plangebied en de ontwikkeling. Dit betreft een gebiedsbeschrijving en een planbeschrijving. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod. In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het van toepassing zijnde rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. De randvoorwaarden die hieruit volgen worden getoetst aan het plan. Hoofdstuk 4 bevat een waardentoets. Hieruit blijkt welke waarden er in het plangebied aanwezig zijn en of deze worden aangetast door de ontwikkeling. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieuaspecten aan bod. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 een korte toelichting gegeven van de juridische aspecten en planverantwoording. In hoofdstuk 7 wordt tot slot ingegaan op de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de ligging van het plangebied. Daarnaast wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven.
Het perceel Weg achter de Es 2 ligt ten noorden van de kern Uffelte en dichtbij het natuurgebied Holtingerveld. De natuurgebieden Dwingelderveld en het Drents-Friese Woud liggen op verdere afstand (zie afbeelding 2).
Afbeelding 2: Ligging plangebied (Bron: Google Earth)
Op het perceel Weg achter de Es 2 is een agrarisch bedrijf met mini-camping (kamperen bij de boer) gevestigd. Deze camping (SVR-minicamping Boerdam) is achter het agrarische bedrijf gelegen en heeft 25 campingplaatsen. Het agrarische bedrijf en de minicamping zijn nauw met elkaar verweven (zie afbeelding 3). In een deel van de agrarische bebouwing zit verblijfsruimte voor de campinggasten gevestigd en de campinggasten kunnen genieten van de agrarische activiteiten en de aanwezige dieren. Dit betreffen met name koeien, geiten en schapen. Bij het totale bedrijf is 27 hectare agrarische grond in eigendom.
Afbeelding 3: Luchtfoto plangebied met daarop o.a. aangegeven de aanwezige bebouwing (Bron: Google Earth)
SVR-minicamping Boerdam is zeer succesvol. De bezettingsgraad is hoog. Belangrijkste succesfactoren zijn de combinatie met het agrarische bedrijf en de ligging nabij natuurgebied. De camping is omgeven door natuur en vormt daardoor een uitstekende uitvalsbasis voor natuurliefhebbers om te wandelen en te fietsen. Zo gaat vanuit de camping een rechtstreeks wandelpad naar natuurgebied Holtingerveld.
Aanleiding plan
Natuurmonumenten werkt aan het project 'Ootmaanlanden' in de omgeving van het Holtingerveld. Dit project maakt deel uit van de gebiedsontwikkeling Uffelte-Ruinen. Het project is tot stand gekomen door een samenwerkingsverband tussen Het Waterschap Reest en Wieden, de provincie Drenthe en de gemeenten Westerveld en De Wolden. Om gestuurde berging in deelgebied Ootmaanlanden mogelijk te maken, zijn gronden nodig van het bedrijf, gelegen aan de Weg achter de Es 2. Het gaat hierbij om 19 hectare. Door het verlies van deze 19 hectare grond verkleint het inkomen uit de agrarische bedrijfsvoering. De veebezetting wordt gestabiliseerd. Deze stabilisatie en extensivering heeft een positief effect op de nabijgelegen natuurgebieden, maar een negatief effect op de bedrijfseconomische draagkracht.
Gewenste situatie
Men wil deze inkomstenderving beperken door de standplaatsen op de bestaande minicamping uit te breiden, waarbij het plangebied van de huidige minicamping niet wordt vergroot. Wel wordt ook ruimte gemaakt voor enkele camperplaatsen. Het betreft een specifiek en bijzonder plan binnen de gemeente. Namelijk een gemengd bedrijf (agrarisch en kamperen) gericht op de natuur (extensieve agrarisch natuurbeheer en natuurtoerisme.
Landschappelijke inpassing
Ten behoeve van het plan is een inrichtings- en beplantingsplan opgesteld. Dit plan is opgenomen in de bijlagen, zie Bijlage 3 van de regels. Afbeeling 4 betreft een uitsnede van dit inrichtings- en beplantingsplan.
Afbeelding 4: Uitsnede inrichtings- en beplantingsplan
De realisatie van het inrichtings- en beplantingsplan is in de planregels verplicht gesteld. Deze verplichting is ook opgenomen in een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente.
In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid dat betrekking heeft op het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Het wordt benaderd vanuit het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Uit het beleid volgen randvoorwaarden die worden getoetst aan het voorgenomen plan.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het Rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. In 2012 is deze visie officieel in werking getreden. In deze structuurvisie schetst het Rijk ambities voor Nederland in 2040. Uitgaande van de verantwoordelijkheden van het Rijk zijn de ambities uitgewerkt in rijksdoelen tot 2028, daarbij is aangegeven welke nationale belangen aan de orde zijn. De tijdshorizon is gesteld omdat in de loop van de tijd nieuwe ontwikkelingen en opgaven kunnen vragen om bijstelling van de rijksdoelen. Voor de ambities zijn rijksinvesteringen slechts één van de instrumenten die worden ingezet. Kennis, bestuurlijke afspraken en kaders kunnen ook worden ingezet. De huidige financiële rijkskaders (begroting) zijn randvoorwaardelijk voor de concrete invulling van die rijksambities. De ruimtelijke waarden die het nationaal belang waarborgen zijn opgenomen in 13 verschillende belangen. In de structuurvisie wordt ook aangegeven op welke wijze het Rijk deze belangen wil verwezenlijken. Dit zorgt voor een duidelijk overzicht in één document gezamenlijk met de doelen die het Rijk heeft opgesteld.
Relevant voor het voorliggende plan is dat het tot stand brengen van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) als opgave van nationaal belang is benoemd. Het voorliggende plan ligt in de directe nabijheid van de EHS. De EHS wordt met het voorliggende plan versterkt. Het betrokken bedrijf extensiveert en stabiliseert de agrarische bedrijfstak. Het onderhavige plan maakt daarnaast geen inbreuk op de overige nationale belangen, zoals in de SVIR benoemd.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken:
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de EHS, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van het de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen.
Op het voorliggende bestemmingsplan is alleen de ligging nabij de EHS van toepassing. Deze EHS wordt met het voorliggende plan niet aangetast. Het onderhavige plan heeft verder geen betrekking op de overige benoemde onderdelen in het Barro.
De voorgenomen ontwikkeling is dermate kleinschalig dat, naast de realisatie en bescherming van de EHS, vanuit de SVIR en de Barro geen randvoorwaarden of uitgangspunten rechtstreeks doorwerken op het voorgenomen plan.
De Omgevingsvisie Drenthe is voor Drenthe een centraal visiedocument. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. In de visie zijn vier wettelijk voorgeschreven provinciale planvormen samengenomen:
Op 2 juni 2010 is deze Omgevingsvisie door de Provinciale Staten van de provincie vastgesteld. De bijbehorende Omgevingsverordening is op 9 november 2010 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Provinciale Staten hebben vervolgens op 2 juli 2014 ingestemd met de Actualisatie van de Omgevingsvisie, welke op 20 augustus in werking is getreden.
De provincie wil ontwikkelingen stimuleren die een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. Deze kwaliteit zit voor de provincie in het zorgvuldig gebruikmaken van de ruimte, het behouden en waar mogelijk versterken van de kernkwaliteiten en het waarborgen van de kwaliteit van het milieu en de leefomgeving. Vrijetijdseconomie is een belangrijke economische pijler voor Drenthe. Drenthe moet aantrekkelijk blijven voor recreanten en toeristen. Van provinciaal belang is het verbeteren en vernieuwen van het bestaande aanbod van verblijfs- en dagrecreatie en van de toeristisch-recreatieve infrastructuur.
Dit voorliggende plan sluit aan op deze doelstelling. Het betreft een specifiek en bijzonder plan binnen de gemeente. Namelijk een gemengd bedrijf (agrarisch en kamperen) gericht op de natuur (extensieve agrarisch natuurbeheer en natuurtoerisme. Daarnaast wordt er ruimte geboden voor campers. De vraag naar deze plaatsen groeit, terwijl er binnen de gemeente Westerveld weinig aanbod is.
De kernkwaliteiten van de provincie zijn weergegeven op kaarten. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn, dient in het ruimtelijk plan te worden uiteengezet dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten. Enkele kernkwaliteiten zijn van belang voor het voorliggende plan.
Kernkwaliteit landschap
Bij ruimtelijke plannen dienen de karakteristieke kenmerken van de verschillende landschapstypen behouden en versterkt te worden. Het plangebied ligt in 'Esdorpenlandschap'. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen; namelijk het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide. Rond de dorpen liggen de landschapsonderdelen die vanouds in het landbouwsysteem elk hun eigen functie hadden. Direct aan de rand van het dorp lagen de 'goorns': kleinschalige, verkavelde gebieden met hagen en singels. Op de hoger gelegen gronden ontwikkelden zich door de eeuwen heen de essen, omzoomd door bosjes, strubben of soms een ringwal. In het lager gelegen beekdal lagen de graslanden, tot aan het begin van de vorige eeuw onverdeeld, de zogenaamde madelanden. Later zijn de beekdalen sterk verkaveld en hebben ze door de aanleg van houtwallen een kleinschalig, besloten karakter gekregen. Buiten de gecultiveerde wereld lag de grote 'woestenij': het veld, de heide.
Het voorliggende plangebied en de directe omgeving betreft een relatief kleinschalig, verkaveld gebied met veel hagen en singels. Ook bij de inpassing van de camping is gebruik gemaakt van singels. Het plangebied betreft geen es of beekdal (deze zijn van provinciaal belang).
Kernkwaliteit Cultuurhistorie
De provincie wil cultuurhistorie herkenbaar houden en de ruimtelijke identiteit versterken. Het plangebied ligt in het gebied 'Drentse Hoofdvaart'. De ambitie hier is om het karakter als beelddrager van een ensemble van kanaal, sluis- en brugcomplexen en gerelateerde bebouwing te versterken. Het voorliggende plan heeft hier geen directe invloed op.
Kernkwaliteit: Robuuste natuur en natuurnetwerk
Het plangebied is omsloten door de Ecologische Hoofdstructuur. Tevens is aan de noordwestkant Natura 2000-gebied Holtingerveld gelegen. Het plangebied zelf is aangemerkt als 'robuuste natuur'. Het voorgenomen plan is ontwikkeld mede naar aanleiding van de ligging van het plangebied nabij natuurgebied. De 19 hectare grond van de familie Schenkel die ter beschikking worden gesteld ten behoeve van de 'Ootmaanlanden', sluit aan op natuurgebied. Deze agrarische gronden zullen dienen als waterberging, voor natuur worden ingericht en extensief worden beheerd. Dit draagt bij aan de provinciale natuurdoelstellingen en de wateropgave.
Afbeelding 5: Uitsnede kaart Ecologische Hoofdstructuur
Het voorliggende plan past binnen het provinciale beleid, zoals weergeven in de Omgevingsvisie en bijbehorende Omgevingsverordening. De provincie streeft het verbeteren en vernieuwen van het bestaande aanbod van verblijfs- en dagrecreatie na. Daar draagt het voorliggende plan aan bij.
De structuurvisie van de gemeente Westerveld is vastgesteld op 26 november 2013. In deze structuurvisie schetst de gemeente de wenselijke ontwikkelingsrichting, waaronder de mogelijkheden voor wonen, werken / ondernemen en recreëren in dit prachtige gebied. De structuurvisie blikt vooruit op al deze ontwikkelingen. Welke ontwikkelingen zullen naar verwachting plaatsvinden? En hoe wil de gemeente daarop inspelen? De ambitie van de gemeente is dat het voor iedereen goed wonen, leven, werken, verblijven en ontspannen is, in een aantrekkelijk gebied, waar eenieder handelt met respect voor de identiteit en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
In het algemeen geldt dat randvoorwaarden voor de (ontwikkelings)mogelijkheden voor functies in het buitengebied, in belangrijke mate voortvloeien uit het landschap: de waardevolle kenmerken en landschappelijke verscheidenheid die behouden en waar mogelijk versterkt moet worden. Met inachtneming van deze randvoorwaarden krijgen de landbouw en de natuur de ruimte om zich verder te ontwikkelen. Tevens zal de recreatie en het toerisme (als speerpunt benoemd), die in economisch opzicht een belangrijke plaats inneemt binnen de gemeente en binnen de regio, de nodige ruimte krijgen.
Initiatieven vanuit de markt die een bijdrage leveren aan de toeristisch-recreatieve sector (zowel dag- als verblijfsrecreatie) in Westerveld worden onder voorwaarden gefaciliteerd. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen het buitengebied en de kernen. In het buitengebied geldt dat nieuwvestiging van reguliere kampeerterreinen mogelijk is onder voorwaarden die aansluiten bij provinciaal beleid. Er wordt gekeken naar de economische effecten van de nieuwe locatie en de directe omgeving. Ook wordt de ontwikkeling geplaatst in de beoogde ontwikkelingsrichting van het ontwikkelingsgebied. Binnen het ontwikkelingsgebied 'Natuur en Recreatie' zijn recreatieve ontwikkelingen alleen aan de randen mogelijk (het perceel Weg achter de Es 2 ligt in het ontwikkelingsgebied 'Lanbouw, Natuur en Recreatie'). De nieuwe ontwikkeling mag niet ten koste gaan van bestaande functies zoals natuur en bedrijvigheid. Nieuwvestiging van verblijfsrecreatie/bungalowterreinen wordt niet uitgesloten. Het accent ligt echter op de bestaande bedrijven.
Het voorgenomen plan past binnen het relevante beleid, zoals weergegeven in de structuurvisie. De omzetting van het 'kamperen bij de boer' naar een kleinschalig regulier kampeerterrein, past binnen de ontwikkelingsrichting. De landschappelijke structuur wordt behouden en versterkt.
Zoals in hoofdstuk 1 aangegeven maakt het plangebied deel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Westerveld. Dit bestemmingsplan is gedeeltelijk vernietigd waardoor het vorige bestemmingsplan Buitengebied Havelte tijdelijk weer vigerend is. Het bestemmingsplan 'Buitengebied' wordt met inachtneming van het besluit van de Raad van State hersteld. Het herstelplan zal geen aanpassing van de agrarische bestemming (Agrarisch - 2) tot gevolg hebben. Tijdens de procedure van het herstelplan zal de gedeeltelijke functieswijziging van het perceel Weg achter de Es 2 zo mogelijk worden overgenomen.
Er is reeds geconcludeerd dat het voorgenomen plan niet binnen de geldende bestemming op het erf Weg achter de Es 2 te Uffelte past. In de bestemmingsplantoelichting van het bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn de planuitgangspunten van dit bestemmingsplan opgenomen. De relevante planuitgangspunten worden hierna toegelicht.
De gemeente Westerveld maakt een onderscheid tussen kampeerterreinen en bungalow-/huisjesterreinen. Daarnaast worden de kampeerterreinen onderscheiden in de reguliere kampeerterreinen en de bijzondere kampeerterreinen, zoals het kleinschalig kamperen.
Kleinschalig Kamperen
Het bestemmingsplan biedt ruimte voor verbreding van de agrarische bedrijven met niet-agrarische nevenactiviteiten, waaronder kleinschalig kamperen (kamperen-bij-de-boer). De gemeente Westerveld kiest ervoor om via een afwijking kleinschalig kamperen tot maximaal 25 standplaatsen toe te staan bij agrarische bedrijven met minimaal 20 NGE's. Het terrein moet in principe binnen het aaneengesloten bouwblok worden gerealiseerd, maar in ieder geval binnen de agrarische bedrijfskavel. Er kunnen bijbehorende gebouwen gerealiseerd worden met een maximale oppervlakte van 50 m2.
Bestaande reguliere kampeerterreinen
De externe werking van uitbreiding van recreatieterreinen is in het kader van de planMER / Passende beoordeling onderzocht. Uitbreiding van reguliere kampeerterreinen is mogelijk onder voorwaarden en er zal per situatie maatwerk worden geleverd. Uit de planMER blijkt dat de verblijfsrecreatieve bedrijven relatief weinig toename aan verstoring door dagrecreanten veroorzaken en dat meestal met eenvoudige maatregelen lokale verstoring valt te voorkomen. In de praktijk blijkt dat het heel goed mogelijk is om kwaliteitsverbetering met uitbreiding van de bestaande recreatieterreinen te verenigen met natuurdoelstellingen. Voor kwaliteitsverbetering en uitbreiding van bestaande bedrijven geldt dat getoetst wordt aan onder andere de Natuurbeschermingswet en dat er geen medewerking zal worden verleend als significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied kunnen optreden en deze effecten niet voldoende kunnen worden gemitigeerd. Bij de afweging om uitbreidingen van terreinen al dan niet toe te staan, worden de spelregels van de EHS betrokken. Ook bij uitbreiding van reguliere kampeerterreinen die niet in de EHS liggen, maar waar wel natuurwaarden gecompenseerd moet worden, zullen de spelregels van de EHS gehanteerd worden. De ontwikkelingen mogen niet ten koste gaan van de ontwikkelingsmogelijkheden van eventuele reeds in de omgeving aanwezige functies, zoals bijvoorbeeld de aanwezige natuur en agrarische bedrijven.
In het kader van ontwikkeling wordt ruimte geboden aan vestiging van vernieuwende hoogwaardige toeristisch-recreatieve voorzieningen die zich onderscheiden van het bestaande aanbod. Randvoorwaarde hierbij is dat er nieuwe doelgroepen worden aangesproken. De in te zetten ontwikkelingen moeten in de komende jaren meer banen en hogere bestedingen opleveren. Dit staat ook zo omschreven in de Nota Kampeerbeleid van de gemeente Westerveld.
Conclusie
Het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Westerveld maakt onderscheid tussen kleinschalig kamperen (maximaal 25 campingplaatsen) bij agrarische bedrijven en reguliere kampeerterreinen. De gemeente wil graag diversiteit in kampeeraanbod behouden, en heeft daartoe dit onderscheid aangebracht. In het voorliggende plan wordt het aantal campingplaatsen bij een agrarisch bedrijf uitgebreid, in samenhang met het project 'Klimaatbuffer Ootmaanlanden'. Op deze wijze wordt bijgedragen aan de realisatie van natuurdoelen en een deel van de wateropgave in het gebied Uffelte-Ruinen (beekdalen Oude Vaart en Wold Aa). Het plan sluit goed aan op de gewenste differentiatie van het verblijfsrecreatief aanbod. Het betreft een specifiek en bijzonder plan binnen de gemeente. Namelijk een gemengd bedrijf (agrarisch en kamperen) gericht op de natuur (extensieve agrarisch natuurbeheer en natuurtoerisme). Ook wordt er daarbij ruimte geboden aan campers. Hier is steeds meer vraag naar, maar binnen de gemeente Westerveld wordt hier nog nauwelijks op ingespeeld.
Het voorgenomen plan past binnen de planuitgangspunten van het bestemmingsplan 'Buitengebied', waarin ook bestaand beleid is opgenomen, zoals de 'Nota kampeerbeleid'.
Uit de voorgaande beleidstoets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het nationale, provinciale en gemeentelijk beleid.
In dit hoofdstuk wordt de waardentoets beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Bij soortenbescherming heeft men te maken met de flora- en faunawet.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet richt zich op de bescherming van soorten. De Flora- en faunawet gaat uit van het 'nee, tenzij'-principe, bepaalde handelingen waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. In het voorliggende plan wordt een bestaand campingterrein intensiever gebruikt (meer standplaatsen), wordt een parkeerplaats omgevormd tot een plek waar beperkt campers geplaatst mogen worden en wordt een parkeerplaats gerealiseerd op de plek waar nu een sleufsilo ligt.
Bij al deze werkzaamheden blijft de huidige aanwezige flora en fauna behouden. Zo worden bestaande houtwallen niet aangetast. Er is dan ook geen sprake van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden (dit wordt ook zo geconcludeerd in de Voortoets Natuurbeschermingswet, zoals opgenomen in Bijlage 1.
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingsweg 1998 beschermd. De EHS betreft een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.
Het plangebied aan de Weg achter de Es 2 te Uffelte ligt nabij het Natura 2000-gebied Holtingerveld. Daarom is een Voortoets Natuurbeschermingswet uitgevoerd, welke is opgenomen in Bijlage 1. In deze Voortoets Natuurbeschermingswet wordt geconcludeerd dat negatieve effecten van de geplande ontwikkeling vanuit de Natuurbeschermingswet op voorhand worden uitgesloten. Een vergunning vanuit de Natuurbeschermingswet is niet nodig. Ook heeft het plan geen negatief effect op de EHS.
Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk terplekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn.
De gronden waarop de uitbreiding met campingplaatsen is voorzien, hebben in het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Westerveld de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 3'. Dit betekent dat deze gronden mede bestemd zijn voor het behoud van de archeologische waarden. Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,30 meter onder maaiveld wordt geroerd en deze bouwwerken een oppervlakte hebben van meer dan 1000 m2. Hiervan is in het voorliggende plan geen sprake. Een nader archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Met het voorgenomen plan worden daarnaast ook geen cultuurhistorische waarden aangetast.
Het is verplicht om in elk bestemmingsplan een waterparagraaf op te nemen. In deze waterparagraaf wordt een overzicht gegeven van het beleid, voor zover relevant, dat van toepassing is op het plangebied. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden aangetoond dat in het plan mogelijkheden bestaan voor een goede waterhuishouding.
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Rijksbeleid
Het Nationaal Waterplan (NWP) is in december 2009 opgesteld en geeft de hoofdlijnen aan van het beleid dat het Rijk voert in de periode 2009 tot en met 2015 om tot een duurzaam waterbeheer te komen. Het NWP richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. NWP is een opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het NWP is tevens eens structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogt en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn de basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. De volgende generaties moeten Nederland als veilig en welvarend waterland ervaren. Water is mooi en Nederlanders genieten graag van water. Het doel van het NWP is: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. De uitvoering van projecten van het NWP zijn al in volle gang. Zo hebben we in Nederland het Hoogwaterbeschermingsprogramma, programma's voor de rivierverruiming (Ruimte voor de rivier en de maaswerken) en stroomgebiedbeheersplannen zodat de waterkwaliteit wordt verbeterd.
Watertoets, waterschap Reest en Wieden
Op grond van artikel 12 van het Besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen voorzien worden van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap Reest en Wieden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. Dit houdt in dat doorgegaan kan worden met het plan. Het voorgenomen plan heeft geen negatief effect op de waterhuishouding. Het totale verharde oppervlak aan bebouwing en verharding neemt maar beperkt toe, het waterpeil wordt niet gewijzigd, er worden geen wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem aangebracht en het grondwater wordt niet vervuild. Het toetsresultaat en de standaard waterparagraaf zijn opgenomen in de bijlagen, Bijlage 2 en Bijlage 3.
Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen aanwezige waarden aangetast.
Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op:
Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de gewenste ontwikkeling.
Bepaald moet worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Op basis van de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoekplicht:
De agrarische activiteiten op het erf Weg achter de Es 2 wijzigen niet. Voor de uitbreiding van de camping met voornamelijk standplaatsen, waarbij geen bodemverstorende activiteiten plaatsvinden, is geen bodemonderzoek vereist. De bestaande camping is ook gesitueerd op voormalige agrarische gronden die zijn aan te merken als een onverdachte locatie.
Bij het aspect geluid is de Wet geluidshinder (Wgh) van toepassing. Deze wet heeft als doel het terugdringen van hinder als gevolg van geluid. De wet stelt bepaalde eisen aan de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Op basis van deze wet dient bij het vaststelling of herziening van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid door de akoestische situatie te beoordelen. De geluidsbronnen die de Wet geluidhinder behandelt zijn industrielawaai, verkeerslawaai en railverkeerslawaai.
Industrielawaai en railverkeerslawaai zijn bij deze locatie niet van toepassing, omdat er geen spoorwegen en industriegebieden in de nabije omgeving gelegen zijn. Betreffende wegverkeerslawaai ligt het recreatieterrein aan de Weg achter de Es 2. Dit betreft een relatief rustige weg. De standplaatsen liggen op meer dan 30 meter van deze weg.
Het agrarisch bedrijf met de camping ligt wel binnen 50 meter afstand van een burgerwoning. Deze burgerwoning ligt op circa 40 meter afstand van de projectlocatie, en is gelegen aan de Weg achter de Es 3. Op dit punt is onderzoek verricht om aan te tonen dat kan worden voldaan aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit.
Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder ander beschreven wanneer en hoe overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen, hoeven niet meer te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën opgenomen (de projectlocatie valt onder: inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling geldt dat een woningbouwlocatie niet in betekende mate bijdraagt wanneer deze niet meer dan 1500 woningen omvat.
De voorgenomen ontwikkeling aan is zo kleinschalig (<1500 woningen) dat deze niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een nader onderzoek is derhalve niet van toepassing op de ontwikkeling.
Het beleidsveld externe veiligheid is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij onder andere: productie, opslag, verlading en gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Vanaf 1 januari 2010 zijn er strikte risicogrenzen die in milieuvergunningen en bestemmingsplannen moeten worden vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Dit gaat concreet om bedrijven die risicovol zijn, vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Externe veiligheid kan op twee manieren ingedeeld worden:
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten om afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Hierdoor wordt het aantal personen in de omgeving van een risicovol bedrijf beperkt. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van een kansberekening. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vanaf 1 januari 2011 het toetsingskader bij planontwikkeling in de nabijheid van hogedrukaardgasleidingen en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft grondslag in de Wet Milieubeheer (Wm) en in de Wro.
Op de risicokaart zijn geen risicovolle objecten of omstandigheden aangegeven in of in de nabijheid van het plangebied, behoudens de redelijk nabijgelegen provinciale weg (N371). Deze weg is aangewezen voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze weg ligt echter op bijna 150 meter afstand van de camping. Deze ruime afstand brengt geen beperkingen mee voor de beperkte uitbreiding van het aantal standplaatsen op de camping.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Aan de hand van de richtafstanden is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie in en rondom het betreffende plangebied. Het gaat hierbij dus enerzijds om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat ernstige mate wordt aangetast. Anderszijds gaat het om de vraag of de camping geen beperkende invloed op de bedrijfsvoering van bestaande inrichtingen gaat hebben.
Het agrarisch bedrijf blijft gehandhaaft en stabiliseert. De camping breidt uit in voornamelijk het aantal standplaatsen. Op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een dergelijke camping/verblijfsrecreatieterrein aangemerkt als ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d.’, die worden geschaard onder milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 50 meter (voor het aspect geluid). Voor de aspecten geur en gevaar gelden richtafstanden van 30 meter. Binnen deze richtafstanden bevinden zich geen milieugevoelige functies. Er wordt aan de genoemde richtafstanden voldaan. Het kampeerterrein ligt op meer dan 50 meter van de dichtsbijzijnde burgerwoning. Wel wordt het parkeerterrein op circa 40 meter van een bestaande burgerwoning gesitueerd. het gaat hierbij echter om auto's die met een zeer beperkte snelheid rijden. Gezien de afstand kan redelijkerwijs worden gecludeerd dat ruimschoots voldaan kan worden aan de geldende geluidsnormen.
Daarnaast betreft het bedrijf aan de Weg achter de Es 2 geen milieugevoelige functie die beschermd dient te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende bedrijven of instellingen. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, deze geeft aan of er voor acitiviteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een MER gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal:
In het plangebied is sprake van beperkte uitbreiding van een bestaande camping, bij een te handhaven agrarisch bedrijf. Het recreatieterrein wordt aangemerkt als een recreatieve of toeristische voorziening. Het Besluit m.e.r. kent twee categorieën die een relatie hebben met een recreatieve of toeristische voorziening. Eén categorie heeft betrekking op een volledige nieuwvestiging. Hiervan is geen sprake. De tweede categorie heeft betrekking op 'aanleg, wijziging of uitbreiding van één of meer recreatieve of toeristische voorzieningen'. Deze categorie is vermeld in onderdeel D van de bijlage, activiteit D 10.1. Uit kolom 2 van onder D van de bijlage kan worden afgeleid dat er sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
In dit geval ligt het aantal bezoekers en oppervlakte van de inrichting ver beneden de genoemde drempelwaarden, waardoor het kan worden aangemerkt als een niet m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit. Met de ontwikkeling worden er geen negatieve effecten verwacht op kwetsbare gebieden. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang alsmede overige omgevingsaspecten in voldoende mate is afgewogen en dat er geen nadelige effecten zijn te verwachten.
In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen met zich meebrengt.
In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe de juridische regeling (de regels en de verbeelding) van deze bestemmingsplanherziening is vormgegeven.
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De regels geven inhoud aan de op de verbeelding (plankaart) aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd kan of mag worden. Bij de opzet van de regels is getracht het aantal bepalingen zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen wat daadwerkelijk van noodzaak is. Hiervoor zijn een aantal standaarden ontwikkeld door het Ministerie van VROM. Deze zijn o.a. de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen (PRBBP2012). In dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van deze standaarden. Daarnaast is, waar mogelijk, aangesloten op de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied' van de gemeente Westerveld.
Het juridische bindende deel van het plan bestaat uit de verbeelding en regels. Deze worden digitaal en analoog verbeeld. De verbeelding en regels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken namelijk:
1. Inleidende regels
Dit hoofdstuk bevat twee artikelen:
Artikel 1: Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Artikel 2: Wijze van meten
Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
2. Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen.
Artikel 3: Agrarisch - 2
Binnen deze bestemming zijn de specifieke bouw- en gebruiksregels opgenomen met betrekking tot het grondgebonden agrarische bedrijf.
Artikel 4: Recreatie - 2
Binnen deze bestemming zijn de specifieke bouw- en gebruiksregels opgenomen met betrekking tot het recreatieterrein.
Arikel 5: Waarde - Archeologie 3
Binnen deze bestemming zijn de specifieke regels opgenomen ter bescherming van archeologische waarden.
Arikel 6: Waarde - Landschap 2
Binnen deze bestemming zijn de specifieke regels opgenomen ter bescherming van landschappelijke waarden.
3. Algemene regels
Deze regels zijn algemene regels die voor het gehele bestemmingsplan gelden. Vaak zijn ze van toepassing op meerdere bestemmingen:
Artikel 7: Antidubbeltelbepaling
Artikel 8: Algemene bouwregels
Artikel 9: Algemene gebruiksregels
Artikel 10: Algemene afwijkingsregels
Artikel 11: Overige regels
4. Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
Artikel 12: Overgangsrecht
In de overgangsregels zijn de juridische consequenties aangegeven betreffende bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.
Artikel 13: Slotregel
Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
Dit hoofdstuk beschrijft de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen plan.
In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Er wordt geconstateerd dat er geen waarden aangetast worden in het plangebied en in de directe omgeving. Verder zijn er geen milieukundige belemmeringen geconstateerd (zie hoofdstuk 5). Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.
Vooroverleg
Het plan is, als bedoeld in artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening, toegezonden aan de overlegpartners Gedeputeerde Staten van Drenthe, Natuur en Milieufederatie Drenthe, de Recron en LTO Noord. Het plan is op 3 september 2015 toegezonden met het verzoek om desgewenst binnen de termijn van ter inzage legging van het voorontwerp bestemmingsplan (vanaf 24 september 2015 tot en met 21 oktober 2015) te reageren. Alleen Gedeputeerde Staten van Drenthe heeft per brief gereageerd en hierbij aangegeven dat het plan geen aanleiding geeft tot op- of aanmerkingen. De overlegreactie is opgenomen in Bijlage 5.
Inspraak voorontwerp bestemmingsplan
Het voorontwerp bestemmingsplan heeft voor de duur van zes weken voor een ieder voor inspraakreacties ter inzage gelegen, vanaf 24 september 2015 tot en met 21 oktober 2015. Tijdens deze terinzagelegging zijn er geen inspraakreacties ingediend.
Zienswijzen ontwerp bestemmingsplan
Het ontwerp bestemmingsplan heeft van 12 november 2015 tot en met 23 december 2015 voor de duur van zes weken voor zienswijzen ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
In het voorliggende geval wordt een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente Westerveld. Hierin is tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk, en economisch uitvoerbaar is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus worden gerealiseerd.